Dr. Hendrik van Bree, de nieuwe arts, stond voor het raam van zijn
vriendelijk huisje, Brinklaan 12, waarvan zijn voorganger hem de huur
had overgedaan. "Maatje" zat bij de tafel en stopte zijn kousen. Zij
wilde dit werk aan niemand overlaten--waren het niet de kousen van
haar Hendrik?
Op eens sprong de jonge medicus op. Bezorgd, hoofdschuddend zag
"maatje" hem na.
Bij het hek namen een boereknecht en zijn meisje afscheid, en kusten
elkaar, niet ééns, maar herhaaldelijk. Hendrik trad op hen toe, groette
vriendelijk, en bracht hun, in gematigde termen, het onhygiënische
van hun daad onder de oogen. De man grinnikte, het meisje bloosde,
maar ze eindigden met mopperend heen te gaan.
Toen de jonge dokter dien avond de brug over liep, hoorde hij van
alle kanten gemompel.
"We meugen onze maid niet soene, saat-ie!"
"Wat goat 't zoan an?"
"Wie het 't ooit zoo op de vieul heure speule?"
"Wat 'n mal meroakel! Laat ie van 't durp weggoan!"
Toen hij terug ging, stond er een groep opgeschoten kerels klaar,
dreigend.
"Doar het je die bemoeial!"
"Loat ie zich met z'n aige soake bemoeie!"
Een steen vloog, en nog één. Zijn hoed werd geraakt, en viel af. Hij
raapte hem kalm op. Er vlogen meer steenen. Met een gat in zijn hoofd
kwam Hendrik thuis!