Drie dagen later kwam Van Affelen op het werk kijken. Met de bendy was

hij tot Dojang gekomen, na onderweg verspannen te hebben. Te Dojang

was een rijpaard gestationeerd, waarmede de opzichter te Gendeng was

gekomen. Van Affelen was in het geheel niet tevreden over het werk;

hij vloekte op het volk, schold het voor lui, wijl de arbeid niet

opschoot; gaf op ruwen toon bevelen. De mandoers hadden een mauvaise

quart d' heure. Erkend moet worden dat er voor Van Affelen reden was

tot ontstemming. Inderdaad, het volk had nog weinig gedaan en Van

Affelen meende daarin bewijs te zien voor zijn stelling, dat de Javaan

lui en traag is. Hij vergat dat het onlogisch was, werklust en ijver

te verwachten van onbetaalde arbeiders. Bij een groot deel van dezen

droeg bovendien het zaad, door Pah Asriep in hun geest gestrooid, rijpe

vrucht. Zij waren ontevreden en Siman hoorde, meer dan hij tot dusver

had opgemerkt in zijn omgeving, lucht geven aan opgekropte bitterheid

van gemoed. Avond aan avond zat men om den oude heen, luisterende

naar zijn verhalen over den hongersnood, over de knevelarijen en

afpersingen, waaraan zich, volgens zijn bewering, de landeigenaren

schuldig maakten. Waarschijnlijk zou Pah Asriep niet alles hebben

kunnen verantwoorden, maar met voordacht loog hij niet. Wat hij zeide,

droeg het kenmerk uit diepe overtuiging voort te komen. En de anderen

dachten er niet aan te twijfelen aan de waarheid van zijn woorden. Zij

lieten zich medevoeren door hun eigen gedachten en deze waren niet van

dien aard, dat de beheerders der landen gerust geweest zouden zijn,

als zij den geest, die onder hen heerschte, gekend hadden.

Van Affelen leefde niet genoeg mede met het volk om zich de veranderde

stemming te kunnen verklaren. Hij schreef den onwil, de traagheid, die

welhaast op lijdelijk verzet begon te lijken, toe aan de impopulariteit

van den arbeid en meende met gestrengheid dien ongewenschten geest

te kunnen verdrijven. Met geen ander gevolg dan dat de ontstemming

groeide. Zelfs werd hier en daar, zij het niet luide, gemord. Voordat

Van Affelen dien namiddag vertrok, liet hij Pah Asriep bij zich

komen. Hij berispte den oude over zijn gedrag: hij als oudste diende

de anderen ten voorbeeld te zijn, in plaats van hen aan te sporen tot

verzet. Hij wenschte daar niet meer van te hooren en zou tot andere

maatregelen moeten overgaan, als er weer klachten bij hem binnenkwamen.

De grijsaard had zijn oogen niet neergeslagen bij Van Affelen's met

vloeken gekruide toespraak. Hij had niets geantwoord, en den blanke

slechts vast in de oogen gezien. Die blik hinderde Van Affelen en

het irriteerde hem dat de andere werklieden de gereedschappen lieten

rusten en het gesprek aandachtig volgden, geen gehoor gevende aan de

aansporing tot voortwerken van de mandoers.

"Kun je niet antwoorden, verdomme!" snauwde hij Pah Asriep toe.

"Ik ben over de vijftig jaar, en Hariman hier is nog geen veertien; wij

behoeven geen heerendienst te verrichten," was het rustige antwoord.

Van Affelen keek vreemd op; dit antwoord had hij zeker niet verwacht

en het trof hem dat de oude zoo'n rechtstreeksche beschuldiging waagde

uit te spreken.

Een antwoord had hij niet dadelijk gereed en hij ontweek daarom de

beschuldiging met een common place: hij zou het onderzoeken. Toen

reed hij weg.

Sastrawidjaja trad op Karsiman toe.

"Ik geloof dat je beter zult doen," zeide hij, "vandaag je rietje

niet bij je te hebben. Het volk is onrustig. Geef geen aanleiding

tot verzet."

Het was een verstandige raad, dien Karsiman opvolgde. Hij had steeds

een fijn rottinkje bij zich, niet om er mede te slaan, maar meer als

een distinctief van het mandoerschap.

Den avond van dien dag zat men weer laat bijéén. Van den weinigen

arbeid was men niet moede en in de onrustige stemming zocht men

afleiding in gesprek.

Boedin was het, die over de vrijwillige overeenkomsten begon te

spreken. Hij verklaarde die voor den volgenden oogst niet te zullen

teekenen en hij vond steun bij verscheidene anderen.

"Ik zal het ook niet doen," zeide Pah Asriep, "maar veel zal het ons

niet geven, want op andere wijze zal men ons wel weten te knijpen."

"Maar toch, met het oog op een te verwachten slechten oogst, moeten

wij padi leveren," meende Pah Ran, "want dan kan ons niet alleen de

goede rijst worden ontnomen. Dan moeten de eigenaren ook de mindere

soorten ontvangen."

"Dat is zoo; keuring in het pakhuis wordt dan niet doenlijk."

"Maar dan moeten wij ook geen taxatie aannemen."

"Natuurlijk niet. Van elke vijf bossen één voor den landheer."

"Er is nog een voordeel bij padi-levering," merkte Lontor op,

"de indroging. Vroeger moesten wij dat nadeel dragen."

"Dacht je dat de landheer dat niet kan voorkomen?" wierp Pah Asriep

tegen. "En wat dan, wanneer hij de padi liet wegen, dadelijk na den

snit, en bepaalde dat ze binnen twaalf uur in het pakhuis moest zijn

bezorgd? Dat zou voor tal van desa's onmogelijk zijn en dan, in het

pakhuis kan men immers met verzwaard gewicht wegen ..."

"Dat is zoo. Ons grootste voordeel bij padi-levering is, dat wij de

rijstkeuring ontwijken."

"Ja, en het stamploon niet behoeven te betalen."

"En het gewicht van de stelen bij den snit zal dan niet in ons nadeel

bij het padi-gewicht komen."

"Ook behoeven wij dan geen veertig katties rijst te verstampen uit

één picol natte padi."

"En als de korrel zwak is, of de rijst geel, zoodat wij geen witte

tjoeké-rijst kunnen leveren van het vijfde gedeelte gebroken korrel,

zullen wij geen goede rijst behoeven te koopen uit den verkoop van

onze mindere soorten."

"De tjoeké-rijst kost drie rijksdaalders en meer."

"En de gewone rijst maar vier gulden en een kwartje de picol."

"Maar als er misoogst komt, en wij toch niets missen kunnen, zouden

wij toch de tjoeké moeten opbrengen."

"En nu dan?"

"Nu zegt de overeenkomst, dat wij bij misoogst geen tjoeké behoeven

op te brengen."

"Alsof dat waar is! Ik heb van het jaar nog tjoeké moeten betalen

van een sawah, die nauw veertien picols opbracht."

"En wij hebben tjoeké moeten opbrengen, berekend tegen dertig

picols, terwijl het beschot op nog geen twee en twintig uitviel. En

vermindering hebben wij niet gehad."

"Ja, het zijn leugens in het contract."

"Ik teeken niet meer."

"Ik ook niet."

"Wij evenmin."

"En ik zal voortaan padi leveren."

"Ja, zonder taxatie."

"Ja, wij ook."

"Wij ook."

Er kwam eenige opwinding. De lieden spraken luide en de mandoers

knoopten in hun oor wat zij hoorden. Het was noodig den opzichter

te waarschuwen.

"Wij moeten zooveel mogelijk de menschen overhalen om geen rijst meer

te leveren," stelde er een voor.

Dit denkbeeld vond steun. Hoe algemeener de beweging, hoe meer kans

van slagen, oordeelde men.

Na een week gingen de heerendienstplichtigen huiswaarts; zij werden

door andere ploegen werkvolk vervangen.

Twee dagen later waren Siman en Pah Ran weer te Gatok. Dadelijk

daarna begonnen zij met het uitplanten der djagong. Het weder was

ongunstig. Het was droog en smoorheet. De katjang stond zoo dor en

schraaltjes dat geen hoop gekoesterd kon worden op eenig beschot. Toch

ging men voort met irrigeeren. Boven de rantja had men een bamboezen

stellage getimmerd om het water gemakkelijker te kunnen putten. Van de

stellage liep een primitieve leiding van doormidden gespleten bamboe

petoeng [165], waaruit de tusschenschotten bij de geledingen waren

verwijderd, naar den katjang-aanplant. Tweemaal daags werd deze aldus

begoten. Ondoenlijk was het de uitgestrektere djagoeng-beddingen op

dezelfde wijze van water te voorzien. Men moest zich verlaten op den

hemel. Maar regen bleef uit, dagen en weken. De maïs had met laatste

levenskracht wortel geschoten en werkte zich omhoog. Zij haastte zich

ontijdig met vruchtzetting en in den bodem had zij strijd te voeren

met de vernielende hama oeret, de engerling.

Het bleef droog.

De Tjikoentoel droogde geheel uit. Ook de katjang kon thans geen water

meer krijgen. De rupsen kwamen in den aanplant en dagelijks moesten

de ranken door de meisjes van deze plaag worden gezuiverd. Bij de

buren was het weinig anders. In de kedelé [166]-aanplant van Pah

Djenie hadden de rupsen groote verwoesting aangericht; aaltjes waren

gekomen in de ketella rambat [167] van Pah Roesmi. Men begon hier en

daar met het verbouwen van gadoe [168], als had men een voorgevoel

van komende zware tijden.

Het bleef droog. De setoes droogden in tot zwart-waterige poelen,

waaruit de gassen in bellen ontweken. Zelfs de kikkers hadden zich

uit deze schadelijke omgeving verwijderd. Alleen de mensch ging voort

met het inademen der miasmen ...

Het bleef droog. En de koortsen kwamen. In lichten graad eerst,

sporadisch. Toen meer, in verschillende desa's. De eerste slachtoffers

werden ten grave gedragen. Op de opzichters-standplaatsen werd

kinine verstrekt. Maar in de meeste desa's dacht men niet aan het

inroepen van hulp. En de ziekte werd kwaadaardig en sloeg over naar

den buik, als typheuse koorts. De sterfte werd grooter, voornamelijk

onder de kinderen. De kindersterfte is altijd groot, elk jaar, op de

particuliere landen Alas Bamboe en Telatiga. Maar dit jaar begon zij

de aandacht der beheerders te trekken. Die van Telatiga vestigde op

zijn beurt de aandacht van de hoofdadministratie te Batavia, de firma

Biederman en Van Lochem, op de kwestie: "Er is een verminderde toename

van de bevolking te constateeren," schreef hij voorzichtig, bedoelende:

afname. "Het percentage kinderen is buitengewoon gering. Van de ruim

154.000 opgezetenen der beide landen te zamen, zijn ruim 74000 of 48 %

van de mannelijke kunne. Er is doorloopend ruime kindersterfte. Van

daar het hooge percentage mannen."

En kort daarop schreef hij: "De afname der bevolking moet toegeschreven

worden aan sterfte, die vooral groot is onder de kinderen." Hij deed

het voorstel om "zoodra mogelijk voor elk district twee dokters djawa

[169] in dienst te nemen en elk district te voorzien van een apotheek."

De hoofdadministratie te Batavia ging dadelijk op het voorstel in:

na twee maanden ongeveer werd er voor korten tijd, tijdelijk, één

dokter djawa op Telatiga gedetacheerd.

Van Alas Bamboe kwamen geen voorstellen tot verstrekking van

geneeskundige hulp, al zou die dan, als op Telatiga, bestaan in

één tijdelijken dokter-djawa voor tachtig duizend opgezetenen. De

administrateur van Alas Bamboe stelde niets voor, de hoofdadministratie

van dit land te Batavia, de Nederlandsch-Indische Commercieele Bank

vroeg naar niets, zoolang er tjoekérijst werd opgebracht.

Ook de desa Gatok was niet gespaard. De dood had bij menigeen

aangeklopt en op het kleine kerkhofje waren er vele houten paaltjes

bijgekomen; meest op korten afstand van elkaar: het waren meest

kinderen, die als offers vielen.

Ook Djamin was door de koorts bezocht. Maar Mah Itam had hem in

het leven weten te houden, met bezweringen en zonder kinine. De

tweelingen waren bezweken. Zij waren altijd stumpertjes geweest,

deze nakomertjes. Nu lagen zij beiden naast vader. Mah Ten had ze een

voor een zelf naar het kerkhof gedragen. De vrouw was oud geworden

van verdriet en nachtwaken. Zij begon gebogen te gaan, alsof ze reeds

een nènèh [170] was.

Toch was het eigenlijk een uitkomst, dat ze heengegaan waren, de

kleintjes. Er waren nu weer twee monden minder te voeden ....

De droogte hield nog steeds aan; nu reeds maanden lang. Bijna allerwege

was de palawidja mislukt.

Ook de katjang van Siman en Pah Ran was geheel ten gronde gegaan. Men

had den geheelen aanplant aan de rupsen prijsgegeven. De djagong was

nauwelijks het oogsten waard. De arbeid zou niet loonend zijn. Toch

moest het gebeuren, want de velden moesten gereed gemaakt worden voor

de padi.

"Waarvoor zouden wij eigenlijk nog padi planten," had Siman in een

mismoedige bui tegen Pah Ran uitgeroepen. "Het gaat natuurlijk weer

denzelfden weg uit als dit jaar; Pah Asriep had gelijk: de palawidja

is mislukt. En nu is Djiah alweer zwanger. Zouden wij niet liever

werk zoeken, hier of daar, als toekang [171] of als boedjang?" [172]

"Wij moeten de sawahs bebouwen," antwoordde Pah Ran, "wij móeten. De

landheer heeft te veel kwassa. Hij zou ons zeker het land afzetten."

Pah Ran had volkomen gelijk. Al kon hij niet weten dat de wet den

landeigenaar in bescherming neemt tegen "kwaadwillige" erfpachters,

hij vermoedde het.

En inderdaad, artikel 5 van het reglement op de particuliere landerijen

bedreigt den erfpachter, die zijn velden braak laat liggen, met verkoop

van zijn erfpachtsrecht. En is dit geschied, dan geeft artikel 22 van

dat reglement den eigenaar de macht den van zijn rechten beroofden

pachter het land af te zetten.

En waar zouden zij heen moeten, als dat gebeurde, nu hun kleine

vermogen uit den verkoop van den buffel was ingeteerd door ziekten

en begrafenis? ...

Het was in dezen tijd ongeveer dat uit Telatiga berichten kwamen over

een weigering van heerendienstplichtigen om onbetaalden arbeid te

verrichten of de diensten af te koopen. Te Gatok kreeg men niet dan een

onjuist beeld van de verwikkelingen, die met levendige belangstelling

worden gevolgd. Overdreven verhalen van een botsing tusschen volk en

opzichters hadden een ongewone spanning veroorzaakt. Men gevoelde dat

de strijd, die ginds gevoerd werd, beslissend was voor allen. Aller

belang werd daarginds op Telatiga behartigd door de weigeraars. En

zooveel solidariteitsgevoel was er bij de lieden nog wel, dat men op

middelen peinsde om die voorvechters ginds te steunen. Maar hoe?

De eerste regenbuien waren gevallen.

Met nieuwe hoop had men de velden omgeploegd, en wie geen buffels

bezat, had met de patjol den grond omgespit. Thans moest een weekje

nog gewacht worden, om den bodem tot uitzuren gelegenheid te geven:

dan zouden de vrouwen kunnen beginnen met planten.

Siman was reeds naar Bodjong Kawoeng geweest om de bestelde zaadpadi

af te halen. Die lag thans in huis, wachtende op het oogenblik dat

zij getuigenis zou moeten afleggen van haar kiemkracht.

Er kwam weer nieuwe moed in de harten van velen. Och, een inlander is

zoo zorgeloos, en het leed is gauw vergeten bij blijder toekomst. Ipah

was ten huwelijk gevraagd, ja waarlijk, het leelijke, pokdalige

meisje had nog vóór de mooie Mariam een vrijer gevonden, die het

ernstig meende. Hij was een eenvoudige landman, niet jong meer, en

weduwnaar. Maar hij had toch goed begrepen dat Ipah, het ijverige

huismoedertje, een betere vrouw zou zijn dan haar mooie zuster. Pah

Ijang, zoo heette hij, had een kleine sawah en wat vee. Schitterend

was de partij voor Ipah niet, maar zij had geen pretenties en had hem

dankbaar aangenomen, beseffende dat het toch de roeping der vrouw is,

gehuwd en moeder te zijn. Na den oogst zouden zij trouwen; van den

adat wilde zij niet afwijken.

Op zekeren avond werd Siman door een zeer onverwachten bezoeker

verrast: Pah Asriep stond voor hem.

"He, Pah, dat doet mij pleizier," zeide Siman, die den oude vaak

in vriendelijkheid had herdacht, na de week van gemeenschappelijken

arbeid te Gending.

"Ja, het doet ook mij pleizier dat ik je weer zie, Siman, en toch is

het geen aangename taak, die me hier in Gatok brengt, en nog verder."

"Hoe zoo?" vroeg de ander belangstellend.

"Ik ga door naar Telatiga, en hierlangs komende, wilde ik je komen

begroeten. Men heeft mij dadelijk je woning gewezen. Maar ik dacht,

dat je getrouwd waart?"

"Dat is ook zoo, Pah, maar mijn vrouw werkt te Herea in het pakhuis,"

antwoordde Siman en een sombere trek kwam even over zijn gezicht. "Er

is geen geld genoeg en nu is zij aan het werk. Eens in de week komt

ze thuis met de verdienste. Ze krijgt nu tien centen daags."

"Zoo. En hoe staat het hier bij jullie in Gatok?"

"Niet goed, Pah, niet goed. De palawidja--je hebt het wel voorspeld--is

geheel mislukt door de droogte. Over een paar dagen moet de padi in

den grond. En gij, Pah, waarvoor ga je eigenlijk naar Telatiga?"

"Ik wilde den kandjeng assistent-resident spreken, mijn jongen;

ik wil klagen, al geloof ik zelf niet dat het wat helpen zal."

"Klagen, waarover? Over de heerendiensten?"

"Niet zoozeer daarover. Ik voorzie moeilijkheden met de levering

van de tjoeké in padi, begrijp je. Ik heb een groote sawah, Siman,

bijna drie bahoes. Grootvader had nog een veel grooter stuk, maar wij

hebben in de hongerjaren telkens wat moeten verkoopen. En de landheer

kan vooral de rijkeren veel kwaad doen. Toch wil ik geen rijst meer

leveren. En dan wilde ik ook klagen over de heerendiensten."

"Je hebt natuurlijk ook gehoord van de lieden van Telatiga, die

geweigerd hebben?"

"Ja, zeker, en nu geloof ik dat het een geschikte tijd is om te

klagen. Er zijn nog twee anderen uit Kalapa Aloes, die met mij

meegaan. Zij zijn nu bij een kennis hier te Gatok."

"Ik zou wel lust hebben om mee te gaan." Siman gevoelde waarlijk

de lust bij zich opkomen den assistent-resident zijn grieven voor

te leggen.

Hij was naïef genoeg te gelooven dat de bestuursambtenaar slechts

zijn grieven had te kennen om ze weg te nemen. Aan zijn goeden wil

twijfelde Siman niet; hij was onbekend met de werkelijke toestanden.

"Doe dat," spoorde Pah Asriep hem aan, "je kunt hier nu toch gemist

worden. En hoe meer menschen klagen, hoe beter voor allen."

Pah Asriep bleef dien nacht in Simans woning over. Den volgenden

dag toog Siman met hem en de twee desagenooten mede naar Telatiga;

Pah Ran zou het werk tehuis wel alleen afkunnen. Voor eenige maanden

was men nu toch van den heerendienst af.

Het was een lange reis, naar de hoofdplaats. Drie dagen was men

onderweg. Siman kwam in een geheel vreemde omgeving. Telatiga is

wel een binnenplaatsje, maar toch bood de kota in dezen tijd van het

jaar nog een levendigen aanblik. Groote prauwen, beladen met zakken

fijne export-rijst, lagen op de rivier, wachtende op het oogenblik van

vertrek naar zee, ruim twaalf paal de rivier af, waar de stoomschepen

bleven liggen. Siman kon zich niet voorstellen, hoe groot die schepen

toch wel waren, dat zij de groote Tji Boeroeng, die toch zoo diep en

zoo breed was, niet konden opvaren. En zoo was er veel vreemds om hem

heen. Hij zag Chineezen en Europeanen toezicht houden op den afscheep

der rijst. En telkens als een der prauwen volgeladen was, maakte zij

plaats voor een andere. Het was allemaal rijst die verscheept werd,

witte, grofkorrelige tjoeké-rijst, de eene zak na den ander. Wat werd

er toch een massa opgebracht door de bevolking, overdacht Siman. Waar

bleef die rijst allemaal? Ging alles naar Batavia? Waar lag Batavia

eigenlijk? En was Batavia ook zoo groot als Telatiga?

Dergelijke vragen deed hij aan een der politie-oppassers, die bij

de inlading toezicht hield en dien hij met zekeren schroom voor de

mooie uniform genaderd was. De oppasser lachte hem uit over zijn

domheid. Batavia was wel duizendmaal zoo groot als Telatiga, zeide

hij, en er waren heel veel soldaten, en ook was er veel politie; aldus

trachtende een beeld op te hangen van Nederlands koloniale grootheid.

Siman en zijn metgezellen hadden den tijd. Zij wachtten op den

assistent-resident, die nu bezig was met het onderzoek van een perkara,

[173] vertelde een andere politieoppasser, die voor het kantoor op een

bank zat. Welke perkara? vroeg Siman nieuwsgierig. De ander, gevleid

door den titel "kang", waarmede de desaman hem aansprak, wilde van

zijn wijsheid blijkgeven. Het waren de Arabieren van Sapekan, die

geen heerendienst wilden doen.

"Sapekan? waar ligt dat?" vroeg Siman.

"Aan de overzij van de rivier; op het land Telatiga."

Dat was een verrassing voor Siman en de anderen. Wat, het waren dus

geen inlanders, die den heerendienst weigerden, maar Arabieren? Dat

was een tegenvaller.

"Hebben alleen Arabieren geweigerd?" vroeg Siman.

"Neen, ook een hoop Chineezen, en ook inlanders, maar de Arabieren

zijn met de beweging begonnen. Ze hebben een request gestuurd aan den

toean besar te Bogor," vervolgde de oppasser gewichtig; maar hiervan

begrepen zijn toehoorders niet veel.

Op dit oogenblik ging de deur van het kantoor open en traden een

twintigtal druk pratende en gesticuleerende zonen Hadramants naar

buiten. Zij waren in opgewonden stemming en uit de gesprekken was

wel op te maken, dat zij zich in het geheel niet voldaan gevoelden

over het optreden van den assistent-resident.

De deur sloot zich weer achter de Arabieren.

Pah Asriep en de zijner wachtten weder.

Uit de kamer klonk het zwak geluid van een drukschel.

De politieoppasser stond op met een geeuw van het bankje en haastte

zich naar binnen.

Een oogenblik later verscheen hij weer en kwam op de wachtende

inlanders af.

"Vanwaar komen jullie?" vroeg hij.

"Van Alas Bamboe."

"Wat voor een perkara hebben jullie?"

"Het is geen perkara, kang; wij willen den kandjeng toean

assistent-resident spreken."

"Waarover?"

De anderen zwegen. Het zou onvoorzichtig zijn te veel te zeggen. Wat

had de vrager te maken met de reden hunner komst?

De oppasser begreep. Hij ging naar binnen, maar verscheen weer spoedig.

"Kandjeng toean assistent-resident laat zeggen dat hij vandaag geen

tijd heeft. Komt morgen terug."

Nieuwe teleurstelling.

"Maar, kang, zeg den kandjeng toean dat wij drie dagen ver gekomen

zijn om hem te spreken. Elke dag oponthoud kost ons weer geld,

en onze zaak is perloe [174]; de kandjeng toean kan veel soesah

voorkomen wanneer hij ons hoort."

"Het zal niet gaan, beste menschen. Nu is er politierol."

"Maar daarna dan?" drong Siman.

"Daarna, daarna? Die rol duurt zeker wel een uur vandaag, er zijn

veel zaken. Nu, dan is het al over éénen."

"Wij kunnen wel zoolang wachten."

"Ja, maar na de rol gaat de kandjeng toean naar huis om te eten;

en daarna komt hij niet meer op kantoor ..."

Het schelletje klonk weer en de oppasser ijlde heen.

De vier inlanders gingen moedeloos heen. Buiten gekomen, zagen zij

een oploop van volk; mannen, vrouwen en kinderen, vele Chineezen,

enkele Arabieren stonden voor een gesloten deur te wachten, waarboven

op een plankje te lezen stond: POLITIE.

"Kijk eens, Pah," riep Siman uit, "die Chinees daar is gebonden; er

staat een oppas bij. Wat zou hij gedaan hebben?--En daar is er nog

één, en nog één. En ook een orang Selam [175]. Ik tel er nu al acht,

waarvan zes Chineezen."

"Wat zou er gebeurd zijn?"

"Een diefstal, denk ik," merkte de oude op, "of een rampok [176]. De

menschen zijn erg opgewonden. Ik zal eens vragen."

Op dit oogenblik ging de deur open en de gevangenen werden door de

politieoppassers naar binnen geduwd. Hen volgden een twintigtal andere

lieden uit de menigte, de overigen bleven buiten.

"Wat gebeurt daar?" vroeg Pah Asriep aan een man van zekeren leeftijd,

terwijl hij met zijn duim naar de deur wees.

"Dat is de politierol."

"Is er gekampakt [177] of gestolen, of een moord misschien...?"

"Welneen, hoe denk je dat zoo?"

"Ik zag acht menschen, gebonden en bewaakt door de politie."

"O, als er iemand vermoord was, zouden de moordenaars niet gebonden

worden." De schampere toon van den spreker moest wel opvallen.

"Ik begrijp niet goed," begon Pah Asriep weer. "Ik ben hier vreemd,

weet je ..."

"Het zijn menschen van Waroe Lima, die den garok geweigerd hebben,

den heerendienst."

Het troepje verschrok.

"En worden die menschen zoo behandeld?"

"Ja, je ziet het."

"Maar Waroe Lima is immers een district van het land Telatiga ...?"

"Zeker, hoezoo?"

"De landheer heeft toch geen kwassa om de menschen zoo te behandelen?"

"Maar, beste man, men kan wel zien dat je hier vreemd bent. Het is

een prentah kasar [178] van den assistent-resident."

Pah Asriep meende een oogenblik dat de ander een loopje met hem nam;

maar dit was het geval niet, wat uit de gesprekken bleek, die de

vier opvingen.

Nabij de deur stond een netgekleede Chinees. Hij maakte den indruk van

een welvarend burgerman. Vrij gezet en glad geschoren, de haarvlecht

net onderhouden, was hij het type van den well-to-do Chineeschen

tokohouder in Indië. Hij had schoenen aan, en een grijs pakje over

de wijde kabaja. Het was Tan Boen Ho, de bekende rijsthandelaar van

Telatiga, die de bevolking voorschot op den oogst geeft en haar helpt,

al is zijn handel berekend op grove winst.

Een andere Chinees sprak hem aan.

"Heb je ook al te maken met deze roesoe, [179] Boen Ho?"

"Ach ja, mijn broer Ing Kiok, je kent hem wel, van Waroe Lima, is een

van de opgebrachten. Hij heeft altijd van zulke zaakjes. Hij is veel

te onrustig, veel te onrustig. Hij wordt nooit een goed handelaar. Ik

heb hem geplaatst te Waroe Lima om rijst op te koopen. En wat doet

hij? Hij weigert de bevelen op te volgen van den landheer. Hij doet mee

met zijn kornuiten; hij is weerspannig en toen is hij opgeroepen voor

de rol. Maar natuurlijk niet gekomen. Nu hebben ze hem gehaald. Het

geeft allemaal maar soesah. De tijden zijn toch al slecht. Ik heb

veel voorschot gegeven en de oogst wordt slecht. Pas op, wat ik je

zeg: de oogst wordt slecht. Als ze niet heelemaal mislukt. Ing Kiok

is nog te jong. Ik had hem nog wat thuis moeten houden."

"Ja, het is kwaad spelen met vuur," merkte de ander wijsgeerig op.

"Natuurlijk, natuurlijk, welnu blijf dan met je vingers van het vuur

af. Wat drommel, Ing Kiok had er niets mee noodig."

Hij zuchtte.

"Nou ja, Boen Ho, maar je moet toch ook bedenken dat het hard is

voor ons Chineezen om heerendiensten te doen. Het reglement zegt

heel beslist, dat wij niet heerendienstplichtig zijn. Het is toch

een leelijk ding om te moeten werken zonder loon."

"Jawel, jawel, maar men kan water in den wijn doen. Geld maakt

veel goed. En de landheer wil niets liever dan geld in afkoop van

de diensten."

"Dat staat dan toch nog te bezien."

"Welneen, dat is het niet. De landheer heeft zelf de lieden aangeboden,

de diensten af te koopen. Eerst vroeg hij zes en twintig gulden per

hoofd en per jaar, wat nog zoo onbillijk niet was: een halven gulden

per dag. De lui wilden er niet aan. Niet omdat de som te bezwarend

was, neen, enkel en alleen om oppositie te voeren. Dat is juist het

verkeerde. Men moet weten te geven en te nemen. Deze landheer is nog

zoo kwaad niet voor ons, handelaren. Nu wordt hij noodeloos verbitterd,

en het eenige gevolg is dat de handel er onder zal lijden. En het

is zuiver oppositie, anders niet. De landheer heeft van zijn goede

gezindheid voldoende blijk gegeven, dunkt mij, want later vroeg hij

maar twintig gulden, toen achttien, en nu kunnen de menschen van den

garok af voor vijftien gulden voor een heel jaar ..."

"Dat is erg vreemd."

"Vreemd, waarom vreemd? Dacht je dat een landheer ook niet liever

vrede en rust heeft op het land, dan altijd soesah en relletjes?"

"Zeker, maar als ik in mijn recht ben, dan onderhandel ik daar niet

over, zou ik zeggen."

"Nou ja, recht. Dat is zoo'n groot woord. In elk geval bewijst de

landheer dat hij nog zoo kwaad niet is. En dan, er moet nog blijken

dat de lieden in hun recht zijn. Als ze nu maar deden wat hij wilde,

waren ze van alle soesah af."

"En waar was het einde!"

"Och kom, het is nu al jaren zoo gegaan, en het ging goed."

"Boen Ho, Boen Ho, nu ben je toch niet billijk. Jij weet net zoo

goed als een ander dat het niet goed ging. Ze zeggen altijd dat wij,

Chineezen, het volk zoo uitzuigen, maar ik geloof toch niet dat jij

en ik evenveel rijst van de bevolking zouden kunnen binnenhalen,

als die daar ginds," en de spreker wees over de rivier.

"Wees jij maar voorzichtig. Wie veel praat, moet veel verantwoorden. En

een goed handelaar zorgt alleen dat de handel voor den wind gaat."

Er voegden zich anderen bij de beide Chineezen en het gesprek nam

nu een wending. Men liet de critiek varen en bepaalde zich tot de

feiten. Pah Asriep, Siman en de andere desalieden luisterden zwijgend

toe. Wat zij hoorden, wekte zeer hun belangstelling. Zij vernamen

zulke buitengewone dingen dat hun eenvoudige hersens alles nauw

konden bevatten.

"Hoe is de heele beweging toch begonnen?" vroeg een jonge Chineesche

handelaar. "Ik ben eergisteren eerst van Tegal teruggekomen. Ik weet

dus zoowat niets."

Tan Boen Ho nam het woord:

"Ik weet er heel wat van, door Ing Kiok natuurlijk. Die praat

tegenwoordig over niets anders. Ze zullen zijn mond wel sluiten in

de boei, vandaag of morgen. De Arabieren zijn begonnen. Je weet dat

mr. Hazelaar, de vorige president van den landraad, een Maleische

vertaling heeft gemaakt van het reglement op de particuliere

landerijen; daar heeft een procureur bamboe [180] mee gewerkt onder

de lui. Ze waren toch al ontevreden, die Arabieren, en de procureur

dacht dat hij er wel eenige zaakjes mee kon los krijgen. Hij was

natuurlijk vol ijver, om de lui er op te wijzen dat ze onrechtmatig

gedwongen werden om heerendienst te doen ..."

"En is dat niet zoo?"

"Weet ik het? Ik heb het reglement niet bestudeerd. Eerst hebben ze

toen een telegram gezonden naar Batavia, dat wil zeggen, ze waren

eerst op de politierol gestraft. Ze vroegen dan om hulp aan iemand,

die misschien wel eenigen invloed had, omdat hun protest--zooals zij

zeiden--geannuleerd was. Toen begonnen de Chineezen ook ..."

"Nadat de anderen gestraft waren?"

"Ja, het scheelde de lui in hun bol, blijkbaar. De weigerachtigen,

ook de Chineezen dus, werden gestraft met drie gulden boete of een

dag gevangenis. De zaak was heel en al trang [181]; ze moesten dienst

doen, vond de assistent-resident; ze weigerden, dus: boete."

"En ze hebben niet betaald?"

"Neen, zij ..."

"Natuurlijk niet," viel een ander in, "dan konden zij wel elken keer

betalen. Eens begonnen, moest natuurlijk doorgezet worden."

"Jullie moet me niet telkens in de rede vallen. Dan raak ik den draad

kwijt. Waar was ik nu ook weer?"

"Ze wilden niet betalen ..."

"Ah juist. Nou, toen gingen ze natuurlijk de boei in. Twintig

Arabieren, twee en twintig Chineezen van Lobening en zestig, geloof ik,

van Waroe Lima. Maar, als je nu denkt, dat de les onthouden was, mis

hoor! De volgende week werden ze weer opgeroepen voor de garok. [182]

De lui verdraaiden het, allemaal ..."

"Och kom?"

"Ja. De assistent-resident was woedend. Dat kun je zoo denken. Hij

zou ze tienmaal laten opkomen, al werd er tienmaal vol gehouden, zei

hij. Jullie begrijpt dat het bedrijf op die wijze heelemaal verlamd

zal worden. De rol wordt tweemaal 's weeks gehouden."

"Voor de lui van Waroe Lima beteekent dat ruïne."

"Dat zal waar wezen; vijf en twintig tot dertig paal het binnenland

in, tweemaal in de week, dat is aan reizen en verblijf al zes dagen."

"En is dat gebeurd?"

"Ja, dat is gebeurd."

"Astaga! [183] Dat is een heele roegi [184], hoor."

"Maar mag de assistent-resident dat nu wel doen?"

"Doe er wat tegen, als je kunt."

"Nou en wat deden de lui toen?"

"Ze telegrafeerden aan den toean besar te Bogor ..."

"Brani zijn ze."

"Waarom brani? Ik zou het ook doen."

"Het schijnt dan toch wel, dat ze gelijk hebben."

"Zijn jullie nu klaar, zeg? Wat telegrafeerden ze, Boen Ho?"

"Dat ze reeds in de gevangenis waren geworpen. Nou moet je weten dat

eenige dagen te voren de assistent-resident last had gegeven dat de

lui, die reeds meermalen waren gestraft en nog weigerden, meerdere

straf moesten krijgen ..."

"Gelast zeg je? Aan wien was dat gelast?"

"Aan den demang."

"Maar dat kan toch niet," zeide de vrager, die een vriend was van

den adjunct-djaksa [185]. "De demang kan geen straf opleggen."

"Het wordt toch gezegd. Maar hoe het zij, dit weet ik dan wel heel

zeker, dat de demang de weigeraars gebonden liet opbrengen, zooals

jullie daareven hebt gezien."

"Astaga! hoe is het mogelijk!"

"En het was een prentah kasar van den kandjeng--ten minste dat zegt

men," haastte zich de spreker er aan toe te voegen.

"En het mooiste is--ja dat moet jullie hooren--dat er later gebleken

is, dat de raadsman te Batavia het eerste telegram niet ontvangen

heeft ..."

"Hè?"

"En het antwoord was betaald!"

"Waarom is het dan niet bezorgd?"

"Wie zal dat zeggen? Het is mogelijk dat het verloren is geraakt. Maar

het lijkt toch vreemd, dat juist dàt telegram weggeraakt is."

"Dan moeten ze protesteeren."

"En dan?"

"Dan krijg je ten minste je geld terug."

"Nou ja, maar de bedoeling was toch dat het telegram werd weggezonden

..."

"Sstt, sstt!"

De deur der politiekamer ging open. Het dertigtal opgeroepenen kwam

naar buiten, niet meer gebonden. Ze waren erg opgewonden, praatten

druk. De buitenstaanders omringden hen en overstelpten hen met vragen.

De gestraften riepen dat ze niet betalen wilden; dat men hen maar

weer moest opsluiten; dat de assistent-resident geen recht had hen

te straffen, want dat de zaak voor den landraad behoorde.

Twee politieoppassers dreven de menschen uiteen en na een kwartiertje

was het rustig voor het kantoor.

Pah Asriep en zijn metgezellen gingen langzaam heen, om wat te eten

aan een warong. Zij waren moe van de vele indrukken, die zij opgedaan

hadden.

Den volgenden morgen reeds vroeg waren zij weder voor het

assistent-residentiekantoor. Het was nog geen half negen, en de

assistent-resident kwam gewoonlijk niet voor tienen op bureau, maar

dat wisten zij natuurlijk niet en zij hadden verzuimd te informeeren,

op welk uur zij den volgenden morgen aanwezig moesten zijn. Ruim twee

uren hadden zij gewacht, toen de assistent-resident verscheen, gevolgd

door twee politieoppassers. Het was een weinig opmerkelijk persoon;

hij had een van die gezichten, welke men dagelijks ontmoet en dadelijk

weer vergeet. Er sprak niets uit dat gelaat, zelfs geen barschheid of

berekening; het droeg den stempel van volmaakte onbeduidendheid. Maar

hij had de bestuurspet op met breed-zilveren rand en voor dit blinkend

distinctief heeft de inlander ontzag. Zij betuigden de pet meer hulde

dan de Zwitsers den hoed van Gesler: zij hurkten dadelijk neer, toen

zij haar zagen aankomen. De assistent-resident scheen de lieden niet

op te merken. Hij stapte zijn kantoor binnen, waarvan de deur zich

achter hem sloot.

De vier buiten wachtten, een half uur, een uur. Toen vatte Pah Asriep

moed. Hij vreesde dat zij ook dezen dag niet gehoord zouden worden,

als zij nog langer zouden wachten. Het liep tegen twaalven. Hij

naderde daarom den oppasser, die op zijn bankje zat te dutten.

Of hij hen niet kon aandienen?

De oppasser had er weinig lust in. Het was een andere, dan die er

gisteren zat. Misschien ook wilde hij voor zichzelf gezag kweeken

uit de marteling van dat wachten.

Maar Pah Asriep was diplomatiek.

"O, het mag zeker niet," merkte hij op. "Nou, als je niet durft,

laat dan maar."

De oppasser was nu wel verplicht te toonen, dat hij wèl durfde. Hij

stond op en ging binnen. Na een oogenblik verscheen hij weer.

"Volgt mij maar," zeide hij.

Beschroomd traden de vier binnen en hurkten voor de schrijftafel

neer. De kandjeng lag achterover in zijn stoel, spelende met zijn

zwaar gouden horlogeketting. Er lag nu een trekje van goedigheid over

zijn gelaat.

"Zijn dit de lieden van Alas Bamboe?" vroeg hij den oppasser.

Buigende en de handen tegen elkander naar het gelaat opheffende,

antwoordde deze:

"Noon inggeh, kandjeng [186]."

"Goed, ga dan maar naar buiten."

Toen de deur zich gesloten had, vroeg de assistent-resident welwillend:

"Wat komen jullie hier doen?"

Het antwoord bleef uit. Vòòr dit oogenblik hadden Asriep en zijn

gezellen een klinkende rede opgesteld in den geest, een rede,

waarin zij alle grieven en klachten hadden samengevat, maar het

was toch nog iets anders om nu, in tegenwoordigheid van den hoogen

bestuursambtenaar, vaardig te zijn met het woord.

"Komen jullie om een perkara?"

"Neen, kandjeng," zeide Asriep.

"Om te klagen, dan?"

"Ja, kandjeng."

"Waarover?"

Weer zwegen de inlanders.

"Ik geloof dat ik het begrijp. Jullie behoeft niet bevreesd te zijn;

ik krijg dikwijls klachten te hooren. Maar haast je een beetje,

want ik heb het druk."

"Wij kwamen om te klagen, kandjeng, maar ook omdat wij u wilden

waarschuwen voor komende moeilijkheden."

De kandjeng werd onrustig. Moeilijkheden had hij altijd zeer

onaangenaam gevonden. Hij hield heelemaal niet van moeilijkheden. Als

de zaken maar marcheerden, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en er

kwamen geen lastige inspecties en geen perkara's, dan voelde hij zich

erg seneng te Telatiga.

Moeilijkheden! De gedachte alleen stemde hem al onprettig.

"Wat is er dan weer?" vroeg hij, ietwat korzelig.

"Wij willen de vrijwillige overeenkomsten niet meer teekenen,

kandjeng".

"Wat is dat nu weer? Waarom niet? Die contracten zijn heel goed. Ik

registreer ze, en je kunt je er dus altijd op beroepen. Jullie zijn

erg dom, je kunt het niet beter wenschen. Als je niet teekent, moet

je tuinhuur betalen, en je moogt niet vrij visschen en hout halen en

dan krijg je taxatie, en als die dan te hoog is ...?"

"Wij willen geen rijst meer leveren, kandjeng."

"Geen rijst meer leveren? En wat dan? Padi?"

"Ja, kandjeng."

"Maar, menschen, je bent niet goed wijs! Dan moet je immers veel

meer opbrengen!"

"Toch niet, kandjeng."

"Och, maar dat is dwaasheid. Doe dat toch niet. Je moogt dat niet

doen. Daar geef je den landheer heel wat soesah mee. En mij ook. Ja

zeker, mij ook. Natuurlijk, er komen relletjes, en perkara's, en dan

moet ik zeker maar elken keer naar Alas Bamboe, om den boel weer in

orde te maken, he? Welzeker! Lieve jongens zijn jullie--Nou, maar ik

raad het je héél sterk af. Je krijgt er maar niets dan displezier

en verdriet van. Wees toch niet zoo dom.--Het is dom, het is erg

dom. En als er dan soesah is, dan komen jullie natuurlijk weer bij

mij soebatten ..."

"Ja, kandjeng, u zult ons wel helpen."

"Helpen, helpen! Het is wat moois; eerst den boel op stelten zetten

en dan hulp vragen."

De assistent-resident was in zijn emotie opgestaan en ijsbeerde de

kamer op en neer, demonstreerende dat het erg dom was om padi te

willen leveren in plaats van rijst.

De vier desalieden zwegen, zij begonnen intuïtief te begrijpen, dat

de assistent-resident niet de persoon was, die hen zou bijstaan als

zijn bijstand ingeroepen zou worden. En met de geslotenheid van den

Javaan, zwegen zij, waar hun geen steun wachtte.

Na eenige oogenblikken wendde de bestuursman zich weer tot de

inlanders.

"Van welke desa, en welk district zijn jullie?"

"Wij drieën zijn van Kalapa Aloes, hij hier is van de desa Gatok,

district Herea, kandjeng," antwoordde Pah Asriep.

De heer Van Dam maakte eenige aanteekeningen.

"Jullie wildet nog klagen; zeker over de rijstlevering?"

"Neen, kandjeng."

"Waarover dan?"

"Over den garok, kandjeng."

"Zoo, wat is daarmee?"

"Ik ben al meer dan vijftig jaar, kandjeng, en er zijn nog vele

anderen, die even oud en ouder zijn dan ik; wij allen moeten nog

werken in heerendienst. En ook zijn er nog jonge lieden, kinderen

bijna, die nog geen veertien jaar zijn en heerendienst moeten doen."

"Zoo. Hoe weet je, dat je al vijftig jaar bent?"

"Ik denk van wel, kandjeng."

"En is dat alles?"

"Neen, kandjeng, wij moeten ook te veel dienst doen ..."

"Vertel eens, hoe gij dat weet."

"Er is de groote garok, kandjeng, van een heele week. Den laatsten

keer zijn wij te Gending geweest, een week lang. Gending ligt twee en

twintig paal van Gatok, kandjeng, en achttien van Kalapa Aloes.--En

dan is er de kleine heerendienst, de krigan."

"Hoe lang?"

"Zeven of acht maanden, kandjeng."

"Nou, dat is dan toch altijd nog geen twee en vijftig dagen in

een jaar!"

"De garok, de groote heerendienst, komt meermalen, kandjeng."

"Hoeveel maal?"

"Dat weet ik niet precies, kandjeng."

"Maar hoe kan je dan zeggen, dat je te veel dienst doet! Jullie

klaagt maar raak. Ik zal maar naar Telatiga gaan, denk je zeker,

he? De assistent-resident zal wel helpen?"

"Ja, kandjeng."

Siman kreeg opeens moed.

"Het eten is ook niet goed, kandjeng."

"Krijgen jullie dan geen kattie rijst per man?"

"Jawel, kandjeng."

"Nou dan, de landheer behoeft niet meer te geven."

"Ja, kandjeng."

"Ja, jullie zegt maar: ja, kandjeng, ja kandjeng, maar de klachten

komen eigenlijk op niets neer."

De heer Van Dam werd waarlijk boos. De brave man meende volmaakt in

zijn recht te zijn. Hij voelde niet dat zijn korzelige bejegening reden

was, dat de menschen niet praatten, niet alles zeiden wat zij op het

gemoed hadden. De desa-man is als een slak. Bij den minsten tegenstand

trekt hij, bedeesd, zijn voelhorens in. Men moet hem tegemoetkomen,

door vriendelijkheid en welwillendheid zijn natuurlijken schroom

overwinnen en zijn vertrouwen wekken. Heeft hij dat vertrouwen niet,

dan zwijgt hij en duldt nog liever dan zich te compromitteeren door

het uiten van niet begrepen grieven.

En zoo ging het hier ook. De assistent-resident vernam niets van wat

hij toch zeker had behooren te vernemen. Hij zelf was daaraan schuld.

Voor Pah Asriep, Siman en de beide anderen was de tocht naar Telatiga

dus een vergeefsche geweest, wat het klagen betreft. Maar geheel

zonder nut was de reis toch niet gebleven. Zij hadden veel geleerd,

wat hun tot dusver onbekend was. En bovenal hadden zij wel zeer goed

begrepen dat het reglement op de particuliere landerijen--bij hen

slechts bekend als het reglement--ook hun rechten vaststelde. Wat hun

verplichtingen betreft, och, het was niet noodig deze te kennen. De

eigenaren zouden wel zorgen, dat zij gèèn hunner verplichtingen

verzuimden. Maar hun rèchten! Zij hàdden dus rechten. Zij hadden

het recht diensten of opbrengst te weigeren, wanneer de heffing

daarvan niet was veroorloofd door den wetgever. Maar welke waren die

rechten? Het was zaak voor hen die te leeren kennen. Maar hoe? Ze

stonden in een boekje. Maar al waren zij in het bezit hiervan, zouden

zij dan geen uitleg behoeven? Pah Asriep, hooge uitzondering, kon

weliswaar lezen, maar zou zijn kennis voldoende zijn tot begrip van

het gelezene? Hij twijfelde er zelf aan. Toch moest men vòòr alles in

het bezit komen van zoo'n boekje. En Siman meende dat het beste adres

daarvoor zou zijn, een van de lieden van Waroelima. Die hadden zich

verzet, steunend op hun rechten, welke zij dan toch wel kennen zouden.

Er werd besloten dien dag te besteden aan het zoeken van een exemplaar

van het boekje van Mr. Hagelaar, met het reglement in het Maleisch

gedrukt.

Pah Asriep had een idee. Hij zou Tan Boen Ho in den arm nemen. Wellicht

zou hij Tan Ing Kiok bij hem ontmoeten en die zou hem toch zeker wel

op den weg kunnen helpen.

Tan Boen Ho was geen kwade vent. Plooibaarheid, vriendelijkheid

en goedmoedigheid hadden hem vooruitgebracht in zaken. Hij hielp

graag. Behulpzaamheid was een kapitaal, dat, uitgezet, zijn rente

opbracht. En toen Pah Asriep hem naar zijn broeder gevraagd had en het

verzoek, dat hij Ing Kiok wilde doen, bekend gemaakt had, was Boen Ho

wel eerst begonnen met te trachten op welwillende wijze de lieden te

overtuigen van hun dwaasheid om zich tegen de bestaande machten te

verzetten, maar hij was toch geëindigd met Ing Kiok te doen roepen,

die bij een buurman was.

Ing Kiok was niet dom, hij zag in de inwilliging van Pah Asrieps

verzoek een middel om propaganda te maken voor hun zaak. Hoe meer

ontevredenheid, hoe liever; hoe meer uitbreiding der jonge beweging,

hoe beter. Maar hijzelf bezat het reglement niet. Toch zou hij er

aan weten te komen. De griffier van den landraad was natuurlijk een

goede sobat [187] van Tan Boen Ho, natuurlijk, want Tan Boen Ho was

van ieder een goede sobat, dien hij wel eens noodig had, of wel eens

noodig zou kunnen hebben. En de griffier had nog verscheidene van die

reglementen. Ing Kiok putte zich uit in welwillendheid. Ze moesten

morgen maar weer eens terug komen. Hij zou zelf dien middag nog naar

den griffier gaan en dan zou hij het reglement morgen wel hebben.

Pah Asriep en zijn gezellen waren wàt in hun nopjes met het goede

resultaat van hun pogingen, maar dat ze nu alweer langer te Telatiga

zouden moeten vertoeven, was hun toch niet aangenaam. Hoe weinig

ook, het verblijf aldaar kostte geld. Toch zouden zij zich in het

onvermijdelijke schikken, want hun leek het bezit van zoo'n boekje

een panacee voor al hun leed. Zij konden natuurlijk niet weten, dat,

in spijt van alle codificatie hunner rechten, deze met voeten getreden

worden. Zij konden niet weten dat het voor ambtenaren een kwaad ding

is hoogerop "lastig" gevonden te worden en dat het voor hen dus van

minder gewicht is ontevredenheid te wekken bij de bevolking, die

lang duldt alvorens haar leed te uiten, dan aanleiding te geven tot

klachten bij de Europeesche ingezetenen. Zij konden ten slotte niet

weten dat de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië ongestraft

den eersten hem opgelegden plicht verzaakt, den plicht namelijk,

de bevolking te beschermen voor willekeur, van wien ook.

Dienzelfden avond had het gewone partijtje ten huize van den

assistent-resident plaats. In de voorgalerij waren alle lichten op,

en de ruime woning bood met die illuminatie een vriendelijken aanblik.

Aan het speeltafeltje zaten de vier heeren in eenvoudige witte

Atjeh-jassen: de heer Van Dam, dokter Bottenman, mr. Van Wetten,

de landraadspresident, en de ontvanger Haalman.

De jurist was met den bestuursman in druk dispuut, zeer ten ongerieve

van de anderen, want Van Wetten speelde toch reeds onoplettend. Men

had het natuurlijk over den tegenwoordigen roerigen goest onder het

volk, over het weigeren van heerendiensten.

Van Wetten had volgehouden dat de lieden ten onrechte ter politierol

werden gestraft. De assistent-resident had niet willen toegeven.

"Je kunt nu wel komen aandragen met alle mogelijke rechtsgeleerdheid,

Van Wetten, maar je praat het niet bij me omver dat, waar zulke

geschillen tusschen landheer en opgezetene nu reeds jaar en dag ter

politierol zijn beslecht, er dan toch zeker wel eens een pientere

kop op de idee zou gekomen zijn dat dit in strijd was met de wet."

Van Wetten gaf, en onderwijl betoogde hij dat dit een opvatting was,

die hij niet kon deelen. Wat drommel, als de sleur de menschen deed

inslapen, dan was er reden te meer om eens aan te toonen dat men al

maar door op den verkeerden weg bleef.

"Wat doet u, mijnheer Van Dam?"

"O, moet ik het zeggen ...? Pas ... Dus jij zoudt meenen dat zulke

geschillen voor den landraad moesten worden berecht? ... Hoeveel is

er over? Zes? Goed, geef maar op ... Wie danst voor?"

"Altijd, die het vraagt."

"Ik geloof heel zeker, mijnheer Van Dam, dat mijn stelling uitmuntend

te verdedigen is. De bepalingen, zegt men, zijn onduidelijk, maar

ik heb dat tot nu toe niet kunnen inzien. En nu geloof ik er wel

wat van te weten, want in den laatsten tijd heb ik mij heel veel

beziggehouden met deze kwestie. Alle geschil spruit voort uit de

beteekenis, die men hecht--en verkeerdelijk hecht--aan den term:

"alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortkomende rechten ..."

"Neen, dokter, hangen doet u. Manille, ponto, als je blieft."

"Ja, het was te jong. Toch een aardig spel!"

Bottenman betaalde, verdubbelde den pot voor den verloren sans-prendre

en Van Dam gaf.

"Ik beroep mij maar op artikel 59 van het reglement," nam de

assistent-resident het gesprek weer op onder het afgeven. "Het

plaatselijk bestuur zal kennis nemen ... allemaal negen? ..."

"Pas."

"Een vraagje."

"Wacht's even," zei Van Wetten. "Potdori, het zou er één kunnen

zijn. Wat denkt u er van, mijnheer Van Dam?"

"Nou, ik heb zulke wel zien verliezen. En het potje is vet."

"H'm. Of ze 't bennen, dan maar."

"Al waren ze 't," zeide de ontvanger.

"Vijf."

"Mij drie."

"Vijf over? Kan ze niet gebruiken. Vier maar en zien."

Basta viel open.

"Wat een boffert," zei de dokter spijtig.

Het spel werd gespeeld en Van Wetten lette goed op. Hij hield echter

vast aan het gesprek als een terriër aan een kluif en de volgende

gift nam hij te baat om weer te beginnen.

"Ja, dat artikel 59 zou je op een dwaalspoor kunnen brengen."

"Wel neen, het is heel duidelijk: "Het plaatselijk bestuur zal

kennis nemen van alle geschillen tusschen de landeigenaren en hun

opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige rechten of

verplichtingen, en zal, bij al dien partijen niet in der minne kunnen

worden bevredigd, enzoovoort, in de zaak beslissen. Zoo staat het er

precies ..."

"Komaan praesis, een kaart of een takkebos. Ik zou het dispuut nu

maar tot aan tafel verschuiven, want het partijtje lijdt er onder,"

merkte de dokter ietwat korzelig op. Bottenman was een hartstochtelijk

ombreur en kon onoplettendheid maar slecht verdragen.

Het was gelukkig gauw etenstijd. Er was een logeetje, een onbeduidend

dametje, dochter van een suiker-administrateur en al een paar jaar

op de mannenjacht. Mevrouw de assistent-residentsche had haar een

uitstekende partij toegedacht: Van Wetten. En daar Lientje hem een

"mooie man" gevonden had, was mevrouw Van Dam in den geest al op

de bruiloft geweest. Van Wetten zelf wist van den strik, dien men

hem spande, niets af. Hij was wat meer ten eten gevraagd bij de Van

Dams in den laatsten tijd, en hij had moeten musiceeren met Lientje,

"die zoo verrukkelijk piano speelde," maar overigens had hij weinig

aandacht aan het meisje gegeven, dat toch wel een lief snoetje had

met haar zwarte krullen en uitlokkende oogen.

Natuurlijk zat hij nu naast Lientje. Aan de andere zijde, aan het hoofd

van de tafel, troonde Van Dam. En dien avond had mevrouw Van Dam heel

wat gemoedsonrust te verduren, want Van Wetten had alléén woorden voor

zijn buurman. Lientje moest zich behelpen met Bottenman, een ouden

vrijer, die heel weinig zorg besteedde aan zijn uiterlijk en ook in

ander opzicht geen man van de wereld genoemd kon worden. Voor Lientje

was het heele dineetje een faillure. En daar hadden de opgezetenen

van het particuliere land Telatiga schuld aan, want Van Wetten was

op zijn stokpaardje en kwam er voorloopig niet af. Hij praatte zich

geheel in vuur en vergat zelfs den goeden wijn eer aan te doen--wat

hem niet vaak overkwam.

"Dat artikel 59 van u, mijnheer Van Dam, is krachteloos gemaakt."

"Hè, en waardoor dan?"

"Door het regeeringsreglement."

"Dat begrijp ik niet."

"Het regeeringsreglement is van jongeren datum niet waar, van

'55. Welnu, artikel 78 R. R., eerste alinea, verklaart--luistert u

goed?--dat alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende

rechten bij uitsluiting behooren tot de kennis van de rechterlijke

macht. Daarom is dat artikel 59 van u krachteloos."

"Met je verlof, maar rechten uit eigendom voortspruitende zijn toch

geen ..."

"Dat zijn ze wel, mijnheer, dat zijn ze wel! De eigenaar heeft

het land in eigendom, niet waar? Ik laat daar dat hier van een

dominium plenum geen sprake is. Volledig eigendomsrecht is er

niet, dat heeft mr. Sibenius Trip, oud-president der beide hoven,

voldoende aangetoond. De eigenaren bezitten een dominium directum. De

opgezetenen verwerven dan ook door bebouwing enz. zakelijke rechten op

den grond. Maar, zooals ik zeg, dat laat ik daar. Uit den eigendom

echter spruiten rechten voort, en wel in de allereerste plaats,

versta me goed, in de allereerste plaats het recht om heerendiensten

te vorderen en een zeker tantième van de voortbrengselen."

"Verder?"

"Wel, mij dunkt dus, dat, waar artikel 78 regeerings-reglement spreekt

van "rechten uit den eigendom voortspruitend," er niet anders kan

bedoeld zijn, in de allereerste plaats alweer, dan die rechten van

tjoeké- en garokheffing. Als dus over die rechten twist gevoerd

wordt, zal uitsluitend de rechterlijke macht bevoegd zijn daarin te

beslissen. En dus ..."

"En dus doe ik iets onwettigs met de lui, die heerendienst weigeren,

op de rol te straffen?"

"Naar mijn overtuiging, ja. U handelt daardoor in strijd met de

bepalingen. Evenwel, er zijn mitigeerende omstandigheden ..."

"Ah, er zijn dus verzachtende omstandigheden, gelukkig!"

"Ja, dat de sleur zoo langzamerhand deze onwettigheid schijnt te gaan

wettigen. Anders geen."

"Maar dan, Van Wetten, een vraag."

"Ja?"

"Het reglement op de particuliere landerijen is een algemeene

verordening, niet waar?"

"Ja, zeker."

"Best. Maar dan zou ik wel willen wijzen op artikel 82, eerste alinea,

van hetzelfde regeerings-reglement, dat jij aanhaalt. Dat artikel zegt:

de zaken, welke uit haren aard of krachtens algemeene verordeningen

ter beslissing staan van het administratief gezag, blijven daaraan

onderworpen. En dus, zeg ik op mijn beurt, mijnheer de rechtsgeleerde,

en dus is artikel 78 regeerings-reglement van geen kracht."

Het weinig levendig gesprek der anderen was allengs geheel verstomd en

ook zij hadden, schoon zwijgend, deelgenomen aan het opgewekt debat

tusschen Van Dam en Van Wetten. De triomf van den assistent-resident

was door den dokter begroet met een vroolijk: "Habet, Van Wetten!"

De ontvanger viel dadelijk bij. "Prosit!" riep hij en hij nam zijn

glas op. Van Dam lachte zegepralend. Van Wetten maakte evenwel niet

den indruk van een verwonneling. Een fijn, sarcastisch lachje trok

om zijn lippen. Hij keek de anderen aan en zei:

"Wel, mijnheer Van Dam, ik begreep waar u heen wilde en liet u

dus spreken. Maar zoo spoedig als u wel denkt, hebt u me toch niet

vast, geloof ik. Natuurlijk ken ik uw artikel 82 ook wel, maar dit

mooie artikel is, jammer genoeg voor u, sedert 1857 niet meer van

toepassing."

"Dat is sterk! Ik weet van geen wet, die het regeerings-reglement op

die wijze besnoeid heeft. Volgens mij is het reglement op het beleid

der regeering de handleiding voor al onzen arbeid."

"Dit is ook zoo, zeker, of beter: dit behoorde zoo te zijn,

want natuurlijk houdt men de hand niet aan de bepalingen van dat

reglement. En ook is er geen enkele wet, die een wijziging, als door

mij bedoeld, vaststelt ..."

"Welnu dan."

"... maar het reglement zelf bepaalt het."

"Och kom, jullie juristen leest altijd meer in de wet dan wij; dat

is trouwens jullie beroep."

"Ik dank u voor uw goede meening over ons, mijnheer Van Dam, maar

wat ik nu bedoel, kan ieder openlijk en duidelijk zien staan. Als

dames het regeerings-reglement lazen, zouden zij de bepaling zonder

eenigen twijfel gevonden hebben."

"Van Wetten spreekt in raadselen," merkte Bottenman op.

Van Wetten stelde zijn triumf uit om er des te meer van te genieten.

"Dames kijken immers altijd achter in het boek voordat zij beginnen te

lezen,"--de geestigheid viel heelemaal in het water; niemand vond haar

aardig. Alleen Leentje vond haar "flauw"--"en," vervolgde Van Wetten

"de laatste alinea van het laatste artikel van het regeerings-reglement

zegt dat artikel 82 maar twee jaar van kracht zal zijn."

"Daar wil ik me dan toch eerst van overtuigen," zeide Van Dam, en met

een ruk schoof hij zijn stoel achteruit, liet zijn servet vallen en

verdween in het kantoortje. Hij kwam terug met een regeerings-almanak,

eerste deel, en zocht naar het regeerings-reglement. Toen las

hij: "artikel 132, tweede alinea: Bepalingen, voorkomende in de

verordeningen, vermeld in de eerste zinsnede van artikel 82, die in

strijd zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van artikel 78,

behouden slechts kracht gedurende twee jaren na het inwerking treden

van dit reglement ..."--"Waarachtig, hij schijnt gelijk te hebben. Het

is sterk."

"Och wel neen; het is integendeel zeer duidelijk dat de wetgever

niet op twee gedachten heeft willen hinken en geen tweesoortige

rechtspleging heeft willen in het leven roepen. Of alles voor de

justitie, òf alles voor den politierechter. En, met alle respect

voor de bestuursambtenaren, kan men niet anders zeggen dan dat de

wetgever een goede keus gedaan heeft, door de laatsten prijs te

geven. Dat men maling heeft gehad aan de bepalingen, is de schuld

van den wetgever niet."

"Maar," merkte de assistent-resident verslagen op, "waarom vestigt

ge er de aandacht niet op? Mij dunkt, het is toch een kwestie van

beteekenis en ge schijnt volkomen gelijk te hebben."

"Weet je wat er het eenige gevolg van zou zijn?"

"Nu?"

"Dat ik een hoop schrijverij kreeg, om toe te lichten, enzoovoorts en

dat ik tijd tekort zou komen om alle snertzaakjes te behandelen. Neen,

ik vind het best, zooals het is."

Deze uitspraak wekte geen verbazing in dien kring. Het kwam bij

geen hunner op dat Van Wetten toch eigenlijk zijn plicht niet deed,

door zijn meening, die, naar het scheen, met een beroep op de wet

gehandhaafd kon worden, niet bekend te maken, om zoodoende een

niet geoorloofden toestand veranderd te krijgen. Welneen. Men vond

hem ongetwijfeld erg handig, wat Lientje dan ook onder woorden

bracht. Zij had heel weinig van het gesprokene begrepen en Van

Wetten alleen erg vervelend gevonden, al paste zij er wel voor op

dit te zeggen. Integendeel, zij had nog lof voor hem: "Nou, u is erg

pienter hoor!"

Het spijt mij voor Van Wetten, hier te moeten verklaren dat hij zich

gestreeld voelde door den lof, al kan ik als verzachtende omstandigheid

aanvoeren dat het complimentje vergezeld ging van een veelzeggenden

lonk uit Lientjes donkere kijkers.

De heer Van Dam vond de kwestie zeer interessant; meer dan men van

hem verwacht zou hebben.

"Het is toch frappant," zei hij. "Nu moet je weten dat ik in het eerst

zelf huiverig was om de kerels te straffen. Dat noemden de landheeren

onwil van me. Toch was die onwil alleen een gevolg van medelijden

met de stakkers. Ze moeten hier genoeg schot en lot betalen."

Het was wel eigenaardig uit Van Dam's mond een klacht te vernemen

over het lot van den Javaan, waar hij zelf aan de bestendiging

van dat lot meewerkte uit vrees voor soesah; waar hij zelf de

afgedwongen overeenkomsten registreerde en niet naging of er ook

te veel geëischt werd van het volk; waar hij zelf de lieden deed

binden, als misdadigers, wanneer zij, zich beroepende op hun recht,

protesteerden tegen knevelarij ....

"Hebt gij dan aan het verlangen der landheeren toegegeven?" vroeg

de dokter.

"Moeten toegeven, dokter. De bestraffing voor de rol werd mij door

den procureur-generaal gelast. Zie je, dat is toch wel kras, hè,

Van Wetten?"

"Dat is het. Maar tusschen ons gezegd en gezwegen, de tegenwoordige

P. G. is een prul van een vent, dat is herhaaldelijk wel gebleken."

Alweer kwam het niet bij het gezelschap op zich er over te verbazen

dat den zoo ongunstig beoordeelden ambtenaar dan toch een post van

groot gewicht was toevertrouwd, die hem in staat stelde veel onrecht

te begaan.

"Wie is de tegenwoordige procureur-generaal?" informeerde de ontvanger.

"Mr. Van Vlissingen."

"Feitelijk heeft hij u dan toch aangezet tot onwettige handelingen,"

begon Van Wetten weer.

"Daar moet hij dan zelf ook maar de verantwoordelijkheid voor dragen,"

haastte zich Van Dam te verklaren.

"Natuurlijk, natuurlijk."

"Niet waar, het is toch onwettig, dat u zich ingelaten hebt met de

twisten over den garok, want art. 81 R. R. is uitdrukkelijk genoeg:

alle tusschenkomst van de regeering inzake van justitie, niet bij dit

reglement toegestaan, is verboden. En het was dan ook--onvermijdelijke

consequentie--onwettig, dat de lui gebonden werden opgebracht."

De assistent-resident meende in de laatste woorden van Van

Wetten critiek te moeten hooren op zijn optreden. Dit was hem

onaangenaam. Dadelijk toch ging het door zijn brein: dat binden zou

hem last kunnen veroorzaken. En hij nam zich voor in het vervolg dien

harden maatregel niet meer te doen toepassen.

"Maar hoe kwam de procureur-generaal er toe, u opdracht te geven? Was

er dan geklaagd?"

"In zooverre dat de beide landheeren mij gevraagd hadden om den

procureur-generaal te verzoeken een beslissing te nemen in de

kwestie der heerendienstplichtigen. Die kwestie liep over dit punt:

waren de lieden, in verband met de bepaling van artikel 26 van

het reglement, verplicht tot het verrichten van heerendiensten,

ja dan neen? Mij dacht van niet, want sub c van dat artikel wordt

verklaard dat naar den adat, de volksgewoonten, de lieden worden

vrijgesteld, die nog nooit heerendienst hebben gedaan. En dit was

toch het geval met de Chineezen van Waroe-Lima en Lobening en met

de Arabieren. Nu, de procureur-generaal dacht er blijkbaar anders

over, want hij telegrafeerde terug dat ze wel heerendienst moesten

verrichten. Later is nog een circulaire gekomen, waarin deze beslissing

werd bevestigd. Ik heb ze toen wel moeten straffen."

"Ja, beroerd genoeg voor de kerels."

"En het mooiste is nog, dat de procureur-generaal in die circulaire

zegt dat ze moeten werken tegen een kattie rijst per hoofd en per

dag. Nu, je begrijpt dat de landheeren daar dadelijk profijt van

trokken. Vroeger kregen de heerendienstplichtigen rijst met sajoer

en een vischje. Dat is nou uit ...."

"Maar wat drommel," viel de dokter uit, "als de procureur-generaal

zoo slecht op de hoogte is, wat heeft-ie dan circulaires te schrijven!"

"Ja, wat zal je er aan doen!"

Het gesprek kwam nu op ander terrein, en spoedig daarna waren de

heeren weer aan de speeltafel. Van Wetten was er nu beter bij.

In de binnengalerij zaten mevrouw Van Dam en Lientje. De laatste

had zich verveeld en mevrouw was heelemaal niet te spreken over Van

Wetten, dien ze erg ongezellig vond, wijl hij niet had meegewerkt aan

het welslagen van haar plannen. Maar ze sprak haar wrevel niet uit,

beaamde zelfs den lof van Lientje, die hem "zoo knap" vond.

Toen Pah Asriep en Siman den volgenden morgen van Ing Kiok terugkeerden

met een boekje van Mr. Hazelaar, op verscheidene punten reeds ingelicht

door den jongen Chinees, zagen zij opnieuw een oploop van volk voor

het assistent-residentiekantoor, meest inlanders dit maal.

Er waren lieden van Lobening opgevat. En nieuwsgierigen vernamen

dat er honderd en acht geweigerd hadden in den garok ketjil [188]

uit te komen, verklarende dat zij reeds meer dan 52 dagen van het

jaar heerendiensten hadden verricht. Er was weder politierol.

Acht en twintig inlanders werden dien dag veroordeeld tot drie dagen

gevangenisstraf. De zaak bleek zeer trang en de assistent-resident

verdiende een pluimpje voor zijn snel "recht" ...

Dienzelfden dag ging een telegrafisch protest aan den

gouverneur-generaal in zee. Gelukkig begreep de landvoogd dat er

ernstiger zaken waren dan deze ...

Djiah had in het pakhuis te Herea een zwaren arbeid, dien zij deelde

met een tiental andere vrouwen. Het werk bestond in het stampen van de

padi en het nawannen van de rijst. Men zal zich herinneren dat er dat

jaar reeds hier en daar padi was geleverd in plaats van rijst. Ware

dit niet het geval geweest, dan zouden vrouwen in het pakhuis geen

arbeid hebben gevonden. Het werk was zeer vermoeiend. Te zeven uur

kwamen de vrouwen binnen, om twaalf hadden zij een half uur schafttijd,

om vijf uur des middags waren ze vrij. De loonen varieerden tusschen

vijf en vijftien cents per dag.

Een der oudere vrouwen was, hoewel niet daartoe aangesteld, zoo

iets als opzichteres over de anderen. Kario hield toezicht in het

pakhuis. Kario was een ijverig werkman, die, zoo jong als hij was,

gezag kon doen gelden onder zijn werksters. 'Mboh [189] Sima stond hem

daarbij flink ter zijde. Niet dat de vrouwen noodig hadden telkens aan

haar plichten te worden herinnerd, och neen, maar toezicht moest er

zijn. Het werk moest snel geschieden, want de machine rustte niet en

werkte elken dag voort, sorteerende de vele honderden picols rijst

die binnenkwamen. Twee vrouwen zorgden voortdurend voor nieuwen

toevoer. Ook dit was was wat nieuws. Vroeger waren mannen met deze

werkzaamheden belast, maar vrouwen waren nog goedkooper. Vier anderen

haalden de gesorteerde rijst weg. Dit werk was veel zwaarder dan het

wannen, toch werd niet meer dan tien cents per dagtaak aan elk der

vrouwen betaald. Daarom was er veel afgunst onder de werksters op Djiah

en een andere wanster, Satima, omdat buiten 'mboh Sima slechts zij

beiden het maximum salaris bekwamen van vijftien cents. Djiah vooral

trof die afgunst; zij toch was het kortst aan het werk. Zij was ook

niet begonnen op vijf cents, maar had dadelijk twee en een halven

cent meer bekomen, en tien dagen later reeds was haar salaris door

Kario verhoogd tot tien cents. Inderdaad had Kario hierin alles te

zeggen, want Van Affelen, die begreep hoeveel hij aan den werkzamen

man had, liet hem geheel baas in het pakhuis. Djiah vermoedde dat

zij haar hooger salaris te danken had aan de omstandigheid, dat zij

bij 'mboh Sima inwoonde de week, die zij te Herea bleef. 'Mboh Sima

was een tante van Kario en zij had zeker een goed woordje gedaan bij

den mandoer. Ook woonde Djiah zoover weg en zij had dus meer kosten

dan een ander. Want telkens als zij huiswaarts ging, gaf zij haar

kostvrouw een dubbeltje voor het inwonen. Voor den kost zorgde zij

zelf. De kleine Rekso ging iederen morgen mede naar het pakhuis,

werd op tijd gelaafd aan de moederborst en sliep overigens op een

hoop gonnizakken in de afdeeling, waar weer andere vrouwen bezig

waren met het dichtnaaien der voor de verzending gereed gemaakte

zakken rijst. Hier werd meer betaald. De loonen liepen voor deze

vrouwen tot zeventien en een halven cent daags en Djiah had al eens

aan 'mboh Sima gevraagd of zij niet daar aan het werk kon komen. Zij

zou die twee en een halven cent daags mèèr zoo best kunnen gebruiken!

De andere vrouwen in haar eigen afdeeling, meest meisjes, waren van

een vrij lichtzinnig slag, dat had Djiah al spoedig gemerkt. Haar

gesprekken wezen dat wel uit. Vooral de mollige, stevige Satima was

een ondeugd. Wel, ze maakte er ook geen geheim van, dat ze precies wist

waar Abraham de mosterd haalde. Men wist van haar te vertellen dat ze

in den Oosthoek een tlèdèk [190] was geweest en erg veel geld verdiend

had, niet zoozeer met het dansen, als wel met wat daarna komt. Satima

sprak over die dingen zelf niet. Het was nergens noodig voor. En

evenmin vertelde ze haar gezellinnen dat ze mandoer Kario heelemaal

had weten in te palmen, dat Kario heel vaak des nachts bij haar kwam

en dat zij daaraan haar hoog salaris had te danken en daaraan alleen,

want voor den arbeid was zij vrijwel de minste. Zooals reeds gezegd,

Kario was een don Juan en daarin ligt de verklaring dat de vrouwen in

het pakhuis meest jong en mooi waren. En in haar eigen belang moesten

zij wat toeschietelijk zijn. Trouwens in de desa's neemt men het zoo

nauw niet met de zedelijkheid, of, om het juister uit te drukken,

met onze begrippen van zedelijkheid.

De andere vrouwen hadden het land aan Djiah. Eerstens omdat zij

meer verdiende dan de meesten, dan wijl zij een vreemdelinge was,

de eenige, die niet in Herea thuis hoorde, en ten slotte wijl men

haar om haar fijn gezichtje en lief figuurtje benijdde, want al heeft

de vrouwelijke afgunst in de desa zich niet zoo sterk ontwikkeld als

in onze zeer beschaafde en zeer brave westersche maatschappij, die

ondeugd bestaat er niettemin. Onder elkander beschouwden de vrouwen

als vaststaand, dat Kario ook in Djiah's gunsten deelde. En de gewone

zinspelingen op die veronderstelde verhouding had Djiah ook moeten

hooren. Ze had echter altijd gezwegen. Maar ze vreesde toch avances

van Kario, die haar vaak zoo zonderling kon aankijken.

'Mboh Sima alleen hield van de stille, bescheiden vrouw. En aan de

oude had Djiah eens haar bezorgdheid geklaagd, toen Kario haar op

een middag had aangeboden een kopje koffie bij zijn vrouw te komen

drinken. Djiah had zich verontschuldigd, want openlijk weigeren durfde

ze niet. Thuis gekomen had ze 'mboh Sima haar vrees toevertrouwd:

"Ik ben bang, 'mboh, dat Kario iets slechts van mij wil." En ze

motiveerde haar onrust.

'Mboh Sima had eens gelachen.

"Kleine dwaas. Als ik in mijn tijd preutsch was geweest zou ik nou geen

eigen huisje met een tuintje hebben. Er steekt toch weinig kwaad in,

vind ik. De mannen nemen wel twee en meer vrouwen, waarom zouden wij

niet ..."

"Maar, 'mboh, en de adat dan!"

"Nou ja, de adat. Weet je, de adat verzet er zich pas tegen, als je

zoo dom bent om het te laten merken. Maar je moet zooiets niet laten

merken. En dan is er toch weinig ergs in."

Ik zeide immers dat men in de desa een andere zedelijkheid huldigt

in dit opzicht en de eerste gedachte van Djiah, die toch volstrekt

geen slecht schepseltje was en zich voor geen geld met een blanke zou

afgeven, betrof niet het onvoegzame van den echtbreuk, maar den adat,

die, door mannen uitgedacht zich er tegen verzette. Ook de tweede

gedachte gold niet den immoreelen kant der kwestie, maar haar man.

"Als Siman er van wist, zou hij mij vermoorden ..."

"Natuurlijk, daar zou hij ook schoon gelijk aan hebben. Neen,

in zulke zaken moet je den man er buiten laten," lachte de oudere

vrouw, terwijl zij de stoomende rijst in den koekoesan [191] van den

koperen dandang [192] haalde. Djiah volgde, in gedachten verzonken,

haar bewegingen. Het zag er hier toch maar wàt netjes uit, bij

'mboh Sima! Daar was de zwaar koperen dandang. Die moest geld gekost

hebben. Zij bediende zich thuis maar van een blikken ... Wat zag die

zwart. Zoo'n blikken kreeg je nooit meer schoon van het roet ... Een

koperen was toch veel meer waard ... Maar och, zij had geen geld

... Ze zou zoo iets wel nooit kunnen aanschaffen ...

Nu stond 'mboh Sima bij een klein hoektafeltje, netjes geverfd. Er

lag een verschoten kleedje op en op het kleedje stond een vergulde

lamp ... Ja, waarlijk een petroleumlamp. Zoo dadelijk zou ze haar wel

opsteken ... en dan was het er zoo gezellig, in het binnenvertrekje

... Zij, thuis, moesten zich altijd behelpen met een palita ... die

walmde zoo, en dan rook alles naar roet ... Als zij ook eens zoo'n

heldere lamp konden hebben, hè ... Maar er was geen geld ...

Ze schrikte op uit haar mijmering door den stem van 'mboh Sima,

die als het ware haar gedachten geraden had:

"Is het nog altijd zoo armoedig bij jullie, Djiah?"

"Ach god, ja, 'mboh. Heb ik je al verteld dat de katjang mislukt is,

en de djagong ook? Die is nauwelijks goed voor veevoeder. En Mah Ten

is weer ziek geweest, en de doekoen moest weer betaald worden. En

nu wil Ipah al gauw gaan trouwen, en wij helpen haar natuurlijk

met haar inkoopen.--Ach ja," zei ze zuchtend, "wij inlanders hebben

altijd soesah."

"Kon je nu maar wat meer verdienen, hè? Als je nu bij het zakkennaaien

kon komen te werken. Ik zou Kario het toch wel eens kunnen vragen. Hij

zal het voor mij misschien wel doen.--Dat zou wel mooi zijn, vindt

je niet? Een gobang [193] per dag meer."

"Och ja, 'mboh, doe je het, toe?" vleide Djiah.

Een dag of wat later kwam 'mboh Sima thuis met de blijde boodschap,

dat Kario niet ongenegen was Djiah te helpen. Hij had medelijden met

het arme vrouwtje, met wier kommervolle huiselijke omstandigheden hij

bekend was. En de gelegenheid deed zich voor, want een van de vrouwen

in de afdeeling, waar de zakken werden dichtgenaaid, ging heen en

Djiah zou haar kunnen vervangen. Kario zou het haar wel mededeelen,

wanneer zij kon invallen. Djiah verheugde zich zeer over deze blijde

tijding. En eerder dan zij dacht kreeg zij het postje.

Op een avond was zij bezig den kleinen Rekso in slaap te wiegen. De

mollige kleine vent had het wat in den buik en was huilerig en

lastig. In haar kamertje zat de jonge vrouw op de balé en suste

den kleine met lieve naampjes, hem heen en weer wiegende. Maar de

dwingeland was niet in slaap te brengen. Dan maar het probate middel

beproefd: Rekso werd aan de borst gelegd. Hij huilde nog wel even,

maar spoedig daarop begon hij zich te laven.

"Ik ga even weg, Djiah," zeide 'mboh Sima, haar hoofd naar binnen

stekend. "De koe van Pah Marto heeft gekalfd. Hij heeft bepaald

oentoeng, het is een koekalf, het vorige jaar ook al.--Ik moet toch

even gaan kijken."

"Goed, 'mboh, ik zal wel op je wachten," antwoordde Djiah en ze

strekte zich met den kleinen dorstigen Rekso op de balé uit.

Nog was 'mboh Sima niet lang weg of Djiah hoorde de deur weer opengaan

en stappen in het vertrekje. Zij verwonderde er zich nog over dat

de vrouw zoo gauw weer terug was (want Pah Marto woonde heel aan

het andere einde van de desa), toen in de deuropening opeens een

mannengestalte zich vertoonde. Djiah schrok, richtte zich plotseling

op, waardoor de kleine het weer op een dreinen zette, en trok haar

sarong over de bloote borsten op.

De man in de deuropening had de verleidelijke figuur der vrouw evenwel

reeds gezien.

Het was Kario.

"Wees niet bang, Djiah," zeide hij. "Ik kwam binnen en vond niemand. En

toevallig zag ik de kamer in; ik wist niet dat jij hier was."

De man was volkomen oprecht.

Djiah had een kleur gekregen en in haar verlegenheid trachtte zij

slechts den kleine te sussen.

Toen trad Kario de kamer binnen en zette zich op de balé neer.

Djiah voelde plotseling een grooten angst over zich komen over deze

schending der étiquette. Wat wilde Kario toch? Gelukkig was de kleine

nu stil. Hij sliep en voorzichtig legde Djiah hem in zijn hangwiegje.

Toen keerde zij zich met den rug naar Kario, maakte snel haar sarong

vast en speldde de kabaja dicht.

"Willen wij buiten zitten," vroeg Djiah en ze ging reeds naar de deur,

"'mboh Sima komt dadelijk thuis."

Kario deed alsof hij haar niet gehoord had en zeide, zonder van het

rustbed op te staan:

"Ik kwam je eigenlijk maar vertellen, Djiah dat je morgen reeds

over kunt gaan, als je wilt. Djena heb ik vandaag voor het laatst

uitbetaald."

De hoop op meer verdienste was zoo groot bij Djiah, dat zij zich

zelfs in deze pijnlijke positie niet bedwingen kon.

"Is het waar, kang? Ik dank u."

"Maar je weet, Djiah, dat ik het in mijn macht heb om je weer te

ontslaan?"

"Zeker, kang, maar waarom ..."

"Waarom ben jij altijd zoo stug tegen mij, Djiah? Ik heb je toch

nooit kwaad gedaan?"

Djiah stond geheel verschrikt. Nu wist ze wat Kario wilde. Ze was

zoo bang, zoo bang. Waarvoor wist ze niet. Maar afkeer voor Kario

gevoelde zij niet.

De jonge man was opgestaan en had haar zacht bij de pols gegrepen,

terwijl hij met de andere hand de deur toeduwde.

De arme Djiah kon van schrik niet spreken en liet zich willoos naar

de balé trekken. Toen echter trachtte zij zich los te maken uit de

hand van den mandoer.

"Niet doen, Kario, niet doen," hijgde zij, "'mboh Sima komt dadelijk

thuis."

"Ik heb 'mboh Sima uitgestuurd, lieve Djiah," loog Kario en hij sloeg

zijn arm om haar heen, terwijl zijn heete adem Djiah in den hals

brandde. Hij dwong de vrouw neer te zitten. Maar zij verzette zich:

"Ik wil niet, Kario, ik wil niet. Ik ben immers getrouwd, Kario. Er

zijn veel mooiere vrouwen dan ik. Ik wil niet ... ik wil niet ..."

"Er is geen zoo mooi als jij, Djiah," fluisterde de verleider, die

zich handtastelijkheden begon te veroorloven.

"Ik wil niet," hijgde de vrouw.

"Ben ik dan niet goed voor je, Djiah? Ik kan je dadelijk ontslaan als

ik wil. Maar ik help je, morgen kun je al weer meer verdienen. Waarom

zou je mij tegen je stemmen--thuis heb je bijna niet te eten, mijn

lief ..."

De waarheid van zijn woorden trof haar met snijdende scherpte. En zijn

bedreiging nam reusachtige proporties aan. Zij dacht er niet aan dat

ze misschien ook elders wat kon verdienen; slechts het schrikbeeld

van ontslag uit het pakhuis, het verlies van de een gulden vijf cents

in de zes dagen, schemerde voor haar oogen.

"Dat moet je niet doen, Kario!" kreet zij. De mandoer begreep de

juiste snaar aangeraakt te hebben.

"Ik zal het wel doen als je niet lief bent," dreigde hij.

Hij had het gewonnen.

"Maar Siman, mijn man ..." zuchtte zij.

"Siman weet niets ..."

Voordat 'mboh Sima terug was, had Kario zich reeds verwijderd. Toen de

oude vrouw haar woning weer binnentrad, had Djiah zich reeds geheel

hersteld van de doorgestane emotie. In haar oedit [194] voelde zij

den halven gulden, dien Kario haar gegeven had: "Koop maar wat moois

voor je, lieveling," had hij haar toegefluisterd.

Zij had het geld aangenomen. Waarom niet?

Begreep zij, die gevallen was uit vrees voor geldgebrek, dat zij haar

daad slechter kleurde door betaling te ontvangen?

Sedert was Kario meer gekomen. Hij scheen te weten, wanneer 'mboh

Sima niet thuis was, dacht Djiah. Maar zij begreep nog niet dat de

oude vrouw door haar neef was ingewijd in hetgeen er in haar woning

geschiedde. Djiah gevoelde zich niet meer angstig of verschrikt. Zij

gaf zich aan Kario, geheel zonder toeneiging voor den man, die van zijn

gezag misbruik maakte op zoo lage wijze. Eerst kwam Kario bij haar als

'mboh Sima afwezig was. Maar och, de oude vrouw liet spoedig blijken

dat zij kennis droeg van de verhouding en het mag tot haar eer gezegd

worden dat zij het erg laf vond van Kario, maar er Djiah niet minder

om genegen was. En Kario kwam toen ook bij zijn onvrijwillige minnares

als de oude vrouw thuis was. En in het pakhuis wist men weldra ook

alles. Vooral Satima was gebeten op Djiah, want Kario gaf meer om

de reine Soendaneesche dan om haar, de volleerde boeleerster. Djiah

nam den toestand als een beschikking des hemels. Zij was zich geen

kwaad bewust.

En wie, die het volk van Indië kent in zijn zeden en gewoonten,

zijn begrippen van moraal, zal die meening niet deelen?

Intusschen hadden de grootere inkomsten van Djiah--want Kario was

voor haar altijd mild--wel eenige verwondering gewekt bij Siman, en

telkens als Djiah na een week te Gatok kwam, moest zij een leugentje

verzinnen om die meerdere ontvangst te verklaren. Argwaan koesterde

Siman niet. Hij nam voor goede munt aan de uitlegging van zijn vrouw,

dat zij in haar vrijen tijd tjoekérijst verstampte voor de desalieden

te Herea en had waarlijk respect voor zijn vrouwtje, dat er zich zoo

dapper doorheen sloeg.

Het was een regenachtige avond, toen Pah Asriep en zijn metgezellen

eindelijk te Herea kwamen. Zij waren niet over Herea gegaan toen zij de

reis maakten naar Telatiga. Maar Siman had Djiah willen opzoeken. Zij

zou juist den volgenden dag vrijaf hebben; dan konden zij samen naar

Gatok verder gaan.

Het was laat, over negenen reeds. Druilerig siepelde de regen nog

na. De hemel was zwaar bewolkt en geen ster schitterde aan het donker

zwerk. Siman klopte aan bij de woning van 'mboh Sima. De anderen waren

in een warong achtergebleven. De oude vrouw deed open en herkende

Siman, die reeds een paar maal tijdens een oponthoud te Herea, zijn

vrouw had opgezocht. De vrouw schrikte zichtbaar.

"Schrik niet, moedertje," zeide Siman vroolijk, "waar is Djiah?"

De oude had zich al van den schrik hersteld.

"Je hebt me waarlijk doen schrikken; natuurlijk, ik dacht dat je te

Gatok was. Hoe kom je zoo op eens hier?"

"Ik kom van Telatiga, weet je, een heele reis," blufte hij.

"Van Telatiga? Wat heb je daar uitgevoerd?"

"Ik ben gaan klagen bij den assistent-resident," was het

kwasi-nonchalante antwoord. "Maar waar is Djiah toch?"

"Astaga, zijn jullie gaan klagen! En heeft het wat geholpen? Waarover

hebben jullie geklaagd?"

"Over de heerendiensten en over de rijstlevering, en nog over een heele

boel meer. Geholpen heeft het niet. Neen, de assistent-resident durft

niet, zie je, moedertje, de landeigenaren hebben te veel kwassa. Maar

zeg, mah, waar is Djiah? Ze is toch nog altijd bij je? Is ze niet

thuis?"

"Neen."

"Is ze niet thuis? Op dit uur? Wat drommel, waar is ze dan heen?"

De oude zat op heete kolen. Zij wist dat Djiah bij Kario was. Dat

gebeurde in den laatsten tijd meer, telkens wanneer Kario zijn vrouw

had weggezonden, hier of daarheen, was Djiah 's nachts bij hem. Ze

kwam dan vaak heel laat thuis. Een geheelen nacht bleef ze nooit:

dat zou te opvallend zijn. Het trof dan toch ook bepaald ongelukkig,

dat Siman juist van avond moest komen.

"Ik weet niet; ze zei daareven, dat ze wat moest halen bij een vriendin

van haar?" loog de oude.

"Wat moest halen? Dat had ze dan toch ook wel morgen kunnen doen?"

"Neen, ze was aan het naaien van een hemdje voor Rekso en toen had ze

geen garen meer, zie je,--nou, en ik heb ook niets in huis, hé--en

toen zeg ik zoo, ga maar eens vragen, hier of daar. Ja, zegt ze,

ik zal Satima vragen. Ze had al terug kunnen zijn. Zeker, ze had al

terug kunnen zijn, maar ik denk, de regen zal haar opgehouden hebben."

Bij Siman was argwaan gewekt, maar de leugens van 'mboh Sima hadden

hem weer gerust gesteld.

"Slaapt de kleine?" vroeg hij.

'Mboh Sima nam dadelijk deze afleiding te baat.

"Ja, hij slaapt, de lieve vent. Och, het is toch zoo'n aardig kereltje,

dat weet je niet half. Hij is altijd zoo zoet, heelemaal niet lastig,

en hij huilt bijna nooit. Je moet hem eens zien. Het is een pracht

van een jongen, hoor!"

Siman voelde zich gevleid. Hij ging mee naar de kamer en schoof de

voorgehangen sarong op zijde om lachend naar zijn eersten spruit te

zien. Het jongetje lag met gebalde vuistjes te slapen.

"Wil je niet wat eten, Siman? Ik heb nog wat rijst met visch."

Siman had honger en nam de uitnoodiging aan. Onder het eten kwam zijn

ongerustheid over het lange uitblijven van Djiah weer op.

Hij stond op en zeide tot 'mboh Sima:

"Het heeft nu toch heelemaal opgehouden met regenen. Waar blijft mijn

vrouw toch? Waar woont die Satima, mah? Ik wil eens gaan kijken of

ze daar is."

"Wat een gekheid!" riep de oude verschrikt. "Ze zal nu wel dadelijk

thuis zijn. En als je 'r gaat zoeken, loopen jullie elkander mis en

dan maken jullie je beiden noodeloos ongerust. Drink eens een kopje

warme koffie; hè, dat zal smaken met dit koude weer."

Maar Siman vond het aandringen der oude lastig en verklaarde toch maar

te zullen gaan. Met veel moeite kwam hij te weten, waar Satima woonde.

Snel liep hij naar de aangeduide woning, waar Satima en een andere

jonge deern samenleefden en een bedrijf uitoefenden, dat niet nader

omschreven behoeft te worden. Er brandde nog licht.

Siman klopte en uit een der kamers kwam een vrouwenstem:

"Wie is daar?"

"Woont hier misschien ook Satima?" was de wedervraag.

De bamboezen deur ging krakend open, en in het licht verscheen een

vrouwelijke gestalte. Het gelaat was dik gebedakt [195]; om den hals

droeg de vrouw een bloedkoralen-ketting, reusachtige oorknoppen met

valsche steenen hingen in de ooren. De mollige armen waren bloot;

een stijve koetang [196] met kantjes hield de weerspannige borsten

in bedwang.

"Ik ben Satima," zeide zij, "wat wil je en wie ben je?"

"Is je vriendin Djiah hier ook?"

"Mijn vriendin Djiah! Neen, die moet je ergens anders zoeken."

"Waarzoo dan?"

"Kom maar binnen, dan zal ik het je zeggen," en meteen greep ze Siman

bij den arm en trok hem naar binnen, de deur achter zich toehalend.

"Wat wou jij nou van die magere Djiah?" vroeg ze, haar arm vrijpostig

op zijn schouders leggend, "Buiten is het koud, en hier is het

warm. Wees niet mal."

Siman huiverde even. Was deze deern de vriendin zijner vrouw? Dat

kon niet. Hij zou zich vergist hebben in het huis. Domkop, waarom

had hij ook niet beter uitgekeken?

"Waar woont Satima?"

"Zeg, ben jij wijs, lekkere jongen? Ik heb je toch gezegd dat ik

Satima ben."

"Maar ik bedoel, die in het pakhuis werkt?"

"Juist, die ben ik."

"Ken jij Djiah dan?"

"Natuurlijk ken ik haar."

"'Mboh Sima zei dat ze bij jou was om een klosje garen te halen."

Satima lachte luid op.

"Ze heeft wel wat anders te doen, zeg, dan klosjes garen te zoeken!" Ze

lachte weer. "Die mop is goed!"

Siman werd driftig. Hij was de deur alweer uitgestapt maar keerde

zich op de laatste woorden van Satima nijdig om:

"Wat bedoel je daarmee, slet? Pas op, of ..."

"Scheldt jij die mooie Djiah voor slet. Ben je wel wijs, man. Ik ben

niet getrouwd!" Meteen sloeg ze de deur dicht.

Het was Siman, als had men hem voor het hoofd geslagen. Wat had dat

gemeene schepsel bedoeld? Ze loog, natuurlijk. Ze loog. 'Mboh Sima

had gezegd, dat Djiah misschien ook bij Soeninten kon zijn. Zeker,

natuurlijk zou ze daar zijn. Maar hij had vergeten te vragen waar

die woonde. Wacht, dat kon hij nog wel doen. En van buiten riep hij:

"Zeg, Satima, waar woont Soeninten?"

"Daar hoef je 'r niet te zoeken. Als je toch zoeken wilt, zoek dan

maar om de west."

En meteen ging binnen het licht uit.

Een vreeselijke gedachte kwam opeens bij Siman op. Zou Djiah

.... Maar neen, dat was niet waar. Wie het zei, loog; hij zou hem

kunnen vermoorden! En toch--ze bracht in den laatsten tijd veel geld

thuis. En laatst had ze een mooie pending meegebracht. Die moest

geld gekost hebben. Wat had ze toen ook weer gezegd? ... Dat ze het

sieraad voor een prikje gekocht had bij een dagang [197] .... Maar,

dat was waar. Hij zou er een eed op hebben kunnen doen. Ze logen,

die Djiah slecht zouden noemen.

Driftig ging Siman heen. Hij had haast en liep onwillekeurig naar het

westen, de richting, die Satima hem aangegeven had. Maar een doel had

hij niet. Hij kwam aan een kruispunt. Een vrij aanzienlijke woning

stond links van hem. Een groote doerianboom verhief zich vlak voor

het huis, zwermen tjodots vlogen om den fraaien kruin; een sterke

bloesemgeur vulde de lucht. Siman bedacht zich. Welken kant zou hij

uitgaan. Zou hij nog wel verder zoeken? Maar waar? Het was nutteloos,

doelloos. Hij wist immers heg noch steg. En ook kon hij toch niet in

elke woning vragen of zijn vrouw daar was ....

Hij ging terug naar het huisje van 'mboh Sima. Misschien was Djiah

nu al thuis. Hij was gek, dacht hij. Wat was er nu voor reden om zich

zoo op te winden?

Hij werd kalmer en toen hij voor de woning van 'mboh Sima stond,

was zijn drift verdwenen. Slechts onrust kwelde hem. Hij stiet de

deur open en met blijdschap zag hij zijn vrouw met 'mboh Sima aan

het tafeltje zitten.

Zij kwam dadelijk op hem toe, vriendelijk.

"Ik hoor van 'mboh, dat je mij gezocht hebt, Siman; waarom niet

gewacht? Ik was juist even uitgegaan. En toen ik thuis kwam, zei 'mboh,

dat je net weg was ... Waar kom je vandaan, zeg? ... En heb je Rekso

al gezien, hij is zoo'n zoete, lieve jongen ...? En wat wordt hij dik,

hè ...?"

Het was Siman niet ontgaan dat Djiah zeer bleek en ontdaan zag. Ook

was hem de gejaagdheid in haar spreken opgevallen. En plotseling

greep het spook van den argwaan hem opnieuw bij de keel. Het dreigde

hem te verstikken. Een schemer trok voor zijn oogen.

"Waar ben je geweest?" kreet hij in woede.

Djiah verschrok van zijn gelaatsuitdrukking. Zij aarzelde, kon zoo

spoedig geen leugen verzinnen; ach God, ze was zoo weinig gewoon

te liegen!

"Ik moest ergens heen" ... stamelde ze.

"Waarheen, waarvoor?"

"Ach, Allah, vergeving, Siman, vergeving, wees niet boos ...."

"Vergeving? Vergeving!? Waarvoor?"

'Mboh Sima wilde de situatie redden.

"Ik heb je immers gezegd, Siman, dat ze ...." begon de oude. Maar

woedend viel Siman uit:

"Zwijg jij. Jullie liegt me voor. Jullie liegt .... Waar ben jij

geweest zeg, hè, zeg op ..... waar ben je geweest!!" Heftig schudde

hij de jonge vrouw door elkander.

Djiah verging van ontzettenden angst en verijdelde daardoor het pogen

der oude vrouw. Ze wilde liever bekennen, dan nog langer die marteling

doorstaan. Alles liever, dan ....

Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid · 第 10 / 17 题