Ik maakte O'Brien deelgenoot van mijn plan, en zoo slopen we op een
nacht stilletjes van boord, nadat wij onze voorbereidselen hadden
getroffen, en namen proviand mee. Het was stil weêr. Lang zwalkten
we in ons kleine bootje rond, zonder een schip te zien. Eindelijk
kregen we er een in de gaten.
Het dek van het vijandelijk schip zag er verlaten uit, maar op de
voorplecht stond een man, in gedachten verzonken. Aan zijn tuigage
zagen we, dat het de admiraal was. Wij legden zachtjes aan, en stil
als een muisje kroop O'Brien op het dek. Snel had hij den verstrooiden
admiraal een prop in den mond gestopt, zijn handen gebonden, hem
opgepakt en in ons bootje gegooid. De wacht sliep. Die zorgelooze
Franschen!
Ik ving den verbluften admiraal op en we maakten dat we wegkwamen.