"Zij steken de hoofden te zamen".
De Genestet.
Wij staan vóór de Tuilerieën, bezichtigen dezelve, en volgen het
voorbeeld eens slanken jongelings, welke de gebouwen zoo juist heeft
verlaten om huiswaarts te keeren; doch zoo ras heeft deze niet het
plein der Tuilerieën, dat zich daarvóór uitstrekt, verlaten, zoo
ras heeft hij niet voor zich heen de eerste noten geneuried van een
krijgshaftig lied, of eene hand rust op zijnen schouder, een Onbekende,
in eenen dichten mantel gehuld, welke slechts den neus--maar welk eenen
neus!--bloot laat, staat vóór hem, "herinner u," fluistert de gestalte,
"herinner u" en is verdwenen, verdwenen, doch niet zóó afdoende, of de
jongeling is hem nagegaan, nagegaan door enge donkere stegen, nagegaan
tot in de onoogelijke kleine herberg, in de slecht verlichte kamer,
en wacht--welk een nieuwsgierigheid!--heeft zich verscholen--welk een
slimheid!--beidt--welk een moed, want wie de Onbekende moge zijn,
bij het onderhoud, dat volgen zal met hem, die talmt, begeert hij
gewis geenen getuige!
Eene wijle--hoe bange het beiden valt, als men meer dan zes voet lang
meet, en zich te versteken heeft onder eene wankele keukentafel!--eene
wijle, en de personaadje op wien het toeven is, verschijnt, mank
gaande, den kraag omhoog, den hoed in de oogen--een personaadje die
haastig om zich ziet, en den eerstaangekomene begroet met de woorden,
vol ontzetting, doch niet zonder deftigheid, uitgesproken:
"Gij! Wederom gij! Altijd gij!"
"Ja ik, prins Talleyrand, ja ik, gij bisschop van Autun, ja ik,
o vriend van Bonaparte! Ja ik, en altijd ik!"
"Maar, maar, wie zijt gij dan toch?"
"Mijn naam? Eilieve, monseigneur, wat bate kan mijn naam den man
brengen, die den Overweldiger om den vinger windt? Noem mij den
Onbekende! Ik ben de vreemdeling met den graauwen mantel en den
sluipenden tred, die schor fluisterend en met den vinger wenkend, de
wereldgeschiedenis maakt! Hadde ik geleefd tijdens den tachtigjarigen
oorlog, ik hadde, een zendeling der Jezuieten, goedgezinde jongelingen
tot samenzweringen verleid, ware ik eene halve eeuw later opgetreden,
ik zoude de spion geweest zijn van eenen Lodewijk, van eenen Richelieu,
eene Maintenon! Ik ben de stokebrand, die verschijnt en verdwijnt,
naar mate kwaad te stichten valt, dan niet! In dit geval ben ik een
afgezant van vorst Metternich!"
"Van Metternich! Van Oostenrijk! Hoe! Hier, in den muil des
leeuws! Rampspoedige!"
"Tut, Tut, Doorluchtigheid! Mij dunkt, ik bespeure het recht, neen, ik
vergisse mij niet, het gelaat van prins Talleyrand is ondoorgrondelijk,
nogtans, die aandoening verbergt het niet! In waarheid, edele heer,
ontken het slechts niet: uw leeuw verveelt u reeds!"
"In trouwe, vreemdeling...!"
"Met oorlof, wat zegt gij, edele heer?"
"Bijloo, in de daad dan, zoo u dit woord uit mijnen mond beter bevalt,
in de daad dan, sarkastische anonymus, gij voert eene vermetele tale!"
"Vermetel, het zij, prins, maar waar!"
"Eilacy, mijn vriend, de muren hebben ooren!--maar luister, het
zij--wij zijn onder ons,--gij kunt zwijgen,--wie vermag beter te
zwijgen, dan gij?--gij onsterfelijk incognito!--het zij,--laat mij
het bekennen, u kan men toch nietwes vergauwen--laat mij het harte
éénmaal verlichten, laat mij eindelijk éénmaal mijn leed uitstorten en
den last afwentelen, die mij drukt, zij het voor eene enkele stonde;
ja, hij verveelt mij, ja, verveelt mij doodelijk!"
"Gansbloet!" riep de vreemdeling uit, "wat zeide ik u?"
"Ach mijn vriend,--wij zijn onbespied?--dat eeuwige vechten! O, dat hij
ten leste op ietwes anders zon! En die drie houdingen, zegge drie--drie
houdingen!--gij kent ze, gij voelt met mij--ach hoe zonderlinge zeer
hangen ze mij ter kele uit! Gewis, gij kent ze, vreemdeling? Eéne
hand in het vest, de andere op den rug, dat is er ééne; beide op den
rug, dat is de tweede, beide armen gekruist op de borst, dat is de
derde--dat is al! Ja, ál, mijn geheimzinnige vriend! Ach hoe steekt mij
er de walg van! Hoe, heb ik hem daartoe Keizer der Franschen gemaakt!"
Eene wijle poosde de kerkvorst-minister, het voorhoofd steunend op
de hand, toen sprak hij, zuchtend:
"En dat is het ergste nog niet--er is erger,--veel erger,--luister,
vriend, dat ik het u zegge, wat Frankrijk--de wereld, spoedig weten
zal,--het is, eilacy! niet langer te verbergen--het is een secret de
Polichinelle! een publiek geheim--hij wordt dik!"
"Ha!" riep de Onbekende uit "de rampspoedige!"
"Certeyn, man, wèl rampspoedige! Hij put alle middelen uit, hij
verweert zich wel--hij neemt veel beweging, drinkt geen bier, geniet
luttel slaaps--hij vindt geen bate. Mariënbad,--Karlsbad zijn nog
niet in trek--wat te doen? Dik! Een Caesar!, een soldatenkeizer,
dik, corpulent, welk een schouwspel! In waarheid, zóó zoude men al
zoo goed eenen Bourbon..."
"Eenen Bourbon," viel de vreemdeling snel in. "Eilieve, waartoe dan
geenen Bourbon?"
Talleyrand zweeg; hij staarde vóór zich henen, de trouwe des
wispelturigen mans scheen wederom te wankelen, eenen Bourbon, mompelde
hij, eenen Bourbon, maar hoe Napoleon te storten, hoe hem te verjagen?
Dit was het oogenblik, dat de Onbekende beidde--de oogen gingen
bespiedend rond, doch zonder den ontzetten luisteraar onder de
tafel,--ontzet over zooveel ontrouw, zooveel ondankbaarheid, zulke
laagheid!--te vinden... dan, flonkerend had hij ze in het eind op den
nog immer peinzenden diplomaat gericht, had gesist: "Rusland!" had
de kaars uitgeblazen en was verdwenen!--verdwenen uit onzen roman,
maar waarheen, maar voor hoelang, maar om wat kwaad te brouwen?