Jack Simpel, om U te dienen. Zeebonk van mijn geloof. Weeskind,
altijd geweest. Een oom was apotheker te Greenwich. Toen ik van school
gedrost was, omdat het me daar te droog was, besloot oom dat ik in
zijn zog zou gaan varen. Hij preste me dus om met drankjes, poeders
en pillen bij zijn klanten te beurten, want hij was van gevoelen dat
men vóór den mast beginnen moest.
Ik proefde eens een paar van die drankjes en vond ze zoo leelijk
smaken, dat ik diep meelij met zijn patiënten kreeg, die toch hun
plezier wel opkonden daar ze ziek waren. Ik gooide de fleschjes leeg
en vulde ze met zeewater. Meestal werden de zieken dan veel te gauw
beter, wat voor oom schadelijk was.
Toen oom erachter kwam, vond hij dat er met mij geen land te bezeilen
was, en besloot een minder teerhartigen bezorger aan te monsteren.
Het spreekt vanzelf dat ik beleedigd was, en dus plakte ik 's nachts
op oom's deur een papier met dit versje:
Aan mijn Clientèle.
Menschen, 'k zal dat pilledraaien
In 't vervolg nu maar verdraaien.
'k Stuur geen mensch meer naar de haaien.
'k Werkte toch maar voor de kraaien
'k Wil geen schuld meer op mij laaien,
Wat 'k te goed heb laten waaien.
Dit opschrift veroorzaakte 's morgens in de vroegte, toen oom onder
zeil was, een heele opschudding. Het was dadelijk overal in de stad
bekend dat de apotheker Simpel uit de zaken ging en dat niemand zijn
rekening behoefde te betalen. Er was een oploop, oom die slaapdronken
vóór het venster verscheen, werd door alle slampampers van Greenwich
toegejuicht, en de mariniers moesten aanrukken om de menigte te
verspreiden. Toen oom doorging met zaken doen en disponeerde over de
uitstaande gelden, werden veel klanten boos en gingen bij hem vandaan.
Onderwijl liep ik langs de havens te lanterfanten. Ik schepte
veel behagen in het gezelschap der gepensioneerde varensgezellen,
die daar pijpjes rookten, of als ze geen geld hadden voor tabak,
kringetjes spuwden en elkaar allerlei verhalen deden, waarnaar ik
gretig luisterde. Twee invalieden vooral bewonderde ik. De één,
Joe Williams, had een houten been. De ander, Bill Jobson, maar één
arm. Eens kregen ze samen ruzie. De twist liep zóó hoog, dat ze
besloten het uit te vechten. Dat was een merkwaardige bokspartij! En
ze had natuurlijk veel bekijks ook!
"Houd mijn pruim eens vast, kleine landhaai, en een oog in het
zeil!" zei Joe.
"Houd de mijne ook vast, jonge zoetwaterzwabber," zei Bill. "Niet
kapen, hoor!"
Dat was voor mij een heele eer!
Ze begonnen te vechten. Men was overeengekomen dat Joe maar één arm
mocht gebruiken, en dat Bill zijn ééne been stijf moest houden,
alsof het van hout was. Het gevecht, dat Bill een gebroken neus
kostte en Joe een blauw oog, bleef onbeslist. Na de vijfde ronde
waren ze vergeten waarover de ruzie eigenlijk liep, en besloten,
die af te gaan drinken. Ze namen hun pruimen terug, leenden van mij
een shilling, en gingen gearmd naar de herberg.
Deze gebeurtenis had mijn natuurlijke neiging voor de zee sterk
aangewakkerd. Mijn oom draaide bij en stemde er in toe, vooral
toen ik van een neef, die in gedragen zeemanskleeren handelde, een
volslagen tweedehandsch uitrusting present kreeg. Dezelfde neef wist
van een kapitein, die bij hem in het krijt stond, een aanstelling als
adelborst voor mij te bemachtigen. Van Joe kreeg ik een Zuidwester,
van Bill een verrekijker.