"Een vriend, die mij mijn feilen toont."
Van Alphen.
"Eén weerhaan ware overigens genoeg geweest," zeide de Keizer ontstemd,
als de diplomaten binnentraden; en weerhanen waren zij in de daad,
de beide raadslieden, die op deze barsche woorden nietwes dan een
verlegen lachje wisten te doen volgen! Prins Talleyrand droeg ditmaal
geene vermomming als gisteren, doch het praalgewaad des ministers;
de kunst van den besten tailleur vermocht niet de scheeve schouderen,
van den vaardigsten coiffeur niet de sluike haren, van den bekwaamsten
bottier niet de mankheid des machtigen staatsmans te verhelen,
welke in eenen blauwen rok van goudgestikte zijde, violette zijden
hozen, citroenkleurige kousen en fijnverlakte schoenen met roode
hakken, niets meer geleek dan de vos, die hij inderdaad was. Aardde
Talleyrand naar den vos, zijn metgezel, wiens gelaat de grijnslach
nimmer verliet, slachtte, in eenen Isabella-kleurigen slipjas,
scharlaken hozen, kemelharen kousen en schoenen met nikkelen gespen,
de jakhals, die zich aan de dooden, te lafhartig om de levenden aan
te vallen, vergast. Voegen wij terloops, bij den hoon, hem door zijn
tijdgenooten met zooveel billijkheid naar het hoofd geworpen, ons
deel, waarde lezer, en luisteren wij naar het belangrijk gesprek,
dat zijn deftiger metgezel met beider meester voert!
"Welnu, mijnheer Talleyrand, wat is er?" zeide de Keizer. "Gebruik
uwe woorden niet om uwe gedachten te verbergen, al raadt gij dit aan
anderen aan!"
"Uwe Majesteit bewijst mij veel eer, door mijne mémoires te citeeren,
en dit nog wel bij voorbaat!" luidt statelijk doch hoofsch het
antwoord.
"Het zij, maar volg uwen eigen raad ditmaal niet!"
"Sire", antwoordde de diplomaat fijntjens, "dit ware erger dan eene
misdaad; dit ware eene fout. Wij wachten Uwe orders omtrent den
ontdekten afstammeling der Bourbons, den hertog van Enghien?"
Napoleon fronste de brauwen. Inwendige strijd kampte in hem.
De sluwe staatsman glimlachte. Nauw merkbaar, als in scherts,
fluisterde hij voor zich heen de schijnbaar onbeteekende klanken:
pief, paf, poef,--welke klanken maar al te wel door den vorst werden
begrepen, immers, deze zette zich neder, zuchtte diep en teekende
vlug, zonder het in te zien, het hem inmiddels door Fouché gedienstig
gereikte doodvonnis. "Nog iets?" vervolgde hij.
"Sire", sprak Talleyrand op fluweelen toon, "generaal Furioso vraagt
verlof zich naar Rusland te begeven. De arts schreef hem een verblijf
aldaar voor, ter genezing zijner corpulentie."
"Rusland,--corpulentie--" zeide de Keizer verstrooid; Hendrik Jan
beefde, het gif had alreede gewerkt, de oogen des veldheers flonkerden,
hier was eene poorte der hope, hij straalde; twee vliegen in éénen
klap!
"Generaal Furioso mag naar Rusland gaan"--zeide de Keizer op den
minzamen toon, welken hij soms kon aannemen. "En wat hem zeker
plezier zal doen... wij gaan mee, ik en het leger! Naar Moskou!" Hij
floot, floot, valsch weliswaar,--want welke ook des Keizers gaven
waren, die der muzikaliteit behoorde daartoe niet--maar floot
opgewekt. "Malbrouck s'en va-t-en guerre!"--De geslepen staatsman had
zijn doel bereikt. Hendrik Jan sidderde. Eéne poging wilde hij nog
wagen. Hij wierp zich op de knieën. "Sire", bad hij, "ga niet naar
Rusland!" "Die jongen bevalt mij," mompelde de Keizer ten tweeden
male--"maar ik ga toch", vervolgde hij, "ik ga toch--waarom niet naar
Rusland, Kapitein?"
Hendrik Jan antwoordde eerbiedig, doch met vrijmoedigheid. Hij schetste
het klimaat, den afstand... Een oogenblik scheen het, alsof de Muze
der wereldgeschiedenis Rusland, Elba, Waterloo, St. Helena achteloos
hadde kunnen voorbijgaan! Hadde Blücher, hadde Wellington vermoed,
hoe slecht hunne kansen op vermaardheid in deze stonde stonden, zij
hadden gesidderd, hadden den moedigen jongeling gevloekt, wiens scherp
verstand den toomeloozen overmoed des veroveraars aan het wankelen
bracht, wiens trouw de list van een Talleyrand trotseerde! Eene
huivering doorliep de leden van den Corsikaanschen adelaar! En de
onze, lezer? Welke beelden doemen voor ons op, in dit ondeelbare
oogenblik, dat de veroveraar weifelt. Wij zien eenen tot rust gekomen
Napoleon, den welwillenden landsvader, regeerende over een welvarend
en vreedzaam volk, wij zien hem algemeen geacht, bemind en geprezen,
een waardigen ouden dag beleven, met een kleinkind op elke knie en
"l'art d'être grand-père" in de hand... doch, wijk, gij, ontzettend,
want vergeefsch, gij valsch en bedriegelijk beeld!
De oogen van den keizer hadden zich gedurende de siddering, die zijne
leden doorliep, naar omlaag gekeerd, edoch zonder zijne rijlaarzen
te speuren!... de teerling was geworpen... één oogenblik slechts
had de aarzeling geduurd, dan, ze was reeds voorbij!--"Ik ga toch",
klonk het nogmaals... en zwijgend kuste de jongeling de hem minzaam
tot afscheid gereikte pink des overweldigers--"Ik ga niettemin."