Zeelui zijn excentriek. Ze hebben bijna altijd elk een dwaze
eigenaardigheid. Dit treft gelukkig voor den schrijver van
zeevaartkundige verhalen, die anders te flauw zouden worden, met
zeewater en al. De bemanning van Het Zeepaard maakte geen uitzondering
op dezen regel.
De kapitein had zelfs twee eigenaardigheden. Primo vloekte hij
verbazend en secundo loog hij verschrikkelijk. In het vloeken was hij
bepaald No. 1. Als leugenaar moest hij evenwel de vlag strijken voor
den eersten stuurman Ferm, die hierin elkeen den loef afstak.
Maar het liegen was Ferm's eenige excentriciteit niet. Hij had er nog
één, die niet minder vermakelijk was. Hij stond n.l. erg graag op zijn
hoofd. Dat was zijn grootste liefhebberij. Als de bekwame zeerob het
maar even lappen kon, hopsa, daar stond hij weer op zijn hoofd. Hij
gaf zijn beste orders, op zijn hoofd staande. En hij loog het beste,
in die houding.
Nu was er iemand op het schip, die deze laatste gewoonte van Ferm
niet uit kon staan. Dat was de heer Kwak, onze scheepsdokter,
een platboomsvaartuig met korte masten en boegsprieten. Het liegen
kon hem niet schelen, maar hij haatte den stuurman om dat op zijn
hoofd staan. En als deze in die houding braaf er op los loog, of
commandeerde: "Aan lij! Bakboord houden! Reef het topzeil!" of iets
dergelijks, kwam de scheepsdokter en kneep hem in de kuiten. Dan sloeg
Ferm om. Stond Ferm een goed half uur op zijn hoofd en bleef de dokter
uit zijn vaarwater, dan werd zijn gelaat heelemaal donker. Dan zeiden
onze branikragen: Ferm liegt weer dat hij zwart ziet.
Een van zijn geliefkoosde verhalen was, dat hij eenmaal als jongen,
heelemaal alleen, een schip buit had gemaakt. Avontuurlijk van aard
als ik was, besloot ik, dit ook te doen.