VIERDE HOOFDSTUK

De godsdiensten. Individualisme en mystiek. Kerk en staat.

Wij wenden ons tot het geschiedkundig leven der religie. Een

geschiedenis der godsdiensten in het verleden, een overzicht over de

gezamenlijke nog bestaande godsdiensten--al dit historische en

ethnologische materiaal te zamen zou ons eerst volkomen kennis daarvan

kunnen verschaffen. Maar dat gaat het vermogen van één mensch, in elk

geval het mijne, verre te boven, en bovendien zou het een volkomen

hopelooze poging zijn, ook maar in zeer grove trekken een dergelijke

schets te willen geven. Maar in den historischen loop en

ontwikkelingsgang der godsdiensten liggen zelf weer vragen en problemen,

die voor het religieuze leven van belang zijn, en die wilde ik er

uitlichten en u voorleggen.

Er zijn vele godsdiensten: in het Christendom een reeks van

belijdenissen, kerken en secten, buiten het Christendom eenige in

uitbreiding en aantal aanhangers ongeveer gelijke of zelfs grootere

hoofdgodsdiensten, en dan de groote massa der kleine, weinig

omvangrijke, vaak zeer lage, zeer zeldzame, zelfs onverkwikkelijke

uitingen van religieus leven, die toch ook op den naam godsdienst kunnen

aanspraak maken. De godsdienstige mensch die van zijn eigen religie en

hare goddelijkheid doordrongen en diep overtuigd is, moet aan deze

veelheid wel aanstoot nemen en op de vraag naar haar ontstaan kent hij

ook eigenlijk slechts één antwoord: zijn godsdienst is de juiste en

ware, alle andere zijn onwaar en valsch. Deze gedachte komt tot uiting

in een bepaalde theorie omtrent den oorsprong van den godsdienst, die

men daarom wel als de godsdienstige of theologische betitelt. Volgens

haar berust de godsdienst op een goddelijke openbaring aan de eerste

menschen; deze oergodsdienst is daarom als geopenbaarde de zuiverste en

beste, de volmaakte geweest en heeft zich in den eenen waren godsdienst,

het Christendom, voortgezet of is door den stichter daarvan in zijn

oorspronkelijke zuiverheid hersteld, terwijl de bonte veelheid der

andere godsdiensten slechts gevolg is van afval en zonde, depravatie en

degeneratie.

Deze theorie, zoo eenvoudig als zij klinkt, berust toch op een gansche

rij van de meest twijfelachtige vooronderstellingen: God wordt op

kinderlijk-anthropomorphische manier gedacht als leeraar der eerste

menschen; aan deze oer-menschen wordt in een volkomen onhistorische en

onpsychologische voorstelling, die even ondenkbaar als in strijd met de

werkelijkheid is, het vermogen toegekend om een zoo rijke gave, een zoo

hoog goed te kunnen bevatten: en het wezen van den godsdienst wordt

miskend, immers opgevat als een leer en de overlevering daarvan. Deze

geheele theorie is een typisch orthodoxe conceptie: reeds de eerste

menschen en juist zij hebben de ware leer gehad, zijn orthodox geweest.

Tegen deze orthodoxe leer komt in de achttiende eeuw met vlijmende

scherpte het Rationalisme op met zijne opvatting van den oorsprong der

religie, dat echter van zijn kant opereert met evenmin nieuwe gedachten

aan de Grieksche sophistiek ontleend: de godsdienst een menschelijk

bedenksel, terug te brengen tot priesterbedrog of sluwe berekening der

overheid, en derhalve, afgezien van den alleen geldigen

rationalistischen verstandsgodsdienst, al het andere wat daaraan is

toegevoegd, leugen en bedrog en kinderachtig bijgeloof.

Maar ook deze opvatting is even intellectualistisch als de eerste:

alleen aan het denken wordt bestaansrecht toegekend ook in den

godsdienst, het aandeel en het recht der fantasie volkomen miskend, de

godsdienst ook hier gemeten met den maatstaf van het ware en verkeerde,

het echte en onechte, in een woord een volkomen onhistorische opvatting,

zooals het heele rationalisme der vorige eeuw onhistorisch is. Maar toch

schuilt ook hier een korreltje waarheid in, dat uit afkeer van een zoo

plompverloren geredeneer over het heilige gewoonlijk te zeer wordt

voorbij gezien: dat namelijk in den ontwikkelingsgang der godsdiensten

evenzeer als in alle geschiedenis, zelfs in het ontstaan en den groei

der taal, menschelijke willekeur mede een rol heeft gespeeld en dat het

ook hier menschelijk, vaak maar al te menschelijk is toegegaan, dat

inderdaad priesters en orakel, conciliën en kerkbestuur dikwijls

ingegrepen, en leer en cultus met bepaalde bedoelingen en bepaalde, vaak

zeer egoïstische oogmerken gevormd of veranderd hebben. Ik behoef u

slechts te herinneren aan het orakel van Delphi, of aan de wijze waarop

in de Christelijke kerk van den vroegsten tijd af tot heden toe dogmen

zijn gemaakt, vastgesteld en doorgedreven.

Maar hoeveel er in bijzonderheden ook kunstmatig moge gemaakt zijn en

nog altijd gemaakt worden, de godsdienst zelf is niet gemaakt, maar

ontstaan. Gaan wij dus nu eenige andere theorieën na, waarmede men meent

het geheim van dit ontstaan en dezen groei te kunnen afluisteren.[40]

Naast het plat rationalistische Euhemerisme, dat in de goden slechts

vorsten, helden en wijzen der oudheid ziet, die als weldoeners van hunne

volkeren vergoddelijkt werden, treden drie andere -ismen, drie

historische theorieën ter verklaring van het ontstaan der godsdiensten

naar voren: het Totemisme, het Fetischisme en het Animisme. Het eerste,

het zoogenaamde Totemisme, is de naam voor een vooral onder de Indianen

verbreide gewoonte, zich een of ander sieraad of een dier als familie-

of stamteeken uit te kiezen, een soort van wapen dus, en dat te

vereeren. Niet zoo veel verschillend daarvan is het Fetischisme der

negers, het geloof aan toevallige, van wonderbare tooverkrachten

vervulde voorwerpen en de aan zoo’n fetisch gewijde dienst. Onder

Animisme eindelijk verstaat men het geloof aan het bestaan en de

vereering van de geesten der voorvaderen van een familie of een

stam.[41] Vooral de laatste der drie hypothesen, volgens welke hier de

primitiefste vorm der religie is te zoeken, heeft veelvuldig bijval

gevonden; en zeker smelten in dezen zielencultus de beide

hoofdbestanddeelen van het religieuze voorstellingsleven, het Godsbesef

en het onsterfelijkheidsgeloof op eenvoudige wijze samen; ook ontbreekt

hij in geen der bekende godsdiensten geheel. Wij hebben dan ook in de

animistische godsdiensten stellig een der meest verbreide en

oorspronkelijke religieuze verschijnselen voor ons; en eveneens geloof

ik dat wij in den fetisch- en totemdienst met een zeer lagen en een zeer

primitieven trap van godsdienst te doen hebben.

Maar de noodzakelijkheid, om de vraag naar den historischen oorsprong en

den eersten vorm der religie nu juist met een dezer drie hypothesen te

beantwoorden, kan ik desondanks niet inzien. Men moet het begrip totem

of fetisch wel zeer ruim nemen wil men daarmede alles omvatten, ten

slotte zelfs in zon en maan, waar zij vereerd worden, zulke totems en

fetischen zien, terwijl toch zeer goed primitieve vormen van godsdienst

denkbaar zijn, die noch totemistisch, noch fetischistisch of animistisch

zijn; en omgekeerd zou het totemgebruik zeer wel los van alle religie op

zichzelf kunnen bestaan, een totem worden gedacht die in het geheel

niets met godsdienst te maken had. En daarom houd ik deze drie

primitieve vormen slechts voor belangrijk als verschillende trappen en

gedaanten van het zich historisch ontwikkelende leven van den

godsdienst. Af te dalen tot het eerste begin en den oorsprong zelf is

ons hier even onmogelijk als overal elders. Onze historische kennis is

toch altijd slechts het kleinste en het achterste stuk van een lange

lijn, waarvan het eerste deel evenzeer in nacht en nevel is gehuld als

de laterkomende rest, die nog in den schoot der toekomst ligt. Er zal

wel een tijd zijn geweest, dat de menschen nog geen godsdienst bezaten,

en zoo is hij dan ook ergens en te eenigertijd, wellicht ook

herhaaldelijk, in verschillende tijden en op verschillende plaatsen

ontstaan; maar de vraag naar dezen oorsprong, dit ontstaan, d. i. naar

den werkelijken eersten vorm, waarin het religieuze leven optrad, is en

blijft onoplosbaar. Maar wel kunnen wij, juist bij zulke lage vormen van

religie, zien, dat ook voor den godsdienst de wet der historische

ontwikkeling geldt, volgens welke ook zij ontstaan, groeien en bloeien,

weer achteruit gaan en in verval geraken, afsterven en ondergaan. En

daarbij hebben wij zeker den natuurlijken en oorspronkelijken toestand

niet als een eenheid, maar veeleer als veelheid en verscheidenheid te

denken.

Dat ligt ook in het wezen van den godsdienst zelf, waarop ons deze

gansche vraag naar zijnen oorsprong nog eenmaal dwingt terug te komen.

Niet dàt is eigenlijk het verwonderlijke, dat er zoovele godsdiensten

zijn, veeleer zouden we kunnen vragen, waarom er slechts zoo weinig

zijn?

Het vaderland van den godsdienst is het gevoel, en het gevoel is de

zetel der individualiteit en de kern der persoonlijkheid; daarom wordt

de godsdienst van huis uit gekenmerkt door een volstrekt

individualistischen trek, en het natuurlijkste, en het beste wellicht,

zou het schijnen te zijn als er zooveel godsdiensten als menschen of

althans families waren, en iedereen of ieder huisgezin zijn eigen, zijn

privaatgodsdienst bezat. Nu is weliswaar dit individueele element des

religieuzen levens binnen den kring der historische godsdiensten

overheerscht door en als verborgen onder een ander en sterker, den

gemeenschapszin, die ook in den godsdienst de menschen samenbrengt en

vereenigt. Maar toch is het van den aanvang af aanwezig, het is het

oorspronkelijke, en--al blijft dat vaak onopgemerkt--ook iets blijvends

te midden van het gemeenschappelijk geworden religieus leven; en daarom

is ’t hier onze taak het op zichzelf te beschouwen en het in dit laatste

te ontdekken.

Vroom noemen wij toch niet den man die gelooft wat de kerk gelooft en

aan haar godsdienstige handelingen voor ’t uiterlijk deelneemt,

integendeel, vroomheid is zelf doorleefd religieus voelen en

ondervinden, en dat moet ten alle tijde persoonlijk en individueel zijn.

Door een of andere gebeurtenis, bij een of andere gelegenheid komt bij

_mij_ het gevoel op van _mijne_ eindigheid, ontwaakt _in mij_ het

verlangen naar den Oneindige, naar een God, maar mijn God, en het

verlangen naar _mijne_ oneindigheid, de onsterfelijkheid van _mijne_

ziel en de zielen van hen die _mij_ lief zijn. En die aanleiding geeft

dan het gevoel voor altijd zijn kleur, zijne bepaalde schakeering, zijne

eigenaardigheid,--die aanleiding en bovendien nog de persoonlijke aard

van dengeen die dit alles ervaart, dat wat wij temperament en

natuurlijken aanleg, individualiteit en karakter noemen. Zoo zien wij

bijv.--wij allen kennen wel zulke religieuze verschillen in den kring

onzer bekenden--eenerzijds de blijde vroomheid, die zich door een

religieus zich verheffen tot God het hart laat verruimen en sterken,

door een deemoedige overgave aan Zijnen wil rustig en blijmoedig laat

stemmen, en zoo leert alles ten goede te doen medewerken; en anderzijds

die ernstige en strenge, bittere en door smart bewogen en gedreven

religiositeit, die opziend tegen de oneindige heiligheid Gods,

terneergedrukt door het gevoel van eigen zedelijke onwaarde en zondige

zwakte een duisteren geest van rigoreuse wettelijkheid in zich kweekt,

of in smart en lijden Gods hand het krachtigst meent te gevoelen en

daarom de vreugde en het goede des levens waarin hij niet evenzeer het

goddelijke kan speuren,[42] versmaad om den zegen van het lijden.

En gelijk de menschen onderling, zoo onderscheiden zich ook gansche

kerken en confessies, sekten en genootschappen van elkander: typisch

verschillend is het beeld dat ons de vroomheid biedt van Hernhutters,

Piëtisten, Quakers en Puriteinen. Daarbij blijkt tevens nog iets anders:

naar zijn persoonlijken aanleg neemt ook binnen de gemeenschap eener

kerk ieder afzonderlijk van den historischen godsdienst, waartoe hij

behoort, slechts datgene wat hem het meest aantrekt en het best past.

Het is volstrekt niet zoo, dat voor alle vrome christenen Christus en

wat hij gedaan en gebracht heeft, dezelfde beteekenis heeft. De

verschillen zijn, meen ik, veel grooter, dan wij gewoonlijk denken en

ons kunnen voorstellen; en wanneer het eens tot een uitspreken dezer

persoonlijke religiositeit kon en mocht komen, zouden wij vaak verbaasd

zijn over de geweldige eenzijdigheid, die zich daarin zou openbaren. Wat

is Christus voor u? Daarop luidt het antwoord der vrome Christenen zeer

verschillend: voor den een is deze, voor den ander gene zijde van zijne

persoon en zijn werk het belangrijkst. Hier wordt dit woord van hem,

daar een ander als van de hoogste waarde en beteekenis beschouwd. Het is

een der ergste gevolgen van orthodoxie en kerkelijkheid, dat zij ter

wille van de eenheid en algemeenheid van gelooven en belijden, geheel

overeenkomstig den nivelleerenden trek die onzen ganschen tijd kenmerkt,

deze vrijheidsvruchten der individuen in het religieuze leven steeds

meer miskend en verdrongen hebben, een teeken hoe ver juist zij zijn

afgedwaald van het ware wezen van alle religie.

En daarom verzet zich ook in de kerk niet alleen het „ongeloof” en de

vrijheid van denken tegen dezen dwang, maar--de vroomheid zelve. Ten

alle tijde stond en staat tegenover den overheerschend kerkelijken geest

zoo’n kleine groep van individueele gevoelschristenen, die weigert de

kerkelijk voorgeschrevene uniform te dragen en opkomt tegen wat door

priesters of kerkbestuur, pausen of consistoriën voorgeschreven en

toelaatbaar geacht wordt. Als een soort onderstrooming komt hier het

besef van het recht der persoonlijke vroomheid tegenover de alles gelijk

makende kerkelijkheid en rechtgeloovigheid voor den dag en weet zich te

doen gelden. Dat zijn de stillen in den lande, de mystieken.[43]

Mystiek is niet alleen op godsdienstig gebied te vinden. Wij spreken

bijv. ook van natuurmystiek, die, aesthetisch van aard, zich zoo innig

mogelijk inleeft in en éen voelt met de natuur en in een zeer

eigenaardige innige stemmings- en gevoelsbetrekking staat tot het

natuurleven: in de werken van Böcklin is dat duidelijk waar te nemen en

op andere wijze vindt men het ook in de sprookjes van Tieck. Of wel wij

vinden de natuurmystiek bij de Faustnaturen der zestiende eeuw, die met

hartstocht zoeken naar haar diepste verborgenheid, als wegzinken in haar

innerlijk wezen en haar opeens van binnen uit willen grijpen en

begrijpen, haar als ’t ware in het hart trachten te zien. Aan deze beide

richtingen der natuurmystiek is de religieuze mystiek nauw verwant, en

zij kunnen medehelpen deze laatste beter te doen verstaan. Want ook hier

zien wij een zeer intieme persoonlijke verhouding--nu niet tot de

natuur, maar tot den Oneindige, tot de Godheid, ook hier is het een

innerlijk beleven van het goddelijke, een onmiddellijk aanraken en

samensmelten, een volstrekt éen worden met God; de middeleeuwsche

mystiek spreekt zelfs van „vergoddelijking”. In deze innige verhouding

met de Godheid ligt echter tevens het geheel persoonlijke karakter

dezer mystiek. Voor haar kunnen geen, of moesten althans geen door

conventie vastgelegde, officieele vormen en formules, geen bemiddeling

van welken aard dan ook bestaan. Ieder moet voor zich zelven dit

innerlijk naderen tot God, dit zuiver persoonlijk verkeer met den

Allerhoogste in zijn eigen binnenste en geheel zelfstandig scheppen en

ontwikkelen.

Wij zien dan ook hoe in de middeleeuwen, toen men zoo bijzondere waarde

toekende aan de bemiddeling der kerk, deze vrome mystici vaak als

ketters werden vervolgd en gestraft, hoewel zij zich op typische

voorbeelden uit het Nieuwe Testament konden beroepen, en hoewel de

eigenlijke levenskracht van godsdienst en vroomheid juist van hen

uitgaat. Hier toch treffen wij religieus gevoel aan in volle innigheid,

sterkte en zuiverheid. Trots dit alles echter kunnen wij de kerk toch

ook niet geheel en al ongelijk geven, dat zij tegenover deze mystici

wantrouwend stond en vaak nog staat. Reeds vroeger heb ik de religieuze

voorstellingen en cultus den steun, het houvast en de contrôle van den

godsdienst genoemd. De mystiek wil het doen zonder dezen steun en

onderwerpt zich aan geen contrôle. En daarmede loopt zij gevaar--slechts

zelden ontkomt zij daaraan, op den duur zeker nooit--te ontaarden in een

ongezond mysticisme.

Ieder gevoel, dat zich blijft onttrekken aan de contrôle van het denken,

wordt onklaar en vaag, en deze vaagheid en onklaarheid is het religieus

mysticisme wel bijzonder eigen. Het Oneindige is voor ons denken met

zijn vaste categorieën en vormen iets onbereikbaars en onbegrijpelijks.

Vandaar dat zich ten alle tijde naast de positieve een negatieve

theologie stelt, met de leer dat God te groot, te zeer transcendent is,

dan dat wij hem zouden kennen of iets aangaande hem zouden kunnen

uitspreken.

Zoo ligt in het voorwerp van den godsdienst zelf reeds een niet te

controleeren element. Wanneer dan nu de mysticus, onverschillig voor de

wetten van het denken, de Godheid wil omvatten, het onkenbare zich innig

eigen maken en in extase en verrukking zich tot haar omhoog heffen wil,

dan moet hij òf gansch en al in fantasie zich verliezen, om al het

aardsche, al het tastbare achter en beneden zich te laten; òf--want de

mysticus is even vaak fantasieloos als fantasievol--hij werpt zich op

het eerste het beste en wordt grof anthropomorphistisch, realistisch,

zelfs grof zinnelijk. De intiemste menschelijke verhouding nu is de

liefdesverhouding tusschen man en vrouw en daarom ontbreekt in dit

ongezonde mysticisme bijna nooit een trek van zinnelijke verliefdheid;

de gevoelens die eerst zoo verheven en bovenzinnelijk begonnen,

overweldigen den mensch geheel en eindigen--naar het ware woord van

Mephistopheles over den „bovenzinnelijken zinnelijken vrijer”--in platte

zinnelijkheid. Zoo wordt voor den middeleeuwschen mysticus de moeder

Gods het voorwerp eener religieuze liefdesbetrekking en zien wij in de

vrouwenkloosters der middeleeuwen bijna met zedelijken weerzin de

overdreven gevoelszwelgerij van het liefdespel met den hemelschen

bruidegom. Het is dan ook geen toeval, dat in deze kringen het

Hooglied, die verzameling oudtestamentische zuiver wereldsche

liefdesliederen van sterk zinnelijken aard, met bijzondere voorliefde in

religieus-mystischen zin is uitgelegd en gebruikt.

Nog erger is de overdreven afkeer der mystici van het practische leven

en van de daad: dat onmiddellijk leven met God en in God neemt hem

geheel in beslag, is hem alles en treedt in de plaats van alles; hij

zwelgt en geniet in de weelderigheid van zijn gevoel. Dit quietistische

gevaar van het mysticisme heeft niemand duidelijker en vriendelijker

aangetoond dan Lessing, waar hij Nathan den Wijze aan Recha laat

aantoonen, hoe vrome dweperij gemakkelijker is dan goed handelen en hoe

gaarne slappe karakters daarin zich verlustigen om het goede maar niet

te behoeven te doen. En een der grootste mystici van alle tijden,

meester Eckart (c. 1260-1327) heeft zelfs gemeend voor dezen voor de

hand liggenden dwaalweg te moeten waarschuwen en gezegd: „al ware een

mensch in geestvervoering als de heilige Paulus en wist dat een ziek

mensch een soepje van hem moest hebben, ik zou het veel beter vinden dat

hij uit liefde zijn geestvervoering liet varen en den behoeftige uit

grootere liefde diende.”

Maar een zeer eigenaardige werking van mystiek en mysticisme zien wij

nog in hun verhouding tot de kerk--en dat voert ons dan tevens weer naar

ons uitgangspunt terug. Den mysticus is alles gelegen aan een

onmiddellijk persoonlijk verkeer met God, en daarom wil hij niet alleen

niets weten van een bemiddeling der kerk, maar hij brengt ook haar

bestaan in direct gevaar: de mystiek maakt onverschillig voor dogma en

leer. Daarom kwam dan ook--dat is zeer eigenaardig maar ook zeer

begrijpelijk--het Piëtisme, een vermenging van mysticisme en practisch

christendom, het eerst in strijd met de orthodoxe Lutheranen, en voerde

zoo als vanzelf tot het Rationalisme, waar het de voorlooper van is.

Want eerst stompte het door zijne eenzijdig gevoelmatige opvatting van

den godsdienst den zin en de belangstelling voor dogma en

rechtgeloovigheid af, en als dan zijn eigen religieuze kracht en warmte

gingen tanen, was door zijn toedoen het denken van de dogmatische banden

bevrijd en keerde nu zijne wapens tegen de kerk en tegen het dogma zelf;

en eerst in den strijd met dezen ontaarden nakomeling heeft dan het

Piëtisme der negentiende eeuw zich met de orthodoxie verbonden.

Van deze historische herinnering aan het Piëtisme kunnen wij echter nog

iets leeren: ook de mystiek is toch slechts zelden geheel individueel en

gansch en al zonder historie; ook zij is niet geheel los van den

gemeenschapvormenden, socialen trek die allen godsdienst eigen is en

daardoor brengt zij het weliswaar niet tot de vorming van volledige

godsdiensten en kerken, maar toch tot die van secten en kleiner kringen

van meer individueelen en gemeenzamen aard, dan die groote en breed

vertakte organisaties eener groote kerk kunnen zijn.

Dat godsdienst als vanzelf tot het vormen van een gemeenschap leidt,

ligt in het algemeen in ’s menschen aard noodwendig besloten en speciaal

in den aard van het gevoelsleven. Waar het hart vol van is, daar loopt

de mond van over, zegt de volksmond. Hoe meer iemand vervuld is van

religieuze gevoelens en ervaringen, des te luider zal hij daarvan

getuigen, des te meer anderen daarvan willen spreken. En omgekeerd is

ook in het religieuze leven het eigen beleven van den gewonen mensch

even weinig rijk en oorspronkelijk als op alle andere gebieden, en

vandaar de natuurlijke zucht, zich juist hier het duistere en onbepaalde

van zijne gevoelens door menschen van grooter aanleg te laten

verduidelijken, en beelden, die de eigen fantasie te arm en te

onvruchtbaar is om te scheppen, van hooger en rijker begaafden over te

nemen. Bovenal echter komt deze sociale trek, deze hang naar het

gemeenschappelijke tot uiting op het gebied van den cultus. Gelijk bij

iedere handeling wordt ook hier de zucht tot navolging gewekt; de

bekoring van het geheimzinnige, die bijna steeds in godsdienst en

godsdienstig handelen aanwezig is en den cultus tot iets mysterieus

maakt, trekt aan, en het schoone en aesthetisch welgevallige noodigt tot

mede vieren en medegenieten uit. Daarom is ongetwijfeld de religieuze

gemeenschap in de eerste plaats een cultusgemeenschap geweest, eerst nog

in den nauwen kring van familie en huisgezin, vervolgens--een aanwijzing

daarvoor is de Grieksche Zeus Xenios, de God der gastvrijheid--daarboven

uit in horde en stam, in natie en volk. Daaruit volgen als van zelf

twee dingen: in de eerste plaats het verschil tusschen actieve en

passieve deelnemers; eén gaat voor in gebed, de anderen volgen slechts

na, eén offert en spreekt voor allen, terwijl de anderen toezien en

hooren, de huisvader is de eerste priester, de huisgenooten de eerste

gemeente, en door het zoo ontwakend begrip van een deskundige, éen die

het weet en ingewijd is, ontstaat dan het onderscheid tusschen priesters

en leeken. De eersten worden de bemiddelaars tusschen God en mensch, en

als bij uitstek vroom, rein en heilig boven het profane volk verheven

tot een hoogeren rang, met hooger aanspraken en hoogere rechten. En het

tweede is een nauw aansluiten van deze cultushandelingen aan zeden en

gewoonten. Tegenover de geniale opvatting van Ihering, die in gebruiken

en gewoonten overal naar nut en doel zocht, heeft men later de meening

uitgesproken, dat alle zeden en gewoonten oorspronkelijk religieuze

ceremoniën en cultushandelingen zijn geweest en eerst langzamerhand van

hun godsdienstig karakter ontdaan en voor wereldsche doeleinden

dienstbaar gemaakt zijn.[44] Deze opvatting is stellig eenzijdig, al kan

zij zich ook beroepen op veler onzer kinderspelen waarin nog resten van

oud-heidenschen cultus bewaard zijn gebleven--een dieper zin in ’t

kinderlijk spel dus, evenals de godsvoorstellingen van onze Germaansche

voorouders in vele van onze kindersprookjes voortleven. Maar in zulke

gedachten schuilt toch zeker deze waarheid, dat religieus leven en

handelen met den door gewoonte bevestigden vorm van het volksleven wel

zeer nauw verbonden en saamgesmolten is.

Hier kan zich ook nog de vraag aan ons voordoen of het geen plicht is

zich bij een godsdienstige gemeenschap aan te sluiten? Zooals er tijden

zijn waarin de individualistische onsterfelijkheidsgedachte, en andere

waarin de sociale idee van het koninkrijk Gods de overhand heeft, zoo

houdt de een zijne godsdienstoefening liever alleen in de stilte van

zijn binnenkamer, terwijl de ander slechts door een gemeenschappelijk

opgaan gesticht kan worden en zijn religieuze verheffing zoekt in het

gezang der gemeente en een gezamenlijk aangeheven: „Op bergen en in

dalen, ja overal is God”; waar en hoe men zich meer gesticht en

religieus gestemd voelt, dat moet aan ieder zelf worden overgelaten.

Gewetensdwang kan ook hier weer slechts leiden tot schade voor den

godsdienst, tot droeven schijn en huichelarij.

De vaste band echter, die zich om een volk legt en het volksleven tot

een vast geheel samenvoegt, is de Staat. De verhouding van den

godsdienst tot den Staat is daarom in het historisch leven der volken

van bijzonder belang en meer dan gewoon gewicht voor hun gansche

uitwendige en innerlijke ontwikkeling. Reeds in de oudheid zien wij een

opmerkelijk verschil tusschen de volken van ’t oosten en de vrije

Grieken. In de voorstellingen aangaande de verhouding van God tot de

wereld spiegelt zich bij de semietische volken af, dat deze,

overeenkomstig hun absolutistischen staatsvorm, zoo gansch anders

gedacht werd dan bij de Grieken, wier Olympische godenraad gevormd is

naar de verhouding van Agamemnon tot de andere vorsten en aanvoerders in

het kamp van Troje. Toch is het veeleer een ander uitwendig verschijnsel

dat ons hier treft en waarmee wij ons hebben bezig te houden. In het

oosten treffen wij bijna overal een uitgesproken en ontwikkeld

priesterwezen, dat licht in een priesterkaste zich bestendigt en met de

politieke bestuurders van den staat om invloed en macht strijdt. De

verhouding tusschen Samuel en Saul is hiervan een typisch voorbeeld bij

de Joden, en in het Gangesdal hangt de overwinning der priesterkaste

juist samen met een hervorming van het gansche Arische volkskarakter,

die nu juist geen verbetering was. Daarentegen waren de Grieken te zeer

politiek, te zeer staatkundig aangelegde menschen om een priesterstand,

een hierarchie naast of zelfs boven den Staat te dulden. Het offeren

bleef de taak van den veldheer of archont; priesters en waarzeggers

waren, zoo zij niet in dienst stonden van den staat, slechts

partikuliere personen; en zelfs de slimme priesters van Delphi hebben

het nooit boven hun moreelen invloed uit tot een ambtelijke plaats of

eenig gezag in de Grieksche statengroep kunnen brengen. En in Rome was

de godsdienst geheel en al een politieke instelling, de regeerende adel

zag er een machtsmiddel en een bestuurstaak in. En wanneer de eene augur

de andere eens toelachte, dan lag daarin slechts een bewijs hoever de

politicus zich verheven voelde boven de „fables convenues” der

volksreligie.

Gansch anders, veel ingewikkelder en gecompliceerd was van den aanvang

af de verhouding tusschen de christelijke kerk en den staat. Jezus zelf

had door afwijzing van de politieke Messiasidee met de woorden: „Geef

den keizer wat des keizers, en God wat Godes is”. (Mattheus 22²¹) een

mogelijk conflict nog vermeden: zijn rijk was niet van deze wereld. Maar

het was _in_ deze wereld, en zoo geeft dan ook reeds te midden van het

oudste christendom het Nieuwe Testament twee tegenoverelkander staande

opvattingen over die verhouding, waarvan de tweede noodwendig tot het

conflict moest leiden. In Romeinen 13¹ zegt de apostel Paulus: „Ieder

zij onderworpen aan de macht die over hem gesteld is, want er bestaat

geen macht, die niet uit God is”; dat geldt ook van een heidensche

staatsmacht, zelfs van de regeering van keizer Nero, onder wien de brief

geschreven is. De schrijver der Apocalypse echter zegt--ook in het

dertiende hoofdstuk: de staat is des duivels, want „de draak gaf het

dier zijne kracht en zijnen troon en zijn groote macht” (vers 2).[45] En

waarom ook niet? het was immers de Romeinsche, de heidensche staat, en

die op den troon zat en als keizer goddelijke vereering voor zich

eischte, was Nero; voor de oudste christenen echter waren de heidensche

goden daemonen, booze geesten, de Romeinsche staat derhalve een rijk van

den booze. Zoo verklaart zich de overwegend afwijzende en vijandige

houding van het christendom der eerste drie eeuwen tegen den Staat, die

door de Christenvervolgingen nog verbitterder werd. Intusschen had zich

het christendom zelf ook georganiseerd, het was gegroeid tot een kerk,

ja meer nog, tot een Staat in den Staat, en had daarbij ook een deel der

taak van den Staat overgenomen, een Kerkrecht naast het Staatsrecht

geschapen. Voor een deel ten gevolge van het verbod van Paulus dat

christenen hun onderlinge oneenigheden voor den heidenschen rechter

zouden brengen (1 Cor. 6¹ vg.).[46]

Daar trad nu onder Constantijn die verrassende omkeer in, het Romeinsche

keizerrijk werd Christelijk. Hoe zwaar het zelfs den meest op den

voorgrond tredenden mannen viel, zich in deze nieuwe situatie in te

leven en in te denken, toont ons nog honderd jaar later Augustinus, die

den wereldlijken Staat nog steeds met wantrouwenden blik beschouwt en

den Christen slechts toestaat, den vrede dien de Staat verschaft, voor

hoogere doeleinden te benutten en zich daarover te verheugen. Wanneer

hij dan toch daarnaast van den Staat verlangt, dat hij de menschen

dwingen zal in de kerk te treden, doch de ketters bestrijden en

bestraffen zal, dan ziet men hoe bij dezen man op de grens van twee

tijdperken reeds de latere middeleeuwsche leer zich baan breekt. In de

praktijk echter was de moeilijkheid reeds eerder overwonnen en de

bisschoppen toonden zich zoo onderdanig aan de tot het christendom

bekeerde keizers van Byzantium dat zelfs het dogma door den invloed des

keizers tot stand kwam. Byzantinisme is sindsdien de naam geworden voor

alle vloekwaardige onderdanigheid in monarchistisch ingerichte staten,

en Schleiermachers wensch is derhalve reeds van dien tijd af

gerechtvaardigd, „dat toch nooit de zoom van een priesterlijk gewaad den

bodem van een koninklijk vertrek mocht hebben beroerd, en evenmin het

purper ooit het stof des altaars mocht hebben gekust.”[47] Waarlijk, de

verbinding van troon en altaar heeft van Constantijn den Groote af tot

op dit oogenblik aan de christelijke kerk geen heil gebracht. En ook den

staat niet. In de middeleeuwen gelukte het den bisschop van Rome als

paus en opperhoofd der in zijn tijd goed georganiseerde en onafhankelijk

geworden kerk, koningen en keizers den voet op den nek te zetten en de

aanspraak op afhankelijkheid van het wereldlijk bestuur, op

ondergeschiktheid van den staat jegens de kerk te doen gelden en in acht

nemen; een zelfstandige staat was er niet; daarvoor is typisch geworden

het beeld van den paus als zon en den keizer als maan, die eerst van de

zon zijn licht ontvangt. Deze wereldbeheerschende positie echter voerde

met innerlijke noodzakelijkheid tot ontaarding en volledige

verwereldlijking van de kerk.

Anders in het Protestantisme. Luther was een religieus mensch, geen

organisatorisch talent, en in zijn afkeer van de tot een staat en een

rechtslichaam verworden katholieke kerk wilde hij zijne kerk slechts een

zuiver geestelijke taak opleggen en volstrekt niets weten van een zoo

straffe kerkinrichting. Vandaar dat hij niet alleen weer den staat

beschouwde als zelfstandig en buiten alle kerkelijke macht staande, maar

hij droeg ook--wederom een bedenkelijke stap--de uiterlijke organisatie

zijner kerk aan den staat en de wereldlijke overheid over, of wel, wijl

de Luthersche Reformatie in den eersten tijd slechts in monarchieën

ingang vond, aan den landheer: dezen maakte hij tot landsbisschop en de

kerk tot landskerk. Vandaar dan gedurende honderd jaar en langer de

grondstelling van het territorialisme: cuius regio, eius religio (de

godsdienst der onderdanen heeft zich te richten naar dien van den

landsheer) waardoor de godsdienst voor den enkeling werkelijk tot een

vraag der geographie gemaakt werd.

Tegen deze regeling echter kwam de geest van het Protestantisme zelf in

verzet: de gedaante der geloofs- en gewetensvrijheid van iederen

Christen is een van zijn beginselen, hoevaak het zich daaraan ook moge

hebben vergrepen of nog vergrijpt; en toen in het huis der Hohenzollerns

een verandering van godsdienst plaats greep en aldus vorst en volk in

Brandenburg tot verschillende confessies behoorden, toen werd hier voor

het eerst duidelijk, dat in den modernen staat ieder het recht moet

hebben op zijne wijze zalig te worden, al is deze gedachte eerst

uitgesproken door den grooten vorst der Aufklärung op den Pruisischen

koningstroon. De latere samensmelting heeft dan weliswaar de eenheid

weder hersteld en het geschil opgelost; maar de moderne staat, die

zoowel Protestanten als Katholieken, Christenen en Joden omvat, behoort

op den bodem van volle gelijkheid en vrijheid van confessie, ja laat ik

het ronduit uitspreken, hij behoort te staan op den bodem der

godsdienstloosheid, hij kan geen christelijke staat meer zijn. De staat

als zoodanig heeft geen godsdienst en moet de gezamenlijke burgerlijke

rechten zijner onderdanen volkomen onafhankelijk houden van eenige

religieuze belijdenis; voor hem is de kerk nog slechts een lichaam in

het staatsverband, dat bij bescherming, wellicht om zijn herkomst en de

erkenning van zijn groote waarde bijzondere bescherming behoort te

verleenen en met bijzondere waardeering tegemoet heeft te komen.

En nog van een andere zijde blijkt de noodzakelijkheid van een afdoende

regeling der verhouding van deze twee. In de gereformeerde kerk namen de

zaken reeds vroeg een anderen loop; weliswaar niet in Zürich, waar de

staatkundig aangelegde Zwingli de kerkelijke reformatie eveneens in de

handen der wereldlijke overheid stelde, en evenmin in Genève waar

Calvijn door een strenge kerktucht staat en kerk tot een bijna

theokratische eenheid trachtte saam te smelten; maar in Frankrijk en

Schotland, waar de gereformeerden zich tegen andersgeloovende vorsten

moesten handhaven. Daar had, kort gezegd, een democratische ontwikkeling

plaats, de kerk moest zich zelf een organisatie scheppen en deed dit

door de instelling van het Presbyteriaat; de leeken kregen hier van het

begin af een grooter invloed en meerdere rechten tegenover de

geestelijken, en een kerkelijk parlement werd de drager van het

kerkbestuur. Deze democratische trek, die in onze eeuw door de gansche

wereld merkbaar wordt en onophoudelijk verandering te weeg brengt, is

ook in de Luthersche kerk doorgedrongen en zoo trad in de plaats der

absolute macht van den landsbisschop, die toch slechts een tijdelijk

redmiddel en een fictie is, en in de plaats van een leiding die

uitsluitend in handen van geestelijken en juristen was in bureaucratisch

ingerichte beambtencolleges en consistoriën, de medewerking van het

leekenelement en dus een synodale inrichting, een soort constitutioneele

monarchie ook in de kerk. Nu kan ik echter niet zeggen dat deze synoden

in de verschillende landskerken veel goeds hebben uitgewerkt: zij

zijn--niet zonder schuld van den kant der vrijer denkende elementen, die

zich veelal met opzet daarvan afkeerden--bijna uitsluitend in handen

gekomen van een eenzijdige en bekrompen orthodoxie en hare besluiten

kunnen zich in de openbare meening zoowel buiten als in de kerk zelf

niet in bijzonderen eerbied en waardeering verheugen.

De grootste moeilijkheid ligt voor Duitschland en andere landen[48]

echter hierin, dat al deze kerken staatskerken zijn. En daartegenover

treedt nu in Noord-Amerika een nieuw verschijnsel op, waarbij de kerken

volkomen los zijn van den staat en ook hunne afzonderlijke deelen

onderling slechts in zeer los verband houden. Om een geestelijke, die

als vertegenwoordiger van hunne inzichten zou kunnen gelden, scharen

zich de burgers eener stad, en zoo vormt zich een gemeente die de

draagster en de eigenlijke eenheid der religieuze gemeenschap vormt. Men

ziet met den eersten blik reeds welke voordeelen deze inrichting brengt:

niet alleen wordt hier niemand door den staat gedwongen zich bij zulk

een gemeente aan te sluiten, maar ook kerkelijk zien wij hoe slechts

werkelijk gelijkgezinden zich aansluiten, en zoo bestaan in éene stad

afzonderlijke gemeenschappen niet alleen voor de verschillende

confessies, maar ook voor de verschillende richtingen; het is niet

langer de geest van een kerkregeering die van boven af, bureaucratisch

en nivelleerend alles beheerscht, maar de wil der gemeenteleden zelf die

van beneden af het godsdienstig gemeenschapsleven regelt, waarmede de in

de groote staatskerken zoo volkomen verdrukte individualiteit wederom

tot haar recht komt. Een strijd om een bepaalde belijdenis kan hier niet

ontstaan, de gemeenten die haar in de godsdienstoefening gebruiken, zijn

andere dan die ze niet gebruiken willen; een predikant kan door zijn

gemeente losgelaten of verlaten worden, maar hij kan niet op aandringen

van het kerkbestuur door den staat worden afgezet, kan niet voor een

bepaalde landstreek en daarmede, zooals in Duitschland, vrijwel voor het

gansche land onmogelijk gemaakt worden.

Wanneer mij echter gevraagd werd, of dat nu ook voor andere landen _de_

oplossing is, dan weet ik niet of ik wel zonder meer ja zou kunnen

zeggen. Dat het ook in een dergelijke „vrije kerk” menschelijk toegaat

en de oude fouten en moeilijkheden slechts in nieuwen vorm weder zullen

opduiken, dat zou mij, waar ik van vergankelijke aardsche

instellingen--en daartoe behooren ook de kerken en hun inrichting--toch

nooit een hemel op aarde of een eeuwigen vrede verwacht, niet zoozeer

afschrikken. Maar evenals ik nimmer en nergens het recht van het

historisch gewordene en bestaande ontkennen zal en derhalve een langzame

hervorming ten alle tijd boven een plotselinge revolutie zal stellen,

zoolang die mogelijk en niet van te voren gedoemd zal zijn te mislukken,

evenzeer zou ik een radicale ommekeer en verandering van de op kerkelijk

gebied geldende rechtstoestanden op het oogenblik een groot ongeluk

achten. Want in werkelijkheid zou dat toch slechts overeenkomen met een

volslagen desorganisatie en decentralisatie der Protestantsche kerk,

waarnaast dan het katholicisme met zijn volkomen en sterk

gecentraliseerde organisatie en met al zijn middeleeuwsche aanspraken op

beheersching van den Staat een macht zou blijven die voor dezen dan

eerst recht een bedreiging en gevaar werd. De moeilijkheden die ons deze

situatie brengt, behoef ik u niet eerst uiteen te zetten, zij liggen ons

allen klaar voor oogen. Hier is de crisis, waar meer dan éen volk midden

in staat, in vollen gang. In de toekomst vermag ik niet te zien,

derhalve kan ik u niet zeggen, welken afloop deze strijd zal hebben: of

daardoor het volk wederom naar een staatskerk zal gaan verlangen, of wel

de gebeurtenissen in Frankrijk, de volledige scheiding van kerk en staat

ook bij andere volken tot navolging zal prikkelen, ik weet het niet.

Persoonlijk zie ik de ontwikkeling dezer dingen niet zonder zorg en

allerlei sombere voorgevoelens, maar toch ook weer niet volslagen

hopeloos tegemoet. Slechts dit, meen ik, moet tòch een ieder duidelijk

zijn geworden, dat de staat en zijne bestuurders niet goed doen door

tusschen den strijd tegen kerkelijke aanmatiging en heerschzucht

eenerzijds en het geloof in het noodzakelijk bijeén hooren van troon en

altaar anderzijds zoo onzeker en kortzichtig, zoo zwak en besluiteloos

rond te tasten; en omgekeerd, dat de radicale stroomingen onverstandig

en verkeerd handelen, wanneer zij het volk van zijne kerk vervreemden

en zijnen godsdienst ontnemen, zonder het daarvoor een ander stuk

idealisme als gelijkwaardige vergoeding in de plaats te kunnen geven.

Godsdienst en godsdiensten · 第 14 / 83 题