HOOFDSTUK VIII.

"Een vriend, die mij mijn feilen toont."

Van Alphen.

"Eén weerhaan ware overigens genoeg geweest," zeide de Keizer ontstemd,

als de diplomaten binnentraden; en weerhanen waren zij in de daad,

de beide raadslieden, die op deze barsche woorden nietwes dan een

verlegen lachje wisten te doen volgen! Prins Talleyrand droeg ditmaal

geene vermomming als gisteren, doch het praalgewaad des ministers;

de kunst van den besten tailleur vermocht niet de scheeve schouderen,

van den vaardigsten coiffeur niet de sluike haren, van den bekwaamsten

bottier niet de mankheid des machtigen staatsmans te verhelen,

welke in eenen blauwen rok van goudgestikte zijde, violette zijden

hozen, citroenkleurige kousen en fijnverlakte schoenen met roode

hakken, niets meer geleek dan de vos, die hij inderdaad was. Aardde

Talleyrand naar den vos, zijn metgezel, wiens gelaat de grijnslach

nimmer verliet, slachtte, in eenen Isabella-kleurigen slipjas,

scharlaken hozen, kemelharen kousen en schoenen met nikkelen gespen,

de jakhals, die zich aan de dooden, te lafhartig om de levenden aan

te vallen, vergast. Voegen wij terloops, bij den hoon, hem door zijn

tijdgenooten met zooveel billijkheid naar het hoofd geworpen, ons

deel, waarde lezer, en luisteren wij naar het belangrijk gesprek,

dat zijn deftiger metgezel met beider meester voert!

"Welnu, mijnheer Talleyrand, wat is er?" zeide de Keizer. "Gebruik

uwe woorden niet om uwe gedachten te verbergen, al raadt gij dit aan

anderen aan!"

"Uwe Majesteit bewijst mij veel eer, door mijne mémoires te citeeren,

en dit nog wel bij voorbaat!" luidt statelijk doch hoofsch het

antwoord.

"Het zij, maar volg uwen eigen raad ditmaal niet!"

"Sire", antwoordde de diplomaat fijntjens, "dit ware erger dan eene

misdaad; dit ware eene fout. Wij wachten Uwe orders omtrent den

ontdekten afstammeling der Bourbons, den hertog van Enghien?"

Napoleon fronste de brauwen. Inwendige strijd kampte in hem.

De sluwe staatsman glimlachte. Nauw merkbaar, als in scherts,

fluisterde hij voor zich heen de schijnbaar onbeteekende klanken:

pief, paf, poef,--welke klanken maar al te wel door den vorst werden

begrepen, immers, deze zette zich neder, zuchtte diep en teekende

vlug, zonder het in te zien, het hem inmiddels door Fouché gedienstig

gereikte doodvonnis. "Nog iets?" vervolgde hij.

"Sire", sprak Talleyrand op fluweelen toon, "generaal Furioso vraagt

verlof zich naar Rusland te begeven. De arts schreef hem een verblijf

aldaar voor, ter genezing zijner corpulentie."

"Rusland,--corpulentie--" zeide de Keizer verstrooid; Hendrik Jan

beefde, het gif had alreede gewerkt, de oogen des veldheers flonkerden,

hier was eene poorte der hope, hij straalde; twee vliegen in éénen

klap!

"Generaal Furioso mag naar Rusland gaan"--zeide de Keizer op den

minzamen toon, welken hij soms kon aannemen. "En wat hem zeker

plezier zal doen... wij gaan mee, ik en het leger! Naar Moskou!" Hij

floot, floot, valsch weliswaar,--want welke ook des Keizers gaven

waren, die der muzikaliteit behoorde daartoe niet--maar floot

opgewekt. "Malbrouck s'en va-t-en guerre!"--De geslepen staatsman had

zijn doel bereikt. Hendrik Jan sidderde. Eéne poging wilde hij nog

wagen. Hij wierp zich op de knieën. "Sire", bad hij, "ga niet naar

Rusland!" "Die jongen bevalt mij," mompelde de Keizer ten tweeden

male--"maar ik ga toch", vervolgde hij, "ik ga toch--waarom niet naar

Rusland, Kapitein?"

Hendrik Jan antwoordde eerbiedig, doch met vrijmoedigheid. Hij schetste

het klimaat, den afstand... Een oogenblik scheen het, alsof de Muze

der wereldgeschiedenis Rusland, Elba, Waterloo, St. Helena achteloos

hadde kunnen voorbijgaan! Hadde Blücher, hadde Wellington vermoed,

hoe slecht hunne kansen op vermaardheid in deze stonde stonden, zij

hadden gesidderd, hadden den moedigen jongeling gevloekt, wiens scherp

verstand den toomeloozen overmoed des veroveraars aan het wankelen

bracht, wiens trouw de list van een Talleyrand trotseerde! Eene

huivering doorliep de leden van den Corsikaanschen adelaar! En de

onze, lezer? Welke beelden doemen voor ons op, in dit ondeelbare

oogenblik, dat de veroveraar weifelt. Wij zien eenen tot rust gekomen

Napoleon, den welwillenden landsvader, regeerende over een welvarend

en vreedzaam volk, wij zien hem algemeen geacht, bemind en geprezen,

een waardigen ouden dag beleven, met een kleinkind op elke knie en

"l'art d'être grand-père" in de hand... doch, wijk, gij, ontzettend,

want vergeefsch, gij valsch en bedriegelijk beeld!

De oogen van den keizer hadden zich gedurende de siddering, die zijne

leden doorliep, naar omlaag gekeerd, edoch zonder zijne rijlaarzen

te speuren!... de teerling was geworpen... één oogenblik slechts

had de aarzeling geduurd, dan, ze was reeds voorbij!--"Ik ga toch",

klonk het nogmaals... en zwijgend kuste de jongeling de hem minzaam

tot afscheid gereikte pink des overweldigers--"Ik ga niettemin."

Parodieën · 第 15 / 38 题