VIJFDE HOOFDSTUK

De godsdiensten. Polytheïsme. Monotheïsme. Godsdienststichters en het

geloof in openbaring. De toekomst van den godsdienst.

Wanneer wij nu ten slotte eenige bladzijden wijden aan de godsdiensten

in het algemeen, dan blijken, ook als wij afzien van de menigte der

lagere, minder ontwikkelde godsdienstvormen, nog verschillende

indeelingen mogelijk. Laat ik er drie paren, die elkander vaak kruisen

en dooreenloopen, uitlichten om daaraan de problemen vast te knoopen die

ons nu zullen bezig houden: men onderscheidt natuurgodsdiensten en

godsdiensten met heilige schriften, polytheïstische en monotheïstische,

en eindelijk nationale en universeele of wereldgodsdiensten.

Het eenvoudigste en meest voor de hand liggende schijnt wel te zijn het

onderscheid tusschen polytheïsme en monotheïsme, en hier althans

gelooven wij op vasten bodem te staan, wanneer wij terstond daaraan een

waardeeringsoordeel verbinden en het polytheïsme een lageren, minder

ontwikkelden vorm van religieus gelooven en voorstellen achten. Immers

het oneindige kan slechts als eenheid gedacht worden; neemt dus de

mensch meerdere oneindige wezens, verschillende goden aan, dan moet hij

noodzakelijk den een door den ander beperken, het oneindige tot iets

eindigs maken, en zoo zal al spoedig een laag en onwaardig element in

deze polytheïstische godsvoorstelling binnensluipen. Daarbij denk ik aan

zekere Grieksche godenmythen, op wier onzedelijkheid ik reeds vroeger

gewezen heb. Maar juist van de Grieken kunnen wij ook allerlei leeren,

dat onze gedachten hierover toch nog wel wat verandert. Al dadelijk moet

men zich natuurlijk niet voorstellen, dat het Grieksche volk als geheel

alle deze goden ook werkelijk vereerd of slechts gekend heeft, die in

onze leerboeken der Grieksche mythologie staan vermeld. In het brandpunt

van geloof en religieuze vereering stond voor iedere stad en iedere

landstreek toch voornamelijk eén van deze velen, dàt was hun God; en zoo

er dan al meerdere waren, dan was voor iederen vrome afzonderlijk toch

slechts eén van deze van het meeste belang en de waarlijk vereerde, dat

was zijn God; en zij, die alle goden evenzeer vereerden, dat waren

vermoedelijk ook daar niet de echt godsdienstige naturen, maar de

oppervlakkige en uiterlijke vromen, de benepen nauwgezette, de geheel

correcte menschen, die niets willen overslaan. Maar zij, die hooger en

dieper blikten, zagen toch al spoedig dat achter deze bontgekleurde

godenwereld, de Godheid en het Goddelijke zelf stond.[49] Philosophen

mochten deze gedachten bewust uitspreken en doordenken, anderen hielden,

zonder daar verder over te peinzen, aan deze goden vast als de

uitdrukking, en als bijzondere dragers en vertegenwoordigers van het

eéne goddelijke; en zelfs de dichters, die toch den Grieken hunne

godenwereld geschonken hebben, werkten nu den monotheïstischen trek, die

in de monarchistische inrichting van den Olympus was gelegen, ook van

hun kant steeds fijner en zuiverder uit: Zeus werd de God der goden,

_de_ God. Zoo zien wij dus te midden van een polytheïstischen godsdienst

het monotheïsme langzaam grooter en sterker worden, zien het ten slotte

om zoo te zeggen als doel, als noodzakelijk en natuurlijk resultaat der

ontwikkeling voor ons staan.

Anders bij de Joden. Hier bestond het monotheïsme van den aanvang af,

maar niet, gelijk men het vaak voorstelt, als een hoog en verheven goed,

dat hun als een godsgave gaaf en rijp in den schoot was gevallen, maar

veeleer als een zeer lage en eenzijdige opvatting, die men daarom in

onderscheiding van wat het later geworden is, beter met den naam

„henotheïsme” aanduidt. Jahwe is de God der Joden, machtiger dan alle

goden der andere volksstammen in den omtrek, maar desalniettemin een God

als deze, van hetzelfde geslacht en denzelfden aard. Het sterk en

isoleerende stamgevoel van dit semietische volk spreekt zich in dezen

henotheïstischen Jahwedienst uit en in zooverre kan men van een soort

„monotheïstisch instinct” spreken, dat echter ook wel met de

onmiskenbare onvruchtbaarheid hunner fantasie zal samenhangen. _Eén_ god

der Joden, en deze éene alleen _hun_ God: ieder gevaar dat dit

stamgevoel bedreigde,--in tijden van bloei een druk verkeer met de

afgodendienende naburige stammen, in tijden van nood het dreigend

verlies van politieke zelfstandigheid of nationaal bestaan,--bracht

daarom ook dit henotheïsme aan het wankelen. Wat het ten slotte gered

heeft, dat was de overgang tot het eigenlijke monotheïsme, en zij die

dezen omkeer hebben voorbereid en doorgezet, waren de profeten Israëls.

Het middel dier redding echter was de gedachte der goddelijke

heiligheid: onze God is een heilig God! Door deze verdieping van het

zuiver nationale tot het zedelijke was Jahwe een andere geworden dan

alle overige goden, nu eerst werd hij de eenige God: zoo werd het

monotheïsme als een zedelijk verdiept en gereinigd godsgeloof[50]

geboren.

In deze zedelijke verheffing ligt de beteekenis en de blijvende waarde

der Joodsche Godsidee, het monotheïstische is daarvan slechts eene, zij

’t ook zeer voor de hand liggende consequentie, gelijk het aan den

anderen kant haar noodzakelijk uitgangspunt was. Dat ziet men aan het

Christendom, waar het zedelijke in de Godsidee is vastgehouden,

daarnaast echter de consequente doorvoering der monotheïstische

gedachte werd opgegeven, waartegen dan ook de Islam als streng en star

monotheïsme een reactie brengt. In het Christendom is onder den invloed

van het levendige en bewegelijke Hellenisme een leer aangaande God

opgekomen, die eenerzijds zijn eenheid en absoluutheid onaangetast laten

wilde en anderzijds in deze eene Godheid voor drie personen plaats wilde

maken. Ligt hierin een tegenspraak die noch in de godsvoorstelling noch

voor het denken op te lossen is, omgekeerd is de katholieke kerk door

heiligendienst en heiligenvereering, waarbij ieder zich zijn

schutspatroon kiest, aan de populaire voorstellingen en de duidelijk

polytheïstische neiging der menigte zoozeer tegemoet gekomen, dat ons de

strijd van het Protestantisme daartegen als tegen iets heidensch maar al

te goed begrijpelijk wordt. Dat af en toe werkelijk wel eens een

heidensche godheid tot een christelijke heilige is geworden, is voor

deze gansche denkwijze als het ware een symbool.

Is de schijnbaar zoo klare en eenvoudige tegenstelling tusschen

polytheïsme en monotheïsme door de onderscheiding tusschen henotheïsme

en monotheïsme reeds eenigermate aan het wankelen gebracht en in het

eene veelal een toenaderen of terugvallen tot het andere aan te wijzen,

de grenzen vervagen en vervloeien nog meer, wanneer wij daartusschenin

het begrip pantheïsme stellen. Wanneer wij daarin alléen een wijsgeerige

wereldbeschouwing hadden te zien, zou het hier niet ter sprake behoeven

te komen. Maar er is ook een pantheïstische godsdienst of als ge liever

wilt een religieus pantheïsme, zooal niet als aparte vorm van religie,

dan toch als een soort onderstrooming in alle zoowel polytheïstische als

monotheïstische godsdiensten.

Bij het pantheïsme als wijsgeerige wereldbeschouwing valt alle nadruk op

de verhouding van God tot de wereld, die hier gedacht wordt als een

immanente, niet als buiten- en bovenwereldlijke, transcendente, naar

Goethe’s grootsche gedachte, die wij onvertaald laten, omdat zij bij

iedere vertolking verliest en evenals het volgende woord van algemeene

bekendheid is:

Was wäre ein Gott, der nur von aussen stiesse,

Im Kreis das All am Finger laufen liesse!

Ihm ziemt’s, die Welt im Innern zu bewegen,

Natur in Sich, Sich in Natur zu hegen,

So dass, was in Ihm lebt und webt und ist,

Nie seine Kraft, nie seinen Geist vermisst.

De godsdienst daarentegen is een persoonlijke verhouding van den mensch

tot zijnen God. Dat en hoe deze op pantheïstischen grondslag gedacht kan

worden, kunnen wij van Goethe leeren, wanneer hij Faust in zijne

geloofsbelijdenis laat zeggen van den Oneindige die alles omvat en alles

leidt:

Erfüll davon dein Herz, so grosz es ist,

Und wenn du ganz in dem Gefühle selig bist,

Nenn es dann, wie du willst,

Nenn’s Glück! Herz! Liebe! Gott!

Ich habe keinen Namen

Dafür! Gefühl ist alles;

Name ist Schall und Rauch,

Umnebelnd Himmelsglut.

Maar zelfs bij den meest wijsgeerigen van alle pantheïsten, bij Spinoza,

loopt het pantheïsme toch op religie uit, als hij aan het slot van zijn

Ethica komt te spreken over den amor dei intellectualis, de

intellectueele liefde van den mensch tot God, over Gods liefde in den

mensch tot den mensch en over Gods liefde in den mensch tot zich zelven.

Dat heeft men langen tijd schromelijk miskend, en daarom was in de oogen

der kerk pantheïsme identiek met atheïsme, Spinoza de van God

vervloekte, door Joden en Christenen beiden verworpen en verstooten.

Eerst Lessing en Jacobi, eerst Herder en Goethe hebben hem beter

verstaan en beter doen verstaan, en nu kon Schleiermacher in zijne

„Reden über die Religion” in vervoering uitroepen: „Offert met mij

eerbiedig een lok aan de schim van den heiligen verstooten Spinoza! Hij

was doordrongen van den hoogen wereldgeest, het oneindige was hem begin

en einde, het heelal zijn eeuwige en eenige liefde; in heilige onschuld

en diepen deemoed spiegelde hij zich in de eeuwige wereld en trachtte

haar zuivere, lieflijke spiegel te zijn; zoo was hij vol van

religie en vol heiligen geest.”[51] De theoloog van het vrome

afhankelijkheidsgevoel kon echter den wijsgeer van het pantheïsme

slechts daarom zoo diep vereeren, wijl zijne vroomheid zelf door en door

pantheïstisch gekleurd was. Met het universum, het gansche heelal zich

een gevoelen, en te midden der eindigheid éen worden met den Oneindige,

dat was zijn godsdienst; en niet alleen de godsdienst der „Reden”, maar

ook die zijner „Glaubenslehre” waarin het veelal slechts anders klinkt,

niet anders bedoeld is. En sinds Schleiermacher weten wij het en kunnen

wij het verstaan, hoe alle godsdienst, hoe ook de mystiek een sterk

pantheïstischen trek heeft: God alles in alles, zoo ook ik in God, een

modus, een deel Gods, in God opkomend en ondergaand, God in mij, mij

doortrillend en verwarmend, of zooals een mystieke het stout uitdrukt:

Ich bin nicht ausser Gott und Gott nicht ausser mir,

Ich bin sein Glanz und Licht und er ist meine Zier.

Ich bin so gross als Gott, er ist als ich so klein,

Er kann nicht über mich, ich unter ihm nicht sein.

Ich bin so reich als Gott, es kann kein Stäubchen sein,

Das ich, Mensch, glaube mir, mit ihm nicht habe gemein.[52]

Dat is de religieuze immanentie, het vrome pantheïsme der mystiek. En

wanneer de mystieke geschriften en preeken, hymnen en liederen, vaak zoo

pantheïstisch klinken en deze eenheid van God en mensch vaak zoo

drastisch wordt geteekend, dan kan het ons toch ook nu weder achteraf

niet verwonderen, dat in de Middeleeuwen vele van deze mystici als

pantheïstische ketters door de kerk veroordeeld zijn. Dat zij zelf de

pantheïstische ketterij meer dan men meende en weet, in eigen boezem

verbergt, dat velen van haar meest gevierde theologen pantheïstische

elementen in hunne systemen mede hebben opgenomen--ik noem naast den

protestantschen Schleiermacher den katholieken Thomas van Aquino--, ja

dat zelfs in de kerkelijke leerstellingen over de behoudenis der wereld

de immanentie naast de in het scheppingsdogma tot uiting komende

transcendentie een groote plaats inneemt, mag hier althans aangestipt

worden.

Nu zou men kunnen meenen, dat dan wellicht hierin de in het tweede

hoofdstuk vergeefs gezochte band tusschen gelooven en weten te vinden

ware, in het Pantheïsme zouden dan beiden het eens worden. Dat dat

individueel inderdaad mogelijk is, dat toonen stellig mannen als Spinoza

of Schleiermacher. Maar toch vrees ik, dat de nog niet zoo lang geleden

uitgesproken hoop als zouden kerk en wetenschap, theologie en

philosophie op den grondslag van het pantheïsme eenmaal den eeuwigen

vrede kunnen sluiten, een utopie zal blijken te zijn. In het pantheïsme

ligt een moeilijkheid die zich naar twee zijden openbaart: God en wereld

éen, God het al-eene, daarin ligt het gevaar dat òf de wereld, de kosmos

in God zich gansch oplost--akosmisme, dat de dingen dezer wereld niets

anders zijn dan modaliteiten, afspiegeling en beweging van het

oneindige, de wereld niets, God alles. Of omgekeerd, de godheid gaat op

in de wereld, zóo dat voor haar niets meer overblijft dan--een naam, en

voor het akosmisme van straks nu het atheïsme in de plaats treedt. In

het eerste geval komt, gelijk men gemakkelijk inziet, het wezen der

wereld niet tot zijn recht, en dreigt ook het weten aangaande de wereld

te vervluchtigen; in het tweede blijft de godsdienst onbevredigd en komt

de vrome plotseling te staan voor het niets. Een enkele kan misschien de

klippen rechts en links ontzeilen; maar Schleiermacher toont ons reeds

hoe op den smallen bergkam tusschen de beide afgronden, waarvan de eene

de wereld, de andere de godheid dreigt te verzwelgen, geen school,

gezwegen nog van een gemeente of een kerk, staan en zich een vaste

plaats veroveren kan. Wanneer wij dan daarenboven nog bedenken hoe

weinig het pantheïsme tegemoet komt aan den anthropomorphistischen trek,

den godsdienstigen mensch eigen, dan zullen we moeten eindigen met deze

conclusie: het pantheïsme kan ten alle tijde slechts een bestanddeel,

een element des godsdienstigen levens zijn, zij het dan wellicht een

zeer krachtig en intensief element, maar de godsdienst zelf en de

godsdienst eener gemeenschap kan het nooit worden; en als wijsgeerige

beschouwing blijft het gelijk iedere uitspraak over het goddelijke

steeds slechts een hypothese die men waagt; ook hier behouden weten en

gelooven hun verschillend karakter.

Als tweede onderscheiding stelde ik godsdiensten die op een heilige

schrift zich beroepen, tegenover alle natuurgodsdiensten, hoewel hier

het onderscheid nog minder volstrekt is dan bij de eerstgenoemde

groepen. Want iedere eenigermate ontwikkelde vorm van godsdienst bezit

geschriften, tooverspreuken, offerliederen en gebeden, ritueele

tractaten, ceremonieele wetten enz.; alleen de hoogsten echter bezitten

die alomvattende, voor cultus, geloof en leven eener godsdienstige

gemeenschap gezaghebbende heilige geschriften of bijbels, zooals het

Avesta der Perzen, de Koran der Mohammedanen, het Oude Testament der

Joden, het Nieuwe Testament der Christenen, het Tao-te der Chineezen.

Zij hebben voor de belijders van den godsdienst kanoniek gezag, en dit

is gegrond op hun goddelijken oorsprong, op inspiratie en openbaring.

Waar zulke heilige boeken bestaan, daar wordt het geloof bijna

onvermijdelijk tot een geloof in deze boeken, een bijbelgeloof, dat in

dien zin daarin Gods woord ziet, dat alles, zij ’t ook door

menschenmond, door God zelf gesproken is en daarom reeds absoluut geloof

verdient. De inhoud geldt als waarheid, omdat hij in den bijbel staat.

Wij hebben echter gezien, dat deze opvatting met het wezen van den

godsdienst niet in overeenstemming is, maar eigen is aan het orthodoxe

intellectualisme, dat in den godsdienst vooral op de leer en hare

overlevering, op dogma en op woorden den nadruk legt. Het is echter een

der meest ware en vruchtbare gedachten van Lessing, dat het Christendom

ouder is dan het Nieuwe Testament, de godsdienst ouder dan de bijbel en

dus daarmede staat noch valt. En wanneer nu de historische critiek

aantoont, hoe langzamerhand en niet zonder allerlei strijd deze

kanonische boeken ontstaan en dan tot éene verzameling vereenigd zijn,

hoe allerlei tijdelijke belangen en geschillen hun invloed hebben doen

gelden, hoe vergankelijke opvattingen naar den toenmaligen stand der

kennis en persoonlijke meeningen, ook wel misverstanden en zelfs

aanstootelijke dingen mede zijn opgenomen, dan zal men wel is waar niet

ophouden steeds weer op deze boeken te wijzen als de onmiddellijke

bronnen en „sprekende gedenkteekenen uit het heldentijdvak van den

godsdienst”; maar men zal toch ook het zuiver menschelijk karakter dezer

geschriften niet mogen voorbijzien en ontkennen, en bovendien de

psychologisch onhoudbare voorstelling van hunne woordelijke inspiratie

moeten opgeven, dus evenmin voor de boeken van den eigen godsdienst een

uitzondering kunnen maken, die men voor andere heilige geschriften

zonder meer verbiedt.

En dat alles, meen ik, is tevens in het belang van den godsdienst zelf,

die niet afhankelijk gemaakt worden mag van letters en woorden en

daarmede van de resultaten der historisch-litterarische critiek, en

evenmin gedwongen mag worden tot een oneerlijke en kunstmatig gewrongen

verklaring en verdraaiing van woord en zin des bijbels. Juist daarin

grijpen wij zoo vaak mis bij de religieuze opvoeding, dat wij onze

kinderen gewennen en leeren, aan woorden te gelooven en bij woorden te

zweren, dat wij hun zin voor waarheid aan woorden binden; en toch is een

dergelijk woord- en bijbelgeloof het onzekerste. De bijbel echter,

wanneer wij leeren hem recht te verstaan, blijft toch zijn volle waarde

behouden als oorkonde en getuigenis van het religieus bewustzijn van

zijn tijd, den tijd der eerste liefde, der meest frissche en krachtige,

onmiddellijke en onbevangen religieuze gemoedservaring. Voor het goed

recht van eene zoodanige vrije opvatting van woord en waarde des bijbels

spreekt ook reeds het feit, dat de stichters der godsdiensten--alleen

Lao-tse uitgezonderd--niet zelf de schrijvers van heilige boeken zijn

geweest. Buddha noch Christus hebben een geschreven woord nagelaten. Men

heeft dat wel eens betreurd, ik kan daarin (met Max Müller)[53] slechts

een grooten zegen en een gelukkige beschikking zien: want daardoor is

het ergste gevaar van letterdienst en bijbelvergoding uit den weg

geruimd en tevens ruimte gebleven voor vrijheid van denken en gelooven,

die in de kerken toch al zoozeer gevaar loopen. Tevens echter ligt

daarin een aanwijzing, dat waar het in den godsdienst op aankomt niet

het geschreven woord, maar de persoon van den stichter is.

In en door deze machtige persoonlijkheden, zoo gelooft de vrome,

openbaart zich het goddelijke aan de menschen of openbaren deze aan de

menschheid de volheid van het goddelijke, zooals zij dat zien en in

zich dragen. Waar zij iets nieuws te brengen hebben, wordt hen dit

nieuwe en nooit vernomene tot iets wat aan hen en door hen geopenbaard

is. En zij zelf hebben dat niet gevonden op den moeizamen weg van de

bespiegeling, van het discursieve denken, maar in zich zelven, zij

hebben het innerlijk ervaren, intuïtief aanschouwd; uit de geheimzinnige

diepten van het onbewuste ziels- en gevoelsleven is het schijnbaar

plotseling losgebroken en als een werking Gods over hen gekomen. En

gelijk het niet een product is van koel verstandelijk denken, zoo werkt

het ook als een macht die over den mensch heengaat, hij weet niet hoe;

het is als een roeping, een taak die hem wordt opgelegd, een plicht soms

eerst na zwaren innerlijken strijd aanvaard, om dit nieuwe, deze

openbaring Gods der wereld te verkondigen. En wanneer zich dan deze

beelden en ideeën aan hen opdringen met steeds grooter kracht en

klaarheid en eindelijk voor hun geestesoog als een schitterend lichtende

gestalte zich vertoonen, dan sleepen zij den ziener en profeet, den van

God bezielden mensch onweerstaanbaar met zich mede en verleenen hem in

woord en daad die kracht, die de massa weet te bezielen en steeds

meerderen tot volgelingen en jongeren, tot geloovigen, en als het moet,

tot martelaars kan maken.

Maar spreken wij van openbaring[54] overal waar de heroën en genieën der

menschheid, vol van hun God, meesleepend en bezielend door de

betoovering en de kracht van hun persoonlijkheid hun groote taak

vervullen, voor den vrome beteekent dit woord natuurlijk meer. Hem is

het niet slechts een religieus genie dat uit de diepte van zijn vroom

gemoed hem wereld en leven verklaart en zijnen God hem verkondigt, maar

hij hoort uit den mond van den stichter de stem van zijnen God zelf: een

profeet en godsgezant, een Boeddha en Christus, een zoon des menschen,

die tevens Godszoon, vleeschgeworden God is, zoo staat hij voor hem en

dat eerst is hem openbaring. Dat is de stap van den Jezus der historie

tot den Christus des geloofs, van den asceet Gotama tot den Buddha, den

verlichten, dat men niet slechts gelooft wat zij zeggen, maar dat men

aan hen zelf gelooft.

Daaruit volgen twee moeilijkheden. Al dadelijk is het historisch niet

gemakkelijk, zich van het innerlijk leven juist van de grootste en

hoogste dezer heroën van den godsdienst een zuiver beeld, een klare

voorstelling te vormen. Bij een profeet als Jeremia, een Apostel als

Paulus, een reformator als Luther, daar kan het nog wel gelukken zich in

hun zieleleven te verplaatsen, hun „daimonion” te verstaan. Voor den

echten godsdienststichter daarentegen staan wij als voor een diep, een

moeilijk te ontwarren probleem. Diegene van hen, in wiens innerlijk

leven wij nog het eerst zouden kunnen doordringen, Mohamed, is ook niet

uitsluitend een religieus genie, hij is ook veroveraar en verstandig

diplomaat, een scherpe politieke kop en daarbij ongetwijfeld met beslist

pathologische eigenschappen behept geweest. En Kong-tse (Confucius) is

meer moralist dan wel godsdienststichter geweest en is stellig de minst

geniale.

Van de beide grootsten daarentegen, den vorstenzoon in ’t land van den

Ganges en den timmermanszoon uit het Jordaandal is ons geen beeld in het

belang der historie of met geschiedkundige betrouwbaarheid overgeleverd,

maar het is ontworpen door de hand van het geloof en van de liefdevolle

vereering, en zoo is een ideale goddelijke gestalte ontstaan. Het is dan

ook nog geen biograaf gelukt het leven van Jezus en wat er in zijn

bewustzijn omging uit den schoonen schemerglans van het geloof in het

volle daglicht der historie te brengen. De eenige die gepoogd heeft zulk

een gaaf beeld te herscheppen, de Franschman Renan, heeft het leven van

Jezus tot een roman gemaakt; en de Duitsche geleerden hebben het met

hun historische nauwgezetheid en zelfbeperking tot niet meer dan een

mozaiek van slechts enkele lijnen kunnen brengen om zich ten slotte neer

te leggen bij de gedachte dat de historische Jezus een probleem is en

blijft.[55]

De tweede moeilijkheid is gelegen in de vraag naar de bevestiging van

een dergelijke openbaring. Daarvoor heeft ten alle tijde het wonder

gegolden; en ofschoon Jezus zelf met snijdende scherpte „het boos en

overspelig geslacht” terugwees, dat „hem verzocht met de bede om een

teeken van den hemel” (Mattheus 16, 1-4), is toch eeuwen lang de

bevestiging van zijne woorden gezocht in de wonderen die hij verricht

zou hebben en die aan hem geschied zouden zijn. Ook hier is het weder

Lessing geweest, die heeft aangetoond, dat voor ons later geborenen, die

toch eerst weder aan de berichten van zulke gebeurtenissen moeten

gelooven, voor wie wondergeloof alzoo slechts geloof in den bijbel is,

wonderen geen teekenen en bewijzen van geest en kracht kunnen zijn en

wij derhalve in het belang van den godsdienst geen zorg meer behoeven te

koesteren over de onmogelijkheid of onwaarschijnlijkheid van wonderen.

„Het wonder is het liefste kind des geloofs,” daarom kan het geloof geen

kind van het wonder zijn!

Een veel betere bevestiging vinden wij heden ten dage in de gevolgen van

Jezus' optreden, dat het hem toch gegeven werd te overwinnen, en een

wereld uit haar hengselen te lichten. Daarmede wordt echter de gansche

vraag verschoven: wanneer het ons ook al niet meer mogelijk is, te lezen

in de ziel van den godsdienststichter, wijl hier het geheimenis der

persoonlijkheid en een de historie verduisterende overlevering van het

vrome geloof ons het halt toeroept, dan is het desniettemin toch wel

mogelijk te erkennen en te begrijpen hoe deze openbaringen uit de diepte

van een innig religieus gemoed hebben gewerkt. En hier staat dan in de

eerste plaats de tijd, waarin zulk een religieuze heros optreedt, de

tijd met al zijn vragen en behoeften, al zijn hoop en verlangens, al

zijne nooden en smarten, waarvoor hij het juiste woord vindt: „als de

volheid der tijden gekomen was,” dan eerst kan hij komen, dan eerst zijn

taak vervullen.

Aan den anderen kant echter blijft toch steeds de hoofdzaak datgene wat

als waarheid van leven en sterven verkondigd wordt, de inhoud dier

openbaring. Toen Buddha[56] tegen de Brahmanen, Jezus tegen Pharizeën en

Sadduceën optraden, moesten zij de wereld overtuigen dat hetgeen zij der

wereld te zeggen en te geven hadden, beter was en hooger recht had dan

wat hun tegenstanders leerden, om meer geloof te vinden dan deze. En

daarom moesten zij, gelijk zij bemiddelaars waren tusschen de menschen

en den door hen geopenbaarden God, ook de redders en verlossers hunner

volkeren worden. Uit Egypte heeft Mozes het volk Israël weggevoerd om

het aan den Sinaï zijnen God en diens wet te openbaren; uit de onrust

van den door de Brahmaansche priesters gekweekten angst voor de

zielsverhuizing heeft Buddha het Indische volk bevrijd, doordat hij hen

het lijden leerde verstaan en hun den weg toonde zich daarvan los te

maken en in te gaan in de eeuwige rust van het Nirwana. En zoo heeft ook

Jezus hen die vermoeid en beladen waren verkwikking beloofd voor hunne

zielen, aan het graf der politieke verwachtingen zijns volks het vaandel

geplant van een rijk, dat niet van deze wereld is, en uit een hart vol

erbarmen en liefde den zondaren genade, den armen en ellendigen

zaligheid verkondigd.

Daaraan sluit zich nog iets anders aan, dat ik den socialen kant der

godsdienststichtingen zou willen noemen. In Indië richt zich Boeddha,

overigens waarlijk geen sociaal hervormer, ook tot de laagste en

verafschuwde kaste der Sudra’s en verklaart meesters en knechten,

Brahmanen en Sudra’s tot gelijken. Op gansch andere wijze nog noemt

Jezus de armen zalig (volgens Lucas 6 : 20) en roept den rijken dreigend

toe, dat eerder een kameel door het oog van een naald ga, dan dat een

rijke ingaat in het koninkrijk der hemelen (Matth. 19 : 24). En ook bij

Luthers hervorming ontwaakten de politieke en sociale verwachtingen van

den verdrukten boerenstand, die van de vrijheid der Christenen tevens

verlossing verwachtte van den dwang en den druk hunner heeren.

En eindelijk, waar deze godsdienststichters en hervormers van een

bestaanden godsdienst tegen een machtig priesterdom zich verzetten,

moesten zij bovenal blijk geven van een zedelijk overwicht, moesten zij

verkondigers worden van eene hoogere zedelijkheid. Niet als

revolutionnairen, die vernietiging wilden, traden zij op onder hunne

volks- en tijdgenooten: „Meent niet dat ik gekomen ben om de Wet of de

Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om te ontbinden maar om te

vervullen” (Matth. 5 : 17); maar daarnaast tevens: „Gij hebt gehoord dat

tot de ouden gezegd is... maar ik zegge u...”![57] Zoo slingeren zich

oud en nieuw, opbouwen en vernietigen, herstellen en opnieuw scheppen

onscheidbaar dooreen, en juist daarin leert de wereld het goed recht

dezer nieuwe zedelijk-religieuze scheppingen en openbaringen erkennen:

als de bazuin van den ondergang klinkt het den dragers van het oude, als

het verlossende woord van bevrijding en vooruitgang allen anderen in het

oor.

In deze verbinding van het nieuwe met het oude--nieuwe wijn in oude

zakken--ligt echter tevens, voor anderen, ook voor den hoogsten

godsdienst, de behoefte aan en het recht op verdere ontwikkeling en

vooruitgang boven het nog onontwikkelde begin uit. Een voorbeeld van

zulk een aanvankelijke begrenzing, die in den aanvang zelf gesteld,

later toch overschreden is, stelt ons het Nieuwe Testament voor oogen.

Wanneer Jezus eerst zegt: „Ik ben slechts gezonden tot de verloren

schapen van het huis Israëls” (Matth. 15 : 24), en later (Matth. 28 :

19) zijne jongeren uitzendt tot de gansche wereld en tot alle volkeren,

dan zien wij hier zulk een ontwikkeling, verbreeding en veralgemeening

van het oorspronkelijk bescheidener plan: de nationale Christus wordt de

heiland der gansche wereld. En zoo zal een voortdurend vervormen en

veranderen, vooruitgang of achteruitgang--want beide zijn mogelijk, de

stijgende lijn is niet de eenige--in de geschiedenis van elken

godsdienst duidelijk aan te wijzen zijn. Het scherpst vertoont zich dat

wellicht in het Boeddhisme, dat in den mond van zijn stichter een

religie was zonder God en zonder cultus, maar weldra niet genoeg had aan

het vergoden van den stichter zelf en op droevige wijze in leege

beelden- en reliquiëndienst ontaardde. En iets dergelijks schijnt ook in

China het geval te zijn met het Taoïsme, dat bijna een magische en

naturalistische karikatuur is geworden van het systeem van Lao-tse. Maar

ook in het Christendom zien wij dit veranderingsproces duidelijk voor

ons. In drie groote perioden teekent het zich af: eerst het

oer-Christendom, ongeveer tot Augustinus--de tijd van het ontstaan der

dogmen en van de vorming der kerk onder den invloed van het Hellenisme;

dan het middeleeuwsche Katholicisme--de tijd der de volken opvoedende en

beheerschende kerk; eindelijk de tijd van hervorming en

Protestantisme--het Christendom een factor, een kracht naast anderen in

het cultuurleven van den tijd, verwereldlijkt eenerzijds, verdiept en

verinnerlijkt anderzijds. En ieder van deze drie phasen maakt aanspraak

op den naam Christendom en het attribuut Christelijk, is voor zich

overtuigd alleen het ware en zuivere Christendom te vertegenwoordigen;

en toch is elk weer een andere en nieuwe vorm. En ook hier bij elk

afzonderlijk weer dezelfde ontwikkeling; in de Luthersche reformatie

bijv. was niet alles van den aanvang af voltooid, maar ’t was een

wordende en eerst allengs zich ontplooiende hervorming, die eerst

langzamerhand in leven en leer het geheel zou doordringen, en waarvan

ook nu nog gezegd moet worden, dat zij zich lang niet alzijdig genoeg

heeft doen gelden, niet consequent zich ontwikkeld, niet volkomen zich

uit- en ingeleefd heeft: de hooge eisch van geloofs- en gewetensvrijheid

heeft zij slechts als principe opgesteld, maar niet van het begin af en

ook heden nog niet in alle opzichten doorgevoerd en tot werkelijkheid

gebracht, en het gevaar van splitsing en scheuring is zij daarom niet

ontkomen.

Het boven aangevoerde voorbeeld uit het Nieuwe Testament kan ons echter

nog iets zeggen. Het Christendom is in tegenstelling van den Griekschen

en Joodschen godsdienst, geen nationale maar een universeele religie.

Het is niet zonder belang zich eens rekenschap te geven van het feit dat

juist deze door éenen mensch gestichte godsdiensten, die wel niet

toevallig allen uit Azië stammen, hunne nationale grenzen hebben

overschreden en wereldgodsdiensten zijn geworden. Alleen bedenke men:

zijn nationaal karakter kan geen godsdienst gansch en al afleggen; waar

hij derhalve komt buiten zijn oorspronkelijke grenzen, daar wordt hij

noodzakelijk een andere, vertoont hij zich bij de nieuwe volkeren in een

nieuwe gedaante en krijgt een andere lokale kleur. Stellig heeft het

oorspronkelijk semitische Christendom eerst in het Hellenisme,

vervolgens bij de Germanen gansch andere nieuwe vormen aangenomen, men

denke slechts aan de „Heliand”-sage en aan Otfried’s: „Krist”. En ook

heden nog is niet alleen het Abessinische Christendom hemelsbreed

verschillend van het onze, maar ook het Italiaansche en Spaansche is

anders dan het Duitsche, anders ook dan het Duitsche Katholicisme,

terwijl dit op zijn beurt weer verschilt van het Russische, enz.

Nationale gewoonten en karaktertrekken en het verschil in hoogte van

ontwikkeling en cultuur gaan ook in het universalisme van een

wereldgodsdienst niet te loor, evenals ook het individueele in den

vromen enkeling steeds weer tot zijn recht komt en wil komen.

Nog iets anders sluit zich hier ten slotte bij aan. Vele godsdiensten,

wereldgodsdiensten: welke van deze is dan nu de volmaaktste en beste, de

hoogste, waarste, zuiverste, de absolute godsdienst? en is het niet te

hopen dat deze dan ten laatste de andere overwinnen en verdringen zal om

de ware wereldgodsdienst te worden, dat er eindelijk nog slechts éen

kudde en éen herder zal zijn? Wij weten het reeds, iedere hoogere

godsdienst maakt er aanspraak op de eenig ware te zijn, en gelooft

daarom ook, wanneer daarover al gedacht wordt, aan eigen eeuwigheid en

overwinning, en aan zijne roeping om wereldgodsdienst te worden. Slechts

in de tragiek der Germaansch-Skandinavische mythologie werd--zij ’t ook

eerst in ’t voorgevoel van den ondergang door het overwinnende kruis van

Christus--van een „Godenschemering” gesproken.

Wat is er nu voor waarheid in die gedachten en verwachtingen? Ook nu

wederom: ik ben geen profeet. Maar ik denk zoo: wanneer onder

„l’Irréligion de l’Avenir”[58] verstaan moet worden, dat de menschheid

als geheel, althans het ontwikkelde gedeelte, eenmaal geen godsdienst

meer zal bezitten, dan kan ik mij bij dit geloof niet aansluiten. De

zucht, het verlangen naar het oneindige met al de ideeële gevoelens die

zij wekken, zullen blijven bestaan, omdat zij behooren tot ’s menschen

psychologischen inventaris, en ook de voortschrijdende cultuur kan

daarin geen verandering brengen. En eveneens zal zich de fantasie altijd

weder beelden scheppen van dat oneindige om daarmede wereld en leven op

vrome wijze te verklaren. En zoo zal er, voor zoover wij de menschen

kennen, altijd godsdienst blijven bestaan. Een tijdlang scheen het alsof

godsdienst nog slechts iets kon zijn voor de onbeschaafden, en goed

genoeg was voor het volk, terwijl wij beschaafden ons langzamerhand

daarvan geheel los zouden maken. Het komt mij echter voor, dat in onzen

tijd het tegendeel plaats grijpt, en dat--hoe paradoxaal dat ook moge

klinken--de godsdienst gevaar loopt bij de groote massa te worden

verdrongen en een tijdlang zijn laatste veilige toevlucht zou moeten

zoeken bij hen, die weten dat godsdienst als inbegrip van hooger ideeële

gevoelens iets diepers en fijners is dan rechtgeloovigheid en het

vervullen van kerkelijke plichten. Dat echter het gevaar ginds zoo groot

geworden is, en dat wij den vasten grond, dien alle religie in ons eigen

zieleleven heeft, zoo vaak niet vermogen te zien, dat is bovenal de

schuld van de kerk en van het in haar en door haar gekweekte misverstand

van wat godsdienst eigenlijk is. De godsdienst is in gevaar! roept men

uit, terwijl in werkelijkheid slechts een of andere kerkgenootschap of

een belijdenisformule wordt aangevallen of verouderd blijkt. En daarom,

wanneer wij zooeven zeiden: godsdienst zal er altijd zijn, dan wil dat

niet zeggen, dat een bepaalde godsdienst, een bepaalde kerk, een

bepaalde belijdenis zal in stand blijven en eindelijk als de eenige en

algemeen geldende zal worden beschouwd. Met de levensbehoeften en

levensvoorwaarden, met het lot der volkeren en den voortgang der

beschaving, met de intellectueele en zedelijke opvattingen der menschen

wisselen ook de religieuze voorstellingen en vormen, wisselen derhalve

ook de godsdiensten. Dat éen der thans bestaande godsdiensten alle

anderen in zich opnemen en als absolute wereldgodsdienst alleen

overblijven zal, dat is, te oordeelen naar den loop der dingen, niet aan

te nemen. Het universalistische streven, zooals wij dat in de Katholieke

kerk belichaamd zien, zal zich tegen het mystische individualisme en

tegen het protestantsche vrijheidsgevoel ten alle tijde met succes

blijven verzetten; de vraag is slechts of de verdere ontwikkeling

meer naar de eene of andere zijde zal overhellen, òf--evenals

tusschen de idee van het Koninkrijk Gods en het persoonlijk

onsterfelijkheidsgeloof--een voortdurend weifelen en wankelen tusschen

universalistische en individualistische perioden en stemmingen het

laatste woord zal zijn: en wijl wij niet weten wat de toekomst ons aan

nieuwe scheppingen op godsdienstig gebied zal brengen, kunnen wij die

vraag niet beantwoorden. En zoo beteekent dus gelooven in de toekomst

van _den_ godsdienst niet: gelooven in de toekomst van een bepaalden

godsdienst; ook hier blijft Jezus' woord van kracht: „in het huis mijns

Vaders zijn vele woningen”; en juist in godsdienstige dingen is

individualisme en verscheidenheid beter dan gelijkheid en

gelijkvormigheid, naar het woord van Goethe: „Aan den kleurrijken glans

herkennen wij het leven”.

Maar het is tijd te eindigen, hoe fragmentarisch en onvolledig het ook

zij, wat ik u in deze bladzijden heb kunnen geven. Veel moest afgebroken

en onbeantwoord blijven, veel was er dat niet eens overdacht of vermeld

werd. Voor een deel is dat te wijten aan de weinige ruimte waarover ik

mocht beschikken, voor een deel ook aan mijn niet beter weten en niet

beter kunnen; want juist wanneer men het beste zoekt te geven wat men

bezit, eischt de godsdienst zoowel als de eigen wetenschappelijke zin,

niet meer te geven dan men heeft, niet meer te zeggen dan men

verantwoorden kan, in éen woord om hier bovenal geheel en al waar en

eerlijk te zijn. Voor een deel echter ligt het toch ook aan het

onderwerp zelf, als menige vraag onbeantwoord, menige verwachting

onvervuld is gebleven. Schrijven over godsdienst beduidt noch godsdienst

geven, noch godsdienst ontnemen, maar godsdienst leeren verstaan, en

waar moeilijkheden rijzen en gevaren dreigen, deze onbevangen onder de

oogen zien en aan te wijzen. Ze op te lossen en weg te nemen, dat kon

noch mocht onze taak zijn. Dat moge ten mijnen gunste niet worden

voorbijgezien.

* * * * *

Aan dit persoonlijk slotwoord van den schrijver moge voor den

Hollandschen lezer de herinnering worden toegevoegd aan het schoone

gemeentelied (Godsd. Liederen van den Ned. Prot. Bond, lied 74), waarin

veel wat hier overdacht is wordt bezongen:

Daar ruischt door alle hemelstreken

Een zucht, een bede, een klacht, een lied:

In duizend talen ’t eene teeken

Van ’t geen niet eene kan vertolken,

En toch in ’t hart van alle volken

Zich altijd weder hooren liet.

Het is de kreet van ’t menschenharte,

Bij ’t angstig worstlen met het lot,

Om licht, om steun, om troost in smarte,

Het is, wat wisslen moog of keeren,

De kreet van ’t innigst zielsbegeeren,

Het is de kreet naar U, o God!

Godsdienst en godsdiensten · 第 15 / 83 题