"Daar nadert Evertsen,
Verheft u, landgenooten."
Helmers.
"Gij hier, Meester Jacob?"
"Gij hier, Hendrik Jan?"
Dit gesprek vond eenige jaren later plaats.
Napoleon Bonaparte, de jongeling uit het vorige hoofdstuk, had zich de
kroon des veroveraars op de kruin geplant; de sprekers waren een jonge
luitenant en een oude sergeant in het leger van den grooten Keizer.
"Gij vondt nog geen spoor van uwe ouders?" vraagt de snorrebaard.
"Eilacy, neen!"
Een kapitein naderde het tweetal; hij scheen verre van nuchteren;
"hebt gij uw moesje nog niet gevonden?" spotte hij; "zoek maar niet
langer", grijnsde de onverlaat, "het zal een floddermamsel geweest
zijn", lachte de ellendeling,--één oogenblik en de luitenant had den
degen getrokken, één ommezien, en hij had zijnen superieur gedood!
Een krijgsraad veroordeelde den jongeling tot den kogel; welk eene
droefenis; meester Jacob, die nog nooit geweend had, deed dit nu,
de makkers hadden den vinger aan den trekker, onwillig, maar de
tucht gebood!--dan, daar weerklonk het "Vive l'Empereur!" de veldheer
naderde, de armen over de borst gekruist; en ziet, de jongeling van
straks is in hem herkend!
"Een snuifje, Sire", de talisman komt te voorschijn, "een snuifje,
Sire!"
"Leef," spreekt de keizer goedig, "leef, kapitein--de plaats is
immers vacant?"
Hebt gij aan zulke gebeurlijkheden gedacht, geestige Lafontaine--of
vóór u, zakelijke Phaedrus--of vóór u nog, scherpe Aesopus, toen gij
de fabel van den leeuw en de muis dichttet?
In ons verhaal is het kleine knaagdier een jongeling van meer dan zes
voet, de koning der wildernis, de keizer der Franschen; overigens:
de overeenkomst is treffend--ook gij moet dit inzien, lieve lezer, zoo
gij den zin der fabelen verstaat, zoo gij haar symbolische beteekenis
te erkennen weet!
De oude grognards hebben thans geen reden tot mopperen,--verheugd
scharen zij zich onder het commando van hunnen nieuwen kapitein--een
goede ruil voor den straks met militaire eer, doch zonder tranen,
ter aarde bestelden voorganger!