HOOFDSTUK X

"Als aapjens te hoog klimmen willen..."

Vader Cats.

Wij wonen eenen wapenschouw bij, lezer, eenen wapenschouw van het

leger des grooten keizers! Bewonderen wij de orde, waarin ze gerijd

staan, deze regimenten, vanaf gerimpelde veteranen met lange en ruige

mutstatsen, tot baardelooze knapen, candidaten nog voor den vuurdoop;

doch bewonderen wij niet te lang, doch voegen wij ons bij eene groep

ruiters, en wel bij het tweetal, dat blijkbaar eenen hoogen rang

bekleedt, dat het zoo vrijelijk zich tusschen de keurlijk in het

gelid geschaarde scharen beweegt!

In de daad, de één, kort van gestalte, trotsch van opslag, is

geen ander dan Keizer Napoleon zelve, thans aan het begin van

den middelbaren leeftijd, en op het keerpunt van zijn roemrijke

loopbaan, dit laatste onbewust. De tweede is een norsch krijgsman,

wiens burgerlijke afkomst zich niet verloochenen laat door de

maarschalks-epauletten op zoo grofgebeende schouderen, de handschoenen

aan zoo roode en plompe handen. Luisteren wij--al behoort er moed toe

den boozen luim des geduchten keizers te trotseeren, want dat hij in

eenen boozen luim is, bewijzen zijn gefronste brauwen, zijn fonkelende

oogen, zijne gebalde vuist--luisteren wij, veilig, hij bespeurt

ons niet, rust niet zijn blik met onwil op eene groep generaals ter

linkerzijde, terwijl wij ons ter rechterhand hebben opgesteld?

"Ik begeere van mijne veldheeren geene vrekheid, Ney," spreekt de

Keizer, korsel, "integendeel, ik achte het van hunnen plicht een

exempel te geven in royale depensies, edoch deze onzinnige opschik,

deze loszinnige verkwisting!" In de daad, de officieren des Keizers

gingen zich, wat hunne kleeding aangaat, aan uitsporigheden te buiten,

welke in vredestijd nauw te vergoelijken waren geweest, hoeveel te

minder in eenen tijd, waarin de harpije des oorlogs woedde!

Joachim Murat, de zwager des Keizers, was onder de voorsten. De Koning

van Napels had zijne kroezige lokken gedekt met eenen steekhoed,

welks grootte en omvang die onzer dames, welke in het theater zooveel

protest uitlokken, in de schaduw stellen zoude, gegarneerd met eenen

vederpluim, welks kostbaarheid eenen echtgenoot van heden ijlings

naar het sanatorium zoude doen verhuizen. Zijn purperen mantel was

opgetooid met eenen kraag van hermelijn, welke de opbrengst van een

gansch jaar zijner landgoederen vertegenwoordigde. Doch zwijgen wij

verder van deze zwakheden, welke hem en andere dapperen ontcieren,

gaan wij voort met de aanmerkingen des Keizers op te teekenen,

hen betreffend.

"Hij dacht eerst geenen hoed op te zetten," smaalt de krijgsvorst, als

Murat passeert. "Aangekleed gaat uit.--Wat zijn we mooi vandaag--Ik

met mijn pluimstaart--" zulke zijn de verachtelijke opmerkingen,

welke de veroveraar voor zich henen gromt--dan, hij heeft het reeds

vergeten, hij richt zich reeds tot zijn armee; hij wijst met plechtig

gebaar naar de zon, welke aan den hemel staat:

"Herinnert u, soldaten, dat van uit dit hemellichaam ontelbare eeuwen

op u nederblikken!"

Het witte paard van den Keizer voert hem langs de gelederen, welke

daveren van het "Vive l'empereur!"

De vorst vat eenen majoor, ons niet onbekend, bij het oor... "Ik zag u

te Wagram."--"Ja, Sire!" "Gij zijt nu gehuwd--ik schenk u de verbeurd

verklaarde goederen uws vaders. Zoogt uwe vrouw hare kinderen zelf,

Kolonel?"

"Zij heeft er nog geene, Sire.--Heb dank, Sire!" want eigenhandig

hecht de Keizer onder het geroep van "Vive l'Empereur", het kruis

des Legioens van Eer op de borst des jeugdigen krijgsmans!

"Geene kinderen! Foei, generaal! Denk aan la Patrie!" Voort reed de

Keizer,--op Rusland aan, zijnen ondergang te gemoet. --

Maarschalk Pichegru reed zijnen meester op zijde. "Wat nu, Sire?" [2]

sprak hij, "wat nu, als ik vragen mag?"

Maar de Keizer antwoordde niet ...

Parodieën · 第 17 / 38 题