VI.

Ik stond erg in de gunst van den eersten stuurman en daaraan had ik

het te danken dat ik 's Zondags aan de officierstafel mocht eten. De

kapitein dineerde alleen, maar aangezien hij zichzelf geen jokkens

kon opdisschen, voegde hij zich met het dessert graag bij het

gezelschap. Dan ging hij aan het opsnijden.

"Heb ik de heeren al eens verteld van de muiterij aan boord van

de Anna?" Nu dan, ik was--even kijken--dertien jaar, en al eerste

officier. Ja, ik heb vlug promotie gemaakt. Weten de heeren, waarom

ik nog geen admiraal ben? Eenvoudig, omdat ik altijd bedank. Ik

zeg tegen den koning--we zijn heel eigen--"George, mijn jongen,

laat me waar ik ben, want hooger dan admiraal is er niet, en een

mensch moet altijd iets hebben om op aan te sturen." Toen drong hij

er niet langer op aan. "Je bent een filosoof, Peter," zei hij. "Dat

ben ik ook George," zei ik. Nelson nam het me een beetje kwalijk,

maar daar maalde ik niet om; hij kon me toch niet over boord gooien.

"Maar waar ben ik gebleven? O ja, onze kapitein was een

beste kerel, maar hij was even als ik, een doodvijand van twee

verd. zeemansondeugden: vloeken en liegen. Hij sloot de lui gewoon

in de ijzers, als ze zich daaraan schuldig maakten. Zoo zaten op

een goeden dag de beide stuurlui, de bootsman en drie kwart van de

equipage in de boeien. De anderen hadden het natuurlijk daardoor

driedubbel druk, en daarom sloegen ze aan het muiten. Ik plaatste me

naast den commandant en zoo hielden wij, een revolver in elke vuist,

de bende drie dagen lang in bedwang. Maar intusschen waren we op een

klip geloopen. Het schip spleet en we kelderden allemaal. Toen ik

bijkwam, de eenig overlevende van de "Anna", begreep ik, dat het met

mij ook gedaan zou zijn, als ik niet spoedig zorgde iets te grijpen

om mij drijvende te houden. Daar hoorde ik op eens in de buurt een

vervaarlijk gebriesch en gesnuif. Ik zwom er heen. Wat denkt u dat

het was? Een groot zeepaard, zoowaar als ik leef! Ik greep het bij

de manen, klom op zijn rug, en bleef zoolang rondzwemmen, hem mennend

waarheen ik wou, (ik ben een voortreffelijk ruiter) tot ik een schip

ontmoette. Ter gedachtenis aan die wonderbare redding heet mijn schip

nu, zooals u weet, het Zeepaard, en dat is het beste bewijs voor de

waarheid van mijn verhaal".

Ferm was gedurende de vertelling van den kapitein heel onrustig

geworden, en toen ze afgeloopen was, ging hij op zijn hoofd staan.

"Dat is allemaal niets," zei hij, "bij wat ik beleefd heb."

"Denk er om, Ferm," zei de kapitein streng, "kom me met geen leugens

aan boord!"

"Wie praat van liegen," zei Ferm. "Ik mag gebreeuwd worden als ik niet

de zuivere waarheid vertel! Maar ik zal de heeren het bewijs toonen,

als ik zoover ben.

"Ik voer dan--het mag nu twintig jaar geleden zijn--als licht matroos

op de "Admiraal Monk". Wij waren ergens aan de kust van Noord-West

Liberia geankerd om wat ebbenhout (d. w. z. negerslaven) op te

nemen. Ik had een vrijen dag gekregen, en keerde 's avonds laat met

een nat zeil naar boord terug. Toen ik nu langs het eenzame strand

een deuntje liep te fluiten, hoorde ik opeens een liefelijke stem,

die iets geheimzinnig tooverachtigs had, een lied in een vreemde taal

zingen. Ik had in geen jaar een vrouwmensch gezien of gesproken en

ik moet zeggen, heeren, dat die stem me finaal in den grond boorde!

"Het was een zeemeermin, een beeldschoon vrouwspersoon van boven,

maar van onderen een visch. Ze deed allemachtig aanhalig, maar ik heb

een wijf en zes kinderen thuis en zei, dat ik bezet was. Toen had

u moeten hooren hoe ze te keer ging! Ze was razend op me gesteld,

op het eerste gezicht, en wou me maar al rauwe visch opdringen,

die ze zoo maar met het handje ving. Het kostte me heel wat moeite

van haar af te komen, maar toen we van elkaar gingen, gaf ze me haar

portret. Hier is het. Als dat geen bewijs is dat ik waarheid spreek,

dan weet ik het niet." We bekeken het.

"Ik zie geen visschenstaart," zei de heer Kwak.

"Hoe wou je dat de staart er op stond" zei Ferm minachtend,

"bij een gewoon buste-portret? Ja, ze zal zich van onderen laten

uitschilderen! Ze wist ook wel dat ze van boven mooier was."

Parodieën · 第 25 / 38 题