"Vroeg in den morgenstond."
Breeroo.
Het lever eens Keizers! Verbeeld u, lezer, in stede uwer bescheiden
doch geriefelijke burgermans-bedstede met de pronklooze, doch warme
wollen dekens, de prachtige met zijde en zorg gespreide praalsponde;
in stede uws gezelligen alcoofs, de slaaphalle eens Keizers uit het
eerste Keizerrijk, hoe grootsch en nogtans, hoe kil, hoe weelderig
en nogtans, hoe somber, hoe ruim en nogtans, hoe rumoerig; grootsch,
want zij meet 30 bij 20, kil want de muren zijn niet behangen met de
gemeenzame daguerreotypen van dierbare bloedverwanten, weelderig,
want goud en verguldsel, goudleder en gouddraad sieren ze, somber,
want geen lachend gelaat van blondgelokte kinderen verheldert ze,
ruim, want (zie grootsch), rumoerig, merk op hoevelen de heiligheid des
morgenstonds schenden, aanschouw deze fluisterende schare adjudanten,
deze bezige groep kamerdienaars, aanschouw eindelijk dezen jongeling en
deze schoone vrouwe! Geen van beiden zijn ons onbekend. Het is Hendrik
Jan, die daar staat, Hendrik Jan, de trouwe dienaar, Hendrik Jan,
die, met de desperatie in het harte, deze laatste poging, welbewust
van den indruk, welken vrouwelijk schoon op den Keizer maakt, is komen
wagen. Het is zijne gade, die daar knielt, zijne jonge bevallige gade,
gekleed, of, meer nog ongekleed volgens de toenmaals meer en meer
gehuldigde mode van het Empire! "Sire, ga niet naar Rusland!"--de
Keizer heft haar op, niet onheusch, hij kust haar op het voorhoofd,
hij geleidt haar minzaam naar haren echtgenoot ...--edoch, hij gaat
niettemin!
De jonge vrouwe richt zich op en bedekt kuischelijk met een sjawl
van Spaanschen kant den boezem--hebt gij u gestooten aan haar gul
décolleté, gij neuswijze juffer van onze dagen met uw arglistig bloot
nekje, of gij, jongeling met uwen kouwelijken halsdas waarvan de
slippen--o verwijfd geslacht!--u op de knieën hangen? Ja, zij is laag
gekleed, maar wat de lengte der mouwen betreft is deze adellijke dame
uwe meerdere in zedigheid, gij burgerdochters van mijne kennis,--ja,
haar schoenen zijn spits, doch wat de hoogte der hakken aangaat steekt
gij, mijne steltloopsters, haar den loef af; ja, hare rokken zijn
eng, doch niet zoo nauw als de uwe, mijne vriendinnen, de uwe, die
mij te zamen met uwe à jour kousen omtrent de teekening uwer beenen
zoo weinig te raden laten; ja, hare keelbanden zijn wereldsch, doch
niet zoo onzinnig noch zoo gevaarlijk als uwe duivelsche hoedespelden,
mijne waarden! Doch verlaten wij haar, evenals haar echtgenoot doet,
bij de trede van de draagkoets welke harer wacht.