Toen we ons eigen schip hadden bereikt en onzen gevangene op dek
geheschen, kwam de kapitein woedend op ons af. Wij kregen den wind
van voren!
"Wat is dat? Wie gaf jullie nachtpermissie?" loeide hij, met vloeken.
"Wij hebben den Franschen admiraal gevangen, kapitein", zei ik. "Hier
is hij".
"Zoo", zei hij knorrig. "Dat is geen excuus! In den mast jullie! Ik
moest je laten kielhalen!" Nieuw gevloek natuurlijk.
Juist wilden we mopperend dit bevel opvolgen, toen de mast door een
kanonskogel werd omgegooid. De Franschen hadden het verlies van hun
vlootvoogd opgemerkt en vielen aan.
De strijd duurde kort. Wij enterden mosjeu, doodden de equipage,
voor zoover ze zich niet overgaf, en namen het schip in bezit. Onze
pikbroeken hadden het druk met het zwabberen van het bebloede dek,
waarbij ze genoegelijk hun energiek zeemanslied aanhieven.
Matrozenlied.
Een schip in zicht, een schip in zicht!--Ahoy!
Nu doet elk Engelschman zijn plicht!--Ahoy!
Wij maken het natuurlijk buit!
En smijten den Fransoos er uit!
Ahoy! ahoy! ahoy!
Ahoy! ahoy! ahoy!
Dan krijgt Janmaat een oorlam toe!--Ahoy!
En daarom roept hij blij te moe:--Ahoy!
Hij drinkt den rum niet aangelengd!
Hij lust jenever ongemengd!
Ahoy! enz.
Van binnen en van buiten nat,--Ahoy!
Een liefje in elke havenstad!--Ahoy!
Hij vecht en vrijt en zuipt en zingt,
Tot 't "Een, twee, drie in godsnaam!" klinkt.
Ahoy! enz.
Een haai slokt Janmaat op--o wee!--Ahoy!
Dat hapje valt hem lang niet mee!--Ahoy!
De haai bromt: "bah, alweer zoo'n lid!
Jamaica-rum en negerhit!"
Ahoy! ahoy! ahoy! enz.