De kapitein laveerde op het dek van het Zeepaard heen en weer, en was
zoo uit den koers met zijn gedachten, dat ik dadelijk een aanvaring
met hem had.
"Zoo! Ben jij de nieuwe adelborst? Zit ik soms al niet genoeg met
dat kleine grut opgescheept? Ben je al zindelijk? Pas op dat je niet
zeeziek wordt, kleine vooronderworm dat je bent! Nu, je zit in het
schuitje en je moet meevaren. Wat is dat, je wordt bleek!"
"Ja kapitein, ik voel me een beetje raar. Het schip schudt zoo!"
"Ha, daar hebben we het al! Bootsman!"
"Hier, kapitein!"
"Jongeheer Simpel moet in den mast. Als hij zich niet vlug naar boven
werkt, help je hem maar met de handspaak. Is er nog plaats?"
De bootsman keek in zijn notitieboekje.
"Links in de groote ra is no. 3 nog open, kapitein."
"Zoo," zei de kapitein grimmig. "Vooruit maar! Dat is het eenige
voor zeeziekte."
Ik had heel veel moeite om boven te komen, daar het klimmen in een
mast nieuw voor me was. Maar de bootsman porde me van achter met de
handspaak zoo, dat ik niet anders kon.
Eindelijk was ik bij een been aangeland dat over de ra hing. Ik klemde
me eraan vast.
"Heila!" zei een booze stem. "Wat moet je? Blijf daar niet hangen! Erop
of eraf! Hijsch je op als je hier moet wezen!"
Toen ik met moeite dit bevel had uitgevoerd, praaide ik een tiental
collega's. De oudste, O'Brien, deelde me mee dat hij daar zoo goed als
altijd zat. "Als den ouwe z'n weerglas op stormachtig staat, zit men
hier soms een heele week in de takels." Nu staken ze van wal met dit:
Adelborstenlied.
De ouwe is uit kooi gestapt
Met zijn verkeerde been!
Hij vloekt de equipage stijf
En jaagt ons dan hierheen.
Maar och, wij zijn daaraan gewend
En hebben 't hier wat best!
We leggen een kaartje, we rooken een pijp,
En slapen voor de rest.
We zitten hoog, we zitten droog.
De lucht is lekker frisch,
Je ruikt hier niet, als op het dek
Pek, teer en zoutevisch.
De ouwe denkt dat hij ons straft,
Met honger en met dorst,
We hebben altijd proviand,
Lang leve d' adelborst!
Wij eten de beste scheepsbeschuit
En drinken kaapschen wijn,
Die hebben we stiekum afgetapt,
Uit het vat van den kapitein!
De zeewind geeft hier appetijt,
Nooit zit je voor den mast,
En moeten wij weer naar benêe
Dat spijt ons allen vast.
Hoezee!
"Maar zeg eens, Groentje," riep O'Brien, op wiens knie ik had moeten
plaats nemen. "Heb je al kennis gemaakt met de kat?"
"Kat? Neen, ik heb geen kat gezien, meneer!"
"Denk er om, de kat is aan boord van een oorlogsschip een gewichtig
personage. Vraag den bootsman. Maar wacht: Je hebt de zeebaboe toch
al gekust?"
"Moet dat?"
"Daar kun je absoluut niet buiten, jongetje."
Toen ik beneden kwam, en den bootsman vroeg, met de kat kennis te
maken, grijnsde hij, en riep den bootsmansmaat. Voor ik het wist had
ik kennis gemaakt met de kat met zeven staarten. De lust verging me,
toen de kennismaking voorbij was, naar de zeebaboe te vragen. Ik heb
haar dan ook nooit gezien.