DERDE HOOFDSTUK

De cultus als religieuze handeling. Kunst en godsdienst. Godsdienst en

zedelijkheid.

Gevoel wordt omgezet in beweging en handeling en wordt aldus motief: op

deze psychologische wet maakt ook het godsdienstig gevoel geen

uitzondering, derhalve sluit zich dan daaraan noodzakelijk een religieus

handelen, de cultus, aan. En ook in het wezen der religieuze

voorstellingen, in onderscheiding van de wijsgeerige, ligt dezelfde

drang tot Godsvereering. Gij zijt mijn God! zegt de vrome, en stelt zich

daarmede tot Hem in een persoonlijke verhouding, die naar uiting zoekt;

in het Christendom bijv. in de verhouding van een kind tot zijnen Vader.

Van welken aard is nu dit handelen van den godsdienstigen mensch met

betrekking tot zijnen God? Dat verlangen naar het oneindig--wij zagen

het reeds in het eerste hoofdstuk--het kleedt zich vooral in den vorm

van wenschen. Deze worden de Godheid voorgelegd en voor haar

uitgesproken, en zoo is ten allen tijde het gebed wel het gewichtigste

onderdeel van den cultus geweest, ’t zij dan als smeekbede of na

verhooring en vervulling van onze wenschen, als dankgebed. Nu is het

echter een gedachte, die als vanzelf uit onze menschelijke verhoudingen

zich naar voren dringt, dat iedere dienst berust op en afhankelijk is

van een wederdienst, en zoo sloot zich aldra aan het gebed het offer

aan, waardoor de mensch aan God zijne dankbaarheid wil bewijzen of hem

door een dienst van zijn kant gunstiger voor zich en de vervulling

zijner wenschen wil stemmen, op een lager trap van ontwikkeling hem

zelfs dwingen wil. Deze dienst was eerst natuurlijk een uiterlijke daad,

het opofferen van een kleinigheid, om daarvoor in de plaats iets

grooters te ontvangen; maar langzamerhand groeien offergave en

offeringen, en ten slotte brengt men zelfs eigen aardsch geluk, eigen

leven ten offer--in de ascese, in de zelfverminking en zelfopoffering

koopt men het hoogste goed der eeuwige zaligheid voor den prijs van

aardsch welzijn en aardsch geluk. Gansch en al verinnerlijkt echter

wordt dit alles, wanneer men als het eenige Gode welgevallige offer

leert erkennen de goede daad, den goeden levenswandel, de goede

gezindheid, en daarnaar handelt.

Hoe natuurlijk deze ontwikkelingsgang ook moge schijnen en al doet hij

zich aan ons voor als eén doorloopende lijn, ik geloof toch dat zich

daar nog iets tusschen schuift. De aan gevoelens en aandoeningen zich

verbindende en door deze te voorschijn geroepen neigingen en handelingen

hebben ook nog een ander doel en een andere beteekenis: het zijn

uitdrukkings- en voorstellingsmiddelen, het zijn symbolen, uiterlijke

teekenen voor iets innerlijks, voor datgene wat in mijn binnenste zich

afspeelt en voorvalt. Op dit symboliseeren van het gevoel berust, zooals

bekend is, de halve aesthetiek en de gansche kunst. Maar ook het

godsdienstig gevoel drukt zich in zulke symbolische voorstellingen uit

en deelt zich zoo aan andere gevoelens mede. Zoo treedt het religieuze

handelen in samenhang hier met het goede en met de zedelijkheid, ginds

met het schoone en met de kunst.

En zoo kunnen wij dan drieërlei soort of richting in den cultus

onderscheiden: een egoïstisch-persoonlijke-, een aesthetische-, en een

zedelijke richting. In het begin--men tast zeker niet ver mis wanneer

men kortweg zegt dat dit steeds het begin is--in het begin staat alle

religieuze handelen in dienst van persoonlijke wenschen. Men wil van de

godheid iets verkrijgen en wendt zich nu tot haar--met smeekbeden en

offergaven, en als men zijne wenschen vervuld ziet en dankbaar gestemd

is, met dankgebeden en dankoffers. Daarbij hangt het af van de hoogte

van beschaving en ontwikkeling, van datgene waaraan men zich wijdt en

waarin men belang stelt, en niet het minst ook reeds hier van het

zedelijk oordeel en de zedelijke hoogte van hem die bidt, welken inhoud

deze wenschen hebben, die hij aan zijnen God kenbaar maakt, en hoe hij

zich de vervulling en verhooring ervan voorstelt. Wij moderne menschen

zijn spoedig geneigd, den kring zeer nauw te trekken en alles wat ons

vreemd en ongerijmd of goddeloos en godslasterlijk voorkomt, voor

tooverij en bijgeloof uit te maken. Daarom is het altijd goed, nog eens

weer aan Luther te herinneren en aan de wijze waarop hij soms tegenover

zijnen God stond, bijv. in den tijd toen Melanchton doodelijk ziek was.

„Allhier” zoo vertelt hij later zelf, „muszte mir unser Herre Gott

herhalten. Denn ich warf ihm den Sack vor die Thüre und rieb ihm die

Ohren mit allen Verheiszungen des Gebets, das da müszte erhöret werden,

die ich aus der heiligen Schrift zu erzählen wuszte, dasz er mich müszte

erhören, wo ich anders seinen Verheiszungen trauen sollte”. Treedt in

deze ruwe uiting ten slotte ook slechts Luthers besef van de

onmisbaarheid van Melanchton voor zijn werk aan den dag, dien hij op

deze wijze geloofde door gebed aan den dood te moeten ontrukken, „vom

Tode erbeten” zooals hij zelf zegt, zoo ligt daarin aan den anderen kant

toch ook iets van die--naar onze begrippen--bijgeloovige meening van een

lageren trap van religie, dat de mensch God door zijn gebeden en offers

als ’t ware dwingen kan, hem ter wille te zijn.[31] Hoe anders klinkt

dan het gebed van Jezus in den hof van Gethsemane: „Vader, indien het

mogelijk is, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan; doch niet gelijk

ik wil, maar gelijk gij wilt.” (Mattheus 26³⁹). Hier zien wij ook eerst

den zoo natuurlijken wensch, dat het lijden en sterven hem bespaard

mocht blijven, maar dan komt de berusting; niet mijn wil, maar uw wil

geschiede! En evenzoo klinkt het in de bede aller beden, in het Onze

Vader, dat altijd nog schoon en heerlijk is als op den eersten dag, en

dat in geen kerk ooit ter wereld, zooals de „Apostolische

Geloofsbelijdenis”, een voorwerp van twist en strijd is geweest: Uw wil

geschiede! Zoo leert Jezus ons bidden.

Maar daarin ligt tevens ook het antwoord op de meer dan al het andere

klemmende vraag naar de mogelijkheid van gebedsverhooring. De

noodzakelijke voorwaarde voor het gebed is het geloof dat er een God is,

die mij hoort en die mijn gebed verhooren kan en wil. In dat vertrouwen

wordt gebeden. Maar zelfs waar wij nog staan op religieuzen bodem, hoe

vaak wordt dit vertrouwen geschokt: juist dat waar wij het dringendst om

smeekten, het wordt ons dikwijls niet geschonken; zij die ons dierbaar

zijn, om wier behoud wij baden, zij sterven toch; het dreigend ongeluk,

waarvan we smeekten dat het ons mocht voorbijgaan, het komt toch over

ons. En in tijden van oorlog, als beide partijen denzelfden God

aanroepen en om overwinning bidden, kan toch slechts een van beiden op

verhooring zijner gebeden rekenen. Daarbij komt echter ook hier wederom

bij voortgaande ontwikkeling van wetenschappelijk inzicht het besef van

de noodzakelijkheid van al wat geschiedt, den ganschen loop der natuur,

en de overtuiging van een zelfde noodzakelijkheid in den gang der

geschiedenis en den loop van het lot. Ook de vrome gelooft in onze dagen

nog slechts aan wonderen in het verleden, niet meer in tegenwoordige

wonderen; en de anthropomorphische voorstelling, dat God zou zijn te

bewegen tot verandering van het onveranderlijke, dat wij invloed op hem

zouden kunnen uitoefenen als op een mensch, begint bij ons zonder

twijfel te verdwijnen. Reeds Schleiermacher noemt deze voorstelling een

overgang tot het magische.[32]

Daarom is men in den strijd over de verhoorbaarheid des gebeds meer en

meer teruggegaan tot de psychologische, subjectieve beteekenis. Deze

wordt vooreerst bepaald door den inhoud van het gebed. God, den

Oneindige overstelpen met al mijn kleine persoonlijke aangelegenheden en

wenschen, is daarin geen tegenspraak? Het goddelijke in dienst stellen

van mijn eindig ik, en verlangen dat met mij een uitzondering gemaakt,

om mijnentwille alles veranderd wordt, is dat waarlijk vroom? Is dat

zich absoluut afhankelijk gevoelen van den Oneindige, en zich tot Hem

verheffen; is het niet veeleer zich zelf tot heer van ’t heelal willen

maken en daarbij toch aan het eindige verbonden, in de eindigheid steken

blijven? En zijn niet vele van die in ’t gebed tot uiting komende

persoonlijke wenschen dwaas en kortzichtig, vaak echt egoïstisch en

slecht? En daarmee wilt gij eindige mensch dan treden voor uwen God?

Zoodra dit besef in den vromen mensch wakker wordt, zal er een

verandering en loutering komen in al zijne wenschen en beden, en het

gansche karakter van het gebed gewijzigd worden en een anderen, hoogeren

en fijneren vorm moeten aannemen. In zijn vroegeren vorm bleef het gebed

aan het eindige gebonden, maar de godsdienst moet juist boven het

eindige uit ons opvoeren tot de sfeer van het Oneindige.

En daarin ligt het tweede, dat treedt in de plaats der verhooring van

een bepaalde bede. Ligt reeds, wanneer het hart overvol is, in het zich

kunnen en zich mogen uitspreken iets dat rustig en stil maakt, volkomen

sterkte en troost, bemoediging en loutering schenkt eerst die religieuze

stemming des harten waarbij de mensch zich voelt opgeheven en gedragen

door een groote en alomvattende macht. Juist wanneer de vrome zijne

aangelegenheden en wenschen nederlegt voor den troon des Oneindigen en

al zijne zorgen werpt op den Heer, leert hij ze zien in den oneindigen,

eeuwigen samenhang, dien toch een enkel eindig mensch niet anders maken

kan en ook niet anders willen mag. En zoo kan de biddende mensch ook,

afgezien van alle verhooring, stille, vrome berusting en overgave, moed

en kracht uit zijn gebed putten.

Maar al erkennen wij daarin ook een zeer reëele werking van het gebed,

de vrome kan zich toch het geloof aan een andersoortige werkelijkheid,

aan de werkelijke verhooring er van niet laten ontrooven; hij zal juist

daarin altijd vinden de kracht van het gebed en de kracht tot het gebed;

maar aan den anderen kant zal hij daarbij ook altijd weer gevaar loopen,

zijnen God ook zulke persoonlijke wenschen voor te leggen en te toonen,

of aan hem te vertwijfelen, wanneer ze niet verhoord worden. Juist omdat

bij die subjectieve werking voor hem het geloof aan de verhooring des

gebeds mede een bepalende factor is en hij de beteekenis van het gebed

zoekt buiten zich in plaats van in zijn eigen binnenste, vandaar juist,

wanneer die hulp van buiten uitblijft, soms dat kleinmoedig

vertwijfelen, soms ook die vurig oplaaiende Prometheus-stemming, door

Goethe zoo geweldig uitgedrukt in de verzen:

Alsof hierboven ware

Een oor dat hoorde naar mijn klacht,

Een hart als ’t mijne,

Dat zich erbarmde om mijnen nood!

Van persoonlijke wenschen gaat het gebed uit en keert ten laatste weder

terug tot het vrome gevoel van afhankelijkheid en overgave aan den wil

en de beschikking van den Oneindige en den van Hem afhankelijken

wereldloop. Een anderen weg neemt de cultus op den tweeden trap, dien

ik den aesthetischen noemde. Bij den vooruitgang der beschaving tracht

alles wat de mensch doet, zijn gewoonten en gebruiken, zich in bepaalde,

schoone vormen te kleeden, en zoo volgt ook de religieuze

cultushandeling als ceremonie en ritus deze algemeene zucht naar

veredeling en naar de vreugde van het schoone.

Maar de verwantschap tusschen cultus en kunst, tusschen het religieuze

en het aesthetische is een nog veel intensievere, heeft nog veel dieper

grond. Het religieuze gevoel is--wij zagen het reeds--van den aanvang af

aan het aesthetisch gevoel van het verhevene ten zeerste verwant, en op

zekere oogenblikken, bijv. bij den aanblik van het geweldig grootsche

van een hooggebergte of de oneindige stilte des hemels, zal het moeilijk

zijn te onderscheiden en vaak van kleine individueele nuances en

toevallige indruksverschuivingen afhangen, of wij ons gevoel als een

godsdienstig of als een aesthetisch moeten beschouwen, of een dergelijke

aanblik ons aesthetisch verheven of religieus plechtig stemt. En dan--de

fantasie schept zoowel de beelden der goddelijke oneindigheid, als de

oneindige schoonheidsidealen der kunst.

Juist omdat de godsdienstige voorstellingen werk der fantasie zijn en

zij zich altijd in beeldende taal en gedachten zoeken te uiten, zullen

deze beelden ook steeds een zekere aesthetische waarde hebben en worden

zij bij voortgaande en zich verfijnende beschaving ook in dit opzicht

steeds meer volmaakt, in hun gelijkenis met ’t menschelijke steeds

idealer, steeds verhevener en schooner.

Zoo wordt het dan vanzelfsprekend, dat de godsdienst de kunst in zijnen

dienst neemt en dat de kunst, evenzeer als de wetenschap, zoowel in ’t

begin als later nog, grootendeels religieuze kunst is. Bij tijden hebben

dan ook alle kunsten voor religieuze doeleinden gediend, zelfs de

danskunst. Dit gebeurde niet alleen in de Grieksche koren, ook „David

danste”, toen de ark des verbonds in Jeruzalem werd binnengehaald, „uit

alle macht voor den Heer” (II Samuel 6¹⁴). Vroeger of later evenwel

treedt ook hier het differentiëeringsproces aan den dag, de kunst zoekt

zich van den godsdienst los te maken, te emancipeeren, en het gelukt

slechts zelden haar wederom daaraan te verbinden. De goden worden weer

menschen, het vrij en zuiver menschelijke treedt in de plaats van het

conventioneele der religieuze plastiek en schilderkunst; de moeder Gods

wordt het beeld van het eeuwig vrouwelijke, van de menschelijke maagd of

moeder. De Grieken voerden hun tooneelvoorstellingen op ter eere van den

God Dionysus (Bacchus), het Duitsche drama is als Passiespel in den

dienst der kerk ontstaan; en groote waarschijnlijkheid heeft de gedachte

dat in den cultus vaak een dramatische nabootsing moet worden gezien van

het in de natuur zelf geziene en beleefde goddelijke leven.[33] Wanneer

daarentegen heden ten dage de poging wordt gedaan om de Lutherspelen een

meer religieus karakter te geven en de toeschouwers daarbij als

„gemeente” te behandelen, dan vinden wij daar iets in van wansmaak of

nemen er zelfs aanstoot aan--natuurlijk niet aan het stuk, maar

aan de voor ons volkomen ongepaste verbinding van theater en

godsdienstoefening. De bouw van groote domkerken en kathedralen in de

Middeleeuwen werd in groote religieuze geestdrift ondernomen; maar het

is een romantisch onding, om deze stemming nu weder kunstmatig te willen

opwekken en de oogen te sluiten voor het feit, dat het nu veel meer

aesthetische belangen zijn, die het mogelijk maken dat zij in onzen tijd

worden voltooid, evenals het overwegingen van stijl en geen religieuze

gedachten zijn die onze huidige bouwmeesters leiden bij hunne

kerkontwerpen.

Het hechtst en innigst blijft in den cultus altijd de muziek met den

godsdienst verbonden; het gemeenschappelijk gezang is daarvan wel de

eenvoudigste en zuiverste vorm. Het triomphlied der protestantsche kerk

„Een vaste burcht is onze God” vervult ons telkens weer opnieuw van dien

ouden krijgshaftigen Luthergeest en doet iets van de religieuze stemming

uit dien eersten grooten tijd der hervorming machtig in ons opklinken.

Daar van alle kunsten de muziek de meest onmiddellijke en zuivere

gevoelskunst en derhalve de diepste is, is zij wel bij uitstek geschikt

en als van nature bestemd om de religieuze gevoelens te vertolken. Maar

juist omdat zij de diepste aller kunsten is, is zij niet tevens de meest

heldere en klare. Ook zij vermag niet het onuitsprekelijke „uit te

spreken”, vandaar niet zelden op dit gebied een vaag dwepen met

gevoelens, waarbij men zelf onzeker blijft of het reeds religieus of nog

aesthetisch is. Zeer duidelijk is dat te zien aan het grooter nadruk

leggen op het muzikale element in onzen protestantschen eeredienst. Men

hoopt door deze muzikale verrijking onzer liturgie de meer beschaafden,

die van de kerk vervreemd zijn, weer voor haar te winnen. Want alleen

voor die ontwikkelden, niet voor het volk zijn dergelijke muzikale

uitingen in den cultus bestemd; het protestantsche volk wil er blijkbaar

niet van weten, verzet zich zelfs tegen deze wijze om de menschen te

„pakken”.

Maar ik geloof dat het ook bij de ontwikkelden zijn doel mist. Wat onze

tijd in de muziek produceert, is niet meer religieus, en zoo neemt men

zijn toevlucht tot de klassieke kerkmuziek van vroeger tijden, maar

drijft zoo een aesthetisch spel met de gevoelens, die in die oude muziek

hun uitdrukking vonden en toen waarachtig waren, het nu echter niet meer

zijn.[34]

De godsdienst is echter niet spel en kunst, maar ernst en leven, heeft

niet met vroegere maar met tegenwoordige gevoelens te doen. De kerk moge

wel toezien of zij in haar eigen belang handelt, wanneer zij den ernst

des godsdienstigen levens helpt verslappen en omzetten in spel en

genot, en in de plaats van een godsdienstige wereld, waarin men gelooft,

een schijnwereld stelt, die men aesthetisch genieten wil. Daartegenover

doe men geen beroep op die „bekeerden”, die aangetrokken door de

schoonheid en het kunstelement in den katholieken cultus, van het

protestantisme tot het katholicisme zijn overgegaan, als of de

protestantsche kerk voor dezulken haar eeredienst zou moeten veranderen

en meer aantrekkelijk maken om daardoor afval te voorkomen. Ik betwijfel

of de katholieke kerk als godsdienstige instelling juist aan dezen veel

zal winnen. Zulke menschen zijn, de geschiedenis leert het ons, in

werkelijkheid altijd romantisch aangelegde naturen geweest. Maar den

romantisch gezinde is het met niets heilige ernst, voor hem is het leven

spel en genot; maar daarom blijft hij ook slechts aan de buitenzijde van

den katholieken eeredienst, ziet niet daarachter en daarboven den diepen

heiligen ernst, voelt dien zelfs wellicht als een drukkenden last, dien

hij er helaas nu eenmaal bij op toe moet nemen; geen godsdienstige

overtuiging heeft bij hem dezen omkeer te weeg gebracht, maar het

ontbreken daarvan heeft hem de beteekenis en het gewicht van zijn daad

doen voorbijzien. En zoo is dan ook die romantisch-aesthetische

gevoelsverfijning in het moderne Protestantisme volstrekt geen bewijs

van kracht en herleving op godsdienstig gebied, eerder omgekeerd een

teeken van religieuze verslapping en verarming, die men door steeds

sterker prikkels tracht op te heffen, en waarachter zich toch hoogstens

slechts een religieus aanvoelen, geen waarachtig en gezond godsdienstig

gevoel verbergt.[35]

En daarom komt het mij voor, hoe paradox dat ook moge klinken, dat

godsdienst en aesthetica het innigst samengaan niet in de schoonheid der

kunst die toch altijd ’t werk van menschenhanden blijft, maar in de

schoonheid der natuur.

De wereld is schoon! Het schoone is een symbool: openbaart zich dan niet

in de schoonheid der natuur, iets hoogers, iets oneindigs, iets

goddelijks of hoe gij het noemen wilt? Mij is dit aesthetisch oordeel

altijd als het sterkste bolwerk eener pantheïstische wereldbeschouwing

voorgekomen, en daarom kan ik medegevoelen met hen die klagen dat de

kerk heeft nagelaten den zin voor een religieus verstaan der natuur te

wekken en hun oogen te openen voor het goddelijke in de natuur. Het

hangt samen met het karakter van den ouden christelijken godsdienst, met

zijn aan zinnen en natuur vijandigen geest, dat dit middel tot opvoeding

van den godsdienstigen zin ongebruikt bleef, en de gedachte van een „God

in de natuur” bijna als een brok heidendom, als pantheïstische ketterij

verafschuwd werd.

Ten deele geschiedde dat--ik weet dat wel--met ’t oog op zedelijke

belangen; en bovendien is het tijd dat wij ons wenden tot dezen hoogsten

en belangrijksten trap van religieuze ontwikkeling en gaan spreken over

het religieuze leven als van zedelijke waarde. Ook hier kunnen wij al

dadelijk vragen of in den godsdienst van huis uit een zedelijk element

ligt.[36] Deze vraag is dikwijls bevestigend beantwoord en het is nog

slechts een kwarteeuw geleden dat Rauwenhoff in zijn voortreffelijke

„Wijsbegeerte van den godsdienst” de religie en haar ontstaan trachtte

te binden aan het ontwakend zedelijk bewustzijn, het plichtsbesef als

grondslag en het geloof aan een zedelijke wereldorde als wezen van het

godsdienstig geloof teekende. Maar zoo eenvoudig zijn deze dingen toch

niet. Zeker, het is waar, dat de vrome van den Oneindige zegt: dat is

mijn God, en zich tot Hem in een persoonlijke betrekking stelt, die als

zoodanig ook een zedelijke verhouding is. Maar men bedenke wel: deze

zedelijk-persoonlijke betrekking kan een zedelijk goede-, maar kan

evengoed een zedelijk verkeerde en slechte zijn. Die anthropomorphisch

gedachte God wordt bijna als een mensch behandeld, en zoo hij

gedegradeerd wordt tot dienaar van mijn egoïstische wenschen, toch

stellig niet zedelijk goed behandeld. Dat is het onzedelijke, dat wij in

bijgeloof, tooverkunst en magie hebben te bestrijden en dat ons

duidelijk toont hoe onder den dekmantel van godsdienst niet steeds en

uitsluitend goed gehandeld wordt.

In de tweede plaats echter ligt ook in het godsdienstig gevoel zelf

iets, dat, evenals met het aesthetische gevoel van verhevenheid, zoo ook

van nature met het zedelijke verwant is. Gevoel van afhankelijkheid

leidt noodzakelijk tot deemoed; en dat opgaan in en zich verheffen tot

den Oneindige heeft iets bemoedigends en verhevens, iets louterends dat

aan de „katharsis” (reiniging) als werking der tragedie herinnert. En

wanneer in den cultus van dienst en wederdienst sprake is, dan is

daarmede ook gegeven iets als een gevoel van verplichting; geen wonder

dan ook dat nu omgekeerd een zoo nuchter man als Kant,[37] wanneer hij

over den plicht komt te spreken, het hart wijd opengaat, een gevoel van

verhevenheid hem bevangt en hij geraakt in een soort religieuze

geestvervoering. En eindelijk zal men bovenal moeten toegeven, dat de

godsdienst vaak zedelijk verheffend heeft gewerkt en nog werkt, dat met

name in de godsdiensten die op een stichter teruggaan, deze stichters

steeds ook wetgevers en leeraren eener nieuwe en hoogere moraal zijn

geweest en dat in den naam dezer nieuwe moraal veel groots en goeds in

de wereld is verricht. Maar ook de door de fantasie geschapen

godsidealen der natuurgodsdiensten werden in de loop der tijden dragers

en voorbeelden van zedelijke volmaaktheid, waaraan men tegelijk kan zien

hoe de godsdienst juist in zijn zedelijk karakter afhankelijk is van de

voortgaande moreele beschaving en ontwikkeling zijner belijders. Zoo is

dan ook nu onder ons voor vele menschen de zedelijkheid gebonden aan en

als besloten in hun godsdienst: als kinderen werd ons de moraal in

religieuzen vorm, onder religieuze autoriteit geleerd en het is uit

religieuze motieven, om der wille van God en de zaligheid hunner ziel,

dat velen het goede gedaan en de zedelijke geboden gehoorzaamd hebben.

En omgekeerd is een bewijs voor dezen nauwen samenhang, dat in tijden

van kwijnende belangstelling inzake den godsdienst, als de religieuze

voorstellingen en overtuigingen onzeker dreigen te worden en in breede

kringen de vastheid van het geloof verloren gaat, velen zich met volle

bewustheid en opzettelijk tot de praktijk wenden. „Wat beteekenen nog

dogma en belijdenis? ’t praktische christendom is daarvan onafhankelijk,

dat is de hoofdzaak en daar komt het op aan in ons geloof,” zoo spreken

juist heden ten dage velen.

Ik betwijfel echter of deze wijze van verdediging, of zoo gij liever

wilt, dit vervluchtigen van den godsdienst tot zedelijkheid en religieus

moralisme wel zeer juist gezien en den godsdienst nuttig is. Practisch

Christendom, godsdienst als moraal--dat kan op tweeërlei wijze gedacht,

van twee gezichtspunten uit als doel en als norm der religie worden

gesteld, is echter in beide gevallen niet onbedenkelijk.

De oudere, meer formeele opvatting van religieus moralisme is deze, dat

het zedelijke, door de religie gekweekt en overgeleverd, onder goddelijk

gezag gesteld, en door den stichter der religie als goddelijke

openbaring ons geleerd en opgelegd is, of zooals Kant het uitdrukt:

„godsdienst is de kennis van alle onze plichten als goddelijke geboden”,

wat hij dan nog aanvult met de gedachte dat alles, wat de mensch nog

meent te kunnen doen buiten en behalve een goeden levenswandel, om Gode

welgevallig te zijn, bloot godsdienstige schijn en verkeerde godsdienst

is. Men zou wellicht kunnen meenen, dat dat een zeer welkom redmiddel

was om uit de moeilijkheden te geraken, zoo bijzonder geschikt om den

strijd tusschen gelooven en weten te beëindigen. En inderdaad hebben

velen vrede daarbij als een gemakkelijke oplossing. Maar zoodra men

scherper toeziet, komen toch ook hier moeilijkheden aan den dag van

allerlei aard. De zedelijkheid wordt hier gegrond op den godsdienst, en

wel niet op godsdienstig gevoel, maar op het godsdienstig denken, op

dogma en geloof: God de zedelijke wetgever, Jezus of Mozes of wie dan de

drager en stichter van het nieuwe zij, degene die den goddelijken wil

kent en geroepen is haar ons mee te deelen. Vandaar echter al heel

spoedig een zekere benepenheid in deze religieuze moraal, die slechts

erkennen wil wat haar stempel draagt, en het liefst toch slechts haar

zedeleer wil brengen aan eigen geloofsgenooten. En aan den anderen kant,

wanneer die voorstellingen omtrent God en een goddelijken wil, als ons

geloof aan de wonderbaarlijke en bovennatuurlijke verhouding van den

stichter tot de Godheid en aan zijn volmaakte kennis van haar wil begint

te wankelen, dan verliest daarmede de onder dat gezag gestelde moraal

haar houvast en haar uitwendige geloofwaardigheid en wordt zoo zelf ook

onzeker en wankel. Dat dat geen ijdele waan, geen bloot bedachte

consequentie is, toont wel een blik op het leven om ons heen. Waar de

zedelijkheid aan ’t geloof gebonden, op ’t geloof gebouwd was, daar is

met dit laatste ook het zedelijk besef verbleekt en door twijfelingen

aan het wankelen gebracht, om te zeggen weggevaagd: de godsdienstige

crisis een zedelijke crisis ten gevolge.

Maar ten slotte blijkt het ook principiëel bedenkelijk zedelijke vragen

en bij zijn levenstaak van een autoriteit, al is het dan de hoogste,

afhankelijk te maken. Kinderen zijn goed, wanneer zij gehoorzaam en

volgzaam zijn, en zoo is ook begrijpelijk hoe het Germaansche volk zich

in zijn kindsheid door de kerk als draagster eener hoogere cultuur, door

een uitwendig gezag aan den leiband liet voeren. De kerkelijke

casuïstiek is de moraal der onzelfstandigen; de biechtstoel scherpt hun

geweten niet, maar treedt er voor in de plaats. Alle opvoeding echter is

opvoeding tot vrijheid, ook de kerkelijke en godsdienstige, tenminste

zoo behoorde het te zijn; en daarom komt ten slotte met noodzakelijkheid

en recht in de plaats der theonomie, de erkenning van een goddelijken

wetgever, de autonomie, de zedelijke zelfstandigheid, waarvoor Kant zich

zoo krachtig heeft uitgesproken.

Daarin ligt echter tevens het tweede meer zakelijke argument tegen de

nauwe verbinding van godsdienst en moraal. Wanneer de mensch het goede

doet omdat God het beveelt, als het goede goed is, omdat God het zoo

wil, wat zijn dan de motieven van het zedelijke? Overal in den

godsdienst en de godsdienstige moraal vinden wij de gedachte en de

belangen onzer zaligheid voorgesteld als zedelijk opwekkende en bindende

kracht. Daartegenover was het streven van Kant’s strenge moraal om elke

gedachte aan eigen geluk en welzijn als een verontreiniging van het

zedelijke en het goede van de motieven van het handelen verre te houden

en geheel uit te sluiten. Maar wanneer wij ook niet zoo ver gaan en

kunnen gaan als hij, en de zorg voor ons „geluk” (eigenlijk een fataal

woord!), het Eudaemonisme als volkomen gerechtvaardigd en noodzakelijk

in het zedelijk leven, mede erkennen, dan wordt toch door de

persoonlijke verhouding van den mensch tot zijn God, in de religieuze

moraal het gerechtvaardigde verlangen naar zaligheid bijna even

noodzakelijk en onvermijdelijk vermengd met de ongerechtvaardigde zucht

naar loon, een goede levenswandel wordt beschouwd als een bijzondere

praestatie, een offer, en zoo is dan ook de onzedelijke gedachte van de

verdienstelijke en oververdienstelijke werken op godsdienstigen bodem

ontstaan. Nog duidelijker echter spreekt hier iets anders. Juist hier

komt de vrome zelf voor een probleem te staan, waarbij zijn geloof aan

het wankelen wordt gebracht: hij ziet, hoe de rechtvaardige vaak lijdt

en ongelukkig wordt, terwijl het den goddelooze goed gaat: hoe is dat te

rijmen met de gerechtigheid Gods, met het geloof aan een voorzienigheid,

een goddelijke wereldleiding? Gij weet, hoe deze vraag der theodicee in

het boek Job is opgeworpen en van alle kanten bezien, hoe ten slotte

echter de schrijver zich moet beroepen op de ondoorgrondelijkheid der

goddelijke wijsheid en hare raadsbesluiten. In ’t Christendom is dat

anders: daar wordt het verlangen naar zaligheid, dat hier beneden vaak

onbevredigd blijft, naar het hiernamaals overgebracht, en zoo wordt daar

goedgemaakt wat hier op aarde onvervuld en ongedaan blijft, waardoor dan

alle contrôle onmogelijk en alles aan het geloof en de hoop wordt

overgelaten. Door echter zoo den nadruk te leggen op ’t

onsterfelijkheidsgeloof en er als ’t ware een moreele wending aan te

geven, komt in de Christelijke wereldbeschouwing en niet het minst ook

in de christelijke moraal noodzakelijkerwijze een transcendente trek van

afkeer wan de wereld: het hiernamaals wordt hoofdzaak, het leven op

aarde slechts voorbereiding, een tranendal en een pelgrimstocht. Vandaar

het reeds door Plato zoo negatief geformuleerde levensdoel van den

mensch, af te sterven aan de wereld, midden uit de volheid van ’t leven

zich terug te trekken, wereldverzaking en ascese, in den godsdienst zoo

vaak het hoogste en beste geacht wat de mensch kan doen en bereiken;

waarbij wij echter niet mogen vergeten dat overwinning van de wereld en

overwinning van eigen ik nauw te zamen behooren en in elkander overgaan.

Het is interessant in de geschiedenis der christelijke ethiek[38] eens

na te gaan, hoe deze met het hooggespannen idealisme des Christendoms

nauw samenhangende, negatieve en ascetische levensopvatting, deze

ontkenning der wereld tegenover wereldzin en wereldleven, wereldlijken

arbeid en wereldlijke cultuur in verschillende tijden met wisselende

sterkte en kracht tot uiting komt. Daarbij is het niet te ontkennen dat

door de hervorming van Luther, onder den krachtigen invloed der op ’t

aardsche, wereldlijke en menschelijke gerichte humanistische strooming,

het Christendom sindsdien veel wereldscher geworden is en elke gedachte

aan het „profane” van onze aardsche roeping is verdwenen. Maar in het

Protestantisme is die zucht naar ascese en ontvluchting der wereld

alleen nog nu en dan weer merkbaar in een soort onderstroom--men denke

aan het Piëtisme--, die dan tot de oppervlakte tracht door te dringen en

zich daarvoor steeds op de oudste en beste tradities van de kerk en het

oudste christendom kan beroepen.[39]

Tegenover dit alles legt de zuiver wereldlijke moraal--want dat die er

is, kan niet worden bestreden--allen nadruk op den uitsluitend

menschelijken oorsprong van het zedelijke, ’t zij dan dat men het met

Kant uit de autonomie der rede afleidt of met de modernen er veeleer een

product der gemeenschap in ziet, dat gemeenschappelijke oogmerken dient

en den enkeling tot onvoorwaardelijken en vrijwilligen dienst verbindt.

Wat haar inhoud aangaat, beperkt deze wereldlijke moraal ’s menschen

taak tot dit leven en wijst hem hier op aarde het tooneel aan niet

slechts van zijne vreugde en lijden maar ook van een zedelijken

werkkring en leert hem de zedelijke verhooging van cultuur en

menschheid, het geluk en de welvaart der gemeenschap als oogmerk en doel

van dezen zijnen arbeid beschouwen. Zoo wordt dan, wanneer wij dat

erkennen, gelijk wij het zagen bij den strijd tusschen gelooven en

weten, ook hier tusschen godsdienst en zedelijkheid tegenstelling en

strijd onvermijdelijk. Dat hij nog niet, gelijk die eerste, zoo

verscherpt en toegespitst is, hangt wellicht hiermede samen dat de

meesten van hen die zich praktisch, in hun leven reeds lang aan deze

nieuwere zedelijke beschouwing, deze wereldlijke moraal houden,

nauwelijks eenig begrip hebben van het verschil tusschen dat wat zij

doen en dat wat zij gelooven, en meenen religieus correct te leven en te

handelen, terwijl zij inderdaad niet meer religieus, maar eenvoudig als

zedelijke menschen handelen. Men belijdt en aanvaardt een praktisch

Christendom en leeft in werkelijkheid ethisch als een gewoon modern

mensch, of scherper geformuleerd: men heeft langen tijd alleen van

religieuze zijde aggressief en sceptisch gevraagd, of zedelijkheid

zonder godsdienst mogelijk was, en de tegenvraag voorbijgezien: of

zedelijkheid, of meer bescheiden uitgedrukt: of onze moderne wereldlijke

zedelijkheid en in ’t algemeen eenige vorm van zedelijkheid _met_

godsdienst mogelijk is!

Aan den anderen kant komt het mij voor dat ook de moralisten twee dingen

maar al te licht voorbijzien. Dat zedelijkheid zonder godsdienst

_mogelijk_ is, is theoretisch volkomen juist; maar in de werkelijkheid

wordt ons allen het zedelijke toch veelal in religieuzen vorm

bijgebracht: ik behoef slechts te herinneren aan de tien geboden of aan

de bergrede, en ook van Plato weten wij, welke rol zelfs bij de

zedelijke opvoeding der Grieksche jeugd de godenmythen speelden. Het

milieu waarin wij, ook de meest vrijen onder ons opgroeien en leven, is

gansch doortrokken van deze eenvoudige en ware geboden en gedachten

eener religieuze moraal. Mochten derhalve godsdienst en kerk in breeder

kring meer en meer van de overige cultuurgoederen worden losgemaakt en

op zichzelf komen te staan--en wij kunnen voor deze mogelijkheid de

oogen toch niet geheel sluiten--, dan is de vraag aangaande een

zedelijke opvoeding des volks zonder godsdienst een nog onopgeloste, die

ons in de toekomst voor een nieuwe taak stelt. En daarom zal ik

pogingen om op een enkel gebied haar op te lossen en ter hand te nemen,

steeds gaarne begroeten, ook al acht ik ze, ondernomen te midden van een

Christelijk milieu, voorloopig niet in ieder opzicht van voldoende

bewijskracht.

Het tweede is, dat onze wereldlijke moraal, wellicht vaak in halfbewuste

tegenstelling tot die des Christendoms, vaak geneigd is het met het

slechte en met de zonde al te gemakkelijk, te optimistisch te nemen, en

het vaak doet voorkomen alsof de ethiek slechts met het goede en niet

met zijn antipode het slechte te doen heeft. In theorie komt weliswaar

ook de godsdienst met het kwade in moeilijkheid: hoe kan hij het bestaan

der zonde in de wereld rijmen met de almacht en de goedheid Gods? Een

tweede probleem dus der theodicee, dat door den christelijken duivel

niet wordt opgelost en door den Perzischen Ahriman als een Gordiaansche

knoop dualistisch en toch weer niet consequent genoeg wordt doorgehakt.

Maar steeds heeft de godsdienst en vooral het Christendom deze

werkelijkheid van het kwade met alle energie naar voren gebracht, voor

een deel zelfs pessimistisch overdreven: men denke aan Augustinus of

Calvijn, aan praedestinatie en erfzonde, aan duivel en hel, aan den

middeleeuwschen afkeer van natuur en zinnenleven en beschaving. Aan den

anderen kant heeft hij het weliswaar den menschen ook weer gemakkelijk,

vaak veel te gemakkelijk gemaakt: men kan ook met de genade spelen, en

daarbij behoeft het niet eens altijd zoo plat en brutaal toe te gaan,

als met den aflaathandel van een Tetzel. Maar toch ligt in den roep:

„Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”, aan den

eenen kant het zedelijk recht en de zedelijke grootheid van den

christelijken godsdienst: hij neemt het ernstig met de zonde als een

vergrijp tegen God; en aan den anderen kant toont hij zich daarin echt

religieus, dat hij ook aan ’t gevoel van zedelijke onmacht en zwakte,

aan de begeerte vrij te worden van de zonde en vergeving te vinden voor

het verleden, aan de gedachte van een oneindige zedelijke volmaaktheid,

in het geloof aan genade en verlossing uitdrukking geeft. Omdat de

zedelijkheid die buiten allen godsdienst staat dit heilmiddel niet geven

kan, is zij geneigd den angel van ’t kwade te onderschatten en het

zondebesef niet al te zwaar te laten wegen. Omdat daarentegen de

godsdienst gelooft wel zulk een middel te bezitten, daarom kan hij hem

den menschen des te dieper in het hart drukken.

Maar hoe staat het dan met ons geloof aan de waarde der bekeering van

een zondaar op het sterfbed? Gij begrijpt wellicht wat ik met deze

plotselinge vraag bedoel: maar ik wil het ook uitdrukkelijk zeggen. Een

leven in zonde doorgebracht maakt men niet goed door de gevoelsopwelling

van een laatste uur; zonde is slechts te verzoenen door in het leven het

kwade te overwinnen en door dit leven steeds rijker en voller te doen

bijdragen tot de overwinning van het goede.

Zoo liggen dan ook hier dezelfde groote tegenstellingen, als die waarop

wij stuitten bij de verhouding van gelooven en weten. Maar--de

wetenschap verdeelt, het leven vereenigt. En daarom zie ik hier geruster

dan ginds de toekomst en den strijd dien zij brengen zal, tegemoet. Onze

zedelijke en onze sociale taak in de wereld, die moeten en zullen ons

tot elkander brengen, ook al mochten de groote geloofsvragen in den

eersten tijd nog meer verdeeldheid en scheiding brengen. Wanneer dan

eenerzijds erkend wordt, dat op religieuzen bodem bepaalde deugden

gemakkelijker en schooner zich ontplooien en de godsdienst den mensch

een zekere zachtheid en innigheid des gemoeds geven ~kan~--niet

~moet~--die voor de ontwikkeling dier deugden een bijzonder gunstigen

bodem biedt en de daarop bloeiende bloemen een bijzonder fijnen geur

verleent, en wanneer anderszijds de geloovige mensch, het bestaan

erkennend eener godsdienstlooze moraal, de zedelijke eigenschappen der

verdraagzaamheid en gerechtigheid leert in eere houden ook tegenover

andersdenkenden, dan zal ook hier het laatste woord zijn dat van

Lessings wijzen rechter:

Met zachtmoedigheid,

met hartelijke verdraagzaamheid, met weldoen,

met innigste overgave aan God

zal zich de kracht der steenen aan beide kanten openbaren, en zoo de

strijd om de belijdenis en het „ware geloof” in den nood der tijden toch

langzamerhand op den achtergrond kunnen treden.

Godsdienst en godsdiensten · 第 13 / 83 题