"Waar werd oprechter trouw
Dan tusschen man en vrouw,
Ter waereld ooit gevonden?"
Vondel.
De prachtige zalen van de Tuilerieën boden eenen somberen aanblik;
de armen over elkaar geslagen ging de Keizer op en neder. Josephine
naderde hem: "deze scheiding is noodzakelijk", klinkt het dof uit
zijnen mond, en de toekomstige ex-Keizerin zwijgt, zwijgt gelaten,
zwijgt en gaat!--Hendrik Jan, derwaarts ontboden, vervoegde zich op
dat oogenblik op den drempel; met kieschheid week hij der alsnog zoo
hooge vrouwe, die snikkend vóór zich heen fluistert--"neen, neen, wit
kleurt mij beter dan olijfgroen, veel, veel beter" zijn de woorden,
die hij ondanks zich zelf opvangt--en vindt den Keizer nog in tranen.
"Gij ziet mij weenen, mijn vriend, niet velen, in waarheid, zagen
Bonaparte dus! Maar ach, dit drage ik niet!"
Bescheiden, innerlijk begaan, vurig wenschende deze smarte te lenigen,
zag de jongeling toe, inmiddels, de Keizer hernam:
"Kom nader, Kapitein, ik ken u, ik heb van u gehoord, gij zijt geen
vleier, gelijk die anderen. Gij weet toch wat mij smart, spreek!"
"Sire, ik gevoele diep, deze scheiding..."
"Is noodzakelijk. Maar zeg mij, zeg dan toch, is het waar dat het
steeds erger wordt, altijd toeneemt, ach, gij zwijgt--spreekt niet
tegen--ach, het is gelijk ik vreeze--maar besef dan toch, maar begrijp
dan toch, dit is het begin van het einde--in rouwe, in rouwe is mijne
zege verkeerd! Och, ik, de held, de veroveraar, bleek, romantisch,
interessant... niet meer alzoo,--een buikje, een buikje--neen, dit
drage ik niet! O, ik zal sterven aan dit leed..."
Op dit oogenblik werden prins Talleyrand en Fouché aangediend.
Te vergeefs trachtte Hendrik Jan, denkende aan het afgeluisterde
onderhoud van den vorigen dag, zijne ontsteltenis te verbergen, welke
het den Keizer ondertusschen behaagde toe te schrijven aan sympathie;
deze drukte hem de hand, "blijf" sprak hij,--"blijf" en duwde hem
achter zijn stoel "blijf", als de ministers reeds binnentraden!