"Wie zijt gij?"
Tollens.
Eenige etmalen mogen sinds ons vorig hoofdstuk verloopen zijn en
wij bevinden ons in een der drokste door de krijgslieden bezochte
herbergen der goede stad Calais; aan een tafeltje is een jongeling
gezeten, het hoofd op de hand; om hem klinkt allerhande rumoer, hij
laat zich niet hooren, men zingt, hij zingt niet mede, men drinkt, hij
beroert den beker niet; men vermaakt zich, hij schijnt droefgeestig;
zuchtend tast de hand in den borstzak en haalt een medaillon te
voorschijn, en beziet het lang, en ernstig en verdiept; te lang,
dan dat de heete groc in den beker nog dampen zoude; te verdiept,
dan dat een geritsel hem zoude doen opzien; te ernstig dan dat een
zacht lachen aan zijn oor zoude zijn opgemerkt;--dan, de mijmering
werd verbroken, eene hand raakte zijnen schouder, het staren werd
gestoord, eene stem bevochtigde zijn oor; hij werd eenen man gewaar,
den vinger op de lippen, in den wijden mantel der Onbekenden gehuld,
in eenen mantel welks geheimzinnigheid slechts neus--maar welk eenen
neus!--en oogen--maar welke oogen!--spaarde, en alvorens het gansch
niet onnatuurlijke, wie zijt gij, wat wilt gij, den jongeling ware
ontsnapt, is hem het dof en schor, doch vastberaden: "volg mij"
toegefluisterd, een volg mij, waaraan werd voldaan, zwijgend, doch
met de hand aan den degen, zwijgend, doch met den argwaan in het harte!