IV.

Ik maakte O'Brien deelgenoot van mijn plan, en zoo slopen we op een

nacht stilletjes van boord, nadat wij onze voorbereidselen hadden

getroffen, en namen proviand mee. Het was stil weêr. Lang zwalkten

we in ons kleine bootje rond, zonder een schip te zien. Eindelijk

kregen we er een in de gaten.

Het dek van het vijandelijk schip zag er verlaten uit, maar op de

voorplecht stond een man, in gedachten verzonken. Aan zijn tuigage

zagen we, dat het de admiraal was. Wij legden zachtjes aan, en stil

als een muisje kroop O'Brien op het dek. Snel had hij den verstrooiden

admiraal een prop in den mond gestopt, zijn handen gebonden, hem

opgepakt en in ons bootje gegooid. De wacht sliep. Die zorgelooze

Franschen!

Ik ving den verbluften admiraal op en we maakten dat we wegkwamen.

Parodieën · 第 23 / 38 题