TWEEDE HOOFDSTUK

Religieuze voorstellingen en denkbeelden. Gelooven en Weten.

Gelooven en weten, daarbij zullen wij ’t eerst onze aandacht hebben te

bepalen. Men zou er wellicht over kunnen twisten, of niet een

behandeling van den cultus aan die van het geloof vooraf behoorde te

gaan. Nog niet lang geleden n.l. is men bij religionsphilosophische

onderzoekingen juist met den cultus als het oorspronkelijke en eerste in

den godsdienst begonnen.[15] Ik ben echter van oordeel, dat deze wijze

van behandeling niet is door te voeren: voor men tot een God kan bidden

of hem een offer kan brengen, moet men toch eerst een God bezitten en

van hem weten, en daarom blijft toch altijd de eerste vraag: hoe

ontstaat de Godsvoorstelling, of in ’t algemeen het godsdienstig geloof?

Nu schijnt het alsof wij in weinige stappen daartoe kunnen komen:

afhankelijkheidsgevoel--afhankelijk van wat en van wien? van God;

zielsverlangen naar het oneindige--en dit oneindige? natuurlijk God.

Maar ik vrees dat wij daarmede slechts een naam hebben gewonnen, niets

meer, en het is ons niet om een naam--„een naam is niets dan klank en

rook,”--maar om de zaak te doen. De vraag: vanwaar eigenlijk dat gevoel

van afhankelijkheid? wien of wat hebben wij onder dat oneindige te

verstaan? komt mij voor veel te theoretisch en te verstandelijk te

zijn.[16] Zoo vraagt en overlegt de vrome mensch niet. Op den

causaliteitsdrang laat zich het godsdienstig geloof niet grondvesten.

Andere krachten dan die van het bespiegelend denken zijn daarin

werkzaam: gevoel is alles, daarmede is het begonnen, en zoo brengt nu

ook het gevoel het denken in beweging en blijft daarin leven en werken.

Dit gevoelmatige denken noemen wij fantasie. Dat er fantasie bij in het

spel is, ligt reeds in onze afleiding van ’t religieuze gevoel zelf

besloten. Met ons weten is het hier uit, hebben wij gezegd, wij staan

aan de grenzen van ons kennen en begrijpen. Een zielsverlangen voert ons

verder, en de vleugels die wij noodig hebben om verder te komen, schept

de fantasie en draagt ons daarmede boven den afgrond uit naar de

hoogten, ver weg over alle grenzen en beperking.[17] Zij lost ’s levens

raadsels op, leert ons wereld en leven verstaan, toont ons het oneindige

in een beeld, en plant haar banier op alle hoogten en in alle diepten

der wereld en des levens.

Maar nu dringt zich daartegenover als met ongeduld de vraag naar voren:

„Zoo is u dan godsdienst en godsdienstige voorstelling slechts

verdichting; want alle werk der fantasie is poëzie; maar hoe staat het

dan met de waarheid van ons geloof? Wordt zoo niet alles illusie en

zelfbedrog?” Al komt die vraag eigenlijk nog te vroeg, wij kunnen ons

toch reeds voorloopig door twee tegenvragen eenigermate geruststellen.

Dat de religieuze voorstellingen der Grieken verdichting zijn, daaraan

twijfelt wel niemand, evenmin aan het dichterlijk karakter der Indische

mythologie, zooals wij die kennen uit de heilige hymnen aan Indra en

Varuna, aan Soma en Agni; sinds Herder ook wel nauwelijks nog één

ontwikkelde aan den geest der Hebreeuwsche poëzie in het oude Testament,

in ’t bijzonder aan het dichterlijk karakter van het diepzinnige

Paradijsverhaal. Maar waarom zou dan alleen aan ónze religieuze

voorstellingen de fantasie geen deel mogen hebben? Wij vieren toch allen

Kerstmis: wie zou nu aan de poëzie van het Kerstfeest aanstoot nemen,

omdat ook hier vrome verdichting en sage het heilige tafereel hebben

geteekend?

Maar dan in de tweede plaats, is verdichting dan zooveel als onwaarheid

en leugen? Men behoeft heusch niet eerst aan het moderne realisme te

herinneren, dat de waarheid tot een wet der poëzie wil maken, om in te

zien dat juist de hoogste en laatste waarheden ons niet door de

natuurwetenschappen of de geschiedenis, maar integendeel door de groote

dichters geopenbaard worden: zij zijn de groote zieners der menschheid

en verklaren haar den zin van haar bestaan. Is dan de schildering die

Schiller in Wallenstein geeft van menschelijke vrijheid en van de macht

van het noodlot, of Goethe in den Faust van den goeden mensch, die zich

in zijn duisteren levensdrang toch van den rechten weg bewust blijft, om

van Lessings juist hier zoo treffenden Nathan niet te spreken,--zijn

dergelijke schilderingen nu onwaar, omdat zij in schoonen vorm zijn

gekleed en in dichterlijke beelden hunne gedachten over den mensch en

het leven tot onze ziel brengen?

Daar wordt ons echter een uitweg gewezen die langen tijd in de theologie

als het ei van Columbus werd beschouwd: voor den godsdienst, zoo zegt

men, zijn denken en voorstellen slechts secundair; de godsdienst kent

slechts gevoelsoordeelen, die door het gevoel worden te voorschijn

geroepen en aan gemoedsbehoeften beantwoorden, en alleen op het gemoed

opbouwend en stemmend werken: het zijn waardeeringsoordeelen.[18] Maar

daarmede wordt de eigenlijke hoofdvraag voorbijgezien, de vraag waarop

het godsdienstig geloof allen nadruk legt en leggen moet: of aan die

beelden en symbolen, die gevoels- en waardeeringsoordeelen ook waarheid

toekomt, of de werkelijkheid er aan beantwoordt, of zij derhalve ook

„zijnsoordeelen” mogen heeten. Natuurlijk beaamt het geloof dit: niet

dat zij waarde hebben, maar dat zij waar zijn, dat is de hoofdzaak. Maar

heeft het daartoe recht? Zijn zij werkelijk waar? Dat moet dan de

philosophie bewijzen. Maar kan zij dat? En bovendien, komt zij dan

daarmede niet toch weer boven het geloof te staan, en wordt dit daardoor

niet eenigermate onder haar voogdij en contrôle gesteld? In deze lastige

situatie treedt nu de religions-philosophische opvatting van ’t geloof

naar voren en toont ons den eenig mogelijken uitweg uit het labyrinth

der hier zich kruisende en slingerende paden. Daarbij kan zij uitgaan

van de bekende definitie uit den Hebreërbrief: „Het geloof is een vast

vertrouwen op dat wat men hoopt, en niet twijfelen aan dat wat men niet

ziet.” (Hebr. 11¹) De voorwerpen des geloofs zijn onzienlijk, dat is dus

tevens onkenbaar en onbewijsbaar. Dat is in de wijsbegeerte door niemand

scherper gezien en uitdrukkelijk aangetoond dan door Kant, toen hij

aanwees dat zelfs de drie grondideeën der Aufklärung[19]: God, vrijheid

en onsterfelijkheid nimmer als kennis der werkelijkheid zijn te

beschouwen en hun bestaan zich ook voor het denken nooit afdoende en

zonder innerlijke tegenspraak laat bewijzen. Maar wanneer dan nu de

wijsbegeerte er van moet afzien, als waar te bewijzen wat het geloof

gelooft, wil dat dan zeggen dat het geloof minderwaardig en zijne

oordeelen geen zijnsoordeelen zijn? Kant zelf was zoo ver van deze

meening verwijderd, dat hij veeleer de overtuiging koesterde dat hij met

de vernietiging der oude metaphysica en hare schijnbewijzen eerst

voorgoed het geloof plaats verschaft en grond onder de voeten gegeven

had. En inderdaad, een slecht bewijs doet altijd afbreuk aan de zaak

zelf. Men houdt haar zelve voor weerlegd, ook wanneer slechts de

betrekkelijk toevallige manier waarop men haar bewijzen wilde,

onhoudbaar is gebleken. Juist wanneer, èn omdat het geloof in de

onzienlijke dingen nooit in een weten kan worden omgezet, juist dan en

ook alleen dan en daarom blijft het in alle eeuwigheid wat het

is:--Geloof.

Nu kan weliswaar ook de wetenschap van den bodem van haar kennis uit,

komen tot de aanvaarding van iets onzienlijks, ook door haar is, in de

philosophie, de stap van wereldverklaring tot wereldbegrip steeds op

nieuw gedaan. Maar hier spreekt men dan ook in tegenstelling tot „weten”

van „enkel gelooven”. Omdat het zich niet laat bewijzen, blijft het voor

het weten slechts hypothese, en als hypothese draagt het de onzekerheid,

de mogelijkheid dat het ook wel niet zoo, dat het ook anders zou kunnen

zijn, draagt het in een woord den twijfel in zich.

Maar heeft dat dan ook maar een spoor van gelijkenis met datgene, wat de

godsdienstige mensch zijn geloof noemt en in zijn geloof bezit? Wordt

hier niet juist datgene ingesloten en verondersteld, wat ginds

uitgesloten is? Het wetenschappelijk geloof is onlosmakelijk verbonden

met den twijfel aan zich zelf en aan de juistheid van wat het

hypothetisch heeft aangenomen; twijfelen en zoeken op gevaar van dwaling

af is zijn recht en zijn plicht, zijn noodzakelijke levensvoorwaarde:

„dubito ergo sum”, twijfel bewijst het bestaan der wetenschap. Het

godsdienstig geloof daarentegen is boven allen twijfel verheven; voor

het geloof wordt twijfel tot zonde, dwaling tot schuld, het is in

waarheid een vast en onwrikbaar vertrouwen, dat niet twijfelt aan wat

geen menschelijk oog ooit gezien, geen menschelijk oor ooit vernomen

heeft. De wetenschap schrijdt rusteloos voort, voor haar geldt geen

stilstand en geen einde, voor haar onderzoek toom noch teugel; het

geloof daarentegen rust in zijn klaar en zeker bezit, is conservatief,

houdt wat het heeft en vindt daarin zijn taak en zijn doel. Bedenken wij

dan nog, dat het onzichtbare als voorwerp van wetenschap iets gansch

onbepaalds, iets duisters en problematieks, voor den godsdienst echter

vol leven, aanschouwelijk vast en klaar, „als ziende der Onzienlijke” en

tegelijk iets gansch persoonlijks is, waarbij de geloovige vertrouwt

dat het zijn zielsverlangen naar ’t oneindige zal stillen. Dáar denken

en zucht om te begrijpen, hier hart en gevoel; dáar metaphysiek, hier

mystiek; en derhalve dáar het denken van een enkeling of een kleine

school, hier de gemeenschappelijke overtuiging eener groote gemeente en

van alle geloovigen: „wij gelooven allen aan éénen God”. Maar daarmede

komen wij dan toch weer tot de aantrekkelijkste taak der

Religionsphilosophie, het zoeken van een antwoord op de vraag naar het

psychologisch ontstaan van alle geloof en de daarmee verbonden kracht

des vertrouwens.

De wereld is mijne voorstelling, alles is slechts als inhoud van mijn

bewustzijn mij gegeven; maar uit gewaarwordingen en voorstellingen

schept zich de menschelijke geest een buitenwereld, wijl hij wat in hem

is naar buiten verlegt, zijne bewustzijnservaringen projecteert op

dingen buiten zich. Zoo ontstaat het geloof aan een buitenwereld, dat

ons aller deel is en dat toch slechts een geloof is. Op dit proces van

objectiveeren en projecteeren maakt natuurlijk het religieuze

afhankelijkheidsgevoel, het vrome verlangen naar het oneindige geen

uitzondering; ook het oneindige wordt geprojecteerd en buiten het ik

verlegd: zoo ontstaat het geloof aan een oneindige macht buiten en boven

mij, aan een God, aan mìjn God.

Ik leg den nadruk op dit „aan mìjn God”, want dat is juist het

onderscheid tusschen theïstische philosophie en godsdienst. De eerste

zegt: er is een God, en is daarmede niet religieus; de laatste zegt: gij

zijt mìjn God, en is daarbij niet wijsgeerig.[20] Dat oneindige waarnaar

de vrome verlangt, is zijn God; hij staat met Hem in onmiddellijke

persoonlijke betrekking, verwacht van Hem bevrediging voor zich

en--daarin heeft ons Feuerbach den weg gewezen--voor zijne wenschen, hij

verwacht van den Oneindige oneindige bevrediging en eeuwige zaligheid;

daarom ook behooren Godsgeloof en onsterfelijkheidsgeloof in zoo vele

godsdiensten bijeen.

Zullen wij echter in een persoonlijke verhouding tot God kunnen komen,

dan moet Hij ook dienovereenkomstig gedacht en voorgesteld, Hij moet

persoonlijk opgevat worden. Ook dat is niet speciaal den godsdienst

eigen; ons gansche denken is anthropomorphistisch. Het kind dat de tafel

slaat waaraan het zich gestooten heeft, en zijn pop behandelt alsof het

zijn gelijke was, denkend en voelend als hij zelf, volgt geheel en

onbevangen deze zucht tot personificeeren en anthropomorphiseeren.

Weliswaar wordt langzamerhand het menschelijke en al te menschelijke

meer en meer afgestooten, maar wij houden toch niet op het doode en

levenlooze te bezielen en te vervormen naar analogie met onze

menschelijke persoonlijkheid; ja zelfs in ons streng wetenschappelijk

denken sluipen nog zulke anthropomorphe voorstellingen binnen als die

van kracht en wet, die beiden van den mensch op de natuur en de stof

zijn overgedragen. En zoo wordt dan ook het oneindige gepersonificeerd

en menschelijk gedacht, zoo schept zich de mensch de goden, de godheid

naar zijn beeld.

Het duidelijkste zien wij dat in de Grieksche mythologie, waar poëzie en

beeldende kunst hebben samengewerkt om die goddelijke menschheidsidealen

vorm te geven en dan steeds heerlijker, steeds schooner en hooger vormen

te scheppen. Dat het echter een algemeen menschelijke trek is, dat toont

ons ook de taal, die overvloeit van personificaties en dus van den

aanvang af een mythologischen trek, iets als een natuurlijke neiging

vertoont tot het vormen van mythen.

Waar echter de mythologie en de mythenscheppende phantasie het oneindige

op deze wijze vermenschelijkt, kan zij het gevaar niet ontgaan, het te

trekken in de sfeer van het eindige. Dat beantwoordt dan ook geheel aan

het godsdienstig gevoel, dat, gelijk wij zagen, eindig en oneindig

tevens is, omdat het zoowel het eindige als het oneindige tot inhoud

heeft. Maar daarin ligt ook het tegenstrijdige dat alle mythologie eigen

is: een eindig gedacht oneindige! En aan die tegenstrijdigheid knoopt

zich dan ook vast het eerste conflict tusschen gelooven en weten. Zooals

bekend is, waren het in Griekenland moreele bedenkingen die den eersten

stoot gaven. De dichters verhaalden van de goden dingen, die hun

zedelijke reinheid en hoogheid in twijfel brachten: de goden liegen en

bedriegen, plegen echtbreuk en zijn naijverig en afgunstig. Het is

merkwaardig dat het volk--en niet alleen het Grieksche volk!--over het

algemeen aan dergelijke dingen geen aanstoot heeft genomen en neemt; een

feit dat alleen te verklaren is eenerzijds uit een zekere zedelijke

afstomping en gebrek aan ontwikkeling, anderszijds uit een begrijpelijke

afwezigheid van alle kritiek tegenover het religieuze en goddelijke,

die, door het overnemen der overlevering, uit gewoonte en piëteit nog

versterkt wordt. En daarom begint ook dit conflict nooit als een

algemeen verzet, gedragen door het bewustzijn van een heel volk, maar

steeds eerst bij den enkeling, die daardoor komt te staan tegenover zijn

volksgenooten en het algemeen geloof of de religieuze voorstellingen van

zijn volk. Maar daarover later meer.

De religieuze voorstellingen staan aanvankelijk niet geïsoleerd naast

andere, maar omvatten oorspronkelijk het geheel van onze denk-wereld,

zijn den mensch alles. Historisch is dat buiten kijf: in de Mythologie

der Grieken lag opgesloten wat zij van de wereld en speciaal van de

natuur wisten en dachten, mythologie was tevens hun wetenschap en hun

philosophie. En dat is ook volkomen begrijpelijk: hoe vreemder de mensch

nog staat tegenover de hem omringende natuur, hoe minder hij haar kent

en in staat is te beheerschen, des te afhankelijker is hij in

werkelijkheid van dit hem onbekende, en hoe afhankelijker en eindiger,

des te hulpeloozer en machteloozer gevoelt hij zich daar tegenover. De

natuur zelf is voor hem het oneindige, en wat hij over haar peinst en

denkt, dat wordt ook deel van zijne voorstelling van ’t Oneindige. En

omgekeerd dienen hem de door zijne phantasie gewekte beelden van ’t

Oneindige, om den zin en de beteekenis van de natuur in al hare

verschijnselen te leeren verstaan. Zoo is het dan het goddelijke in de

natuur zelf, dat hem moeiten en belemmeringen van allerlei aard bereidt,

en daarom kan hij ook slechts van dat goddelijke dat zich in haar uit,

hulp, redding en bescherming hopen en deelachtig worden. En gelijk zich

aldus achter al het natuurlijke een goddelijke macht verbergt, zoo gaan

ook wereldopvatting en mythologie, natuurkennis en Godsvoorstelling voor

den mensch op dezen trap van ontwikkeling naast elkander hand in hand.

Zoo verbinden zich steeds meer ook naar hun inhoud, gelooven en weten

tot een samenhangende religieuze wereldbeschouwing, waarin ook

brokstukken kennis aangaande de wereld godsdienstig gekleurd en in

dienst van religieuze phantasievoorstellingen en gemoedsbehoeften

gesteld worden.

Zoo beheerscht de godsdienst in den aanvang de wetenschap en neemt haar

in zich op. Maar terwijl hij op deze wijze zelf een religieus weten

wordt, komt hij toch ook weder te staan onder de wetten en voorwaarden

der wetenschap, en dat leidt tot eigenaardige moeilijkheden en

verwikkelingen. In het Christendom zien wij duidelijk hoe zich dat

ontwikkeld en verwikkeld, welken loop het genomen heeft. Gedwongen om de

aanvallen der heidenen, en daaronder scherpzinnige heidenen als Celsus,

met geestelijke wapens af te weren, werd het Christendom tot apologetiek

en kon als zoodanig niet vermijden tegenover de Grieksche philosophie

post te vatten,[21] en daarbij ging het zooals het steeds pleegt te

gaan: meer dan éen brokstuk van deze Grieksche philosophie, een groot

deel der Grieksche wereldbeschouwing werd in het Christendom opgenomen;

nog geheel afgezien van den invloed van dat eigenaardige hellenistische

synkretisme, dat door zijn taal reeds de N.T.-ische litteratuur

hellenistisch heeft gekleurd. Daar kwam nog bij de noodzakelijkheid van

godsdienstig onderricht: de religieuze voorstellingen werden een

godsdienstleer, en in een stad van zoo hooge geestelijke ontwikkeling

als Alexandrië werd de katechetenschool van zelf een philosophische

school: het Christendom werd een philosophie. In de middeleeuwen, toen

de dogmen voorgoed waren vastgesteld, zocht men ze tot een systeem te

vereenigen en dit naar alle zijden te ontvouwen; zoo ontstonden de

groote scholastische stelsels van een Albertus Magnus en Thomas van

Aquino. De geloofsinhoud stond voor deze scholastische theologen

onomstootelijk vast, de andere wetenschappen waren de dienaressen,

bepaaldelijk de philosophie was de dienstmaagd dezer koningin. De

Theologie was alles. Maar reeds tegen ’t einde der Middeleeuwen begon de

Scholastiek zelf, als een tweede Penelope, het kleed weer uiteen te

halen, waaraan zij zoolang geweven had. In het zoogenaamde Nominalisme

kwam de tweestrijd tusschen den geloofsinhoud en het denken tot uiting,

de onbewijsbaarheid des geloofs werd ingezien, en zoo kwam men tot die

eigenaardige leer van de dubbele waarheid, een soort dubbel boekhouden,

waarbij in de theologie waar kan zijn, wat voor de philosophie onwaar

is, en omgekeerd. Men heeft daarin vaak een oneerlijk spel willen zien,

alsof het den Nominalisten met dezen uitweg geen ernst was en zij

daarmede slechts den schijn van ketterij en ongeloof wilden vermijden.

Ik meen dat men hen daarmede, althans in ’t begin, onrecht doet; die

leer van de dubbele waarheid was veeleer een teeken des tijds, was

slechts de eerste onbeholpen en onzuivere uitdrukking voor het nu

langzamerhand tot bewustzijn komend conflict tusschen gelooven en

weten, dat ons van dezen tijd af niet meer met rust laat.

Een ander redmiddel, reeds in de middeleeuwen aangewend maar eerst in de

Protestantsche theologie tot volle ontwikkeling gekomen, was het

supranaturalisme met zijn leer, dat er in den godsdienst en het

godsdienstig geloof dingen zijn die, gelijk boven de natuur--vandaar de

naam--, ook boven het verstand verheven zijn, dingen die niet tegen de

rede in-, maar boven de rede uit gaan. Dat was hier de oplossing. Het

geheimzinnige en onbegrijpelijke wordt nu tot een toevluchtsoord voor

den godsdienst; hier heeft hij recht van spreken, voor ’t overige echter

beslist het verstand. Maar zoo eenvoudig als zij er uitzien, zijn

dergelijke grensbepalingen op den duur toch onhoudbaar: wie zal

beslissen waar het gebied des verstands eindigt en het rijk van het

bovenredelijke aanvangt? Wie kan, wie zal het zoekend en vorschend

verstand paal en perk stellen? Zoo zag zich dan ook inderdaad het

supranaturalisme gedwongen van zijn gereserveerd gebied het eene stuk na

het andere aan het verstand over te leveren en aan zijn rechtspraak te

onderwerpen. De rede kan zich de aanmatiging van zulke bovenredelijke

waarheid niet laten welgevallen; alles moet haar zijn rechten kunnen

bewijzen om als redelijk te worden erkend,--dat is de eisch van het

Rationalisme, en zijn doel en ideaal is dan ook een redelijke

godsdienst. Zoolang dit rationalisme op den voorstellingsinhoud van den

godsdienst kritiek oefent, zijne historische bestanddeelen onderzoekt op

hun geschiedkundige juistheid en geloofwaardigheid, de houdbaarheid

toetst van de wijsgeerige onderstellingen der geloofsleer, is het in

zijn recht. Maar het begaat onrecht en tast mis wanneer het de

beteekenis van dit geloof voor het religieuze gevoel miskent en vergeet,

en een godsdienst zoekt te construeeren, die uitsluitend het denken moet

bevredigen, en van het recht of het aandeel der fantasie daarin niets

wil weten. Want daarmee plaatst het zich op een intellectualistisch

standpunt, dat wij in het vorige hoofdstuk reeds als dat der

rechtgeloovigheid hebben leeren kennen en verworpen hebben.

Wanneer dan zoo alle pogingen tot verzoening blijken schipbreuk te

lijden, is dat dan niet een bewijs voor de juistheid van het woord van

Strausz: „laat dan de geloovige den denker maar rustig zijn gang laten

gaan, en evenzoo omgekeerd; wij gunnen hun gaarne hun geloof, en zij

moeten het ons maar onze philosophie doen”?[22] Als dat nu ook maar

mogelijk was! Evenwel wanneer wij er over nadenken wáarom dat onmogelijk

is, juist dan kunnen wij misschien verder komen. „De geloovige”--dat

wijst reeds op éen van de redenen. De godsdienst voert met

noodwendigheid tot religieuze voorstellingen, en aan deze

wordt--geloofd. De dichter weet dat de beelden zijner fantasie vrij

gevonden zijn, wijl hij zelf ze gevormd en in ’t leven geroepen heeft.

De scheppingen der religieuze fantasie echter zijn veelmeer onbewust,

mythen worden niet gemaakt maar ontstaan zooals de taal en voor een deel

met de taal. En omdat zij over ’t heilige handelen, worden ze al spoedig

zelve voor heilig gehouden, wordt hun een heilige oorsprong toegekend.

Bovendien, zij zijn de uitdrukking van een oneindig zielsverlangen, dat

zij nu in den vorm van een voorstelling, een beeld willen weergeven;

daarom wordt dat verlangen er ook door bevredigd en vindt er zijn doel

in, lossen daarin en daardoor alle ellende van het bestaan, alle

raadselen van leven en wereld zich op. Daarom blijft het hart er aan

gehecht, klinkt er de volle toon van het gevoel in, en hebben zij een

geheel eenige gemoedswaarde. Maar het hart is conservatief, veel

conservatiever dan het critische verstand: wat het eenmaal heeft

gegrepen dat houdt het vast en laat het niet meer los. En dan komt daar

nog bij de macht der traditie, een nu bijna tweeduizendjarige traditie

van de kerk met hare heilige overlevering en de bij ieder afzonderlijk

weder nieuwe, bezielende macht der indrukken van jeugd en kindsheid. Wat

wij van onze jeugd af als het beste en schoonste, als het hoogste en

heiligste hebben leeren kennen, en wat ons de liefste en beste menschen,

onze ouders, onze moeder hebben ingeprent, dat blijft en houdt ons vast,

zelfs tegen onzen wil, zelfs als wij het niet vasthouden willen. Zoo

kunnen wij begrijpen hoe het religieuze geloof met het innigste van ons

wezen, met ons diepste zielsverlangen en ons karakter samenhangt, hoe

het vaste overtuiging is en onwrikbaar vertrouwen, dat niet twijfelt,

maar verzekerd is van zijn volstrekte waarheid.

In deze zelfverzekerdheid van het godsdienstig geloof ligt echter ook

zijn tot op zekere hoogte noodzakelijke onverdraagzaamheid besloten. Als

het waar en absoluut waar is, wat de vrome gelooft, dan is al het andere

onwaar en alleen onwaar, en ieder die anders gelooft dan hij is hem een

ongeloovige. Als mijn geloof mijn hartsverlangen stilt, mij volkomen

bevredigt en rustig stemt, mij gelukkig en zalig maakt, dan is onzalig

en van alle zaligheid verstoken, al wie niet gelooft gelijk ik. En als

dit mijn geloof mij heilig en vol heilige verzekerdheid is, dan is ieder

die daaraan twijfelt en tornt, onheilig, oneerbiedig, zondig. Dat uit

zich dan al spoedig in gedachten over den waren God tegenover de valsche

goden van anderen, in de leer van de eeuwige verdoemenis der heidenen en

in het exclusieve: „extra ecclesiam nulla salus” (buiten de kerk geen

heil) of in de verschrikkingen der godsdienstoorlogen en de gruwelen der

kettervervolgingen. Zoo laat in de werkelijkheid de eene geloovige den

anders-geloovige en in deze dingen andersdenkende, de geloovige den

ongeloovige niet met rust, niet vreedzaam zijns weegs gaan.

Maar nog om een gansch andere, meer innerlijke en zakelijke reden moet

het geloof wel met het weten en de wetenschap in botsing komen. De

religieuze voorstellingen worden door de fantasie gewekt; maar ook deze

mythenvormende fantasie en de bij haar zich aansluitende vorming van

dogmata is een kind van haar tijd en staat onder den invloed en de

inwerking der haar omringende wereldbeschouwing. Hoe leerstelliger die

godsdienstige voorstellingen zijn en worden, des te meer nemen zij van

de denkbeelden des tijds in zich op. Zoo is de Christelijke dogmatiek,

gelijk reeds gezegd is, slechts te verstaan en te verklaren zoo wij haar

zien als gegroeid op den bodem der Grieksch-Hellenistische Philosophie:

een fantasievolle wereldbeschouwing, beantwoordend aan de behoeften van

een hooggespannen godsdienstig gevoel, opgetrokken uit bouwsteenen der

toenmalige wetenschap en philosophie, zoo staat zij voor ons in haar

heilige oorkonden, in haar eerste belijdenisgeschriften en hare vroegste

formuleeringen, in haar oudste aan apologie of onderricht gewijde

litteratuur. Nu weten wij wel, de behoeften van hart en gemoed blijven

in hun wezen voor alle tijden dezelfde; maar de bouwsteenen, waarmede de

religieuze fantasie werkt en schept, zij gelden slechts tijdelijk en

hebben geen eeuwige waarde, zij verouderen en verliezen allengs hun

aanspraak op waarheid, juistheid en algemeengeldigheid, verliezen

langzamerhand hun waarde.

En dan in de tweede plaats: bij die godsdiensten die in ’t verleden

wortelen, historische personen tot stichters en dragers, historische

feiten tot uitgangspunt en grondslag hebben, heeft ook in de opvatting

der gebeurtenissen de fantasie een groote rol gespeeld. Die

gebeurtenissen en hunne overlevering, zij zijn naar de behoeften des

harten veranderd en verdicht, en bovenal het beeld van den stichter zelf

heeft zich in het liefhebbend hart en niet in het critisch verstand,

door geloof en niet door weten gevormd. Welnu, deze in het geheel van de

godsdienstige voorstellingen mede opgenomen historische gegevens zijn

wetenschappelijk te onderzoeken en moeten geverifiëerd worden.

Zoo komt de wetenschap van twee kanten, ongezocht en niet gewild en

zonder zucht tot strijd, met het geloof in aanraking en in tegenspraak.

Men wil van de heilige dingen en die heilige personen nog meer weten,

doet nasporingen en vindt, dat veel van wat tot dusver verhaald en

geloofd werd--sage en legende is en dat de heilige oorkonden geen

vertrouwbare geschiedbronnen zijn. En aan den anderen kant gaat de

wereldsche wetenschap steeds voort op haren weg, en komt daarbij allengs

tot het inzicht, dat, wat de vrome gelooft, niet te bewijzen is; komt

verder bij de verklaring van natuur en wereld tot gansch andere

resultaten, dan die voor duizend en tweeduizend jaar geleden. De

wetenschappelijke beschouwingen en verklaringen der Grieken omtrent aard

en bouw der wereld is onhoudbaar gebleken, en toch vormen zij de

fundamenten waarop de groote dogmata van het Christelijk geloof zijn

opgetrokken. De Christelijke opvatting der verhouding van God en wereld

berust op wat Aristoteles leerde omtrent hemel en aarde en hun

betrekking tot elkaar; en zelfs de verhalen van een hemel- en hellevaart

van Christus worden beheerscht door--ja zijn ook alleen mogelijk bij een

geocentrische wereldbeschouwing, zooals die der Grieksche astronomen en

natuur-philosophen. Maar deze oude wetenschappelijke veronderstellingen

zijn weggevallen, ons wereldbeeld is een ander geworden; en zoo komen

wij nu voor een conflict te staan, het conflict tusschen religieuze

voorstelling en moderne wereldbeschouwing. Wel klampt zich het geloof

nog een tijdlang vast aan de hoop, dat de wetenschap het mis heeft, en

het beroept zich daarbij op het onzekere en wisselende der

wetenschappelijke hypothesen en op het hypothetische en fragmentarische

van alle menschelijk weten, maar op den duur is deze troost toch niet

voldoende, en men kan zich ten slotte niet langer ontveinzen, dat de

wetenschap anders weet dan het geloof gelooft.

En naast deze groote, uitsluitend zakelijke tegenstelling komen dan nog

wederzijdsch allerlei oorzaken van meer persoonlijken aard het conflict

verscherpen. Het geloof ziet in de wetenschap zijnen vijand en in haar

arbeid een oneerbiedig, ja goddeloos bedrijf, en daarom is ten allen

tijde het geloof jegens de wetenschap onverdraagzaam geweest en heeft

haar vaak tot het uiterste vervolgd. Maar anderszijds beschouwt de

wetenschap juist daarom het geloof als een beletsel voor haar vrije

ontwikkeling en vooruitgang, voor de erkenning en verbreiding van haar

resultaten en gedachten, en komt zoo veelal tot een hoogmoedige

minachting van het geloof, alsof dit, wijl het momenteel met oude

steenen bouwt, zelf iets verouderds en onnoodigs geworden is, den

volgroeiden mensch en zijn rijpere gedachten onwaardig; of tot een koel

verstandelijk negeeren der in religieuze voorstellingen naar bevrediging

zoekende en snakkende behoeften des harten.

In dezen strijd neemt dan een tijdlang de theologie de bemiddelaarsrol

op zich. In den aanvang bestemd om de religieuze voorstellingen tot een

systeem bijeen te voegen, moet zij deze nu met de voortschrijdende

wetenschap in overeenstemming brengen en verzoenen, en ook voor het

denken rechtvaardigen. Maar, hoelang dat haar ook moge gelukken, door

anders uit leggen en er iets anders in te leggen, vaak door concessies

van allerlei aard, aan ’t einde gaat het haar niet anders dan alle

overige wetenschappen, zij zelf wordt „weten”, wordt historische en

philosophische wetenschap en komt nu ook harerzijds in conflict met de

religieuze voorstellingen, waaraan zij haar arbeid gewijd heeft. Zoo

hebben wij het dan ook gezien, beleven het en zien het telkens weer om

ons heen, dat juist de wetenschappelijke theologen in de kerk het

heftigst worden aangevallen, en hun arbeid als schadelijk voor den

godsdienst en het geloof benadeeld, wordt bestreden en verketterd.

Zoo schijnt er dan nu nog slechts één uitweg open te staan: een ieder

vorme en verheldere zijn godsdienstige voorstellingen naar den stand en

de hoogte der huidige wetenschap en neme telkens opnieuw er in op wat

deze als nieuwe winst meent te mogen boeken! Maar daarbij moeten wij

toch al dadelijk herinneren aan het reeds genoemde conservatieve

karakter van het godsdienstig geloof. En bovendien, godsdienst is niet

alleen zaak van den enkeling, maar altijd ook een historisch

verschijnsel, door die tijden heen gevormd en gegroeid, hij is een zaak

der gemeenschap. Daarom treedt ook altijd dat conflict eerst bij slechts

enkelen op; zij komen door den vooruitgang van hun weten tot het besef

dat de godsdienstige voorstellingen zijn achtergebleven, en staan dan

als beoordeelaars daartegenover. Maar eerst staan zij alleen tegenover

de groote massa der geloovigen en tegenover het geloof eener kerk. Een

tijdlang dan zijn zij, deze vooruitstrevenden als eenlingen, de

martelaars der wetenschap,--soms is dat, gelijk de brandstapel van

Giordano Bruno bewijst, een werkelijk martelaarsschap geweest; onder

beter gesternte, in tijden van zachtere zeden is het ’t tragische lot

der vereenzaamden en uitgestootenen. Allengs echter dringt de wetenschap

en hare resultaten in breedere kringen door; en dat brengt allerlei

gevaren met zich. Hoe grooter de macht der kerk, en hare machtsmiddelen

zijn, des te meer zullen zwakke karakters hun breuk met de kerkelijke

dogmata voor zich houden en verbergen, zij zullen een intellectueel

offer brengen en met den mond belijden wat zij in hun hart niet meer

gelooven. En al mogen dan deze zwakke en onzelfstandige karakters

daarom nog niet alle als huichelaars te veroordeelen zijn, het is toch

niet te ontkennen, dat in zulke tijden de waarachtigheid en de zin voor

waarheid en eerlijkheid in wijden kring schade lijdt en daardoor zoowel

het weten der heimelijk wetenden als het geloof der niet meer

geloovenden benadeeld en onwaarachtig wordt. Enkele volslagen

huichelaars en vele halve karakters--dat zijn in het strijdperk van

gelooven en weten de dooden en gewonden. Bij verderen voortgang echter

ontstaat ten slotte bij de massa een schijn van weten, een soort halve

beschaving, die alras geneigd is met de godsdienstige voorstellingen,

die zij niet meer deelt en waarvan zij het ontstaan en het recht niet

meer begrijpt, nu ook al het ideale tevens weg te werpen en alle fijnere

en hoogere gevoelens voor verdacht te verklaren; en zoo kan het niet

uitblijven of het gansche volksleven wordt, niet zonder groote

innerlijke schade, doortrokken van een geest van innerlijke tweespalt en

onzekerheid.

Is er nu geen uitweg om daaraan te ontkomen? Men heeft wel gedacht aan

een vervangen van den godsdienst door de wijsbegeerte, omdat ook zij

antwoord tracht te geven op de vraag naar ’t Oneindige en absolute, zin

en waarde des levens,[23] en wanneer Fr. Albert Lange[24] de

methaphysica een „dichten in begrippen” noemt, wijst hij toch voor haar

ook als diepste bron de fantasie aan. Maar hier is ’t verschil dan toch

zeer duidelijk: ginds gaat het om gemoedsbehoeften, om een

zielsverlangen naar het oneindige, hier daarentegen om waarheid, om

weten en wereldverklaring; dáar moet het gevoel, het hart, hier het

verstand bevredigd worden; en daarom zal de wijsbegeerte steeds

wetenschap blijven en nooit kunnen treden in de plaats der godsdienstige

voorstellingen en deze vervangen.[25]

Het meest voor de hand liggend schijnt wel te zijn een algemeene

herziening van onze religieuze voorstellingswereld, om die alzoo in

overeenstemming te brengen met de moderne wetenschap. En in ’t algemeen

genomen arbeidt daaraan juist de theologie en speciaal de dogmatiek der

meer vrijzinnigen onder de theologen.[26] Maar ik wees reeds op den

oorsprong der godsdienstige voorstellingen in het onbewuste werken der

fantasie, en daaruit volgt dat zoo iets niet opzettelijk en kunstmatig

geschieden kan. Nieuwe scheppingen op het gebied van den godsdienst

ontstaan, een nieuwe belijdenis, zij is en kan slechts zijn uitdrukking

van een groote religieuze opleving en verheffing; en daartoe zijn noodig

tijden van diep en waarachtig godsdienstig leven, en religieuze genieën

als leidslieden. Daarom is in een religieus armen, tragen en slappen,

meer op uiterlijken arbeid dan op stil innerlijk leven gerichten tijd

als de onze is, zulk een ommekeer niet aanstonds te verwachten; en

bovendien ontbreekt het ons aan een religieus genie, om ons mee te

sleepen en te winnen. Maar laat het ons niet vergeten: ook door

godsdienstige hervormingen en herscheppingen wordt de strijd tusschen

gelooven en weten altijd slechts tijdelijk beslecht; steeds verder

schrijdt de wetenschap voort en steeds opnieuw moet dat tot conflicten

leiden met het conservatieve geloof. Zoo wekt dan de tegenstelling

tusschen gelooven en weten--trots alle profetieën van een eeuwigen vrede

tusschen beiden--een steeds terugkeerenden, een steeds opnieuw zich

verscherpenden strijd, die, wijl hij in het wezen van beiden zijn grond

heeft, ook nooit voor goed te beslechten is.[27]

Hier ligt dan nu de practische taak der Religionsphilosophie, en niet

alleen haar taak als wetenschap, maak ook de nauwe band die haar aan ’t

leven verbindt en den dienst dien zij daaraan bewijzen kan. Die taak is

niet om godsdienst te scheppen of den godsdienst te vervangen: dat mag

zij niet en dat kan zij niet; wijsgeeren zijn, trots Nietzsche, geen

scheppende persoonlijkheden, derhalve ook geen godsdienststichters. Maar

evenmin is het hun roeping een godsdienst te vernietigen: ook dat kunnen

zij niet, dat is uitsluitend de taak van een grooten scheppenden geest,

die een nieuwen godsdienst sticht, die de scharen beveelt en als

wetgever optreedt met de woorden: „Gij hebt gehoord dat tot de ouden

gezegd is--maar ik zeg u!” Neen, de Religionsphilosophie heeft als

wetenschap in alle bescheidenheid zich tevreden te stellen met niet meer

dan te trachten alle religieus gebeuren en alle vormen van religie

psychologisch en historisch te verstaan en hun oorsprong in ’s menschen

wezen na te gaan: zij is niet een soort metaphysica,[28] maar vóor alles

religionspsychologie.

Zoo kan ook zij de tegenstelling tusschen gelooven en weten noch te

voorschijn roepen noch te niet doen; ook kan zij niemand die persoonlijk

tot het besef dezer tegenstelling komt en er wellicht onder gebukt gaat,

den innerlijken strijd besparen, maar zij kan er wellicht het karakter

van zonde aan ontnemen, en zoo toch haar deel bijdragen tot den vrede.

Zeker, wanneer wij den godsdienst tot voorwerp maken van historische en

psychologische onderzoekingen, ontnemen wij hem iets van de ongerepte

frischheid van een bloem: in het teedere weefsel van ons gevoelsleven

grijpt de wetenschap met hare verstandelijke vragen naar het waarom en

het hoe, naar waarheid en onwaarheid slechts met grove vingers in. Zij

heeft slechts zwart en wit op haar palet en kan de fijne, frissche

levenskleuren slechts gebrekkig weergeven. Dat is onvermijdelijk. En de

religionsphilosophie beweegt zich, gelijk alle wetenschap, in de scherpe

ijle lucht der hoogste hoogten, die niet iedereen kan verdragen. Maar

waar zij den godsdienst zuiver wetenschappelijk beschouwt en zoekt te

verstaan, verricht zij toch iets voor het leven van diegenen, die naar

haar willen luisteren, en daarmede voor het leven in ’t algemeen. Want

dat leven is vervuld en verscheurd van die tegenstelling tusschen

gelooven en weten, en van het strijdgewoel dat daarbij ontstaat, van den

haat die beiden scheidt en jegens elkander onrechtvaardig maakt; en vaak

schijnt het alsof geen verzoening meer mogelijk is. Wanneer wij dan

trachten de tegenstelling van uit het wezen der strijdenden als

psychologisch noodzakelijk te verstaan, kunnen wij haar weliswaar niet

uit de wereld en het leven van ons volk doen verdwijnen, geen in de

diepte zoekend en worstelend menschenkind moeite en strijd besparen,

maar wij kunnen er de ergernis en den prikkel van willekeur en opzet,

kwaadwilligheid en zonde aan ontnemen; wij wakkeren het vuur niet aan en

wij blusschen het niet, maar ontnemen het zijn verterende kracht en

beletten het onherstelbaar kwaad te doen; en leeren dat er ook te midden

van den strijd slechts éene deugd is, verdraagzaamheid en geduld.

Zoo is ook het werk der religionsphilosophen niet maar een spel van het

gescherpt verstand, geen ledig weten alleen om des wetens wille. Ook zij

bestaat, gelijk alle wetenschap, slechts om der wille van den mensch, en

is een mede-arbeider aan het „ruischende weefgetouw van den tijd,” een

arbeid voor het leven der individuen en voor het leven van gansche door

deze tegenstelling beheerschte en verdeelde volkeren.[29]

Dat het daarbij den religionsphilosophen niet anders vergaat dan anderen

wetenschappelijken theologen, en ook zij evenzeer om dezen arbeid des

vredes als booze rustverstoorders worden beschouwd, daarover mogen zij

zich niet bekommeren: dat is slechts éene der vele bladzijden meer,

waarop de lijdensgeschiedenis der wetenschap is opgeteekend. Maar éen

ding hebben wij--niet voor ons, maar voor het leven, dat de wetenschap

dient, en voor een gezonde ontwikkeling van dat leven, steeds weer

opnieuw te eischen: dat de strijd tusschen gelooven en weten worde

uitgevochten op den bodem waarop hij is ontstaan, op den bodem des

geestes. In allerlei tijden en op allerlei plaatsen heeft het geloof de

wereldlijke macht in den arm genomen, en te hulp geroepen, of althans

zich gaarne laten welgevallen, dat belooningen van welken aard dan ook

op het geloof werden gesteld, waardoor dit ook uiterlijk voordeelig en

begeerlijk moest schijnen. Dat daardoor zon en wind ongelijk werden

verdeeld en het weten in slechte positie geraakte, is daarbij niet het

ergste: dergelijke moeilijkheden zijn in het geestelijk leven dikwijls

juist een winst en houden den vooruitgang toch niet tegen. Neen, wat

daardoor waarlijk alleen geschaad wordt, dat is het geloof zelf.

Gelooven is iets heel innerlijks en heel waarachtigs; knoopt men er

uiterlijke voordeelen aan vast, dan wordt het zelf veruiterlijkt en

onwaarachtig: Het „Heere, Heere zeggen” is een karikatuur, erger, is de

dood van alle diep en echt geloof.

En dan nog iets: ons allen zou deze strijd gemakkelijker worden gemaakt,

indien men ons van jongsaf geleerd had dat het bij den godsdienst toch

ten slotte ~niet~ aankomt op een zeker voor waar houden, op eenigerlei

rechtgeloovigheid; maar dat de geloofsvoorstellingen eigenlijk slechts

bijzaak zijn, en men veeleer moet kunnen vroom gevoelen en vrij

denken--beiden tegelijk.[30]

Hier wordt, naar ik meen, in ons godsdienstig onderwijs en onze

opvoeding nog altijd veel verzuimd. Of schade nog valt goed te maken?

Misschien dat ook kennis en helder denken over godsdienst en

godsdienstige dingen, inzicht in het wezen en ontstaan der religie iets

kan bijdragen tot toenadering van weerszijden, en dat ook hier het woord

bevestigd zal worden: de waarheid zal u vrij maken,--en alleen de

vrijheid kan u geheel waar maken.

Godsdienst en godsdiensten · 第 12 / 83 题