HOOFDSTUK IV

"Wie zijt gij?"

Tollens.

Eenige etmalen mogen sinds ons vorig hoofdstuk verloopen zijn en

wij bevinden ons in een der drokste door de krijgslieden bezochte

herbergen der goede stad Calais; aan een tafeltje is een jongeling

gezeten, het hoofd op de hand; om hem klinkt allerhande rumoer, hij

laat zich niet hooren, men zingt, hij zingt niet mede, men drinkt, hij

beroert den beker niet; men vermaakt zich, hij schijnt droefgeestig;

zuchtend tast de hand in den borstzak en haalt een medaillon te

voorschijn, en beziet het lang, en ernstig en verdiept; te lang,

dan dat de heete groc in den beker nog dampen zoude; te verdiept,

dan dat een geritsel hem zoude doen opzien; te ernstig dan dat een

zacht lachen aan zijn oor zoude zijn opgemerkt;--dan, de mijmering

werd verbroken, eene hand raakte zijnen schouder, het staren werd

gestoord, eene stem bevochtigde zijn oor; hij werd eenen man gewaar,

den vinger op de lippen, in den wijden mantel der Onbekenden gehuld,

in eenen mantel welks geheimzinnigheid slechts neus--maar welk eenen

neus!--en oogen--maar welke oogen!--spaarde, en alvorens het gansch

niet onnatuurlijke, wie zijt gij, wat wilt gij, den jongeling ware

ontsnapt, is hem het dof en schor, doch vastberaden: "volg mij"

toegefluisterd, een volg mij, waaraan werd voldaan, zwijgend, doch

met de hand aan den degen, zwijgend, doch met den argwaan in het harte!

Parodieën · 第 11 / 38 题