"Mijn' vader! mij dunkt, ik zie mijn' vader!"
Shakespeare.
Het is nacht, doch het is ons licht genoeg, om de twee mannen, door
donkere stegen huns weegs gaande, te volgen; volgen wij ze, doch
achten wij beter op onze schreden dan zij, want dra zullen zij den
hoek omslaan, dra zullen zij twee anderen voetgangers tegen het lijf
loopen,--dan, het kwaad is alreede geschied--verontschuldigingen,--hoe
oprecht, zeg het ons, lezer, zoo gij kunt, lees dezen vier lieden in
het harte, zoo gij die kunst verstaat, wij zijn ze niet machtig!--zijn
gewisseld, hoeden--hoezeer beschadigd, schat het, lezer, hier in het
duister, schat het, zoo gij, beter dan wij, dit artikel te prijzen
weet, schat het op dezen onherbergzamen tochthoek!--zijn opgeraapt,
men wil elk zijnen weg vervolgen!
Doch één der nieuwstaangekomenen slaakt eenen kreet, eenen kreet, die
de haren te bergen doet rijzen, eenen kreet, die eenen sergeant, welke
passeert, doet nader treden--"dit medaillon", roept de vreemdeling
die hem slaakte, "deze dame, wie is het?"
"Mijne moeder!" antwoordde de jongeling--, en Hendrik Jan valt zijnen
vader in de armen!--Wij hebben het recht niet, bij de eerste vreugde
des wederziens tegenwoordig te zijn, wel, om het verhaal van den
markies aan te hooren.
"Ik bewoonde het kasteel mijner vaderen met mijne gade, als op eenen
dag--ach, nooit vergeet ik dien dag des onheils,--de abt Talleyrand
mij met andere heeren bezocht; hij maakte eene snedige opmerking--ik
vond geen repartie! Mijne eer was er mede gemoeid; de uren verliepen,
de gasten waren vertrokken, de nacht verging, ach, mijn esprit liet mij
volkomen in den steek! Ik kon Monsieur [1] zelf zoo spirituel, ik kon
den abt, niet meer onder de oogen komen! De volgende morgen zag uwen
vader vluchten, eenen banneling vóór de revolutie! Toen die uitbrak,
verbrandde men mijn kasteel, uwe moeder stierf, U waande ik verloren!"
Vergeten wij het niet, de markies behoorde tot het wufte ancien régime,
tot eenen tijd, waarin de fijne zet--het oorspronkelijk cynismus--het
geslaagde bon-mot--oppermachtig den scepter zwaaiden!
"Arme vader! Uw Hendrik Jan leeft! Hoe was het bon-mot van
Talleyrand? Ook ik ben Franschman vader!"
"Eilacy het is mij ontgaan! Doch ter zake! Dit is uwe nicht,
Catharina. Ik rade u, elkaar te huwen. Aha, ik bespeure alreede",
vervolgde de markies tot den sergeant, die dit tooneel met ontroering
had bijgewoond, en die geen ander was, dan onze oude vriend Meester
Jacob "dat komt in orde!" Daarop dong de markies plechtig, als vader
van den jongeling, bij zichzelf als voogd der jonge dame, om hare
hand en bewilligde die dan minzaam, en in de meest hoofsche termen.
Hendrik Jan wilde zich nu tot den Onbekende wenden, doch deze was
verdwenen.