"Ik ben niet slecht, Siman ..... ach, geloof me toch ... Siman .. ik

ben niet slecht .." Ze wierp zich op den grond voor haar echtgenoot,

omvatte zijn knieën, maar Siman was meedoogenloos. Hij rukte haar

ruw weer op de been en snauwde haar toe:

"Als je het niet gedaan hebt ... vrouw ... waarvoor vraag je dan

vergiffenis? Jij liegt ..... vervloekte h...."

"Neen ... neen ... Siman, zeg dat niet ... zeg het niet ... Allah,

Allah, Siman, Siman ... vervloek me niet ..."

Ze huilde, ze snikte, wentelde zich over den grond; de lange haren

waren losgeraakt de kabaja was opengescheurd ... Die wanhoop van haar

was voor hem een vreeselijke openbaring, die door zijn gemartelde

hersenen flitste: Ze was schuldig ... ze was schuldig! Hij dreigde

te bezwijken, hij wankelde,--maar zijn mannentrots was te sterk,

de beleediging te zwaar:

"Een hoer ben je!" schreeuwde hij, "... een hoer ... vervloekt zij

je ... vervloekt de vrouw, die je baarde ... vervloekt je kind ...!"

"Het is jouw kind, Siman ... het is jouw kind!" jammerde de

ongelukkige.

"Je liegt ... je liegt ...!" Het schuim kwam Siman om den mond. Een

hartstochtelijke begeerte maakte zich van hem meester: de vrucht, die

zij bij zich omdroeg, uit dat lichaam te trappen ... te trappen. Het

was niet zijn kind! ... Het was een kind van een ander ...

"Wie is het! ... wie is het? Zeg op of ik vermoord je!"

Hij viel op haar neer, sloeg haar met de vuisten in het gezicht,

wurgde haar bijna ...

"Vergeving ... Siman," reutelde Djiah, "ik zou ontslagen worden

... Siman ... geloof me toch ... Siman ... ik móest ... Oh, Allah

hoort mij ... ik moest ... ik móest."

"Wie is het ...?"

"Er is geen eten genoeg ... voor ons niet ... voor Rekso niet ... Siman

... als ik niet blijf werken ... ik moest ... Allah weet ... ik wilde

niet ..."

"Zeg op, vrouw ... wie is het?"

Het was nauw meer een menschelijk geluid, dat uit zijn borst

ontsnapte. Hij gilde. 'Mboh Sima was naar buiten geloopen ... ze bleef

luisteren aan de deur. Als Siman zich maar niet vergat ... Och God,

wat was Djiah toch dom ... kassian! [198]

Binnen huilde Siman:

"Zeg op ... zeg op! ..."

"Kario," snikte Djiah.

Een oogenblik was Siman als verlamd, nu hij den roover van zijn eer

hoorde noemen. Toch had hij dien naam willen vernemen. Waarom? Waarom

wilde hij zijn vijand kennen? Hij wist het niet.--Ja toch, hij wist

het wel ... Wraak, wraak wilde hij ....

En hij trapte tegen de roerlooze vrouw, die slet, die ellendige;

hij trapte haar op den buik ... met opzet, woedend ... hij wilde

doodtrappen dat vervloekte kind, waarvan ze zwanger was ... hij trapte

... drie, viermaal ...

Djiah kreunde, toen stiet ze plotseling een hartverscheurenden kreet

uit en bleef bewegenloos liggen, buiten kennis.

Siman was weggehold, zonder hoofddoek. Waarheen? Hij wist niet ...

Wat wilde hij? Toen opeens verzamelden zich zijn gedachten: ze

brachten hem het beeld van zijn doodsvijand voor oogen. Hij kende den

ellendeling van vroeger. En toen wist hij wat hij wilde: hem dooden.

Hij wist de woning van Kario te vinden, aan het kruispunt. Het was

kenbaar aan den doerenboom.

Daar was het huis ... er brandde nog licht ... de deur was nog niet

afgesloten.

Siman rende de nachtronde voorbij ... zonder te letten op hun roep

... zonder te bemerken dat men hem volgde ... Hij wierp de deur

open ... Kario lag op de baleh, rookend. En eerst toen Siman dien

man zag, dacht hij aan zijn kris, poesaka van zijn vader, die nu

zijn eer zou wreken. Voordat Kario begreep wat er ging gebeuren,

lag de woesteling op hem ... De kris ging omhoog, en diep plantte

zij zich in den schouder van Kario. Siman was te verblind om juist

te treffen. De getroffene worstelde tegen, om hulp roepend ... Weer

ging de kris omhoog ... weer trof zij slecht ... De derde maal voelde

Siman dat iets zijn arm tegenhield .... Hij zette zijn tanden in den

hals van den mandoer ... beet ....

Met groote moeite trok de ronde hem van zijn slachtoffer af. Voordat

hij het wist, was Siman geboeid. Hij voelde de touwen in zijn polsen

schrijnen. Een groote volksmenigte was in de woning gedrongen. De

roep van Kario: "Toelong ... amok [199]...!" had velen gewekt.

Siman hoorde een geroezemoes van stemmen om zich heen. Hij zag het

bloedende lichaam van Kario, waaruit alle leven verdwenen leek. In

den mond had hij nog een bloedsmaak, tusschen z'n tanden zaten nog

stukjes vleesch ....

Een gevoel van berusting, van kalmte kwam over hem ... Zijn wraak

was gekoeld.

Men bracht hem weg. Hij zag Pah Asriep, die hem met groote deernis

beschouwde, hoofdschuddend in niet begrijpen. Men voerde hem

voor den opzichter, die last gaf hem dien nacht bij den demang te

huisvesten. Morgen zou men hem opsturen naar Telatiga.

"Wie is het?" vroeg Van Affelen aan het hoofd der ronde, die hem

meegedeeld had wat hij wist.

"Siman van Gatok, doro," [200] luidde het antwoord.

"En wat is nu weer de oorzaak?"

"Koerang priksa, doro." [201]

Drie maanden reeds zat Siman preventief in de gevangenis te

Telatiga. Hij vond het een vreeselijke tijd. En toch, de meeste

preventief gevangenen in Indië wachten langer op de berechting hunner

zaak. Wat maakt het ook uit, nietwaar? Voor een inlander! Een inlander

voelt niet als wij, al eet en drinkt hij als wij, beweegt hij zich

als wij. Zijn gevoel is anders; hij heeft anders lief, lijdt minder

dan wij; zijn gemoedsleven is ruwer. Hem deert het niet te leven in

onzekerheid over het lot van vrouw of kind .... Zoo denkt men. En

ten onrechte. Ten onrechte ook haast de justitie in Indië zich niet

met het berechten van eenvoudige strafzaken.

En voor Siman leek de zaak eenvoudig genoeg. Hij had een medemensch

vermoord--op zijn beurt zou hij gedood worden. Siman dacht niet na over

de ruwheid van het menschelijk rechtsbegrip, dat een leven voor een

leven eischt. Hij, natuurkind, zou de idee der lynchwet zelf gebillijkt

hebben als hij er over nagedacht had. Alleen vond hij het wachten nu

grooter straf dan het vonnis, hoe dit ook luiden mocht. Met de door ons

nooit begrepen grootheid van ziel, die den Aziaat met in het avondland

onbekende waardigheid doet berusten in het onvermijdelijke, had hij

zich voorbereid op den dood op het schavot. Hij bedacht niet eens hoe

hij zich verdedigen zou. Ja, hij wist niet eens dat hem de gelegenheid

tot verdediging geboden zou worden. Ons Recht kende hij niet, en hij

zou het ook niet begrepen hebben, gesteld dat hij het gekend had.

Vaak dacht hij in de lange, eenzame uren aan Djiah en haar beeld kwam

hem voor den geest als het beeld van een engel. Het deed hem zoo innig

leed niets van haar te vernemen, noch ook van Rekso, noch ook van de

anderen in Gatok. Telatiga was ver weg. Wie zou hem tijding brengen

van Gatok? Pah Ran? Maar Pah Ran zou gebeten zijn op hem wegens de

ruwe behandeling van zijn dochter. Zouden ze de middelen hebben om te

leven? Het regende nu vaak--zou de padi mooi staan? Kwam er niet te

veel water op de sawahs? En als dit wel zoo was, zou Pah Ran dan alleen

het werk afkunnen? Pah Roesmi, Ipahs verloofde, zou hem kunnen helpen.

Dan dwaalden zijn gedachten weer af naar Djiah. Hij zag haar weer

voor zich liggen, het gelaat verwrongen van doodsangst en smart, haar

mooie gezichtje, dat hij had geslagen met zijn harde mannenvuisten. O,

hij was slecht geweest, voorzeker, hij had haar niet behoeven te

mishandelen. Zij was toch eigenlijk niet schuldig geweest. Gedwongen

was ze; uit vrees voor geldverlies had ze 't gedaan.

Maar hij, die Kario ... Nog balde hij de vuisten als hij dacht aan

dien ellendeling en hij dankte Allah, dat het hem gegeven was geweest

zijn vijand te dooden ... En dan berustte hij weer ... Om even later

weer te denken aan den kleinen Rekso, die weldra geen vader meer zou

hebben. Maar daarover tobde Siman niet lang. Zijn moeder zou Rekso

wel zeggen, later, als hij ouder en grooter werd, waarom zijn vader

gestorven was en hoe; en zijn dood zou hem eeren in het oog van zijn

zoon ... En het andere kind ...

Siman had langen tijd gehad in de gevangenis. Hij was tot rust

gekomen, hij had begrepen dat het zijn kind was; dat Djiah niet

gelogen had. Hij kon het nu weten, bij kalm nadenken .... Maar,

zou hij dat tweede kind van hem niet hebben doodgetrapt ... in den

schoot der moeder? ... Folterende onzekerheid! ...

Dan proefde hij weer het bloed van Kario in den mond ... en

berustte. Allah had het gewild.

Als hij maar niet veroordeeld werd tot dwangarbeid! ... Dat was zijn

schrikbeeld. Uit zijn tralievenster had hij de dwangarbeiders aan

het werk gezien. Er waren groote misdadigers onder, inbrekers, die

het goed van anderen hadden gestolen, roovers, die tijdens het rooven

moordenaars hadden moeten worden; een was er, die zijn vrouw en twee

kinderen had vermoord, om een kleinigheid, in een huiselijken twist

... Dagelijks zag Siman hen in hun bruine gevangeniskleeding. Ook hem

was zoo'n uitrusting bezorgd, omdat hij slechts zijn broek en zijn

gescheurd baadje aan had, toen men hem arresteerde. Geld om zich

andere kleederen aan te schaffen had hij niet. Den avond van zijn

arrestatie, toen hij gebonden lag in de boei bij de demangswoning te

Herea, had een politieman hem gefouilleerd en hem alles afgenomen,

ook zijn geldzakje. Er was nog bijna drie gulden in aan zilver en

koper. Hij had het niet weergezien. Maar aan die bruine kleeding

wilde hij niet wennen. Hij droeg ze niet. Slechts een hoofddoek had

hij omgedaan ... Die schande ... als men hem slechts daarvoor spaarde

... Die gevangeniskleeding vond hij vreeselijk.

De man, die zijn vrouw en kinderen vermoord had, was tot twintig jaar

veroordeeld ... Tot twintig jaar! Hoe lang het wel was, Siman kon er

zich slechts een vaag idee van vormen; maar het moest toch oneindig

lang zijn ... Twintig jaar zou die man dwangarbeid moeten doen als

een slaaf. Twintig jaar!

Hij zou sterven in dien tijd van ellende. Ze mochten hem niet

veroordeelen tot dwangarbeid ... ze mòchten niet. Hij had immers

iemand vermoord? Welnu, dan moest hij ook hangen ...

Hangen! Eens had hij--hij was nog een knaap--een moordenaar zien

hangen te Soemedang op de aloon-aloon. [202] Het was een vreeselijk

gezicht. En langen tijd was hij er nog naar van geweest. Hij

begreep eigenlijk niet waarom zoo iets altijd in het openbaar moest

geschieden. Als afschrikwekkend voorbeeld? Maar dan had het bij hem

toch niet gebaat. Hij had heelemaal niet aan dat voorval te Soemedang

gedacht, toen hij naar de woning van Kario was gerend en toen hij Kario

zijn kris in de borst had gestooten. En ook nu was het denkbeeld van de

galg hem niet zoo erg hinderlijk. Er was immers niet aan te ontkomen?

Als hij nog maar eens Djiah zou mogen zien, en den kleinen Rekso,

om hun vergiffenis te vragen. Dan zou hij rustig heengaan: zijn

geweten was zuiver. Hij had in eigen oog niets slechts gedaan. Hij

had moeten doen als hij deed. Zijn eer had hem bevolen. Allah zou

goedertierend zijn.

Als hij ze nog slechts ééns mocht terugzien, Djiah en Rekso ... één

keer nog maar ...

Toen kwam eindelijk de rechtsdag.

In het landraadsgebouw zaten de president, Mr. Van Wetten, in deftige

toga, de griffier en de inlandsche leden. Den getuigen waren banken

aangewezen.

Door twee oppassers geleid kwam de gevangene. Hij had zijn

gescheurd baadje aan, dat hij droeg op den avond van den aanslag op

Kario. Bedeesd en angstig kwam hij nader, langs de getuigen.

Plotseling verschrok hij heftig. Een doodelijke bleekheid overtrok

zijn gelaat; de oogen dreigden uit de kassen te treden; in ontzetting

vertrok zich zijn mond ... Daar, op de voorste rij der getuigen,

vermagerd en met ingevallen gelaat, zat Kario. Droomde hij of was

het waarheid, was dat Kario, de mandoer? Kario, dien hij vermoord

had, Kario, de ellendeling, die hem zijn eer ontroofd had? Het

kon niet, het was een visioen. Een der oppassers gaf hem een duw

om voort te gaan. Toen zag hij in den hals van Kario, rechts, een

groot litteeken ... Hij was het! Een onzinnige haat beving hem, hij

wilde zich op den mandoer werpen, maar de beide wakers grepen hem

vast. Er kwam eenige consternatie onder de aanwezigen. Kario deinsde

angstig achteruit. Maar de schok was te heftig, te plotseling voor

Siman. Zijn spieren verslapten, zijn hoofd zakte, zijn oogen werden

vochtig ... Allah was tegen hem. Het stond geschreven!

Van Wetten had den man doen plaats nemen op een houten

bankje, kalmeerde hem. De jonge man had de zeldzame gave van

menschenkennis. Ook had een innig medelijden met den armen beklaagde

hem bevangen, toen hij de stukken doorwerkte. Thans zag hij den jongen

Soendanees voor zich, een aanklagende lijdenstrek op het gelaat. En

hij had de beide oppassers een wenk gegeven zich te verwijderen.

Toen richtte hij het woord tot den beklaagde, die opschrikte uit de

overpeinzing, waar Djiah toch zijn zou? Zou zij dan geen getuigenis

af te leggen hebben? Wel had hij Pah Ran gezien en Sastrawidjaja en

velen, die hem onbekend waren.

De voorzitter herhaalde zijn vraag: Hoe hij heette?

Siman was niet bevreesd. Hem kwelde geen schuldbewustheid. Slechts

smart had hij gevoeld, toen hij Kario herkend had.

Hij deelde mede naar waarheid, wat hij gedaan had en trilde even

van hartstocht, toen hij de verzekering gaf dat het zijn doel was

geweest Kario te dooden. Hij bekende gedaan te hebben wat hem ten

laste gelegd werd.

De getuigen konden slechts verklaren wat ons reeds bekend is. Kario

alleen trachtte de schuld van den beklaagde te verzwaren. Hij ontkende

zich te hebben schuldig gemaakt aan iets, waarin Siman grond gevonden

kon hebben hem naar naar het leven staan. De vrouw van beklaagde

had zich vrijwillig aan hem gegeven, hij had nooit eenige pressie op

haar uitgeoefend.

De voorzitter moest hem herinneren aan den door hem afgelegden eed en

aan de straf, welke meineed bedreigt. Hij las voor de verklaring, voor

den demang gegeven. Maar Kario bleef moedwil zijnerzijds ontkennen.

Toen wendde de voorzitter zich tot Siman. Met van haat gloeiende

oogen, had deze den getuige aangestaard. Een vurige hoop leefde in

hem op, dat hij niet ter dood gebracht zou worden. Hij wilde jaren

gevangenisstraf dragen, als hij daarna maar weer een korten tijd op

vrije voeten mocht zijn. Hij zwoer op dat oogenblik bij zichzelf dat

hij van zijn vrijheid geen ander gebruik zou maken dan om Kario te

dooden. Hij zou dan kalm overleggen, zijn aanslag rustig berekenen,

en hij zou niet missen ...

"Hij liegt!" siste hij op de vraag van Van Wetten.

"Je houdt dus vol bij je verklaring?"

"Ja, kandjeng; vraag mijn vrouw."

"Uw vrouw ...?"

Er lag zulk een verbazing op het gelaat van den blanke, dat een

ontzetting over Siman kwam. Wat beteekende die verbazing bij den

voorzitter? Zou Djiah ...? Hij waagde het niet die gedachte te

voltooien.

Van Wetten boog het hoofd onder den starren blik van den beklaagde. Het

was als ware hij de schuldige.

Hij vroeg niet verder en schorste de zitting om te beraadslagen met de

overige leden. Toen riep hij Pah Ran en droeg hem op een boodschap over

te brengen aan den gevangene. Maar hij weifelde en riep den man, die

zich reeds langzaam verwijderde, terug. Het ging niet, het was tegen

den vorm een getuige een onderhoud te doen hebben met den beklaagde,

voordat de eisch gesteld was.

Hij ontbood een oppasser en gelastte hem den gevangene weer voor

te brengen.

Siman verscheen.

Lang staarde de voorzitter den beklaagde aan; hij streed zichtbaar

met een groote aandoening. En de taak was moeilijk voor hem, omdat

hij hart had, omdat hij voor zich gevoelde de diepte van het leed, dat

zijn woorden dien eenvoudigen inlander zoo dadelijk zouden berokkenen.

Van Wetten stond als ambtenaar misschien niet boven het gemiddeld peil,

maar hij was een goed mensch.

Zacht klonk zijn stem:

"Heb je wel eens iets gehoord van Gatok, toen je in de gevangenis

was, Siman?"

"Neen, kandjeng."

"Nooit eens iets gehoord? Heeft nooit eens iemand je in al dien

tijd opgezocht?"

"Neen, kandjeng."

Van Wetten zweeg.

"Heb je kinderen, Siman?"

"Ja, kandjeng, één."

"En is er nog familie van je in Gatok?"

"Ja, kandjeng."

"Dus bij die zou je vrouw dan kunnen zijn?"

"Ik denk het wel, kandjeng."

Weer zweeg Van Wetten. De inlander beschouwde hem aandachtig. Wat

hàd de blanke toch?

"Je vrouw is ziek geweest, Siman."

Siman zweeg.

"Heel zwaar ziek, ja, heel zwaar."

Nog zweeg Siman en maakte het den voorzitter daardoor niet

gemakkelijker. Hij staroogde slechts. Begon hij te vermoeden ....?

"Ga maar zitten op die bank, Siman."

Alweer hokte Van Wetten.

"Zij is--niet beter geworden ...."

Toen wist Siman het. Hij schokte; angstig keek hij den ambtenaar

aan. Hij las het vonnis in diens oogen, en, met bovenmenschelijke

inspanning haast zich beheerschend, vroeg hij zacht, toonloos:

"Dood?"

Van Wetten knikte. Spreken zou hij niet gekund hebben, op dat

oogenblik.

"Dood," herhaalde Siman bij zich zelf.

Hij zat daar stil, inééngebogen, bewegingloos. Langzaam verwijderde Van

Wetten zich en nam een teug uit het glas water op de tafel. Het gelaat

van den Soendanees stond strak en onbewegelijk. Toch ging een wereld

van gedachten door zijn ziel. Ze was dus dood. Hoe? Waaraan?--Hij

wist het, hij wist het. Hij, hij had haar gedood. Hij, die haar

liefhad. Nooit had hij geweten hoe lief hij haar had.--Nu was ze

heen. Hij zou haar gelaat nooit weer zien ...

Wel tien minuten waren heen gegaan, voordat Van Wetten de leden van

den raad, die in de pendopo wachtten, een wenk gaf om zich weder

te zetten. Toen werden de getuigen weer binnen geroepen en sprak

de voorzitter het vonnis uit: Zes maanden gevangenisstraf, onder

aanneming van zeer verzachtende omstandigheden.

Siman verstond maar half en vaag.

Harder vonnis velde zijn geweten: hij had zijn vrouw gedood.

Dien avond bezocht Pah Ran, daartoe door Van Wetten aangezet, den

gevangene in de boei.

Siman zat roerloos op den dunnen stroozak, die den vloer niet zachter

maakte.

Toen zijn schoonvader binnenkwam, lichtte hij het hoofd op.

"Waaraan is ze overleden, Pah?" vroeg hij zacht.

"Ik weet het niet, mijn jongen. Drie dagen nadat jij weg was, heeft

ze een miskraam gehad; toen is ze ziek gebleven. En twee maanden

later was ze dood--het zat in den onderbuik; kanker geloof ik."

Het laatste sprankje hoop vlood heen. Siman hoorde weer zijn geweten

vonnissen: hij was haar moordenaar ....

Pah Ran sprak over vele zaken: hoe het in Gatok was; hoe de padi

stond; dat Mah Ten zoo oud werd; hij sprak over de zusjes, over de

heerendiensten, over de slechte vooruitzichten met het gewas, over de

weigering van reeds vele opgezetenen om de vrijwillige overeenkomsten

te teekenen, over zijn eigen weigering, over den kleinen Rekso, die

uitmuntend verzorgd werd door Ipah; hij sprong van den hak op den tak;

hij zocht in alles afleiding voor Siman--het baatte niet.

Siman bleef stom, al maar starend op den grond, op een plekje tusschen

zijn voeten, het hoofd in de handen. Pah Ran ging weer heen.

Er was te Gatok en op het geheele land Alas Bamboe veel gebeurd

tijdens Simans afwezigheid.

Toen Djiah begraven was, op het kleine kerkhofje, was de woning van

Siman onbewoond gebleven. Hij en Djiah hadden zooveel zorg besteed

om het kleine nieuwe huis een net voorkomen te geven. Siman had het

erfje steeds schoon gehouden van onkruid. De katèsboomen achter

waren al aardig opgeschoten. Op zijde, aan den zonkant, had hij

pisang geplant. En reeds hadden de boomen vrucht gedragen en hadden

tal van anaks [203] den aanplant uitgebreid. Maar nu geraakte de

woning in verval. Het erf stond dik van het onkruid, een lawoe [204]

werkte zich langs een der deurposten omhoog. Voor den pisangtuin

werd nauwelijks zorg gedragen. Pah Ran had er waarlijk geen tijd

voor en met de typeerende onverschilligheid van den inlander liet

hij alles maar groeien zooals het wilde. De oude pisangboomen bleven

nutteloos doorgroeien, rotten weg en vielen om, in hun val jongere

generaties vernielend. In de woning lekte het en het water bedierf

de bamboezen sparren.

Wel hadden de bewoners der andere woning ook van deze bezit kunnen

nemen, maar, afgezien van het feit dat de eene mannelijke bewoner

moeilijk in beide woningen tegelijk kon huizen, en het toch niet

aanging een of meer van de meisjes alleen Simans huisje te doen

betrekken, zouden zij er ongetwijfeld eenig bezwaar tegen gehad hebben

den nacht door te brengen in een verblijf, waar nog kort geleden een

doode uitgedragen was.

Ook met Pah Ran had een geduchte verandering plaats gegrepen na

den dood van zijn dochter. Hij was zeer neerslachtig en in zichzelf

gekeerd, sprak weinig en hield zich een groot deel van den dag bezig

met den kleinen Rekso, voor wien hij dubbele belangstelling en dubbele

genegenheid begon te gevoelen. En overigens zat hij zijn botte hersens

suf te denken op middelen om hun aller positie te verbeteren. Het

verdroot hem dat er zoo weinig voor hen was om van te leven. En wat

baatte het hem al of hij het voorbeeld volgde van de velen om hem heen

en zich begon te oefenen in hongerlijden? Hij kon vaak terugdenken aan

den tijd, dat zij het in het Soemedangsche, nou ja, wel niet breed

hadden, maar toch nooit bepaald honger hadden geleden. De Pasoendan

[205] waren zooveel vruchtbaarder en ook al viel de rijstoogst eens

tegen, de bijproducten maakten toch meest het gebrek weer goed.

Hier was het anders. En daar ver weg, zuidelijk van de bergen, zou

men hem niet geloofd hebben, wanneer hij had verteld dat de lieden

aan deze zijde dier bergen zich na den oogst stelselmatig oefenden in

hongerlijden. En toch was dit zoo. Hij, Pah Ran, kon het getuigen, uit

ervaring nu. Kort na den oogst begint men in de armere streken van de

beide landen Alas Bamboe en Telatiga zich te gewennen aan éénmaal eten

per dag. En als dat een poos goed gaat, en de vooruitzichten van het te

veld staand gewas worden weer slechter, zooals elk jaar 't geval is,

dan eet men slechts eens in de twee dagen. In hongerjaren geeft ook

dit systematisch hongeren niet veel. Want al duurt het wat langer,

voordat de beschikbare voeding ingeteerd is, dat oogenblik kòmt toch.

Ook op Alas Bamboe en op Telatiga was veel veranderd. Er was een geest

van onrust en verbittering over het volk gekomen en de traditioneele

onverschilligheid voor het materieele bestaan was geweken. Er werd

veel geklaagd; men duldde niet meer in stilte. Men gaf uiting aan de

grieven, die men had. Natuurlijk nog slechts onder elkander. Maar

toch, men spràk er reeds over. Dat is immer een slecht teeken. Het

verraadt toch dat de gedachten gaan over zaken en dingen, die liever

ongedacht moesten blijven; wat ook veel aangenamer zou zijn voor de

eigenaren. Denkende slaven doen hun arbeid veel minder goed.

En vooral thans kwam die ontevredenheid onder het volk zeer

ongelegen. Er was veel werk te doen.

Eenige talangs [206] moesten noodig aangelegd worden, wilde de tjoeké

over een groot deel van het district Herea nog binnenkomen; want daar

had de droogte nu reeds groote schade gedaan aan het gewas, niet alleen

direct, maar ook en vooral doordat ze de vermenigvuldiging van zoo vele

schadelijke insecten, vijanden van den landman, bevorderde. De muizen

hadden zich alweer op tal van plaatsen vertoond; de hama soendep of

padiboorder fleurde heelemaal op, bij de hitte. Op tallooze sawahs was

de gevreesde hama dedet geconstateerd, stagnatie in den groei, en het

liet zich aanzien dat, behalve de hama mendong, ook de walang sangit

acte de présence zou geven, als de regens nu niet spoedig kwamen.

Ja, het was zeer noodig dat wat beter voor de irrigatie gezorgd

werd. Dit kon niet anders geschieden dan in heerendienst. Niet waar,

het is duidelijk dat een ondernemer, die over gedwongen arbeidskrachten

kan beschikken, niet noodeloos geld uitgeeft voor arbeidsloon? Vooral

niet, waar toch ongestraft de bepalingen omtrent het recht tot heffing

van die arbeidsbelasting mogen worden overschreden, onder sanctie

van den procureur-generaal te Batavia. En daarom was het heel en

al ongewenscht, dat de bevolking ontevreden werd. In hun dwaasheid

zouden die zwarten nog heel wat soesah kunnen veroorzaken.

Onder de Europeesche regeerders dier beide landen was het geenszins

onopgemerkt gebleven dat de bevolking zich begon te veroorloven te

denken over haar lot.

Nederman had al eens mededeelingen ontvangen van zijn geëmployeerden,

die erop wezen.

Op zekeren avond zat hij in zijn bureau gebogen over een rapport van

De Leeuw, dat hij juist had ontvangen en dat hem zeer onaangenaam

gestemd had.

De Leeuw had een overzicht gegeven van den toestand zijner afdeeling,

die niet de slechtste was van de vier, waarin het land verdeeld is.

Er is nog wel wat uit dit rapport te leeren, vandaar dat ik er de

lezers kennis van laat nemen:

Ingevolge Uw schrijven d.d. 25 October, schreef De Leeuw,

breng ik hieronder verslag uit omtrent den algemeenen toestand

der bevolking, speciaal in verband met de beschikbare

voedingsmiddelen in de districten Alas Bamboe en Goenoeng

Lawang en vang ik aan met een terugblik op de drie voorgaande

jaren wat Alas Bamboe aangaat. In die drie jaren dan heeft het

aantal zielen respectievelijk bedragen: 22919, 20116 en 19912,

wat een belangrijken teruggang aantoont, terwijl dit district

opleverde aan rijst, approximatief en respectievelijk, 19.929.72,

22.497.04 en 26.342.60 picols. Omgeslagen over het aantal zielen,

geeft dit per hoofd 0.86, 1.11 en 1.32 picols rijst. Deze cijfers

zijn verkregen na aftrek van het aandeel in de tjoeké. Van die

hoeveelheden voedsel had de bevolking dus moeten bestaan van het

einde van den snijtijd af, gerekend op einde September/October,

tot het begin daarvan d.i. Juni van het volgende jaar, (daarbij

niet meegerekend wat zij vanwege het land in voorschot ontvangt

in padi en geld, hetgeen zij terug heeft te betalen). Men zou

hierdoor tot de conclusie komen, dat die bevolking 8 maanden lang

van dat quantum had moeten leven, hetgeen natuurlijk in strijd is

met de werkelijkheid. Maar op welke wijze voorziet zij dan in hare

levensbehoeften? Deze vraag moet zich onwillekeurig opdoen. En

ze is niet moeilijk te beantwoorden; de Chinees is er goed voor.

De hier gebruikelijke weg is, dat de kleine man geld leent van

den Chinees onder oogstverband. Voor f 1.-- moet hij 1 picol

padi of voor f 2.50 3 picols padi teruggeven; of hij verpandt

zijn karbouw, die b.v. een waarde heeft van f 35.-- voor f 10.--,

waarvoor hij een bewijs teekent, aangevende dat hij f 17.50 heeft

ontvangen in leen. Ja, ook zijn huis gaat er aan. Van den karbouw

ziet hij natuurlijk niet veel terug, want die wordt gewoonlijk

het eigendom van den Chinees, daar hij in gebreke blijft, mòet

blijven, het geleende terug te geven.

De nadeelen van dergelijke transacties laten zich nooit direct

gevoelen, maar eerst na eenige jaren, en vooral wanneer misoogsten

hebben plaats gehad, zooals in de drie vorige jaren. Dan eerst

komen de rampen van zulke systemen in al hare naaktheid aan

het licht.

De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven, want, doordat zulke

abnormale toestanden werden gecreëerd, moest de bevolking wel

verloopen en de veestapel verminderen. Dat gaandeweg zoo'n

bevolking wegkwijnt, behoeft geen nader betoog, evenmin als dat

het heilig streven moet zijn, die bevolking weer op te heffen

uit haren treurigen toestand.

Op welke wijze moet daarin voorzien worden? Ook deze vraag is,

dunkt mij, niet moeilijk te beantwoorden. Men late de bevolking

werken tegen betaling.

Er moet veel en vaak gelegenheid worden gegeven aan reliefworks te

arbeiden, echter niet op de wijze, als dat vroeger ging; dan toch

moet het succes, dat men voor het daarvoor besteede geld mocht

verwachten, uitblijven. Men moet bij het in het leven roepen van

zulke werken letten op:

1e de noodzakelijkheid daarvan,

2e op een goede regeling, en op de vorderingen, dat is: er moet

toezicht zijn,

3e op het blijvend belang der aan te brengen veranderingen.

De districten Alas Bamboe en Goenoeng Lawang hebben in geen 15

jaar zulke werken gehad en ik geloof speciaal Uwe aandacht daarop

te moeten vestigen. Verder mogen wij niet verzuimen bijzondere

aandacht te wijden aan den veestapel.

Zooals duidelijk uit de rapporten der districtshoofden blijkt, is

die aanzienlijk gedund, en het verdient zeer sterk aanbeveling,

vanwege het land karbouwen op te koopen en die aan de bevolking

in gebruik te geven. De hoofden der districten en de desahoofden

worden alsdan voor goede verzorging, behandeling en gebruik

aansprakelijk gesteld.

De huur van een karbouw is thans f 5.-- of 5 picols padi. Wij

zouden kunnen verhuren bijv. tegen 1 1/2 picol rijst of zooiets.

De bevolking mòet geholpen worden, want zij lijdt gebrek. In de

meeste desa's voedt zij zich met rijst en bladeren, 1/3 rijst

en 2/3 bladeren. Het komt reeds weder voor, dat sommigen om den

anderen dag eten. Dit heet dan een goed jaar!

Wanneer het land nog een goede hoeveelheid rijst had, zou

het zeker aanbeveling verdienen, die aan de bevolking te

verstrekken. Evenwel, er is, houdt U het mij ten goede, zeer

onverantwoordelijk gehandeld, wijl alle rijst van de hand is

gezet. Het gevolg zal zijn dat, mocht het land thans rijst willen

opkoopen van de diverse handelaren, grof geld betaald zal moeten

worden.

Ik hoop hiermede U voldoende omtrent den algemeenen toestand te

hebben ingelicht.

"Och, die De Leeuw," bromde Nederman voor zich heen, "die man heeft

altijd van die ultra-filantropische neigingen. Een goed employé,

maar te veel hart, te week--ja, dat is het, te week."

Maar toch hinderde hem het rapport. Het had hem onaangenaam gestemd,

niet wijl hij zich voorstelde het leed, dat de bevolking moest lijden,

maar wijl hij met wrevel bedacht dat al die misère het land op kosten

en de eigenaren in slechten luim zou brengen.

Hij troostte zich evenwel met de gedachte dat De Leeuw wel overdreven

zou hebben, al was hij daar nu niet àl te gerust op. Intusschen,

Nederman was een blijmoedig mensch. Een uur later had hij zich door

een stevige whisky-soda weder in zijn humeur gebracht.

Hij was bovendien op een niet onaardig idee gekomen. De ontevredenen

onder de bevolking, dat stond bij hem vast, moesten gestraft worden,

opdat dit voorbeeld afschrikwekkend zou werken op anderen, die zich

wellicht bij hen zouden willen aansluiten. Hij had in zijn langjarige

practijk meermalen de vruchten gezien van zulk een politiek. De

Javaan laat zich heel spoedig ontmoedigen. En uiterst moeilijk

is hij er toe te brengen zich in soesah te begeven, met de hoop

slechts--want zekerheid bezit hij daaromtrent niet: zekerheid van

bezit, goederen of eigendom, noch ook van persoon of positie bestáát

in Indië voor den inboorling--op verbetering van de verhouding

tusschen hem en den Europeeschen exploitant. Hoe moest Nederman

het nu aanleggen om degenen, die het slechte voorbeeld gaven aan

toekomstige andere ontevredenen, voor hun pogen gestraft te krijgen,

duidelijk waarneembaar voor die anderen? Indien hij zich van de

medewerking der bestuursambtenaren daartoe kon verzekeren, zou dat

prachtig zijn. Maar hoe? Moedwillig zou de assistent-resident zich er

zeker niet toe leenen; want met een grijns gaf Nederman zichzelf toe,

dat Van Dam wel een "beroerling" was als afdeelingsbestuurder, maar

geen slecht mensch. Hij zou de bevolking niet moedwillig vexeeren,

alleen om den landheer welgevallig te zijn. Intusschen zou men met

succes op zijn vrees voor soesah en zijn gemakzucht kunnen werken,

bedacht Nederman. Indien hij hem daarbij nog kon overtuigen van zijn

goed recht in de eerste plaats, en verder dat hij slechts in het

belang der bevolking handelde--dan zou de zaak gewonnen zijn.

Maar alweer: hoe?

Met die rijstlevering zou het wel gaan. Dan hier, dan daar, dan in deze

desa, dan weer in gindsch district, begonnen de landbouwers te weigeren

de vrijwillige overeenkomsten te teekenen. Zij wilden padi leveren,

naar gewicht. Nu, Nederman was veel te sluw om niet reeds lang begrepen

te hebben dat Van Dam in het geheel geen inzicht had in de finesses en

détails van het rijst-bedrijf. Weshalve hij het geen moeilijke taak

achtte, den assistent-resident er van te overtuigen dat het belang

der bevolking zèlf medebracht rijst en geen padi te leveren. En dan

zou een prentah aloes [207] voldoende zijn om de bevolking weer op

het rechte pad te brengen en de nog niet verdoolden er op te houden:

dat wil zeggen op het pad, dat voor de eigenaren naar de jaarwinsten

voerde. Maar dan? Met die heerendiensten ...?

En intusschen wist Nederman zeer wel, dat reeds thans, dan van hier,

dan van ginds, groepjes opgezetenen er de lange reis naar Telatiga

voor over hadden gehad om bij den assistent-resident te klagen over

den zeer verzwaarden druk der heerendiensten, over onrechtmatige

product heffing en over andere overtredingen van het reglement. Daar

moest een eind aan gemaakt worden. Die klagers moesten gestraft worden.

Een idée! Nederman was bij uitzondering actief: hij werkte de gedachte

uit. En daarna deed hij door een zijner bedienden den koewoe van

Sikarang ontbieden.

Het was reeds laat in den nacht, over tienen, toen Madja, de koewoe, in

een zwart jasje en een donkere sarong gekleed, op de stoep verscheen.

Madja was iemand, die met vele anderen de eer genoot Nederman bij

voorkomende gelegenheden van dienst te mogen zijn in galante avonturen

en, als al die anderen, had ook hij natuurlijk het vertrouwen van zijn

baas, en maakte hij ten eigen bate misbruik van dit, hem overigens

weinig tot eer strekkend, vertrouwen.

"Ah, zoo! Madja, ben jij daar. Kom hier in mijn kantoor. Ik heb

ernstige dingen met je te bepraten."

De Javaan, die gemeend had dat er weer een beroep gedaan zou worden op

zijn bereidwilligheid, was zeer verbaasd over deze inleiding. Ernstige

dingen! Wat zou dat kunnen zijn?

Hij schoof het kantoor binnen en bleef in silo-houding [208] zitten

voor de schrijftafel in het halfduister.

"Madja," begon Nederman, "je hebt zeker ook wel gemerkt dat de lui

hier ontevreden zijn op het land, hé? Vooral in den laatsten tijd. Nou

wou ik van jou weten waar dat aan ligt?"

Madja zweeg.

"Ben ik misschien te streng voor ze? Natuurlijk moeten ze hun tjoeké

betalen en de heerendiensten verrichten. Dat begrijp je zelf wel. Maar

waar ligt het dan aan?"

"De oogstvooruitzichten zijn slecht, 'n doro." [209]

"H'm, ja. Maar dat is de schuld van toean Allah!" spotte Nederman.

"De heerendiensten zijn zwaar, 'n doro."

"Nou ja, maar 't is toch in het eigen belang van de menschen. Ik laat

die irrigatiewerken toch aanleggen, opdat ze water op de velden zullen

krijgen. Of moet ik soms zelf met een siraman [210] loopen?"

Nederman was blijkbaar in een goede bui. Madja overwoog dat hij heden

avond wel vrijuit kon spreken.

"Er worden ook menschen geprest voor de garok, die te oud zijn."

"Zoo? Nou ja, een enkele."

"Ze zeggen, dat de voeding niet voldoende is."

"Een kattie rijst. Verdomme, dat vreten ze hier soms in geen twee

dagen."

"En de afstand, 'n doro; ze zeggen dat ze vaak meer moeten afleggen

dan geoorloofd is, en dat ze daardoor heel veel langer moeten werken."

"Praatjes! Vroeger wisten ze van die dingen geen zier. Nu zijn ze

opeens zoo wijs. Wat duivel, hoe komen ze toch aan al die wijsheid?"

"Er is hier een procureur bamboe geweest, 'n doro, en ook moet er

een geweest zijn in Herea. Die menschen stoken de wong tani [211]

op om te klagen. Want zij moeten van zulke perkara's leven."

"Ja, dat verdomde volk is het. Als zoo'n kerel weer op het land komt,

dan waarschuw je mij onmiddellijk. Ik zou wel's willen zien, wie hier

een voet op Alas Bamboe zet zonder mijn toestemming. En die kerels

zijn het zeker ook, die de lui opstoken om geen rijstcontracten

te teekenen?"

"Voor een deel wel, 'n doro. Maar de meesten weigeren, omdat zij de

rijst te mooi moeten leveren. En velen zeggen ook, dat ze te veel

moeten leveren."

"H'm." Nederman voelde heel goed waar de koewoe op doelde: op de

knevelarij van den landheer. En het was hem onaangenaam te moeten

ontwaren, dat de man hem dit zoo, wel is waar bedektelijk, dorst

toevoegen.

"Madja, die klagers moeten gestraft worden. Die menschen geven een

hoop soesah en bederven de goede lieden. Er moet een voorbeeld gesteld

worden, waarachtig, in het eigen belang van de lui. Maar hoe? Als ik

ze straf, dan komt er perkara, want het gouvernement staat het niet

toe. Ze begrijpen niet, dat het voor de lui zelf goed is."

Madja zweeg.

"En ook de menschen, die geen rijstcontracten willen teekenen. Ik

ben waarlijk te goed voor ze. Nou denken ze mij te plagen met padi

te leveren. Alsof ze daar niet zelf veel slechter mee weg zijn. Dan

moeten ze veel te veel opbrengen. Neen, dat gaat niet. Ik ben geen

bloedzuiger. Ze moeten rijst leveren, arme kerels. Maar breng ze dat

nu maar eens aan 't verstand!"

Nederman was op dit oogenblik waarlijk in de meening dat hij een

braaf mensch was. Madja zweeg nog steeds. De handen in den schoot,

het hoofd gebogen, scheen hij het geheel eens met zijn meester. Toch

trok heel even een lachje om zijn mond.

Daar hij bleef zwijgen, vervolgde Nederman:

"Zie je, Madja, je kent de lui voldoende. Als ze zien dat de mopperaars

en de klagers door tjilaka worden getroffen, zeggen ze: het is niet

goed wat zij doen ...?"

Nederman eindigde plotseling en keek den Javaan uitvorschend aan. Op

diens gelaat echter vertrok geen spier. Hij was zichzelf volkomen

meester. De administrateur kneep in nijd den pennehouder stuk,

waarmee hij had zitten spelen.

"Ik moet die lieden kennen, Madja. Jij moet mij hun namen opgeven. Je

hebt spionnen genoeg. En je kunt ze ook wel wat geld beloven, dat krijg

je wel van me terug. En dan, eh ..."--Nederman weifelde.--"Madja,

ik kan dit alles nu wel met jou bespreken, zie je. Jij begrijpt dat

ik alleen het goede bedoel met de menschen. Maar de meeste koewoe's

zijn domme desalieden. Breng jij hun dus maar over ... wat ik, eh

... wensch, begrepen?"

"Inggeh, 'n doro."

"Het is geen bevel, geen prentah, zie je. Ik verzoek alleen."

Madja had den blanke uitmuntend begrepen, zoo goed als deze het maar

wenschen kon. Reeds den volgenden dag begon het spionnenwerk. En

weldra had de administrateur een heel lijstje bijéén, dat haast

elken dag groeide. Het bevatte de namen van de lieden, die waren gaan

klagen te Telatiga of op andere wijze van hun ontevredenheid hadden

blijk gegeven. En dat waren er zeer velen. De administrateur van het

land Telatiga moest dan ook schrijven aan de eigenaren: "Dagelijks

bijna trekken hier bij tientallen opgezetenen van Alas Bamboe naar

de hoofdplaats om te klagen. Mijn opgezetenen hebben zich tot nog

toe rustig gehouden."

De karbouw van Bapa [212] Kanidio van de desa Tjoeroeg was plotseling

gestorven toen de oude op reis was naar Telatiga. En in de sawah van

Sastrasemita van de desa Agoeng was veel padi gestolen, in den nacht

nadat Sastra openlijk had verklaard geen rijst te zullen leveren. Nog

grooter ongeluk had Wangsadiredja van Palasari getroffen. Wangsa

had geweigerd heerendienst te verrichten, zich beroepend op zijn

leeftijd. Den volgenden nacht ontstond plotseling brand in zijn

woning. Nog was de oorzaak niet opgespoord. De brand was spoedig

gebluscht, maar toch was ook Mah Djaja's huis mede verbrand.

Madja en zijn lieden hadden Nederman uitmuntend begrepen. Maar deze

had zich vergist in het resultaat van zijn vernuftig plan. Want ook

de opgezetenen begrepen dat de tjilaka geen bovennatuurlijke oorzaak

had en de verbittering steeg.

Steeds meer lieden weigerden de vrijwillige overeenkomsten te teekenen;

men waakte op de velden en men deed wachtdiensten bij buffelkraal en

woning des nachts.

Een enkele maal ontving een spion van het verbitterde volk het loon

zijner lage diensten, en de tjilaka verminderde wel. Maar toch bleef

het Judasloon bespieders trekken.

In dezen tijd ongeveer was het, dat Pah Ran thuis had medegedeeld

naar Telatiga te willen gaan om te klagen. Men raadde het hem af,

men smeekte hem, liever te dulden. De oude was koppig als een ezel:

hij zou en hij moest naar Telatiga. En hij ging. Zijn klachten waren

gegrond, bewijzen had hij, dat de landheer meer diensten eischte van

de opgezetenen dan waar hij recht op had, en meer tjoeké vorderde dan

het 1/5 bedroeg. Bewijzen had hij bij stukken en brokken verzameld

en hij kon zich beroepen op het getuigenis van zeer velen. Enkelen

dezer waren met hem mede getogen naar Telatiga, de anderen hadden zich

verbonden om tijdens hun afwezigheid te waken over hun haard en goed.

Te Telatiga waren Pah Ran en de zijnen op den raad van Pah Asriep niet

weer naar den assistent-resident gegaan, maar zij hadden zich tot

den president van den landraad gewend. En deze had wel nota genomen

van hun klachten, die hij genotuleerd had. Laat in den avond waren

de lieden bij hem gekomen en uren waren zij bij hem geweest, terwijl

de ambtenaar een proces-verbaal van de klachten opmaakte.

Het scheen de klagers, dat zij ditmaal succes zouden hebben.

"Neen, mijnheer Nederman, het gaat zoo niet. Ik mag me uitputten

in betoogen, het geeft me geen lor. De lui weigeren en blijven

weigeren. Ik heb er nu al een paar honderd, die van het jaar geen

rijst willen leveren."

Van Affelen zag geen uitweg meer en was bij zijn chef verslag komen

brengen van het mislukken zijner pogingen.

Nederman ijsbeerde in zijn kantoor op en neer. Hij was gansch niet

in stemming. In den laatsten tijd was de soesah niet van de lucht.

"Bij De Leeuw gaat het dan toch wel!" barstte hij opeens uit. "Hij weet

zijn menschen toch wel te bepraten om de overeenkomsten te teekenen."

"Zooals hij dat doet, kan ik het ook, mijnheer," verdedigde de

employé zich.

"Hoe bedoel je?"

"Wel, De Leeuw is in de eerste plaats een Indo, in wien de lui al

dadelijk meer vertrouwen hebben. En dan, hij is te zacht voor het

volk. Hij laat zich door hen ringelooren. Zijn taxaties zijn altijd te

laag. Vergelijk u het aantal beplante bouws maar eens met de tjoeké in

zijn afdeeling. En hij schenkt ze tjoeké kwijt bij de minste klacht

dat het beschot is tegengevallen. Als ik op Alas Bamboe was, zou ik

veel meer rijst binnenkrijgen ..."

"Wel mogelijk, Van Affelen, maar ik geloof het niet. Evenals in Herea

zou je het moeten afleggen. Daar behoef je je nu niet al te zeer over

op te winden. Het ligt niet zoozeer aan jou, als wel aan den geest,

die er tegenwoordig onder het volk is. Daar doe je niets tegen. En

alleen een kerel als De Leeuw kan zoo met het volk omgaan, dat het

in toom gehouden wordt."

Geen van beiden begreep, dat ook zij op hetzelfde resultaat zouden

kunnen wijzen, wanneer zij slechts rechtvaardig wilden zijn. Als

er niet meer gevorderd werd van de bevolking dan hetgeen zij moest

opbrengen, dan zou het in die eenvoudigen van geest niet opkomen zich

te verzetten.

"Maar goed, wat dan? Wat denk jij er van?"

"Ik zou zeggen: laten wij diplomatiek zijn. Laten wij hun openlijk

eenige concessies doen om de gemoederen wat tot bedaren te doen

komen. Het verlies voor de eigenaren kan wel op andere wijze worden

goedgemaakt, denk ik."

"Zoo, hoe dan?"

"In de pakhuizen. Maar hoe minder u daarvan weet ..."

"Je bent wel handig, Van Affelen, en misschien ook erg politiek. Maar,

jongen, die dingen zijn gevaarlijk. Je bent nog niet lang genoeg op het

land, om je rekenschap te kunnen geven van de lessen der geschiedenis,

Van Affelen."

"Ik beken dat ik niet recht vat, waar u op doelt, mijnheer."

"Ik bedoel de volwassen picols."

"Hoe zegt u: de volwassen picols?"

"Ja, die van 106 katties."

"Ik begrijp niet ..."

"Kijk eens, Van Affelen, een goede vijf-en-veertig jaar geleden werd

hier en ook op Telatiga de rijstheffing ingevoerd. Toen werd de tjoeké

niet gewogen, maar gemeten. Nou, door de een of andere onnauwkeurigheid

zal ik maar zeggen, was het gewicht van een zoo picol gemeten rijst

zes katties meer dan een picol van 125 pond. Later is de tjoeké altijd

gewogen. Maar men had de datjins [213] gelijk gemaakt aan het gewicht,

volgens de oude maat verkregen, begrijp je wel? Een picol was dus

zes katties te zwaar."

"Maar dan zijn er toch altijd overwichten verkregen?"

"Natuurlijk, natuurlijk, maar och hoe gaat dat, hé? De eigenaren

hebben van het bedrijf geen flauw benul. Och, als die lui hun

winst maar binnen krijgen, hoe meer hoe liever, dan wordt er verder

niets gevraagd. Vooral vroeger niet. En dan, die overwichten werden

behoorlijk verantwoord. Ik zou je nog wel oude, gele staten kunnen

laten zien, met onder aan de bemerkingen: overwichten zooveel,

overwichten zooveel!"

Van Affelen lachte.

"Die lui waren slimmer dan ik. Overwichten verantwoorden bij

rijstbereiding, dat lap ik 'm niet. Onderwicht ja, natuurlijk, er

is altijd onderwicht, uit den aard der zaak; bij de bereiding gaat

wat verloren."

"Ja, het was vrij stom. Maar verantwoorden is nog niet verklaren,

hé? Enfin, in '87 heeft de administrateur van Telatiga daar een eind

aan gemaakt. En toen zijn wij jaren later gevolgd."

"Intusschen zal er aardig wat overwicht geweest zijn in al dien tijd."

"Een slordige zestigduizend picols, geloof ik. Dat is te zeggen; van

'56 af."

"Een half millioen waarde, ongeveer."

"Ja, om en bij."

"Maar, u zei daar net: het was gevaarlijk?"

"Nou, het heeft een haar gescheeld, of wij waren er bij geweest als

muizen. Stel je voor, dat ik naar de Bank te Batavia een paar gantangs

[214] zend, met verzoek om bij een zekeren Chinees, die meer geleverd

had, nog een paar van die dingen te bestellen. En wat doen ze me daar,

die domooren? Het merk van den ijkmeester was er niet op, hé? Nou, daar

sturen ze me die dingen naar het ijkkantoor. Kun je je voorstellen! De

poppen aan het dansen! De ijkmeester legt beslag op de bullen. Maakt

er een zaak van. Jongens, een heele consternatie. Dadelijk nieuwe

maten besteld, met ijktjap."

"En hoe is de perkara afgeloopen?"

"Getoetoept." [215]

"Dat gaat hier nog al makkelijk in Indië."

"Och ja."

"Maar, ziet u, zoo'n verkeerde maat kun je ook niet loochenen. Dat

is dadelijk een corpus delicti. Maar het kan wel anders. Terwijl je

weegt, even de pink omlaag. Nou dat geeft de balans een onmerkbaar

zetje. Of een groote spijker aan de datjins. Dat geeft dadelijk groot

verschil. Niet waar, product van afstand en gewicht ..."

"Ja, pas maar op, pas maar op! En erg mooi kan ik het nu ook niet

juist vinden."

"Mooi, mooi! Waarom zouden de lui ons een loer mogen draaien en

waarom zouden wij dan niet daarop gewapend mogen zijn? Neen, mijnheer

Nederman, ik doe niet aan sentimentaliteit. Daar eet je niet van. Ziet

u, en daarom zeg ik, geef ze openlijk eenige concessies."

"Welke?"

"Laat 's kijken. U kunt de levering van gonnizakken vrijschenken. Dat

is bovendien erg mooi, want die filantropen met een gevulde maag,

zeggen immers dat dat ook niet mag?"

"Nou, eigenlijk hebben ze dan toch gelijk, hè?"

"Erg veel beteekent die concessie wel niet, maar de lui zullen,

dunkt mij zoo, de daad apprecieeren."

"Ja, dat is zoo. Nou, ik heb geen bezwaar; voor mijn part kunnen ze

die zakken dan aan het land verkoopen. Op Telatiga gebeurt dat al

eenige jaren, zooals je weet."

Die gonnizakken-levering was eigenlijk voor de bevolking een directe

belasting, te hatelijker wijl zij geheel onrechtmatig geheven werd. De

opgezetenen waren namelijk verplicht de vezels te verzamelen in

de bosschen van Zuid-Alas Bamboe. Nog voor eenige jaren hadden

ook de opgezetenen van Telatiga het recht om daar gonnivezels

te verzamelen. Dit recht was in de acte van scheiding der beide

landen gestipuleerd. Als de vezels thuis gebracht werden, moesten

de zakken door de vrouwen geweven worden. Daarna werden zij aan het

land geleverd, waarvoor 33 cents te goed gedaan werd. Maar zij, die

niet in de gelegenheid waren vezels in te zamelen, en dat waren de

meesten, kochten de zakken op tegen een doorsneeprijs van f 0.39 à

f 0.40. Er werd dus verlies geleden. Toch duldde de bevolking ook

deze knevelarij, omdat zij zooveel duldt en verdraagt. Zij duldde

deze belasting nu reeds ruim een halve eeuw.

"Toch geloof ik, Van Affelen, dat je wel zult doen om je niet te veel

illusies te maken van de uitwerking van dergelijke concessies. Je kunt

desnoods nog vrijstelling geven van vischtjoeké ook. Maar heusch,

het zal weinig geven. Neen, wij moeten dat anders aanpakken, geloof

me, anders voorzie ik dat we van het jaar voor driekwart padi in de

pakhuizen krijgen."

"Maar dan nog, mijnheer Nederman, is dat zoo in het nadeel van

het land? Het zou de moeite loonen, dunkt mij, dat nog eens te

becijferen. Ik heb me wel laten vertellen ..."

"Dat becijferen kun je veilig nalaten, man. Dat is al lang en breed

overwogen, van alle kanten bekeken en bezien. Wacht 's, ik heb er nog

wel correspondentie over met de eigenaren. Dat kan ik nog wel vinden,

denk ik."

De administrateur opende een boekenkast, zocht een oogenblikje en

haalde onder een stapel papieren een bundel oude, geel geworden

brieven voor den dag.

"Juist. Hierin zal ik nog wel het een en ander kunnen vinden."

Hij sloeg het boek open. "Ja, nu moet je weten, dat aan het slot

van al dat gewrijf en geschrijf een der eigenaren zoo naïef was op

te merken dat de bevolking dan toch eigenlijk werd benadeeld. Ja,

stel je 's voor, we zouden hier aan filantropie doen! 't Gevolg zou

niet anders zijn dan dat diezelfde naïeve mijnheer een scheeven snuit

zou trekken als de winst kleiner werd."

Hij bladerde weer even, terwijl Van Affelen de wijsgeerige opmerking

maakte dat de meeste menschen eerst weldadig zijn als ze een volle

beurs hebben.

"Hier heb je al iets: 4 Juli 18 ., een brief van de Bank aan den

administrateur: "In overleg met de firma Biederman en Van Lochem--je

weet dat zijn de hoofdadministrateurs van Telatiga--en naar aanleiding

van door genoemde firma ontvangen inlichtingen, moet erkend worden,

dat, waar bij beschadigde velden de rijstlevering in het nadeel der

bevolking is, enzoovoorts ..." en hier, veertien dagen later, 19

Juli: "de rijstlevering is dus alleen voordeelig voor de bevolking,

wanneer de opbrengst per bouw aan natte padi ongeveer 325 picols of

meer bedraagt ..." Het is niet eens waar ook."

Hij bladerde nog een poosje.

"Neen, meer vind ik niet, maar dat is uit den aard der zaak. In mijn

copieboek vinden we meer."

Uit een lade van de schrijftafel haalde Nederman een half uiteen

hangend copieboek te voorschijn. Er waren losse bladeren in, ezelsooren

en scheuren en het boek droeg niet de sporen van een zorgvuldige

behandeling. Het scheen wel of Nederman meermalen de betrekkelijke

passages onder de oogen had gehad, althans hij vond zeer spoedig de

plaats waar ze stonden.

"Je moet zoo verdomd voorzichtig zijn met je uitlatingen tegenover

de eigenaren. Vandaar dat ik die rommel zoo'n beetje bij mekaar

gelegd heb. Brieven van mijn voorgangers over de kwestie, nota's,

en nog meer paperassen. Zeg je ze, dat er te veel geheven wordt,

dan heet het al gauw: nou, we kunnen wel een beteren administrateur

krijgen. Als je den schijn maar redt, zie je. De bedoeling is:

voortgaan op den ouden voet, maar verklaren dat je in het belang

van de bevolking werkt.--Ja, ja, 't is maar een weet. Ik heb dan ook

zelden ronduit gesproken, dat is veiliger. Hier: 25 Nov. 18 .. laat

's kijken: "ik ben de eerste," schreef ik, "om te erkennen dat een

heffing van 1/5 der padi-opbrengst of 1/10 der bruto-rijstopbrengst

van sawahs een zware heffing is. Willen de eigenaren, nou ja, enz.""

Hij sloeg een bladzijde om.

"Hier heb je een tjoeké-staat. Zoo'n ding lijkt verbazend

onschuldig. Maar als er eens een gerechtelijk onderzoek komt, dan

kunnen die tjoeké-staten, registers en boeken de eigenaren nog heel wat

kwaad doen.--Hier heb je een brief, nog van recenten datum, 4 Maart

19 .. , die de hoofdadministratie weinig plezier gedaan heeft. Ik

schrijf hier: "de oningewijde zou hieruit--uit dien tjoeké-staat

namelijk--opmaken, dat de heffing mild is. Dit nu is een verkeerde

voorstelling, want de heffing bedraagt meer dan 1/5, terwijl tevens het

stamploon niet hier bij is inbegrepen, zonder buitendien in rekening

te brengen prijzen en verschil in gebroken korrel."

"Jezus," zei Van Affelen, "zoo'n erkentenis is nog al gevaarlijk."

"Ja, maar er is later een beroep op te doen. Wij hebben het dan

al gezegd, zie je.--O, en hier is een ander vermakelijk ding. Die

eigenaren hebben niet het minste benul van het reglement. Je weet

van de weigering van Arabieren en Chineezen op Telatiga om grondhuur

te betalen, hé? Dat moet je nog weten; 't is nog van jouw tijd. (Van

Affelen knikte.) Nou, daar schrijft me een van die heeren uit Holland,

dat als die dingen ook hier gebeuren, ik het best zou doen er

onmiddellijk een civiele zaak van te maken. Ja, die is goed. Ik heb

geantwoord: "... daar zij bekend zijn gesteld met de bedoeling van

het reglement dat erfpachters van sawahs geen grondhuur behoeven te

betalen, hebben zij geweigerd verder die belasting te voldoen. Wijl

de menschen in hun recht zijn, kunnen zij civiel-rechterlijk niet

vervolgd worden."

"Wat is dat?" vroeg Van Affelen, wijzende op een blad vol berekeningen,

waarboven stond: "Rijstheffing op Telatiga," met een dikke roode

streep er onder.

"Dat is de nota van den administrateur van Telatiga aan de

eigenaren. Ik was toen eens bij hem en hij liet mij de berekening zien,

die ik toen meegenomen heb om te zien of wij ook op resultaten konden

wijzen voor Alas Bamboe. Daar moet nog een brief over zijn--wacht's,

ja, hier is hij, dato: 31 Maart 19 .. aan de eigenaren. Je kunt snappen

dat ze nijdig waren, toen die nota met berekening van te veel geheven

tjoeké inkwam. Ik merkte het dan ook uit het antwoord. Het was nog al

kribbig. Nou, ik schreef maar weer terug,--hier is het: "ik heb mij

de moeite getroost te berekenen, dat sedert 1870 de bevolking circa 7

ton meer heeft opgebracht dan zij moest op Telatiga, en nog heel wat

meer op Alas Bamboe, enz."--Welja, hé, als het hard tegen hard gaat

... Nou, en hier heb je dan die padilevering; de berekening ervan,

in dezelfde nota; nou moet je maar eens luisteren, dan zul je wel

tot andere gedachten komen dan daarnet.--Ze hadden mij gewezen op

een uiteenzetting van een van mijn voorgangers. Alsof dat nou bewijs

is! "Zeker, schrijf ik, in 1886 is berekend dat padilevering meer

product in rijst leveren zou dan rijstlevering. Doch hiermede wordt

nog volstrekt niet aangetoond dat de rijstlevering billijk is." Dan

komen een hoop cijfers, waarin ik dit aantoon. Dat zal ik maar

overslaan. Maar hier: "Padilevering zou volgens eenvoudige berekening

oogenschijnlijk voordeeliger zijn voor de eigenaren, dat is, wanneer

slechts rekening wordt gehouden met de hoeveelheid rijst. Immers

nemen wij het oogstjaar 19 .. Berekend tegen 335 kattie rijst per

picol padi--maar dit is nog te bezwarend, Van Affelen, en je weet

dat de verhouding door ons geëischt nog veel ongunstiger is voor de

lui,--zouden wij hebben binnen gekregen 35457,18 picol tjoekérijst en

86302,80 picol padi. Door de rijst zou een waarde vertegenwoordigd

zijn, tegen f 195 per kojang [216], van f 256079,80. Uit de padi

heet men 54 procent rijst te krijgen, hiervan 70 procent eerste en 30

procent tweede soort, bij eigen bewerking.--Je weet dat wij tot 87, 88

en 89 procent eerste soort eischen, hé?--Dat is zooveel picols tweede

soort, totaal 46603,51 picol rijst. Eerste en tweede soort gemengd

kost f 185 per kojang van 27 picols, dat maakt dus een waarde van f

319319,25; maar waarvan het maalloon à f 0,10 per picol nog afmoet

of f 8630,28. Rest dus f 310688,97. Dat zou dus met padilevering een

voordeel opleveren van f 54629,12."

"Zeker, dat zou het dunkt mij toch ook," viel Van Affelen in de rede.

"Nou, het is zoo niet. Want die berekening deugt niet, zie je. Of

juister, er worden verschillende factoren in genegeerd. Ik heb het

ze duidelijk genoeg gemaakt. In de eerste plaats hebben we geen

pakhuisruimte als padi wordt ingeleverd. 't Transport wordt veel

duurder door het grooter kwantum." ...

"Ja, dat is waar."

"Een fabriek wordt noodig, en dus uitbreiding van personeel."

"Ja, dat is ook waar."

"Met de vrijwillige overeenkomsten komen natuurlijk klachten nog

steeds voor, maar wij hebben de macht in handen. En bij padiheffing

zijn wij verplicht om ook ketan [217] en padi-tjiré [218] te ontvangen,

niet waar?"

"Ja, nu kunnen wij daar de lui zelf mee laten zitten."

"Nou, dat is nog zoo erg niet. Ze vreten het toch. Maar voor den

export is ze niet te gebruiken."

"Ja, daar heb ik niet zoo gauw aan gedacht."

"Juist, en dan moet je niet vergeten, dat, als we niet in de kwaliteit

van de te leveren padi door de kerels bedot willen worden, van elken

sawahbezitter bij den proefsnit de padisoort genoteerd moet worden. In

regenachtige jaren krijg je uit die padi veel breuk of vooze korrel,

in droge jaren veel schrale bossen."

"Ja, ja, dat is zoo."

"En nog iets: het voornaamste punt. Bij padilevering zijn wij verplicht

de padi te ontvangen, zooals het uitvalt. Bij rijstlevering heeft

keuring plaats van het geleverde."

"Waarachtig, mijnheer Nederman, dat is een cardinaal punt!"

"O, zoo!"

"Ja, en ik moet erkennen, dat ik nog geen machinaal bereide rijst

heb gezien, die mooier was dan de rijst, door de bevolking geleverd."

"Natuurlijk niet, dat haalt niet bij elkaar. En dan zeg, laten we

mekaar nou geen Mietje noemen. Maar Van Bern, van Telatiga, heeft

onlangs aangetoond in een gedrukte nota dat de practijk ook een

woordje te vertellen heeft. De bevolking van Telatiga, rekent hij

uit--en er is geen speld tusschen te steken--brengt per jaar bijna

zes en twintig duizend pop te veel op. Nou, hier op Alas Bamboe is

het nog wel een beetje meer ook."

"De eigenaren waren niet erg tevreden met Van Bern, heb ik gehoord. Hij

was er toch al een heelen tijd, op Telatiga."

"Ja, ik geloof zooiets van dertig jaar, waarvan vijftien of nog

langer als administrateur. Maar als je de de lui dan gaat dreigen

met publiciteit ..."

"Wat zegt u?"

"Ja, dat heeft hij gedaan. Wel, hij was de slechtste niet, en

kende zijn menschen door en door. Maar toen kwam er eens wat met de

eigenaren; hij wou meer salaris hebben, geloof ik, en toen hij het niet

kreeg, begon hij te dreigen. Nou, de rest laat zich denken. Ik geloof

tenminste zeker dat dàt de eigenlijke reden is van zijn ontslag."

"Och kom?"

"Ja, hij zei ze, dat ze er dankbaar voor mochten zijn dat de klagers

en de krantenmenschen--die zitten overal met hun neus in--niet

bekend waren met de werkelijke wijze van rijstheffing en de nadeelige

factoren ervan voor de bevolking, en dat ze daarom tot dusver nog op

geen andere onbillijkheden konden wijzen, dan dat de heffing niet in

overeenstemming is met artikel 11 van het reglement."

"Maar, ik zou zoo denken, dat een beschuldiging tegen de eigenaren

dan toch ook op den administrateur terugvalt."

"Pardon, dat ben ik niet met je eens. Die rijstheffing bestond al jaren

voor 1837 en is geen maaksel van den tegenwoordigen administrateur. Die

heffing werd door de eigenaren vastgesteld, in elk geval goedgekeurd

en gehandhaafd. Wat is nu een administrateur? Niets meer dan de

gemachtigde van de eigenaren. Hij ontvangt de tjoeké, namens de

eigenaren; namens de eigenaren voert hij de administratie volgens

hùn inzichten. En dus worden die administrateurs, om het nou eens te

zeggen in dezelfde woorden, die Van Bern gebruikte, door de eigenaren

geplaatst in een rijstcomplot. En dan moeten die daarvan dan ook

maar de verantwoordelijkheid dragen. En nog iets, het lijkt mij nu

heelemaal niet in het belang van de eigenaren om den administrateur

op zijn aandeel in dat rijstcomplot te beknibbelen."

"Neen, dat is het zeker niet."

"Het gebeurt toch en nog slimmer: ze hebben Van Bern beschuldigd de

heffing te hebben verzwaard. Dat is ongerijmd. Van Bern heeft juist

de onbillijkheid van de rijstheffing aangetoond en een mildere

voorgesteld. Ik kan me dan ook best voorstellen dat hem de gal

overliep. Nou en toen heeft hij ze gedreigd: ontsla me maar, maar ik

zal een boekje van jullie opendoen."

"Is die bedreiging dus openlijk uitgesproken?"

"Waarachtig. En in antwoord kwam de vraag van een van de eigenaren:

"Waarom vragen wij niet integraal 2 1/2 picol rijst eerste soort per

bouw, zooals vroeger?" Waaraan je dus kunt zien, dat het vroeger nog

een beetje erger was, met minder irrigatie en meer inkomsten. Maar wij

dwalen af. We hadden het over die rijstheffing. Nou, ik dank je er voor

om padi te ontvangen. Weet je wat, ik ga overmorgen naar Telatiga. We

moeten tot een oplossing komen. Het is daar al niet anders dan hier."

Van Affelen en Nederman bleven nog een heele poos samen praten. Eerst

zeer laat ging de employé heen. Hij bleef den nacht bij Zevenaer over

en den volgenden morgen vroeg vertrok hij weer naar Herea.

Siman was reeds gewoon geraakt aan de gevangenisomgeving. Na zijn

veroordeeling was hem een andere cel aangewezen, dien hij deelde met

een lotgenoot, veroordeeld tot drie maanden wegens een vechtpartij,

waarbij de ander een oog kwijt geraakt was. Sarpan, zoo heette Simans

celgenoot, was een brutale duivel, en behoorde tot een categorie

menschen, waarmede de eenvoudige desaman nog niet in aanraking was

geweest. Sarpan was het type van den boaja [219], die in de steden

leeft van bedrog, oplichterij en diefstal, die niet werken wil, maar

teert op zijn medemenschen. Hij was een nog jonge kerel met een vrij

gunstig uiterlijk en had een diepen indruk gemaakt op Siman. De jonge

Soendanees keek waarlijk met ontzag tegen hem op en luisterde met

groote aandacht naar de voor drievierde verzonnen verhalen, welke de

ander hem opdischte. Die verhalen openden een geheel ongekende wereld

voor hem. Een wereld van weelde, waarin volop de middelen te vinden

waren om zich een onbekommerd bestaan te verzekeren, een wereld van

avonturen, die prikkelend werkten op de gedachten van den binnenlander,

een wereld van genot en pleizier, onbekend aan millioenen. Sarpan kon

's avonds onder het rooken van een kaoeng-strootje, dat hij, tegen

het strenge verbod in, natuurlijk wel had weten machtig te worden,

heele verhalen doen van zijn avonturen, die hem reeds vaak met de

rechters in aanraking hadden gebracht; maar telkens was hij er weer

doorheen geslipt. Een paar keeren was hij op heeterdaad gesnapt, en

daarom had hij nu ook voor een onbeduidende kloppartij drie maanden

gekregen. Ze wilden zich nu eens wreken op hem, omdat hij ze meest te

slim af was. Sarpan sprak altijd met groote geringschatting over de

justitie, over de bestuursambtenaren en over allerlei andere dingen,

waarvoor andere menschen diep ontzag plegen te hebben. De politie

deed je niets, zeide hij, als je maar zorgde dat je een gevulden

buidel had, om ze oogen en ooren dicht te stoppen. Nou, en gebrek aan

geld had hij hoogst zelden. Zijn laatste veroordeeling was bepaald

kluchtig geweest. Hij was twee dagen in de gevangenis, toen hij zich

loskocht. Alleen had hij zich moeten verbinden om elken avond terug te

komen. 's Morgens heel vroeg ging hij er alweer uit. Hij was toen voor

de politierol gestraft. Aan die geschiktheid om zich overal tusschen

uit te draaien had hij zijn bijnaam van Si-Lindoeng [220] te danken,

onder welken hij het meest bekend was. Och, het was maar de manier,

waarop je zulke dingen aanvatte, hé?

Hij ging, zelfs in de gevangenis, met eenigen zwier gekleed, werkte

overdag zoo goed als niets en had een air over zich van luchthartigheid

en neerbuigendheid jegens de bewakers, waar Siman jaloersch van was. De

avonduren kortte hij met zijn verhalen, waarin hij ferm opsneed over

zijn geluk bij de vrouwen.

Siman leerde weinig goeds van hem. Maar och, de gevangenis is de

plaats niet, waar goede eigenschappen worden ontwikkeld!

Toen Si-Lindoeng heenging, na drie maanden, had Siman nog twee maanden

voor den boeg. Een week ongeveer bleef hij alleen in zijn cel,

die hem toescheen nog te weerklinken van de spot- en minneliedjes

van Si-Lindoeng. Daarin was deze een baas geweest. Siman had den

lotgenoot de gebeurtenissen medegedeeld, welke hem in de gevangenis

hadden gebracht en de ander had hem een beetje spottend aangezien,

onderwijl opmerkend dat Siman een volgenden keer wel wat handiger zou

zijn. Hij had overigens wel deelneming getoond met Siman en in die

drie maanden waren beiden, in dat donkere, vochtige gevangenislokaal,

bepaald goede vrienden geworden.

"Als je later 's soesah hebt, zoek je mij maar op, hoor. Ik zal je

wel helpen. Vraag maar naar Si-Lindoeng; iedereen kent Si-Lindoeng

op Sapekan."

Na een groote week was een andere celgenoot gekomen, een stille

kerel, van wien Siman niet kon te weten komen, wat hij eigenlijk had

misdreven. Maar in enkele buien van woede vloekte de nieuwe tegen de

rechters en de menschen, tegen de toestanden en tegen alles, waarmede

zijn gedachten zich bezighielden. Toen deze ongure gast in de cel

kwam, werd Siman getroffen door een onaangenamen geur, die het vertrek

vulde, een inzoete lucht, die je hoofdpijn bezorgde. Zij kwam van den

medegevangene. En later begreep Siman dat de man een opiumschuiver was.

Deze gevangene bleef maar heel kort en werd vervangen door een

zakkenroller met een gemeene tronie. Ook die ging weer spoedig heen,

en na hem kwamen nog een tweetal lieden, welke geweigerd hadden

heerendienst te verrichten, recidivisten. Die allen gingen weer

heen, vóór Siman. Hij telde de dagen, die hem nog scheidden van

zijn invrijheidstelling. Het pijnigde hem dat hij nog steeds zijn

wraak niet kon koelen. Heimwee naar huis kwelde hem niet. Och neen,

Djiah was er niet en de kleine Rekso zou wel goed bezorgd zijn. Wel

verlangde hij zeer naar den kleinen jongen en stelde hij zich voor,

hoe groot die reeds zou zijn. Zoo lang al had hij hem niet gezien. Het

was al bijna een jaar geleden, dat hij gearresteerd werd.

Over dag was hij werkzaam in de timmerafdeeling. Alle gevangenen

moesten werken en Siman, die niet lui was, had genoegen in den arbeid,

welke hem vaak de kwellende gedachten aan huis verdreef. Maar beter

werd Siman in dat jaar niet. Integendeel. Hij had al den tijd er over

te denken hoe hij zijn wraakplannen zou volvoeren, wanneer hij maar

eerst weder vrij was. Neen, bij God, hij zou niet weer missen!

Nederman was een dag lang bij Versnoek geweest, den administrateur van

Telatiga. Lang en breed hadden de waardige mannen geconfereerd. En men

was tot het besluit gekomen gezamenlijk naar den assistent-resident

te gaan om dezen te verzoeken hen te steunen tegen de opgezetenen.

Versnoek was zeeofficier geweest; misschien een goed officier--dit

weet ik niet. Maar als administrateur over een land met een

bevolking van zeventig à tachtig duizend zielen was hij niet op zijn

plaats. Bovendien had hij het al zeer slecht getroffen. Toen hij de

administratie van zijn voorganger overnam, was zich reeds een geest

van verzet beginnen te openbaren, ook op het land Telatiga. Hij was

toen zoo tactloos geweest, den oudsten opzichter zijn afscheid te

geven en toen, nadat ook de mantri's, die onder dezen gewerkt hadden,

ontslagen waren en ontevredenheid stookten onder het volk, tegen hun

vervangers voornamelijk, die niets anders waren dan spionnen van den

administrateur,--toen zij bewerkten dat de onrustige geest onder

de opgezetenen zich begon te uiten in daden, was een gegageerd

onderofficier van de marechaussee, een Duitscher, benoemd tot

opzichter. Die zou er wel orde onder houden. De man kreeg bedektelijk

te verstaan dat van hem verwacht werd dat hij rust en orde zou weten

te handhaven. Ook bij marine en leger waren onhandelbare sujetten, die

men tòch klein kreeg. Zoo noodig moest à la Atjeh worden opgetreden.

Maar zulk "energiek" optreden kan in verschillende streken van

den Archipel verschillende uitwerking hebben. En op Telatiga was

het resultaat anders dan Versnoek gewenscht had. Hiervan droeg hij

evenwel voorloopig nog geen kennis en hij leefde in den waan dat hij

den juisten weg had ingeslagen, wijl in den laatsten tijd minder van

strubbelingen met de bevolking werd vernomen.

Wij menschen staan altijd klaar met goeden raad aan anderen, wanneer

wij met het geven daarvan onze eigenliefde kunnen streelen.

"U moest dien De Leeuw bij u daar op Alas Bamboe wegdoen, mijnheer

Nederman," had Versnoek zijn gast geraden. "U weet niet half, welk

een kwaden invloed het op de bevolking heeft als het vergelijkingen

gaat maken tusschen den employé en den baas. Ik heb mij om die

reden genoodzaakt gezien hier Muller bij me te ontslaan. De man

was niet kwaad voor zijn werk, och neen, en zelfs had hij heel veel

kwassa bij het volk, maar hij was te lankmoedig, te gemakkelijk, te

goed. Hij liet zich al heel gauw bedotten door een beroerden snuit

en wat gejank. Nou, dat gaat niet, ziet u. De lui zijn dan al gauw

klaar met vergelijkingen. De baas is hardvochtig, maar de ziender,

daar kun je mee opschieten. En het gevolg is dat ze meer gaan voelen

voor den laatste en uit lust tot weerspannigheid, want iets anders

bezielt de lui niet, den administrateur pesten en sarren, wat ons nu

niet bepaald het leven veraangenaamt."

"Je kon wel 's gelijk hebben, Versnoek." Nederman herinnerde zich,

dat hij zelf De Leeuw "te week" vond, en zijn gedachte van Versnoek's

intelligentie was een zeer gunstige.

"Ja zeker, het is zoo. Ik zeg maar: ik ben de baas en de employé's doen

nu precies zoo als ik het wil of anders kan ik ze niet gebruiken. Sic

volo, sic jubeo."

Die Latijnsche kranigheid kwam er expresselijk achter, omdat Versnoek

heel goed wist dat Nederman's taal- en letterkundige ontwikkeling

niet heel ver ging. Hij kon zich bij dezen man dus al heel goedkoop

een reputatie van buitengewone kennis verwerven.

Nederman zei weinig terug. Hij was moe van de lange reis en den

drukken dag.

Den volgenden dag waren beiden bij den assistent-resident in diens

woning te Telatiga. Men kon daar meer op zijn gemak praten dan op het

kantoor, meende de heer Van Dam. En zoo zaten zij daar in de luchtige,

gezellige voorgalerij der ruime assistent-residentswoning, achter

een stevige whisky-en-soda, een geurige havana in den mond. O, zij

gevoelden zich zeer op hun gemak; het lichaam eischte in het geheel

niets; materieele zorgen kenden zij niet; zoo dadelijk zouden zij de

maag, voordat die nog knorde, kunnen bevredigen aan den welvoorzienen

disch des heeren Van Dam, die hen genood had bij hem het middagmaal te

nuttigen. Zoo, voldaan naar alle behoeften van het fysiek, zouden zij

maatregelen beramen om de bevolking te noodzaken hen niet te plagen

met zorgen des geestes.

Maar toch, wanneer Versnoek en Nederman gerekend hadden op groote

toegevendheid en bereidwilligheid bij den ambtenaar om mede te

gaan met hun plannen, dan hadden zij zich vergist. Van Dam, het is

misschien reeds meer gezegd, maar herhaling kan, waar zijn deugden

zoo weinige waren, zeker geen kwaad--Van Dam was geen slecht mensch,

die er op uit zou zijn medemenschen te kwellen. Integendeel, en hij

hield zichzelf voor een zeer goed ambtenaar, die werkelijk hart had

voor de bevolking. En zelfs was die neiging zoover gegaan dat hij,

met de wetenschap zich eenige soesah te veroorzaken, geweigerd had de

weigerachtige heerendienstplichtigen te tuchtigen. Elders is ook dit

reeds medegedeeld en men weet dus dat de politierechter, op last van

den procureur-generaal te Batavia, tot tuchtigen heeft mòeten overgaan.

Nu scheen het wel of Van Dam bij intuïtie begreep dat een dringender

reden dan bloot hoffelijkheidsbetoon de beide landheeren naar zijn

woning had doen komen. En hij voelde als 't ware dat men hem zou

trachten te overrompelen. Hoe echter zich te verschansen, waar hij

niet vermoeden kon van welke zijde de aanval dreigde?

"We komen met een ernstige zending, mijnheer Van Dam!" begon Versnoek,

"en het is hoofdzakelijk in uw belang, waarachtig in uw belang,

dat u ons bij u ziet."

"In mijn belang?"

"Ja, ja in uw belang," viel Nederman in.

"Wij komen u namelijk waarschuwen ..."

"Zoo, waarschuwen? Waarvoor?"

"Er gaat een heel moeilijke tijd voor u aanbreken, mijnheer Van Dam,

waarin ... waarin ...--hoe zal ik 't zeggen--waarin u zult staan

voor gebeurtenissen en toestanden, die heel wat beleid, ja, heel wat

bestuursbeleid zullen vorderen."

"Dat is een heel raadselachtige en ernstige inleiding," lachte de

assistent-resident, gemaakt vroolijk. "En waar slaat dat nu allemaal

op?"

"Dat zult u dadelijk hooren."

"De lui weigeren om met den volgenden oogst rijst te leveren," vulde

Nederman ongeduldig aan.

"O, daar weet ik alles van!"

"Zoo? weet u dat?"

"Ja, er zijn reeds verscheidene opgezetenen bij mij geweest om me te

waarschuwen, dat ze de vrijwillige overeenkomsten niet meer zullen

teekenen."

"Dat is sterk. Komen die lui u dat te voren reeds vertellen?"

Nederman hield zich, als wist hij hier niet van.

"Ja."

"En wie zijn de kerels, weet u dat misschien ook?"

"Ja, ik heb ze natuurlijk genoteerd."

"Mag ik dat lijstje bij gelegenheid eens van u inzien?" vroeg Nederman

met een bijbedoeling.

"Wel ja, daar heb ik geen bezwaar tegen. Maar u ziet dus dat ik van

de plannen der bevolking weet."

"En wat denkt u te doen?"

"Niets. Wat zou ik kunnen doen? Als ze volharden in hun dwaze plannen,

moeten u en ik ons daarbij wel nederleggen."

"Daarin ben ik 't toch niet met u eens, mijnheer Van Dam," viel

Versnoek in, terwijl hij een teug nam van de whisky-soda. "Ziet u

eens. U kent ons lang genoeg om te weten dat wij geen bloedzuigers

der bevolking zijn, niet waar? Indien maar eenigszins mogelijk helpen

wij ze, dan 's met dit, dan 's met dat; vischtjoeké, tuinhuur, niet

waar? Enfin, dat weet u net zoo goed als wij. In de laatste jaren is

de heffing verminderd en, men mag nou toch zeggen wat men wil, maar

die heffing is mild: 1/5, en als er een beetje reden voor is, krijgen

ze nog vermindering ook. Trouwens het is een practisch oeconomisch

beginsel, dat wij de lui niet boven draagkracht belasten. Gaat het de

bevolking goed, dan gaat het ons ook goed. En daarbij, gesteld eens

dat wij dit beginsel uit het oog verloren, dan is u daar om er voor

te waken dat de bevolking niet gevexeerd wordt."

"Ja, ja, dat is zoo," beaamde Nederman, "en het is zonder

eenige vleierij gezegd, mijnheer Van Dam, ik heb verscheidene

assistent-residenten gekend, maar de bevolking mag dankbaar zijn dat

u over ze waakt. U bent stipt rechtvaardig en u draagt de lui een

goed hart toe ..."

"Juist, mijnheer Van Dam, en behalve een goed hart nog een goede

dosis gezond verstand, en nog meer op het laatste dan op het eerste

komen wij een beroep doen. In uw belang in de eerste plaats, omdat

wij het zeer ongaarne zouden zien, dat u, van wien wij telkens de

meest ondubbelzinnige blijken van welwillendheid hebben ondervonden,

nu de dupe zou worden, door soesah, lastige perkara's, noodeloos

gewrijf en geschrijf en god-weet-wat-niet-al-meer, van ... eh ... van

conflicten tusschen landheeren en opgezetenen. In de tweede plaats

in het belang van de bevolking. De inlander is net een groot kind

en als hij zich nou in zijn hoofd gehaald heeft dat dìt goed is

en dàt niet, dan moet men over meer beleid, overredingsvermogen,

taal- en menschenkennis beschikken, dan wij bezitten, om ze te

overtuigen van het verkeerde. Dat kunt u, maar dat kunnen wij

niet. En in de derde plaats komt ons eigen belang ook nog een

woordje meespreken, of juister, het belang van de eigenaren, dat

wij dan moeten behartigen. Want ziet u eens: als de bevolking padi

levert, dan vervalt ze van zelf in veel zwaardere heffing, dat is

duidelijk. Vandaar dan ook dat wij rijst vragen, alweer om ze niet te

zwaar te treffen. Nou, en nu zult u zeggen, dan brengt je belang toch

mee om padi te ontvangen, als ze dat zelf komen leveren--dat is alleen

maar waar voor een of twee jaren. Want als we een beetje verder kijken,

wat zien we dan? De bevolking bemerkt natuurlijk al spoedig dat ze

meer opbrengt dan vroeger. Ze gaan niet na, dat ze zelf de schuld

zijn van den toestand, welneen, maar ze worden ontevreden. Er komt

volksverloop, minder zorg wordt er besteed aan het product en het slot

van het liedje is dat wij met een betrekkelijk grootere hoeveelheid

rijst in het begin bedrogen uitkomen op den duur. De wijsheid gebiedt

hier om met het mindere tevreden te zijn. En als de bevolking toch méér

wil leveren, dan moeten die groote kinderen maar gedwongen worden om

het voor hen voordeeligste te kiezen, al was het dan tegen hun zin in."

Versnoek had gepoogd met overtuiging te spreken. Hij was welbespraakt,

gevat en diplomatiek.

Daarbij had hij een paar sterke bondgenooten, n.l. de onkunde van den

assistent-resident wat het bedrijf in zijn afdeeling, het hoofdbedrijf,

betreft en de vatbaarheid van den heer Van Dam voor vleierij. Toch was

Van Dam niet zoo naïef te gelooven dat eerst in de derde plaats het

belang van den landheer gold en dat ethische gevoelens zijn bezoekers

tot hem gebracht hadden.

"Maar ik zou u toch wel de opmerking willen maken, mijnheer Versnoek,

dat naar het mij voorkomt, de bevolking nog zoo ongelijk niet heeft,

als ze ..."

"Als ze padi levert, bedoelt u? Wel, mijnheer Van Dam, daarin vergist

u zich toch zeer sterk. Hoewel, ik geef dadelijk toe, dat het voor

outsiders altijd een buitengewoon moeilijke zaak is juist de waarde

van dit punt,--de heffing van padi of rijst, bedoel ik--te schatten,

laat staan te berekenen. Indien u er belang in stelde, zou ik u met

cijfers kunnen aantoonen met hoeveel de bevolking in het voordeel is

bij rijstlevering."

"Nou, daar houd ik mij voor aanbevolen."

"Ik heb er mij niet op geprepareerd, ziet u, anders zou ik mij

gewapend hebben met stukken en paperassen. Maar wat in het vat is

verzuurt niet."

"O, ik kan je wel een handje helpen, collega," zeide Nederman. "Nog

eergisteren had ik het erover met een van de employés. Ik behandel

die dingen graag met de jongens. Daar leeren ze van. Want over het

algemeen loopen ze wat hard van stal. En dan is het maar: hoe meer

tjoeké hoe beter. Ziet u, dan pleeg ik te remmen. Wat bliksem, die

arme zwarten zijn ook menschen."

"Natuurlijk, natuurlijk."

"Nou, Van Affelen had het er ook over dat padi voordeeliger zou zijn

voor de lui. Maar dat is niet waar. We hebben rekening te houden met

de hoeveelheid rijst, hé? Want de lui moeten hun padi ook tot rijst

maken. Nou in 19.. hebben wij binnengekregen ruim vijf en dertig

duizend picol rijst. Dat zou geweest zijn--ik ken de getallen nog uit

het hoofd--als wij padi hadden gevraagd, ruim zes en tachtig duizend

picol padi. Dit omgezet in rijst, eerste en tweede soort, zou het niet

onaardige voordeeltje voor ons hebben opgeleverd van ruim een halve

ton; stamploon, maalloon, etc. etc. afgetrokken, dus schoone winst."

"H'm." De assistent-resident was wat bang voor cijfers: hij was een

leek, zijn bezoekers deskundigen.

Zou dus waarlijk padi-levering zooveel nadeeliger zijn voor de

bevolking? Het kwam hem vreemd voor. Zouden ze zoo'n voordeeltje van

vijftig mille maar hebben laten schieten? Het klonk ongelooflijk!

"Maar nu houdt u ook geen rekening met een hoop factoren," zeide hij,

zich groot houdend.

"Neen, neen, er is met alles rekening gehouden, met de meerdere

transportkosten, met het gewicht van de padi, hè, nou dat is een

voornaam ding ..."

"Als je blieft," vulde Versnoek aan. "De rijstlevering belet vexatie,

maar met padilevering, gesteld 's dat een Europeaan zich daartoe

zou willen leenen, met padilevering kan je eenvoudig laten wegen,

waar het gewas het best staat. Dan zou een hoop schelen op het

geheel. En dat kan niet belet worden. De geteekende overeenkomsten

daarentegen worden door u geregistreerd en als wij daarvan afweken,

gesteld dat we het deden, zou dat als contractbreuk worden aangemerkt;

zeer terecht overigens, zeer terecht, ik geef 't dadelijk toe."

"En de keuring, Versnoek, vergeet die niet. Hoe gaat dat, mijnheer Van

Dam? Daar wordt genoteerd wat voor soort padi, wat voor qualiteit. Nou

en in de pakhuizen wordt streng rekening gehouden met die factoren,

altijd in het belang van de bevolking. En dat is dan natuurlijk uit

met padilevering. Want dan geldt eenvoudig de regel: zooveel oogst;

1/5 afleveren in de pakhuizen. Als je blieft. En nu zeggen we: nou ja,

jullie moogt wel wat minder mooie korrel brengen. Er is veel regen

geweest van het jaar."

Zelfs Versnoek zweeg bij deze leugenachtige voorstelling van

zaken. Die Nederman durfde! Maar Van Dam wist te weinig van al die

zaken om den spreker op z'n valschheden te wijzen. Hij wist van al die

factoren niets af. En het was wel jammer dat hij het gesprek tusschen

Nederman en Van Affelen van eenige dagen te voren niet had bijgewoond:

toen Nederman klaar en duidelijk bewezen had dat padi-levering zoo

nadeelig was voor het land. Al kon hij zich nu niet verklaren waaròm de

landheeren een zich oogenschijnlijk zoo gemakkelijk te bezorgen winst

prijs gaven, hij begon over te hellen tot de meening dat padi-levering

nadeelig was voor de bevolking en dat deze dit niet inzag.

"Dat is nu wel allemaal waar", zeide hij, "maar nu houdt u toch geen

rekening met het feit dat u de rijst berekent tegen 54 procent van

de padi."

"Ja zeker, maar ..."

"Nou, die coëfficient is toch te hoog, niet waar?" Het was een

stroohalm, waar hij zich aan vastklampte, maar zeker voor hem de

zwakste.

"Te hoog? Welneen, mijnheer Van Dam, wel neen. Te laag, bedoelt u,

te laag." Triomfantelijk haalde Nederman uit een portefeuille in

een binnenzak een toegevouwen papier voor den dag. Hij reikte het den

ambtenaar over, met de woorden: "Hier hebt u een paar stampproeven. Die

heb ik altijd met andere paperassen bij me."

Hij paste er wel voor te verklaren dat hij, als bij intuïtie, nog even

voor zijn vertrek het velletje uit zijn zakboekje had gescheurd. Men

kon niet weten--het zou eens noodig kunnen zijn.

De assistent-resident keek het papier in. Het bevatte het hier naast

afgedrukte staatje.

STAMPPROEF van padi van Alas Bamboe.

================+===========================+==========================+=========+=========+=========

| | Verkregen rijst | | |

Hoeveelheid padi| +-----+---------+----------+ Dedek | Merang | Totaal

| SOORT |grof | fijn | totaal |(zemelen)| (stroo) |

-------+--------+ |-----+--+------+---+------+--+------+--+------+--+------

picol | kattie | |p.|k.|p.| k. |p. |k. |p.|k. |p.|k. |p.|k.

-------+--------+---------------------------+--+--+--+------+---+------+--+------+--+------+--+------

1 | -- |Glewang (mindere kwaliteit)|--|30|--|26 |-- |56 |--|29-1/2|--|12 |--|97-1/2

1 | -- |Idjoean (mindere kwaliteit)|--|28|--|31-1/2|-- |59-1/2|--|29 |--|09-1/2|--|98

-------+--------+---------------------------+--+--+--+------+---+------+--+------+--+------+--+------

Gemiddeld| |--|29|--|28-3/4|-- |57-3/4|--|29-1/4|--|10-3/4|--|97-3/4

================+===========================+==+==+==+======+===+======+==+======+==+======+==+======

STAMPPROEF van padi van Sikarang.

================+===========================+================================+=========+=========+=========

| | Verkregen rijst | | |

Hoeveelheid padi| +---------+----------+-----------+ Dedek | Merang | Totaal

| SOORT | grof | fijn | totaal |(zemelen)| (stroo) |

-------+--------+ |---------+--+-------+--+--------+--+------+--+------+--+------

picol | kattie | |p.|k. |p.| k. |p.|k. |p.|k. |p.|k. |p.|k.

-------+--------+---------------------------+--+------+--+-------+--+--------+--+------+--+------+--+------

1 | -- | Ossok |--|36 |--|26-1/2 |--|62-1/2 |--|28 |--|07-1/2|--|98

1 | -- | ,, |--|35-1/2|--|27 |--|62-1/2 |--|27 |--|08 |--|97-1/2

1 | -- | Idjoean |--|42-1/2|--|18 |--|60-1/2 |--|28-1/2|--|09 |--|98

1 | -- | ,, |--|34 |--|27 |--|61 |--|29 |--|08 |--|98

1 | -- | Glewang |--|41 |--|19 |--|60 |--|28-1/2|--|09 |--|97-1/2

1 | -- | ,, |--|42 |--|17 |--|59 |--|29 |--|09-1/2|--|97-1/2

-------+--------+---------------------------+--+------+--+-------+--+--------+--+------+--+------+--+------

Gemiddeld| |--|38-1/2|--|22-5/12|--|60-11/12|--|28-1/3|--|08-1/2|--|97-3/4

================+===========================+==+======+==+=======+==+========+==+======+==+======+==+======

"Wel, het is duidelijk niet waar? Bij minder kwaliteit glewang en

idjoean krijgen wij nog 57 3/4 kattie, bij betere kwaliteiten zelfs

bijna 61. Wij brengen de bevolking in rekening niet meer dan 54

procent. Nou, dat is dunkt mij dan toch al het zuiverste bewijs dat

wij er niet op uit zijn, de lui te villen."

Hij wisselde een snellen blik met Versnoek. Van Dam zat nog steeds

met aandacht in het papier te turen. Het was dus toch waar? Wel,

kijk, het deed hem pleizier! Er was dus toch niet zooveel baatzucht

als steeds werd afgeschilderd, niet het minst door sensatie-lievende

persorganen. Gelukkig; hij zou nu kunnen rekenen op medewerking bij

de landheeren om de bevolking op haar eigen belang te wijzen. Maar

toch, hij begreep eigenlijk nog niet goed, waarom de eigenaren dan

toch geen padi vroegen. Vroeger moest dat wel het geval geweest

zijn. Och kom, het zou wel zijn zooals Versnoek gezegd had. De

practijk had ze wijsgemaakt, had ze geleerd de belasting niet te

zwaar te doen drukken. Ja ja, dat was het. Volksverloop is een naar

ding. En per slot van zaken zouden ze bedrogen uitgekomen zijn. Maar

de assistent-resident wist niet dat de stampproeven waardeloos waren,

wijl zij genomen waren bij meest zorgvuldige stamping om schitterende

resultaten te verkrijgen; hij kon dus niet vermoeden dat deze kleine

hoeveelheden wel degelijk uitgezochte padi een valsch beeld gaven

van den voornaamsten factor bij de rijstwinning; hij begreep niet

dat met zulke staatjes, aantoonende dat men zestig en meer procent

rijst kon verkrijgen van 36,7 % breuk bijv., gewoekerd werd; hij kon

de valschheid niet bespeuren in de opzettelijke leugens omtrent de

winning, hem daarnet van beide zijden op de mouw gespeld; hem was

het niet bekend dat van 1887 tot 1898, gedurende twaalf jaren dus,

op Telatiga de padi niet meer dan nauw 54 % rijst leverde van de

verhouding 32 % grof en 68 % fijn, geheel andere cijfers, naar men

ziet, dan die hem uit eenige stampproeven van 8 picols uitgezochte padi

werden opgedrongen; hij kon dus niet vragen met welk recht--buiten

dat steunen op de "vrijwilligheid" der overeenkomst--de landheeren

tjoekérijst eischen van slechts 20 % breuk in naam, van 16 tot 11 %

inderdaad. Dit alles wist de assistent-resident niet, al had hij het

kunnen, al had hij het moeten weten.

"H'm," zeide hij, "alles goed en wel; maar de geschiedenis spreekt toch

een heel andere taal. Daar heb je bijvoorbeeld de oud-resident Smith,

die noemde den toestand op de particuliere landen in sommige opzichten

erger dan slavernij. Hij heeft er nog een brochure over geschreven,

geloof ik."

"Jawel, jawel, dat is zoo. Hij toonde aan dat de landheeren in plaats

van 1/5 aan padi, 1/10 en meer in rijst eischten. Maar die oude heer

sprak van de veertiger jaren, mijnheer Van Dam, al langer dan een

halve eeuw geleden. Hij kan best gelijk gehad hebben--wie wie zal

het controleeren?--maar wat hij toen zeide, kan toch moeilijk op

toestanden van thans toepasselijk verklaard worden."

"Nou, maar oud-resident Kan dan? Die is niet van tempo doeloe. [221]

En Kan is in zijn open brief aan de Kamer lang niet malsch geweest

hoor; potstausend neen. Hij heeft de landheeren van niets meer of

minder beschuldigd, dan van meer dan dubbel zooveel tjoeké te eischen

dan waarop zij wettig aanspraak konden maken."

"En wat heeft het gegeven?" vroeg Versnoek, ietwat schamper.

"Gegeven? Neen, gegeven heeft het niets, maar er werd een onderzoek

ingesteld naar de gegrondheid van de beschuldigingen van vexaties

van de opgezetenen door het vorderen van heerendiensten en het doen

van heffingen in strijd met de wet."

"Nou ja, een onderzoek; dat is ons ook bekend," zeide Nederman,

"maar u vergist u dat Kan daartoe den stoot gegeven heeft. Zijn

pamflet kwam eerst daarnà in het licht."

"Zeker," viel Versnoek bij, "en de uitslag van het onderzoek heeft

wel bewezen dat al die beschuldigingen laster waren."

"Dat is wel wat bout gezegd," meende Van Dam.

"Er is toch geen vervolging uit voortgevloeid?"

"Neen, dat niet; maar de beschuldigingen zijn wel degelijk juist

bevonden."

"Toch wel kras, dat er dan geen straf gevolgd is," merkte Versnoek

ongeloovig op. Hij had zich eigenlijk nooit druk gemaakt om wat er

vroeger gebeurd of niet gebeurd was, en kende dus ook de historie op

dit punt niet anders dan terloops.

"O, dat zal ik u wel vertellen. Eerstens is het wel degelijk Kan

geweest, die op een onderzoek heeft aangedrongen. En dat onderzoek werd

toen gelast door den gouverneur-generaal. De toenmalige hoofdinspecteur

der cultures heeft daarop alle beschuldigingen van Kan waar gemaakt. En

een gerechtelijke vervolging werd toen wel degelijk gelast. Er is

twee jaar later, meen ik, weer van afgezien. Maar waarom? Omdat het

bestuur aan de verbodsbepaling van het overtreden artikel 11 van het

reglement zelf niet de hand had gehouden."

"A la bonne heure!" riep Versnoek uit. "Neen, die is goed! Daar hebben

de bestuursambtenaren dan de landeigenaren een grooten dienst mede

bewezen. De overweging van dat besluit is overigens magnifiek."

"Cynisch is een beter woord, vind ik."

"Maar dat slaat ook al niet op den huidigen toestand, mijnheer Van

Dam. Integendeel, wij komen hier juist bij u om u te verzoeken met uw

invloed de bevolking van haar dwaze voornemens terug te houden. Mij

dunkt, dat pleit dan toch eer vòòr dan tegen ons!"

"O, zeker, zeker; de toestanden zijn dan ook zeer ten goede

veranderd. Maar houdt u mij ten goede, mijne heeren, goed kan die

toestand toch nog altijd niet genoemd worden ..."

"Wij streven er naar, mijnheer Van Dam, om hem in de eerste plaats

niet te verslechteren. Dat is al een heele stap in de goede richting,

dunkt mij. Strijd tusschen kapitaal en arbeid is er altijd, zal er wel

altijd zijn, zoolang kapitaal en arbeid bestaan. Kijk maar om u heen;

overal, overal ziet u conflicten tusschen werkgevers en werknemers. Dat

is eenmaal onvermijdelijk, een economische strijdvraag, waarop het

antwoord wel nimmer gegeven zal kunnen worden,--het bevredigend

antwoord ten minste. Ik zou met eenige hoop op goeden uitslag de

stelling kunnen verdedigen: zonder belangenstrijd geen industrieele

ontwikkeling, al klinkt het wat paradoxaal, en al zullen de meeste

economisten dit wel niet met mij eens zijn. Maar, zooals ik zeg,

wij streven naar verbetering, en u zult ons niet alleen altijd

bereid vinden u te steunen in uwe pogingen om betere verhoudingen

in het leven te roepen, maar wij komen u nu zelfs verzoeken om uwe

medewerking daartoe."

"O, daar kunt u op rekenen; daartoe ben ik èn als mensch èn als

ambtenaar ten allen tijde bereid. En dan ligt me al dadelijk iets op

het hart. Ik zou graag zien dat de bepalingen in de overeenkomsten

op de beide landen conform gemaakt werden, in de productiebepaling

van de velden, bedoel ik. Op Telatiga neemt u een grens aan van 37,5

picol padi voor geslaagde sawahs en op Alas Bamboe is 31,5 picol ..."

Nederman viel den spreker in de rede.

"En een kwart, mijnheer Van Dam, en een kwart maar, en, ziet u, daar

zijn verschillende redenen voor. In de eerste plaats is de bodem op

Alas Bamboe zooveel vruchtbaarder; bij gelijke bewerking geeft de grond

er meer beschot dan op Telatiga. Dit is wel de hoofdreden. En dan,

zooals dat heet, hè--de toestand is een historische,--'t is nu zoowat

adat geworden. Wat de deur dicht doet, is, dat uit den tjoeké-aanslag

wel blijkt dat altijd ten voordeele der bevolking wordt beslist. Sawahs

van een beschot boven de grens van goed geslaagd en minder geslaagd

worden nìet met de maximum-opbrengst belast. En daardoor komt het in

de practijk toch eigenlijk op hetzelfde neer."

Versnoek keek zijn collega weer even aan. Waarlijk die Nederman

durfde! Hij wist zeker het best dat bijv. onder slecht geslaagde

sawahs ook die gerekend werden, welke misoogst hadden opgeleverd. Ja,

uitsluitend zulks zelfs. Want de gemiddelde opbrengst van die slecht

geslaagde velden bedraagt, volgens den staat van den tjoeké-aanslag

zelf, iets meer dan 2 1/4 kattie natte padi per roede. En dit

beteekent: misoogst. En zoo zal men vinden voor de "minder goed

geslaagde sawahs" een opbrengst van nauw 4 kattie natte padi per

roede. Die sawahs konden dus niet vallen onder artikel vier der

vrijwillige overeenkomst. En ook wist Nederman dat de grensbepaling

van 31 1/4 picol padi op niets berustte en dat op Telatiga, bij wat

minder slecht geïrrigeerde gronden, een aanzienlijk hoogere limiet

gesteld is. Nederman wist dat 0.40 picol rijst gevorderd wordt voor

1 picol natte padi van minder goed geslaagde sawahs van 22.5 picol

per bouw. Het "minder goede" ligt niet uitsluitend in de kwantiteit;

neen, meest altijd is ook de kwaliteit van het product niet te

loven. Nederman wist dat op Telatiga van sawahs met een opbrengst

van 27 1/2 picol natte padi--de grens tusschen geslaagd en niet

geslaagd product--slechts 0.33 picol rijst voor 1 picol padi werd

gevraagd. Hij wist dat dit eerst onlangs daarop was teruggebracht,

nadat door den vorigen landheer was aangetoond dat een heffing van

0.37 picol te zwaar was.

Ten slotte ook was het Nederman wel bekend dat een picol natte padi

zelden meer opbrengt dan 0.40 picol rijst, grof en fijn dooreen,

dat de heffing van 0.40 picol grofkorrelige rijst, als op Telatiga

plaats heeft van goed geslaagd product, zeer zwaar is en dat op Alas

Bamboe dit van minder goed en slecht geslaagd product geëischt wordt.

Dit alles had ook de assistent-resident kunnen weten. Hij wist het

evenwel niet en voelde dus niet het onware van Nedermans woorden.

"Weet u wat de toestand in deze afdeeling zoo lastig maakt? Dat de

lui altijd klagen over "dwang" bij de teekening van de vrijwillige

overeenkomsten. Niet eens of tweemaal, maar constant door. Het is den

menschen niet in het hoofd te praten dat zij toch ongedwongen bij mij

komen om de overeenkomsten te laten registreeren. Neen, zeggen zij,

tevoren zijn zij al bewerkt. Ze moeten wel. Maar argumenten kunnen

zij niet aanvoeren. Wordt daar dan eens wijs uit."

"Och, dat moet u niet verwonderen, mijnheer Van Dam," zeide

Versnoek. "Waar geen grieven zijn, daar moeten ze gemaakt worden. En

dat gebeurt voornamelijk door de raddraaiers, luie kerels, die niet

werken, geleerde proletariërs, die A. B. C. kunnen schrijven en dan

desa-eminenties zijn, van die kwade elementen, welke men overal

aantreft en tegen wien wij blanken eigenlijk veel te zachtmoedig

optreden. Die lui zeggen aan de anderen: zeg maar, dat je gedwongen

wordt om te teekenen, dat mag niet en dan krijg je wel gelijk. Nou,

het tamme vee doet dat, maar den eersten den besten keer dat

u wat dieper in de zaak doordringt en wilt weten wèlke dan die

dwang is, blijven de motieven tot de beschuldiging weg, eenvoudig

omdat die er niet zijn. Het is ook dwaasheid. Waarmede kunnen

wij de lui dan wel dwingen? U zelf registreert de overeenkomsten

in hun tegenwoordigheid. Onze bemoeienis gaat niet verder dan

de vraag: wil je de overeenkomst of taxatie bij proefsnit? Een

van die krantenschrijvers heeft gezegd: er wordt moreele dwang

uitgeoefend. Moreele dwang? Nonsens! Wat is moreele dwang? Weet ù

wat dat is? Je dwingt ze of je dwingt ze niet, zeg ik maar. Dreigen

wij ze met gevangenis, boete of doodstraf? Het is belachelijk!"

Versnoek dronk zijn glas leeg, dat, na noodiging van den gastheer,

opnieuw gevuld werd door den huisbediende.

"Met dat al," zeide de assistent-resident, "heb ik er de soesah

van. Voor jaren al begonnen de lui te klagen over dwang, met het gevolg

dat er een besluit geslagen werd met de opdracht aan den resident te

zorgen voor naleving van het reglement."

"Dat is nog al gek. Er wordt toch een reglement uitgevaardigd om

het op te volgen? Aansporingen om te zorgen dat dit gebeurt is een

beetje--bizar, zou ik zeggen."

"Ja, dat is zoo. En het fraaist is, dat bijzonderlijk de nadruk wordt

gelegd op het registreeren der overeenkomsten. Alsof dat niet altijd

gebeurt! Die algemeene secretarie schrijft ook maar wat neer, voor

vorst en vaderland weg."

"Hebt u het besluit bij de hand?"

"Ik denk wel, dat ik het uittreksel nog kan vinden."

Meteen stond Van Dam op en begaf zich in zijn kantoor. Het duurde

een heele poos voordat hij terug was. Het stuk lag blijkbaar niet

voor de hand.

Versnoek had alleen om inzage van het besluit gevraagd om Van Dam

even weg te hebben.

Snel wisselde hij gedurende de afwezigheid van den gastheer eenige

woorden met Nederman.

"We moeten in deze richting werken; hij zal er wel toe te brengen

zijn. Maar wanneer kunt u hem ontvangen?"

"Deze week, als je wilt. Laat maar even weten, dan zorg ik thuis

te zijn."

"All right!"

Van Dam kwam terug.

"Hier hebt u het. Dwaasheid!"

Versnoek las, voor den vorm met voorgewende aandacht:

No. 39.

Extract uit het Register der besluiten van den Gouverneur-Generaal

van Nederlandsch-Indië.

Buitenzorg .....

Gelezen:

Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid · 第 11 / 17 题