HOOFDSTUK VI.

"Zij steken de hoofden te zamen".

De Genestet.

Wij staan vóór de Tuilerieën, bezichtigen dezelve, en volgen het

voorbeeld eens slanken jongelings, welke de gebouwen zoo juist heeft

verlaten om huiswaarts te keeren; doch zoo ras heeft deze niet het

plein der Tuilerieën, dat zich daarvóór uitstrekt, verlaten, zoo

ras heeft hij niet voor zich heen de eerste noten geneuried van een

krijgshaftig lied, of eene hand rust op zijnen schouder, een Onbekende,

in eenen dichten mantel gehuld, welke slechts den neus--maar welk eenen

neus!--bloot laat, staat vóór hem, "herinner u," fluistert de gestalte,

"herinner u" en is verdwenen, verdwenen, doch niet zóó afdoende, of de

jongeling is hem nagegaan, nagegaan door enge donkere stegen, nagegaan

tot in de onoogelijke kleine herberg, in de slecht verlichte kamer,

en wacht--welk een nieuwsgierigheid!--heeft zich verscholen--welk een

slimheid!--beidt--welk een moed, want wie de Onbekende moge zijn,

bij het onderhoud, dat volgen zal met hem, die talmt, begeert hij

gewis geenen getuige!

Eene wijle--hoe bange het beiden valt, als men meer dan zes voet lang

meet, en zich te versteken heeft onder eene wankele keukentafel!--eene

wijle, en de personaadje op wien het toeven is, verschijnt, mank

gaande, den kraag omhoog, den hoed in de oogen--een personaadje die

haastig om zich ziet, en den eerstaangekomene begroet met de woorden,

vol ontzetting, doch niet zonder deftigheid, uitgesproken:

"Gij! Wederom gij! Altijd gij!"

"Ja ik, prins Talleyrand, ja ik, gij bisschop van Autun, ja ik,

o vriend van Bonaparte! Ja ik, en altijd ik!"

"Maar, maar, wie zijt gij dan toch?"

"Mijn naam? Eilieve, monseigneur, wat bate kan mijn naam den man

brengen, die den Overweldiger om den vinger windt? Noem mij den

Onbekende! Ik ben de vreemdeling met den graauwen mantel en den

sluipenden tred, die schor fluisterend en met den vinger wenkend, de

wereldgeschiedenis maakt! Hadde ik geleefd tijdens den tachtigjarigen

oorlog, ik hadde, een zendeling der Jezuieten, goedgezinde jongelingen

tot samenzweringen verleid, ware ik eene halve eeuw later opgetreden,

ik zoude de spion geweest zijn van eenen Lodewijk, van eenen Richelieu,

eene Maintenon! Ik ben de stokebrand, die verschijnt en verdwijnt,

naar mate kwaad te stichten valt, dan niet! In dit geval ben ik een

afgezant van vorst Metternich!"

"Van Metternich! Van Oostenrijk! Hoe! Hier, in den muil des

leeuws! Rampspoedige!"

"Tut, Tut, Doorluchtigheid! Mij dunkt, ik bespeure het recht, neen, ik

vergisse mij niet, het gelaat van prins Talleyrand is ondoorgrondelijk,

nogtans, die aandoening verbergt het niet! In waarheid, edele heer,

ontken het slechts niet: uw leeuw verveelt u reeds!"

"In trouwe, vreemdeling...!"

"Met oorlof, wat zegt gij, edele heer?"

"Bijloo, in de daad dan, zoo u dit woord uit mijnen mond beter bevalt,

in de daad dan, sarkastische anonymus, gij voert eene vermetele tale!"

"Vermetel, het zij, prins, maar waar!"

"Eilacy, mijn vriend, de muren hebben ooren!--maar luister, het

zij--wij zijn onder ons,--gij kunt zwijgen,--wie vermag beter te

zwijgen, dan gij?--gij onsterfelijk incognito!--het zij,--laat mij

het bekennen, u kan men toch nietwes vergauwen--laat mij het harte

éénmaal verlichten, laat mij eindelijk éénmaal mijn leed uitstorten en

den last afwentelen, die mij drukt, zij het voor eene enkele stonde;

ja, hij verveelt mij, ja, verveelt mij doodelijk!"

"Gansbloet!" riep de vreemdeling uit, "wat zeide ik u?"

"Ach mijn vriend,--wij zijn onbespied?--dat eeuwige vechten! O, dat hij

ten leste op ietwes anders zon! En die drie houdingen, zegge drie--drie

houdingen!--gij kent ze, gij voelt met mij--ach hoe zonderlinge zeer

hangen ze mij ter kele uit! Gewis, gij kent ze, vreemdeling? Eéne

hand in het vest, de andere op den rug, dat is er ééne; beide op den

rug, dat is de tweede, beide armen gekruist op de borst, dat is de

derde--dat is al! Ja, ál, mijn geheimzinnige vriend! Ach hoe steekt mij

er de walg van! Hoe, heb ik hem daartoe Keizer der Franschen gemaakt!"

Eene wijle poosde de kerkvorst-minister, het voorhoofd steunend op

de hand, toen sprak hij, zuchtend:

"En dat is het ergste nog niet--er is erger,--veel erger,--luister,

vriend, dat ik het u zegge, wat Frankrijk--de wereld, spoedig weten

zal,--het is, eilacy! niet langer te verbergen--het is een secret de

Polichinelle! een publiek geheim--hij wordt dik!"

"Ha!" riep de Onbekende uit "de rampspoedige!"

"Certeyn, man, wèl rampspoedige! Hij put alle middelen uit, hij

verweert zich wel--hij neemt veel beweging, drinkt geen bier, geniet

luttel slaaps--hij vindt geen bate. Mariënbad,--Karlsbad zijn nog

niet in trek--wat te doen? Dik! Een Caesar!, een soldatenkeizer,

dik, corpulent, welk een schouwspel! In waarheid, zóó zoude men al

zoo goed eenen Bourbon..."

"Eenen Bourbon," viel de vreemdeling snel in. "Eilieve, waartoe dan

geenen Bourbon?"

Talleyrand zweeg; hij staarde vóór zich henen, de trouwe des

wispelturigen mans scheen wederom te wankelen, eenen Bourbon, mompelde

hij, eenen Bourbon, maar hoe Napoleon te storten, hoe hem te verjagen?

Dit was het oogenblik, dat de Onbekende beidde--de oogen gingen

bespiedend rond, doch zonder den ontzetten luisteraar onder de

tafel,--ontzet over zooveel ontrouw, zooveel ondankbaarheid, zulke

laagheid!--te vinden... dan, flonkerend had hij ze in het eind op den

nog immer peinzenden diplomaat gericht, had gesist: "Rusland!" had

de kaars uitgeblazen en was verdwenen!--verdwenen uit onzen roman,

maar waarheen, maar voor hoelang, maar om wat kwaad te brouwen?

Parodieën · 第 13 / 38 题