Toen vervolgde hij: "Ga jij morgen weer terug naar Herea?"

"Ja," antwoordde Prawira.

"Dan ga ik met je mee. Misschien wil de opzichter ons wel helpen."

In de opzichterswoning te Herea was een vroolijk gezelschap bijeen. Het

was een nederige woning, waar de geëmployeerde Van Affelen in

huisde. Op een gecementeerden vloer verhief zich het van bilik [130]

opgetrokken huis, dat uit drie gesloten vertrekjes, een kantoortje,

een slaapkamer, een eetkamertje en een open voorgalerij bestond. Het

was er een rommel, zooals gewoonlijk in jongelui's huishoudentjes. In

de voorgalerij stond een zwarthouten ronde tafel, op het blad waarvan

tal van jeneverkringen plekten. Rond de tafel zaten vier mannen,

de drie jongeren ietwat angeheitert, achter de bitterglaasjes. Het

liep tegen etenstijd. Op de voor deze bijzondere gelegenheid met een

hagelwit laken gedekte tafel dampte reeds de warme rijst.

Van Affelen voelde zich wel gewichtig als gastheer. Het was de eerste

maal dat "de baas" hem de eer aandeed bij hem te rijsttafelen. Het

trof wel toevallig samen dat ook De Leeuw van het district Alas Bamboe

en Zevenaer, de collega van Sikarang, bij Van Affelen waren. Hij

had hun een uitnoodiging gezonden dezen dag bij hem door te brengen,

ter eere van zijn verjaarfeest. De baas, Nederman, was op tournee en,

te Herea aangekomen, vond hij het clubje jongelui bijeen. Nederman was

voor zijn employé's geen kwaad chef. Hij zelf was liever lui dan moe

en een licht kon hij bezwaarlijk genoemd worden. Zijn superioriteit

op het land ontleende hij uitsluitend aan het in zijn handen gesteld

gezag. Nederman kende slechts één streven: de tevredenheid der

eigenaren te verwerven door groote opbrengst. Hoe die verkregen werd,

kon hem weinig schelen. Hij wist wel dat de eigenaren hem nimmer om

verantwoording zouden vragen, waarom de winsten zoo ruim waren. Als

de tjoeké dus geregeld en ruim binnenkwam, was Nederman tevreden. Aan

lectuur of aanspraak had hij geen behoefte; zijn onwetendheid was

daarvoor te groot en geen zucht naar kennis verleende degelijkheid

aan zijn karakter. Hij had slechts één hartstocht: meiden. Hij

was getrouwd, dat is waar, maar zijn vrouw was weinig meer dan een

huishoudster, dochter van een Chineesche, in ontwikkeling met haar

moeder gelijkstaande. De "njonja besar", werd ze spottend genoemd. Maar

dit huwelijk belette hem niet om jonge meiden op de besaran [131]

te brengen, voor een nacht of voor langer. Mevrouw bleef bij hem,

omdat ze het goed had en wachtte er wel voor zijn ontstemming op te

wekken door een naijver, dien zij trouwens had moeten huichelen. Zij

wist heel goed dat Nederman zich niet ontzag in tal van desa's de

gastvrijheid der koewoe's te misbruiken door hun woningen te beschouwen

als plaatsen van rendez-vous. Maar wat deerde het haar? Zij had een

veel te gemakkelijk bestaan, bij haar blanken echtgenoot, dan dat zij

dit in de waagschaal zou stellen door hem onaangenaam te zijn. Waar

het prestige bleef van den administrateur, bij employé's en bevolking,

vrage men niet.

Zevenaer, de "jonker", zooals hij genoemd werd, omdat hij door de

landeigenaren, die een jonkerkliek vormden, als presenthaasje was

uitgestuurd, was een heel gewoon type van een gansche categorie

Hollandsche jongelieden in Indië, een boemelaar, met weinig liefde

voor het nieuwe vaderland, waar hij gedurig op schold; een van de

velen, die "aan de zuip" raken en door een geheel verkeerd begrepen

wilden echt in den loop der jaren "totaal naar den bliksem" gaan.

De Leeuw was een Indische jongen, zeer bruin van kleur, driftig

en opvliegend; een van die Indo's, gesproten uit den echt van een

blanken vader en een Javaansche moeder, en later door den vader

erkend. Hij bezat de meeste ondeugden van zijn soortgenooten, maar

had in hooge mate de deugden van het ras zijner moeder: gastvrijheid,

behulpzaamheid, vriendelijkheid. Van zijn vader had hij een dorst

naar kennis meegekregen, te meer voelbaar, waar hij slechts weinig

geleerd had. De Leeuw kon uitmuntend met het volk omgaan, welks taal

hij vloeiend sprak, dat hij begreep en dat hem begreep.

Van Affelen eindelijk, de "nieuweling", was eerst een maand of zes

in zijn afdeeling, maar had zich reeds ontpopt als een streber. Hij

zou en moest carrière maken, was despoot en hardvochtig.

"Nog een bittertje, meneer Nederman?" vroeg hij met zijn nog niet

vergrokte stem.

"Dankje."

"Kom, neemt u er nog een? Niet? Nou, een halfje dan."

Met schonk hij in, een halfje, dat meer op heel dan op drie kwart leek.

"De bitter is puik. Oranje. Vindt u 'm niet goed?"

"Hij is heel goed," zei Zevenaer effen, terwijl hij zich bediende. "Het

is hier een goed land!"

Men lachte.

De Leeuw stak een sigaar op.

Zevenaer stond op. Hij wilde blijkbaar speechen. Men zou het ten

minste hebben kunnen opmaken uit zijn gewichtig gezicht en uit het

tikken aan zijn glas.

"Ben je mal, Jonker," riep De Leeuw, "wou jij speechen, man? Dat doen

we niet met bitter. Wacht maar, aan tafel krijg je bourgogne. Dan

kun je vertellen wat je te zeggen hebt."

"Ik wou toch wel even op de gezondheid van onzen vriendelijken en

zeer geacht ...."

"Ho stop, geen speech, man, geen speech. Hou je toet nu maar."

"Maar apropos, wat denken jullie van de rijsttafel? Ik krijg

honger!" viel de baas in. "Dan kan Zevenaer zijn hart luchten."

Van Affelen was al opgestaan.

"We kunnen onmiddellijk aan tafel gaan, mijnheer. Mag ik u voorgaan?"

Door het "kantoor" kwam men in de eetkamer.

"'t Rommeltje wel hier, zeg, Van Affelen," merkte De Leeuw op;

"'t Is er bij mij nog mooier."

"Dat komt," zei Zevenaer, "dat komt omdat Af nog niet getrouwd is,

zie je. Met de vrouw des huizes komt de orde."

"Dat zien we bij jou," viel De Leeuw schamper uit, maar de opmerking

ging verloren door het stoelengeschuifel.

"Wilt u aan het hoofd plaats nemen, mijnheer Nederman?"

De jongen bracht de rijst rond, eerst bij Zevenaer.

"Halo, Soerja, toean besar doeloe! [132]" stoof Van Affelen op.

Zevenaer, die aan het opscheppen was, hield op.

"Och wel neen," viel Nederman in, "maak nu toch geen complimenten."

"Waarachtig wel. Houd me ten goede, mijnheer; maar anders leert de

lummel het nooit."

"Och, leg nu niet te hannessen," riep De Leeuw. "Allo vooruit. Kom

maar met den wijn. 't Is wat moois, er staat, potdori, nog niks op

tafel. Hier, jongos, anggoer, bawah anggoer. [133] Bedienen kunnen

we ons zelf wel," en hij nam de jongen de rijstschaal uit de hand.

Soerja was al heelemaal den kop kwijt.

"A propos, Van Affelen, wat hoor ik, wou je gaan trouwen? En wie is

het slachtoffer?"

"Trouwen, ben je gek, ik denk er niet aan."

"Zevenaer beweert het toch."

"Nou ja, trouwen, trouwen. Dat moet je nu niet al te ideaal

opvatten. Hij trouwt over de puthaak. Ze zijn bij mij al aan het

zoeken, op de afdeeling, naar een njonja ziender."

"Verrek!" schold Van Affelen, wat nijdig om het gelach. "Ik zal er

een van jou nemen! Merci."

"De keus kan toch niet moeilijk zijn," merkte Nederman op.

"Neen, zeker niet, mijnheer, zeker niet. Er zijn hier vriendinnetjes

genoeg."

"En je zult er toe komen, Affelen, het gaat op den duur toch niet

zonder. Je boel verwaarloost en ze stelen je het eten onder je neus

weg, als zoo'n noodzakelijk meubel niet in huis is."

"Oh, maar ik heb er ook niets tegen. Ze mogen zeggen wat ze willen,

ik vind het concubinaat nog zoo'n slechte uitvinding niet. Zoo'n

menagère houdt den rommel in orde, en bevalt ze je niet, dan gaat ze

de laan uit."

De glazen werden ingeschonken.

"Nou, Jonker, nou kun je speechen. Vooruit, verslik je niet en maak

het kort." Zevenaer stond op.

"Mijnheeren, 't is met aandoening ...."

De Leeuw barstte in lachen uit. "Wat zegt-ie,

aandoening? Hahaha! Aandoening, die is verdomd goed. Ga door, kerel,

ga door, maar niet zoo grappig, als je blieft."

Zevenaer bleef onverstoord.

"... met aandoening, dat ik hier een dronk instel op onzen gullen

gastheer. Ik zal jullie maar sparen de gewone heilwenschen, zie je,

maar ik wou toch wel opmerken, dat het in den huize Van Affelen,

hoe zal ik het zeggen, nog veel aangenamer, neen lieflijker, juist:

lieflijker, dat is het woord, zou zijn, wanneer de sylphiden-gestalte

van een schoone fee ..."

... "Liefde-rijker, bedoel je, Jonker," viel De Leeuw den spreker in

de rede, die vervolgde:

... "door deze vriendelijke woning zweefde en die van onzen

gemeenschappelijken vriend De Leeuw er buiten bleef."

"Bravo, bravo," lachte Nederman, die de mop binnen zijn bereik en

dus alleraardigst vond.

"Schei maar uit, Jonker, schei maar uit," viel de gastheer in, die

kregelig werd over de hardnekkigheid van de lui op dit chapiter.

Zevenaer bleef koppig op zijn stuk.

"En daarom zal ik drinken op de spoedige blijde inkomste van een

donkergelokte, naar klapperolie riekende, eegade in deze nederige

kluis en van een sleep van spruiten ...."

De redenaar werd overstemd door het onbehouwen gelach van Nederman,

door de bravo's en andere uitroepen van instemming van De Leeuw en

door de schimpwoorden van Van Affelen.

"Ad fundum, ad fundum!" riep Nederman en gaf het voorbeeld.

Toen het rumoer bedaard was, zeide hij, en op dit gebied kon hij

meepraten:

"Afgezien van de sleepende spruiten van Zevenaer, kun je er toch

niet te vroeg toe overgaan (om een menagère in huis te nemen, bedoel

ik). Dat geeft je in de eerste plaats meer gezag bij de bevolking,

zie je, ze houden je dan niet meer voor groen. En het is voor je

gezondheid ook veel beter."

Van Affelen was het natuurlijk dadelijk met zijn chef eens. Bij

deze was het een ware zucht, zeer begrijpelijk overigens, zijn

ondergeschikten tot de zelfde lage moraal, die hij op sexueel gebied

huldigde, omlaag te trekken. Van Affelen zou daarvoor een willig sujet

zijn: die deed alles, wat hem bij "den baas" in een goed blaadje kon

doen komen.

De Leeuw zorgde er voor dat de glazen weer gevuld werden, waarvoor

een tweede flesch aangesproken moest worden.

Gaandeweg kwam 't gesprek op de bevolking en op de wijze, waarop De

Leeuw er mee wist om te gaan.

"Ja," zei Van Affelen, "het is om jaloersch te worden zooals jij met

de lui kunt omgaan."

"Och, dat is geen verdienste, man. Dat komt van zelf, als je ze maar

niet trapt, zooals gewoonlijk regel is bij de blanda's. Wat bliksem,

die lui hebben ook gevoel in hun bast, zie je, en als je ze eens

bedondert, heb je 't voor altijd bij ze verbruid."

"Nou ja, maar daarmee alleen kom je er niet. Jij spreekt de taal als

ze zelf, dat is ook een groot voordeel."

"Dat leer je ook ... Nog eens inschenken, mijnheer Nederman?"

"Dank je. Maar hoe lang bennen jullie van plan nog te blijven? Ik moet

nog van avond thuis zijn. Dus, Affelen, je zult me moeten toestaan

dat ik dadelijk na het eten opstap."

"Zeker, mijnheer, natuurlijk. Het spijt me wel, anders."

De maaltijd was spoedig afgeloopen. Soerja bracht sigaretten, toen

de koffie rondgediend was.

Erg vlotte het gesprek niet meer. Zevenaer, die anders luidruchtig

genoeg was, had de stemming verloren. En toen Nederman in zijn bendy

[134] weggereden was, zat men eigenlijk wat met den tijd verlegen. Er

kwam een zacht regentje opzetten en De Leeuw merkte op dat "de oude

daar in zijn spulletje lol van kon hebben."

"Je kunt er donder op zeggen dat-ie in Benda blijft hangen. Daar

heeft hij nog een vriendinnetje zitten, Sarinten heet ze, een snol

als een paard, zeggen ze, maar een knap loeder."

"Zeg, De Leeuw," zeide Van Affelen, "het is toch waarlijk

bewonderenswaard, kerel, hoe jij met het volk één bent. Jij weet,

geloof ik, wat er hier op het heele land gebeurt."

"Ja, ik ben een gevaarlijk mensch, Van Affelen. Zoo weet ik

bijvoorbeeld dat jij een van de dochters van Sastra, den mantri-tjoeké

van je afdeeling, in je huis wilt hebben, als snaar, en dat de oude je

te slim is en kwasi weigert om zijn prestige. Die Djiëm is getrouwd

geweest, maar weer gescheiden. Dus bang voor een manspersoon hoeft

ze niet te zijn. Geef den oude vijf en twintig pop en je krijgt in

plaats van één dochter er twee. Hij heeft er zat."

Van Affelen had even gebloosd, bij de woorden van De Leeuw, en Zevenaer

had geh'md.

"Apropos, Van Affelen, van dien Sastra: houd dien smeerlap in de

gaten als ik je raden mag. Van Braam, en voor hem, Mulder, en voor

dien ... kom, hoe heet-ie ook weer, Van de ... Van der ... Van de Pol,

juist Van de Pol, liepen allemaal met hem weg. Nou, de kerel is best

voor zijn werk, daar niet van, maar dat is van ons standpunt, zie

je, van het standpunt van den landeigenaar, die hoe meer hoe liever

sleept. Maar het is een hond voor het volk. Hij snijdt ze om een

onverwacht groote hoeveelheid tjoeké binnen te brengen. En let op:

hij zal je gezegd hebben, dat van het jaar de padi slecht staat ..."

"Waarachtig, het is sterk!"

"Welneen, dat zegt hij elk jaar. Je voorgangers geloofden den vent

door dik en dun. Enfin, het had dit voor, dat het dan altijd een

meevaller is voor den baas. Je zult dus meer binnenhalen dan je

verwacht, daar kun je zeker van zijn. Maar, en dat is het mooiste

van de heele geschiedenis, dan bedondert hij je feitelijk tòch nog."

"Hoe zoo?"

"Wel, hij geeft jou minder op dan hij bij de bevolking opschrijft,

bij de tani's [135] namelijk die van de lastige weging op het land

afzien. Nou, dat weet het volk natuurlijk niet. En als hij zich dan

later laat omkoopen, om vermindering te geven, dan heeft hij er geen

stap voor te verzetten, want hij heeft dan al minder opgegeven. Zoo

snijdt het mes van twee kanten, begrijp je?"

"Wat een gannef! Maar er is, geloof ik, niet veel aan te doen."

"Wel zeker. Wat ik je daar verteld heb, is speciaal een praktijk van

Sastra. Maar een van mijn mantri's probeerde zich op dezelfde manier

gemakkelijk gezag te verzekeren bij het volk. Ik had hem in de gaten,

door mijn huishoudster, ik donderde hem er uit en noteer nu zelf

de tjoeké."

"Dat geeft je dan toch een hoop soesah."

"Nou ja, maar de bevolking vaart er wel bij. En nou ben ik misschien

erg rood, hé, maar in mijn oog gaat het volk voor."

"Ja," zei Zevenaer, "De Leeuw, jij komt nooit vooruit, dat heb ik

je al meer gezegd. Je bent veel te goed voor de kerels. Van boven

vragen ze om rijst, rijst, rijst, hoe meer hoe beter. Humaniteit best,

daar kan mee geparadeerd worden, maar rijst vòòr alles."

Van Affelen wilde wel meer weten van De Leeuw. Hij had zich al dadelijk

voorgenomen, Sastra tot elken prijs te handhaven. Hij was nog jong,

pur sang Hollander, die niet veel voelde voor land of volk, wiens

eenige zucht was vooruit te komen, hoe sneller hoe liever. Hij had

begrepen dat Sastra hem daarin kon helpen. En van den in ervaring

zoo rijken ouderen collega kon hij nog heel veel leeren.

"Dus jij zoudt me raden dien ouden Sastra zijn congé te geven?"

"Hoe eer hoe beter. Het volk zal er je in stilte dankbaar voor

zijn. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar mij doet het altijd

lol als de lui van je zeggen: nou, die vent is nog zoo bar niet,

als hij er uitziet."

"Jawel, jawel dat is prachtig, maar jij drijft de goedheid wel wat

ver," meende Zevenaer. "En nu ben ik wel geen volkskenner, maar

dat weet ik wel, dat die bruine broeders je goedheid vergelden met

tallooze akals [136] om je te belazeren."

"Zeker, dat doen ze mij óók, als ze kunnen. En dat zouden wij in

hun plaats ook doen. Of zouden wij het lollig vinden aan alle kanten

geschoren te worden."

"Nou, het is maar een vijfde," suste Van Affelen.

"Een vijfde? Man, man, wat zal jij je oogen nog den kost moeten

geven! Een vijfde? Ik beweer: door de bank zoo iets als de

helft. Waar ter wereld moet je vijftig procent inkomstenbelasting

betalen? ... Verdomde sigaar! 't Ding trekt niet ... Daar, marsch! Geef

me eens een ander."

De Leeuw kauwde de punt van zijn sigaar af, greep naar een doosje

lucifers, dat op de tafel lag en stak er den brand in.

"Geloof me," zeide hij, een rookwolk uitpuffend, "de boel is hier rot,

ínrot. 't Bestuur bemoeit er zich niet mee. Komen de lui klagen,

ze worden met een kluitje in het riet gestuurd. Een kennis van

me, een krantenmensch, heeft eens een heele brochure volgepend,

waarin hij vertelt dat de gé-gé [137] zijn plicht niet doet. Het

was een kras stukje. Er werd verwezen naar een artikel van het

regeerings-reglement, waarin gezegd wordt dat zijn eerste plicht is,

te zorgen dat de bevolking geen onrecht wordt aangedaan. Artikel 54,

geloof ik, neen 55. Heeft het wat gegeven? Kun je begrijpen."

Hij zweeg even.

"Daar op Buitenzorg geven ze hormatcirculaires [138] uit en

proclamaties tegen de concubientjes. Dat laatste is vooral prachtig. De

linkerhandjes recipiereeren tegenwoordig in de residentswoningen,

bij de raden van Indië en in andere paleizen. De boel is rot, man,

geloof me, rot. Dáár, soedah! [139] Schenk nog eens in, ik lust nog

wel een wijntje."

"Ik geloof, dat ik het artikel ook gelezen heb," zei de Jonker. "Ik

heb er een overdrukje van thuis gekregen. Goed ingelicht is de man,

ten minste op de meeste punten; maar geen wonder. Ik heb hem zelf

ingelicht, en, naar hij me schreef, ook de vorige administrateur

van Telatiga."

"Heb jij hem ingelicht?" vroeg Van Affelen verrast.

"Welja, waarom niet? Verdomme, de man deed er toch geen kwaad mee?"

"Maar dan heb je den baas toch eigenlijk belazerd," zei Zevenaer,

"want toen hij jou, Van Braam en mij gevraagd heeft of wij er iets

mee uit te staan hadden, zei je van neen."

"Zeker, ik heb hem voorgelogen. 't Is niet mooi van me misschien,

maar enfijn, ik heb het gedaan. Ze wouen hem vervolgen op Batavia,

vertelde de baas, en of wij dus materiaal wilden verzamelen om aan

te toonen dat hij lasterde."

"Nou, en heb jij iets gevonden?"

"Neen, jij?"

"Ook niet."

"Dus hij overdreef niet?" vroeg Van Affelen.

"Welnee, man; hij wist nog niet half genoeg."

"En is hij vervolgd? Dat gaat hier makkelijk genoeg, hoor ik, zoo'n

persdelictje."

"Nee, vervolgd is hij niet, ze hebben er maar van afgezien, zie

je. Als je in stront roert, gaat het stinken."

"Laat me het toch eens lezen."

"Best, bij gelegenheid."

"Een ding is toch zeker overdreven, geloof ik," zei Zevenaer weer. "Die

meer dan twintig procent breuk. Er is wel iets meer, nou ja, maar dat

kun je niet altijd afpassen. En de lui zelf brengen de rijst mooier

dan ze moeten."

"Wat is dat voor een kwestie?" vroeg Van Affelen.

Zevenaer legde uit:

"In het artikel wordt gezegd dat de bevolking gedwongen wordt om

tjoekérijst op te brengen met 89 tot 90 procent grof."

"Nou, dat is toch niet waar."

"Niet waar!" stoof De Leeuw op. "Het is van a tot z waar. Hoe hij er

aan komt, weet ik niet, ik heb hem op dit punt niet ingelicht, maar

waar is het, dat bezweer ik je. In de vrijwillige overeenkomst heet

het dat er 20 procent breuk mag zijn, he? Volgens van ouds door de

bevolking geleverd, zoo staat er. Dat is verdomd hypocritisch gezegd,

weet je. Want als je zegt 20 procent, zooals een beetje verder in het

contract staat, dan heb je een getal, waaraan je kunt vasthouden. Maar

wat is nou: als van ouds geleverd? Dat is niks. Dan kan je alles

weigeren, al brengen ze je honderd procent grof."

"Jawel, goed, maar gebeurt dit? Daar komt het maar op aan."

"Ja, dat gebeurt. Elk jaar gebeurt het. Als de rijst door de

sorteermachine is, dan blijkt er maar zestien procent breuk te zijn,

op zijn hoogst, begrijp je, op zijn hoogst. En de machine maakt nog

altijd vier, vijf tot zes procent breuk.

"Dus, dat wil zeggen, dat ..."

"Dat zestien min vijf nog altijd elf is. En dat het volk dus met

rijst van elf procent breuk komt, dat wil het zeggen."

"Goed, maar dat komt misschien omdat het volk de grens van breuk niet

kent, en zoodoende uit vrees maar mooiere rijst levert dan het moet."

"Nonsens, rats, de bevolking mòet, omdat mindere kwaliteit geweigerd

wordt. Je kunt de cijfers vinden in de registers van de gesorteerde

rijst. Dat is contractbreuk, begrijp je goed. Elk jaar. En

contractbreuk is strafbaar ... behalve wanneer de opgezetenen de

dupe zijn."

"Neen maar waarom klagen de lui niet? De assistent-resident ..."

"Och wat, Jonker, laten we mekaar nou geen Mietje noemen, zeg. Die

Van Dam is een vent om er een op toe te geven. Goddomme, leg de

overeenkomsten van Telatiga en van hier nu eens naast elkaar. Telatiga

rekent de grens van goedgeslaagd op zeven en dertig en een halve

picol. Dat is te laag, beweer ik. Maar goed. Hier is de taxatie nog

zes en een kwart picol lager. Dat berust op niets. Nou zou je zeggen,

als Van Dam die twee overeenkomsten ziet--we werken toch onder gelijke

omstandigheden!--dan zegt hij: dat deugt niet. Er is minstens één

van de twee niet goed. Nou."

"Ja, hij registreert beide."

"Juist, hij registreert alles, wat voor zijn pooten komt. Want hij

is gedekt, omdat de bevolking vrijwillig teekent."

"Nou ja," merkte Van Affelen op, "wij weten allemaal wel dat de

assistent-resident geen flauw benul heeft van de finesses van ons

bedrijf ..."

"Nou, wat doet hij hier dan? Het hoofdbedrijf in de afdeeling, in

het heele gewest. God beter 't, wat heb je aan zoo'n knul, als hij

niet weet waar ie zijn poot onder zet?"

"Goed, maar als ambtenaar is zijn standpunt begrijpelijk, al toont

het weinig karakter, weinig fut. De lui hebben vrijwillig geteekend,

zegt hij ..."

"Maar, kerel, dat is gelogen. Er wordt niet vrijwillig geteekend."

"Niet? Wat is dat nou, wij dwingen ze toch niet!"

"Wij dwingen ze wèl, moreel namelijk. Wij paaien ze met beloften,

vrij visschen, geen tuinhuur, voorschot, enz.; wij bedreigen hen met

straffen als ze niet teekenen. Wat een wonder dat ze dan teekenen. Van

een reglement weten de meesten niet. En dan, weet je wat zoo verdomd

gemeen is? Het breukgemiddelde is veel te hoog."

"Niet te veel willen bewijzen, De Leeuw. Qui prouve trop, ne prouve

rien. Er zijn stampproeven, die dat gemiddelde hebben vastgesteld."

"Als ik niet te lang op het land was, zou je me nu mat hebben,

Jonker. Maar nou heb je me niet, man. Ik wou je wel vragen of je

begrijpt waarvoor die stampproeven hier, zoowel als op Telatiga,

zijn genomen, hoeveel jaar geleden weet ik niet? Waarvoor is die

standaard-stampproef genomen?"

"Om vast te stellen, de rijstcoëfficient en de breukverhouding."

"Juist. Nu ben jij landheer hé, en ik tani? Ik moet jou rijst

leveren. Andere inkomsten trek je niet, of ook zonder dat, wat zal

jij nu doen: tevreden zijn met een picol, als je twee kunt krijgen

met allen schijn van recht?"

"Een domme vraag: natuurlijk twee picol opeischen."

"Die vraag is zoo dom niet, als je denkt. Maar enfin. Dus je begrijpt

wel, dat die stampproef werd genomen onder buitengewoon gunstige

omstandigheden, niet waar, dat de nadeelige factoren zijn vermeden,

dat men eerst met de hoogst mogelijke uitkomsten tevreden was. Dat

is toch logisch, niet?"

"Zeker."

"Nou. Ik heb zelf die stampproef gecontroleerd. Je kunt me dus

gelooven, trouwens je kunt het nagaan ook, als ik je zeg dat wel geen

uitgezochte padi werd verstampt, dat zou te dol zijn, maar padi, die

niet van weersinvloeden te lijden had gehad, die uitmuntend stond in

het algemeen, en weinig breuk zou geven. Een vrij groote hoeveelheid

van die padi werd verstampt, onder ons toezicht. Dat stampen ging

uiterst voorzichtig. Nou het resultaat was, in vergelijking met wat

als tjoeké wordt ontvangen, alles behalve schitterend. Omgeslagen

over één picol kregen wij drie en vijftig kattie rijst."

"Dat is nog mooi."

"En in de witte rijst was acht en veertig en een half grof. Jammer,

dat ik zoo'n standaard-staatje niet bij de hand heb, het is wel

interessant."

"Misschien kan ik je helpen," zei Van Affelen. "Ik heb eens op de

besaran een stampproef-staat overgeschreven. Misschien is het die,

welke je bedoelt. Je kon nooit weten. Ik kon hem eens noodig hebben."

Van Affelen stond op en zocht op zijn schrijftafel naar een

notitieboekje. Na eenig zoeken had hij het. Uit de portefeuillekap

van het boekje werd een toegevouwen papiertje geproduceerd. Affelen

vouwde het open en reikte het De Leeuw toe. Deze keek er even naar.

"Ja," zeide hij, "dit is het. Nou kijk eens hier. Verstampt: 1 picol,

soort: meest verbouwde, dedek 9 kattie, merang 9 kattie, doppen 27,

niet wit grof 29 kattie, fijn 24 kattie; wit grof 25 1/2, fijn 27

1/2; dus procent rijst 53; verlies 2 kattie. Nou de breukverhouding

in procenten: niet-wit, eerste soort 54 1/2, tweede soort 45 1/2;

wit, eerste soort 48 1/2, tweede soort 51 1/2. Dit is dus je

standaard-verstampingsproef. En nu kun je zelf zien hoe het volk

bedonderd wordt. Want hun rijst is voor 88 procent grof, de rest

gebroken. De normale breukcoëfficient is 51 1/2, ze moeten leveren

met twaalf procent. Zie je, dat is toch verdomd vuil ..."

"Nou ja, je kunt je daar nu wel over opwinden," zeide Van Affelen,

wat spijtig, omdat door den harden vuistslag van De Leeuw op tafel

een der glazen was omgevallen en den inhoud gedeeltelijk over zijn,

Affelen's, pantalon had uitgestort. "Maar het is grauwe theorie, dat

wil zeggen, ik zeg het verkeerd; als je dat zoo uitlegt, dan lijkt

het wel of de lui hier worden uitgezogen tot op den laatsten druppel

bloed, terwijl 't in waarheid nu niet zoo bar is. De kerels hebben

ten minste nog bloed genoeg in d'r body om te blijven voorthappen."

De Leeuw haalde zijn schouders op, maar Zevenaer viel uit:

"Nou ben je toch verbazend kortzichtig, Affelen. In dergelijke dingen

bestaat geen theorie, dat laat zich toch begrijpen, hé? Je betaalt of

betaalt niet. Een andere keus is er niet. Of liever, er is heelemaal

geen keus voor de zwarten. Als ze niet leveren willen naar den wil van

den landheer, dan gaan ze er af of ze worden ge"rold". [140] Er blijft

alzoo niets anders te doen dan Steuer zahlen und 's Maul halten ..."

De Leeuw schoot opeens uit zijn slof:

"Affelen wil geen theorie, hè? Goed. Ik zal hem practijk

geven. Potdomme, zooveel als-ie wil. Ik heb een oppassenden kerel in

Kerep, Marto, 'n ouwe kerel, vrouw en een schuif jongen; de man heeft

250 roeden sawah. Nou, ik zal je zijn jaarbalans optellen. Meerekenen

als je blieft."

De Leeuw haalde een potloodje voor den dag en krabbelde achter op

de stampproef.

"Bewerking twee honderd vijftig roeden à vijf en twintig cent voor

de tien maakt zes gulden en een kwartje. Aankoop zaadpadi, een halve

picol, meer is niet noodig, één en een kwart, dat is samen drie

ringgits [141]. Nou plantloon. Twaalf vrouwen, stel, een dubbeltje

daags en de kost, dat is niet te royaal, twee veertig, samen negen

negentig. Een douceurtje voor den mantri-tjoeké, kan niet missen,

stali [142]; samen tien vijftien. Snijloon; ja dan moeten we de

productie hebben. Dus dat in petto. Drogen en aan bossen binden

... Neen dat gaat niet. We moeten toch de productie hebben. Dus,

onthouden, lui. Wat hadden we ..."

"Tien gulden vijftien."

"Juist, tien gulden vijftien. Bij een doorsnee-productie van vijf

en twintig picol, geeft hem zijn stukje sawah twaalf en een half

nat. Snijloon een vijfde, maakt tien; uitdroging twintig procent,

is twee picol. Rest acht picol droog. Dus acht picols. Drogen en

aan bossen binden acht dubbeltjes, maakt tien vijftien plus tachtig,

is tien gulden vijf en negentig, niet?"

"Ja, all right, ik volg. Maar à propos, je rekent alles uit. Wat

duivel, hij kan toch zelf wel zijn oogst behandelen!"

"'t Kan wel, maar het gebeurt niet, jò, dan komt er geen oentoeng ..."

"Nonsens, daar behoeft geen rekening mee gehouden te worden," viel

Van Affelen uit.

"Je kunt om den adat lachen of spotten; je vroeg om practijk. Nou, ik

geef je practijk. Volgt draagloon naar de loemboeng [143] acht gobangs

[144]: twintig cent; dat is elf gulden vijftien. Nou stamploon. Acht

picol à vier en vijftig procent geeft ... vijftig is vier, vier maal

twee-en-dertig ... geeft vier picol twee en dertig kattie. Neem nu aan,

tegen vijftig procent breuk, geeft twee, zestien grof à zes vijftig

... (na korte berekening) ... veertien gulden en vier cent. Dan nog

twee zestien fijn à vier pop, acht vier en zestig. Totaal twee en

twintig acht en zestig. Onthouden hoor. Waar waren wij daareven?"

"Bij het stamploon."

"Ah juist, een zesde van vier picol twee en dertig is twee en zeventig

kattie, maakt"--De Leeuw cijferde weer--, "berekend tegen de prijzen

van daarnet--drie zestig, plus elf gulden zestien, niet waar? is

veertien zes en zestig."

"Zes en zeventig."

"Ah ja, natuurlijk, veertien gulden zes en zeventig. Djakat [145] een

tiende is drie en veertig kattie, dat maakt twee gulden zestien. In

totaal alweer zestien gulden twee en negentig ..."

"God, wat zijn jullie vervelend! Schei nou toch uit met dat gecijfer,"

zeide Zevenaer geeuwend.

"Het is voor de inlanders nog veel vervelender altijd maar weer

te moeten betalen," antwoordde De Leeuw droogjes. "Maar ik zal Van

Affelen eerst doodslaan met de practijk. Niemand dwingt jou om te

luisteren. Draagloon naar het pakhuis, Van Affelen, zeven paal,

laten wij zeggen een kwartje. Tel maar weer op: zeventien gulden

zeventien. Nou de tjoeké. Volgens artikel vier van de vrijwillige

overeenkomst, een vijfde of twee en een halve picol nat à veertig

katties in een picol, waarvan acht en tachtig procent grof tegen zes

vijftig ... wacht, dat is een langere berekening, geef me een ander

stukje papier."

Van Affelen scheurde een velletje uit zijn zakboekje en reikte het

den ander over. Hijzelf zat ingespannen te luisteren en was een en

al aandacht.

"Dat maakt vijf gulden twee en zeventig, en twaalf procent fijn à

vier pop, acht en veertig cents, totaal zes en twintig. Dat is dus met

dat van daarnet, drie en twintig gulden zeven en dertig. Nou reken ik

niet: witstampen, waakloon gedurende vijf maanden op het veld, sedekah

voor den oogst. Maar één ding is nog vergeten. Het voorschot. Dat

neemt natuurlijke elke inlander aan als het hem aangeboden wordt. Hij

krijgt voor tweehonderd vijftig roe, drie pop, na den oogst terug met

twintig percent rente voor zes maanden, is zestig cent. Zijn uitgaven

zijn dus in totaal: drie en twintig gulden zeven en negentig cents,

rond vier en twintig gulden. En daar tegenover staat een verdienste

van twee en twintig gulden zeventig. Marto heeft dus verlies: een

gulden dertig verlies."

"Ja," zei Van Affelen, "er schijnt niets tegen te zeggen."

"En nou vraag ik je of je begrijpt, wat dat zeggen wil: verlies te

lijden als je het heele seizoen gewerkt hebt, als je je arbeid,

je zweet gegeven hebt om een goed stukje grond vruchtdragend te

maken. Alles wat de stakker deed, het water van zijn sawah houden,

het spitten, ploegen, planten, zijn heele denken gedurende dien tijd,

zijn vreugde als de padi opkwam en de aren zwollen, de blijdschap bij

den oogst, dat alles weg, weg en erger, hij heeft schuld, hij is armer

dan hij begon. Verdomme, Van Affelen, we zijn eigenlijk lammelingen,

dat we er aan meedoen, zeg, die stakkers zoo te villen ..."

"Nou, nou, word niet sentimenteel, De Leeuw, we moeten allemaal leven."

"Ja, dat houdt me hier. Wie kan mij nou gebruiken? Ik heb alleen

verstand van padi. Anders ging ik weg. Als ik zulke buien heb en me

veroorloof me in te denken in den ellendigen toestand van zoo'n Marto,

dan kan me de heele santekraam ook niks verdommen. En zoo zijn er veel

als die Marto, heel veel, het is bijna normaal zoo. Daar heb je dan

de practijk, Van Affelen, en erken dat ze verrot is, verrot, verrot!"

De Leeuw sloeg met de vuist op de tafel. Toen, als om nare gedachten

te verdrijven, stond hij op, rekte zich uit en zeide: "Kom, Zevenaer

heeft gelijk, wij zijn vervelend, wat kan ons après tout zoo'n inlander

schelen? Ik ga mandiën [146]. Als het licht op is, leggen we zeker

een ombertje, he?"

"Idealist," bromde Van Affelen, toen De Leeuw zich verwijderde,

en dat woord, op dien toon, had de beteekenis van een schimp.

"Goed, een idealist, ik ben het anders niet met je eens," zeide

Zevenaer, "maar een nobele kerel. Beter dan wij."

"Och kom, ik wist niet dat jij sentimenteele buien had, Jonker. Maar,

wat bliksem, wat De Leeuw wil, zijn herschenschimmen ..."

"Wat?"

"Nou, die rechtvaardigheid. 'n Prachtig beginsel, maar je vreet er

niet van. Onze maatschappij ..."

"Neen onze maatschappij houdt weinig rekening met mooie beginsels; dat

is zoo. Reden om met de maatschappij in denken en doen te verschillen."

"Prachtig, maar ik verkies in het leven te blijven, met of zonder

gemoraliseer,--Soerja, pasang lampoe! [147]--De schemering maakt je

tot een moralist, Jonker. Ik wist niet dat dàt mogelijk was, en ik

houd niet van inkeeringen."

Het liep tegen vier uur 's middags, den dag daarop, dat Prawira,

vergezeld van Siman, het erf van de employés-woning te Herea

opkwam. Van Affelen was nog niet thuis en Prawira zeide tot zijn

jongen metgezel te wachten bij de stoep. De ziender zou wel spoedig

thuis zijn; het was wonder dat hij er nog niet was. Prawira zelf zou

zich maar verwijderen. Het was niet goed, zeide hij, dat de opzichter

hen samen zag, en Siman kon zijn woord toch zeker zelf goed genoeg

doen. Hij, Prawira, zou later nog wel een woordje zeggen als het

noodig was. Siman begreep eigenlijk niet, waarin het kwaad stak als

men hem in het gezelschap van den ander vond, en hij was ook wel

bevreesd met zijn verzoek voor den employé te komen. Maar Prawira

ging en dus bleef hij alleen.

Gehurkt, diep in gedachten omtrent de wijze, waarop hij zijn verzoek

zou moeten inkleeden, wachtte hij. Zelfs merkte hij niet dat Van

Affelen aankwam. Eerst toen de bendy het erf opreed, keek hij op,

ter sluiks den Europeaan opnemend.

Van Affelen was in een slechte luim. Hij meende reden te hebben nijdig

te zijn op het volk, omdat Pah Roesmi gepoogd had hem om den tuin te

leiden met de tjoeké-rijst, die afgekeurd was, en die hij opnieuw

aanbood, na eenige dagen, in gave zakken, alsof hij, Van Affelen,

den toeleg niet zou doorzien. Die poging tot bedrog was verkeerd van

Pah Roesmi, maar Siman had er geen schuld aan en hem trof slechts

de booze bui van den blanke, zonder dat hij er, door het kennen der

oorzaak, reden tot verontschuldiging voor kon vinden.

"Wat mot jij?" snauwde Van Affelen, terwijl hij de leidsels naar

achteren wierp.

Siman was bedremmeld en zweeg. Zijn vooruit klaargemaakte rede bleef

hem op de tong.

"Wie ben jij? Kun je niet antwoorden?" Van Affelen werd driftig.

"Ik ben Siman, meester, van de desa Gatok."

"Nou, en wat wil je?"

"Mijn padi is gesneden, meester, en ik zal de tjoeké moeten afleveren."

"Verder?"

"Het is zoo bezwarend, meester ..."

"O, het oude liedje! Je wilt vermindering hebben van de tjoeké, he?"

"Ja, meester, mijn vrouw ..."

"Heb je taxatie gehad?"

"Ja, meester."

"Wie heeft getaxeerd?"

"Mantri Sastrawidjaja."

"Was je tevreden?"

"Ja, meester, maar de ..."

"Dat kan me niets schelen. Je krijgt geen vermindering, begrepen? Ik

ken dat gezanik. Allemaal leugens. Te lui om te werken, maar om te

vreten niet, hé? En nou is er zeker een tante of een grootje van je

dood, en moet je geld hebben? Geen kwestie van!"

Siman waagde nog een poging:

"Meester, ik lieg niet. Er is niemand dood, maar mijn vrouw is pas

bevallen ..."

"Daar ben je niet te lui voor, hé?--om kinderen te maken. Alloh,

vort! Je krijgt geen cent vermindering."

Van Affelen stapte zijn kamer in.

Siman stond op, langzaam. De laatste beleediging had hem dieper

getroffen dan de geheele hondsche bejegening. Er gloeide opeens een

heftige wraakzucht bij hem op. Een blik van diepen haat volgde den

blanke. Toen was de jonge Soendanees zich weer meester.

Buiten wachtte Prawira hem op. Siman deelde hem slechts mede, dat

zijn verzoek geweigerd was. Hoe dit geschied was, verzweeg hij,

uit schaamte. De ander schreef zijn bedruktheid en dofheid toe aan

de teleurstelling der weigering--waaraan Siman op dat oogenblik niet

eens meer dacht.

"Je hadt ook weg moeten gaan," zeide Prawira. "Ik zag aan zijn gezicht

al dadelijk dat hij in een slechte luim was."

Lang bleef Siman niet te Herea. Hij gebruikte een kleine verversching

bij Prawira en vertrok alleen naar Gatok. Het was al eenige uren

nacht, toen hij bij zijn vrouw kwam. Ze sliep reeds, maar ontwaakte

bij zijn komst.

"En?" vroeg ze, maar het antwoord las zij reeds op Siman's somber

gelaat:

"Hij heeft geweigerd."

Djiah zuchtte.

Sastra zat, de beenen kruiselings onder het lijf, voor Van Affelen,

die notities van hem overnam. Toen dit afgeloopen was, draaide de

blanke zich op zijn stoel om.

"Zeg, Sastra, wie is die Siman van Gatok?"

"Een nieuweling, meester. U weet wel, ze zijn hier het vorig jaar

gekomen. Hij heeft nog een ouden vader, die nu de tering heeft."

"Wat zijn dat voor lui; lastige menschen?"

"Neen, meester, integendeel, zij zijn zeer gewillig."

"Zoo, h'm. Hij heeft me gisteren gevraagd om vermindering van tjoeké."

"Ja, meester."

"Ik heb natuurlijk moeten weigeren."

"Het beschot is tegengevallen, meester; de oude ligt ziek, en Simans

vrouw is onlangs bevallen."

"Kan er niets aan doen. Is het een groot gezin?"

"Ja, meester, de oude Rekso, Mah Ten, zes kinderen, buiten Siman."

"Zoo, nou, ik zal 's kijken als ik dien kant uitkom. Maar nou wat

anders: Waar is je dochter nu, Sastra?"

De mantri boog het hoofd wat dieper, om een blik van vreugde te

verbergen. De oude had dadelijk begrepen wat Van Affelen bedoelde. Er

was reeds meer van deze aangelegenheden sprake geweest. Hij wilde

niets liever dan Djiëm geïnstalleerd zien als huishoudster bij den

opzichter. Dat kon hem in zijn positie slechts voordeel brengen. Maar

het was zaak hiervan niets te laten blijken.

"Welke bedoelt u, meester?" vroeg hij achteloos.

"Djiëm."

"Djiëm is te Telatiga."

"Zoo. Wanneer komt ze weer op het land?"

"Ik geloof niet meer, meester. Ze wil huishoudster worden bij een

blanda in de kotta."

De man loog. Djiëm zat thuis.

"Zoo. Ik dacht dat jij daar bezwaar tegen hadt?"

"Ja, meester, dat heb ik ook. Maar ik ben een oud man. En de kinderen

zijn reeds volwassen."

"Nou, waarvoor moet ze dan naar Telatiga? Ze weet toch dat ik jou

aangeboden heb haar hier te brengen?"

"Daar kan ze misschien meer verdienen, meester."

Sastra loerde naar Van Affelen. Zijn kleine oogjes glinsterden.

De Europeaan stond op, opende een geldkistje, dat in de slaapkamer op

een gemetseld muurtje vastgeschroefd was. Hij haalde er twee bankjes

van tien en een van vijf uit en kwam bij den mantri terug.

"Laat Djiëm halen," zeide hij, "en zeg haar dat zij dit geld kan

krijgen en nog meer, als ze huishoudster hier op de zienderan [148]

wil worden. Versta-je?"

"Ik zal het doen, meester, omdat u het gelast."

"Goed, en maak een beetje haast als je blieft."

Drie dagen later was Djiëm als njai geïnstalleerd. Zij was een ferme

deern met een brutalen oogopslag, die er haar toean wel onder zou

krijgen. Haar welkomstgroet was niet zeer vriendelijk geweest. Als

ze zwanger werd, ging ze de laan uit, had Van Affelen gezegd. Maar

Djiëm had zich vast voorgenomen, als ze eerst dien blanda maar goed

aan zich gehecht had, hem nog vaster te binden door kinderen van hem

te krijgen. Van het geld, dat Van Affelen aan haar vader gegeven had,

had ze maar weinig in handen gekregen. Maar zij zou zichzelf wel een

spaarpot weten te maken. En zij begon aldra met haar jongere zuster

in een warong [149] te zetten in de desa Herea. De bevolking zou

daar de inkoopen doen, dat was duidelijk, want natuurlijk zou men

meenen, daardoor bij den opzichter in het gevlei te komen. Onder

zulke omstandigheden is concurrentie voor andere neringdoenden zeer

moeilijk. Met het gevolg dat de prijzen worden opgedreven ... ten

detrimente der bevolking.

Zoo gaat het veelal in de binnenlanden en zoo ging het ook te Herea.

En gelijk dan ook meestal het geval is, de bevolking voelt dat zij

getroffen wordt, maar verzet zich daartegen niet. Het Javanenvolk

is deemoedig, het deemoedigste ter wereld. En zeer diep moeten

gezagsmisbruik en knevelarij doordringen, voordat het stille verdragen

tot morren, het morren tot muiten wordt. De inwoners van Herea lieten

zich knevelen ...

Van Affelen merkte er niet veel van, en, deed hij het al, het zou hem

te veel zelfoverwinning gekost hebben, zich vóór het volk, waar hij

niets voor voelde, te plaatsen tegenover Djiëm. Hij hechtte zich steeds

meer aan zijn huishoudster. Djiëm paarde aan verleidelijkheid van

lichaam voldoende mate van sluwheid om haar toean aan zich te binden

door levendig houden van zijn begeerte naar haar. Haar berekening

faalde niet. Van Affelen, die in dit opzicht niet boven de middelmaat

stond, kwam steeds meer onder den wilsinvloed der Javaansche.

Het feit dat de jonge Hollander met Djiëm leefde, had iets

immoreels. Dit immoreele lag niet in de eerste plaats in hun verhouding

tot elkaar, want waarom zou het concubinaat lager staan dan de meeste

huwelijken? In toewijding, gehechtheid, zorg voor persoon en eigendom

van den man, ja zelfs in liefde, behoeft de Javaansche niet onder te

doen voor haar blanke zuster. Ligt hierin niet het moreele van het

samenleven van man en vrouw? Is het wel een eisch der moraal--of alleen

maar van fatsoen?--dat we ons van overheidswege laten autoriseeren

om iets blonds, bruins of zwarts te maken tot levensgezellin?

Het immoreele van hun samenleven lag in hun verhouding tot het

volk. Want Sastrawidjaja had terecht begrepen, dat zijn invloed zou

groeien met den duur van zijn dochters verblijf in de woning van

den opzichter!

Zoo was het.

En Sastra ging voort in het klein het voorbeeld zijner kapitalistische

patroons te volgen: de bevolking der afdeeling Herea werd meer dan

ooit gekneveld.

Ter eere van Van Affelen zij hier verklaard, dat hij te onbekwaam

was voor zijn taak, te onbekend met het volk, te veel geabsorbeerd

door de zucht naar carrière-maken, dan dat hij van die uitzuiging

veel zou bemerkt hebben. Het volk kwam bij hem zich niet beklagen,

zooals bij De Leeuw, wanneer de desalieden konden verwachten dat hun

gang naar de zienderan van Alas Bamboe onopgemerkt zou blijven. In

De Leeuw stelden zij vertrouwen.

Het was weer een maand verder.

Bedruktheid heerschte in een tweetal woningen van de desa Gatok: met

Pah Rekso ging het hard achteruit. De oude kon de baleh niet meer

verlaten. Hij kuchte voortdurend en de ingeteerde borst piepte met

naar geluid. Het einde kon zich niet lang meer laten wachten.

De misère kwam er weer zeer ongelukkig tusschen. De tjoeké

was opgebracht. Pah Ran en Siman hadden zelf de vracht naar het

pakhuis gedragen om loon uit te winnen. De rijst was gelukkig goed

bevonden; dubbele verheugenis voor dien dag, want de opzichter was

weer zeer ontstemd geweest en heel wat tjoeké-rijst was door hem

afgekeurd. Ten onrechte. Maar de getroffenen hadden zwijgend dat

onrecht geduld. Buiten eerst, onder elkander, had men gemokt over

die benadeeling. En Pah Ran en Siman begrepen dat hun rijst zeer

mooi geweest was van korrel, daar hun geen enkele opmerking gemaakt

was. Neen waarlijk, Prawira had gelijk gehad, zóó stampen zouden Djiah,

Ipah en Mariam niet gekund hebben.

Te Bodjong Kawoeng hadden zij hun zaadpadi besteld voor den volgenden

planttijd. Wel hadden zij die zaadpadi kunnen inkoopen in Gatok

zelf, van Tio Ang Sioe, en wel hadden zij dus met de padi weer een

aanmerkelijken afstand af moeten leggen, maar beiden hadden dit toch

verkieselijker gevonden. Er was reden voor.

Tio Ang Sioe toch was een zoon van den administrateur, een onecht

kind, verwekt bij een Chineesche vrouw. Nederman had, toen hij de

administratie van het particuliere land Alas Bamboe in handen nam--hij

was er langzaam aan oudste employé geworden--een zeer geschikt baantje

voor zijn zoon gevonden. Hij wilde hem liefst wat ver uit de buurt

hebben en stelde hem aan als padileverancier te Gatok. Tio Ang Sioe

leverde zaadpadi aan het land en het land gaf het uit aan de bevolking,

die er behoefte aan had. Er kwam hooge rente op, hooger zelfs dan Tan

Boen Ho te Telatiga bedong. Maar dat scheen wel billijk. Immers, de

transportkosten van Telatiga naar het land behoefden den prijs niet te

drukken. Gemeenlijk werd die zaadpadi in tjoeké-rijst terugbetaald. En

Tan Boen Ho berekende een picol tjoeké-rijst tegen een picol zaadpadi,

dat is dus ver meer dan honderd procent ... De onderneming nu betaalde

aan den Chineeschen zoon des administrateurs meer per picol zaadpadi

dan de prijs was: voor elken picol kreeg Tio Ang Sioe drie gulden. Daar

zat een aardige winst in en Nederman behoefde zich niet ongerust te

maken over benadeeling van de onderneming, want--het was immers de

bevolking aan wie de padi weer werd geleverd, die aldus zijn zoon

aan een ruim bestaan hielp?

Tio Ang Sioe zou echter geen zoon van zijn moeder geweest zijn,

wanneer hij niet getracht had zijn zoo gemakkelijk gewonnen inkomsten

te vergrooten. En het lag voor de hand, dat hij minderwaardige padi

opkocht voor de levering aan zijn natuurlijken vader. Die zaadpadi was

echter te slecht om te planten. En de Javaan werd er de dupe van ...

Toen Siman en Pah Ran 's avonds laat thuis kwamen, lag Pah Rekso

te sterven.

Mah Ten ondersteunde het hoofd van haar man. Tranen stonden

in haar oogen. Zij begreep wat er ging gebeuren met pijnigende

juistheid. De oude ging weg van haar en de kinderen, na die lange

jaren van samen leven en samen lijden. Mariam en Ipah en de jongere

kinderen schreiden. Djiah stond wat verder af het treurig tooneel

in diepe gedachten gade te slaan. Het was geen koudheid des harten,

die haar deed becijferen, op dat oogenblik, hoeveel dit sterven weer

zou kosten. Och neen, het was de benauwende greep van het gebrek,

dat in zijn druk steeds en immer de herinnering aan zich levendig

houdt. Mah Itam, er bij geroepen, wreef den zieltogende, onder het

prevelen van gebedenformulieren, over de lenden. Rekso rochelde reeds,

bloedschuim stond hem op den mond en door het rochelen heen zocht de

adem fluitend zich een uitweg naar buiten. Het was een allertreurigst

tooneel. Het olielampje op de ruwhouten tafel wierp dan hier, dan

daarheen de zwarte dansende schaduwen dier menschen op de bamboewanden,

en teekende donkere vlekken op de aangezichten.

Djamin zat buiten.

Toen Siman en Pah Ran aankwamen, snelde de knaap hun tegemoet.

"Vader is stervende," hijgde hij fluisterend, "de tjilepoek [150]

heeft al tweemaal geroepen."

Maar diep in den nacht eerst was het afgeloopen. Pah Rekso had even

voor zijn dood een oogenblik van bewustzijn gehad.

"Jullie moet weg van Alas Bamboe. Hier is tjilaka [151] ..." waren

zijn laatste woorden. In een hevige bloedgolf bleef hij. Toen begonnen

de vrouwen luide te jammeren. Mah Ten vloekte het oogenblik dat zij

waren weggegaan van Soemedang. Het was de straf van Allah. Ze hadden er

moeten blijven, dan was Pah Rekso niet gestorven. Nu kwam er nog veel

meer tjilaka. Ze moesten maar weg, weg van hier. Rekso had het gezegd

en stervenden kunnen méér zien. Men moest hem gelooven. Weg, weg ...!

Toen de morgen gloorde, zat Ten nog steeds op de baleh. Denken deed ze

eigenlijk niet. In haar oogen lag die weemoedige blik van gemartelde

berusting, die niet vreemd is onder de inlanders, welke met de blanken

in aanraking zijn geweest. Vooral treft die gelaatsuitdruk ons voor

de inlandsche rechtbanken.

De penghoeloe was er al vroeg geweest; na hem kwamen de

klaagvrouwen. Djamin had het ondernomen naar Bodjong Kawoeng te gaan,

waar Prawira's vader woonde. Prawira moest gewaarschuwd worden, had

Mariam tot hem gezegd. Hij was nu zoo vriend van den huize geworden,

dat de begrafenis moeilijk kon plaats hebben, zonder dat hem van het

overlijden van Pah Rekso was kennis gegeven. Laat in den namiddag

was Prawira gekomen op een paard, dat hij van den loerah [152] van

Herea had geleend.

Den volgenden morgen werd Rekso begraven. Het was een heel eenvoudige

plechtigheid. Het lijk, dat na gewasschen te zijn in een wit laken

was gewikkeld, werd op een eenvoudige bamboezen baar, overdekt met een

sarong, naar de kleine, vriendelijke begraafplaats gedragen onder de

kambodja's, waar den dag te voren een ondiepe kuil was gegraven. Een

houten paaltje wees het hoofdeinde aan; een kleiner de plaats van de

voeten van den doode.

De kuil was dicht; men ging huiswaarts. Prawira en Pah Ran gingen naar

het sterfhuis door, toen Siman, bij zijn huisje gekomen, daar binnen

ging. Een liefelijk tooneel zag hij daar: Djiah gaf den kleinen Rekso

de borst.

De kleuter was nu twee maanden oud ongeveer en groeide krachtig

op. Siman was zijn grootste vriend, tegen wien hij kon kraaien van

plezier. Ook nu weer trok de kleine onder het gretig zuigen het mondje

tot een lach. Maar Siman had vandaag geen zin tot vroolijkheid en

spel. Hij zette zich naast zijn bloeiend vrouwtje neer en zonk in

sombere gedachten. Djiah wist welke zorg nog bij zijn smart kwam en

vroeg niets. Siman zelf verbrak het zwijgen.

"Het voorschot moet nog betaald worden," zeide hij als tot zichzelf.

"Hoeveel is het?" vroeg Djiah schuchter.

"Ik weet het niet precies. Er komt natuurlijk rente op, maar dat kan

toch zoo veel niet zijn."

"Waarom niet betaald, toen jij en vader te Herea waren om de tjoeké

te leveren? Nu moet er weer iemand heen."

"Toen hadden wij het geld nog niet ..."

"En nu dan wel?" vroeg zij uiterst verwonderd. De vraagster ging bij

zich zelf te rade, waar Siman de middelen gevonden kon hebben ...

"Wij zullen de karbouw verkoopen," zei Siman zacht.

Stil van schrik, keek Djiah een oogenblik haar man aan. Deze waagde

zich niet aan dien blik. Toen keerde Djiah zich af; haar oogen waren

vochtig. Zij legde den kleinen Rekso, die ingeslapen was bij zijn

gewichtige levenstaak, in zijn geïmproviseerde wieg, een doek aan

twee touwen vastgeknoopt, bij wijze van schommel.

"Wanneer moet je betalen?" vroeg ze weer.

"Hoe eer hoe beter. Morgen."

"En de katjang [153] dan? We zijn toch al zoo laat. Als jullie

nog langer wachten met spitten en planten, komen we te laat in het

seizoen."

"Ja, dat is zoo. Maar Pah Ran of ik zullen toch moeten gaan."

Djiah kreeg een idee. Maar ze wist dat Siman het niet goed zou keuren

en deelde hem haar plan dus niet mede.

"Prawira gaat immers morgen naar Herea terug?" vroeg ze.

"Ja."

"Nu, dan zal ik met hem meegaan. Zorgen jullie dan voor de

katjang. Ik ben zoo bang dat we niet tijdig gereed zullen zijn met

de palawidja. Het is beter dat ik de buffel ga verkoopen. O, je hoeft

niet te vreezen, dat ik geen goeden prijs zal krijgen, en Prawira zal

mij wel helpen. Het treft juist goed, morgen is groote passerdag te

Bodjong Kawoeng. Allicht slaag ik daar al."

Siman was nog te bedrukt door de gebeurtenissen der laatste dagen, en

ook lachte hem het plan van Djiah wel toe. Ze was een ferme meid, die

zich niet zou laten beetnemen. Bovendien was het wel mogelijk dat zij

met meer volharding den prijs zou handhaven dan hij of Pah Ran. Want

zij wist niet dat men er zoo krap voorstond en zou dus niet behoeven te

strijden tegen de neiging in godsnaam wat minder geld thuis te brengen,

als er maar geld was, contant geld, dat men betasten kon. Van het

verkoopen der geoogste rijst was geen sprake. Die hadden zij met het

zoo groote gezin zelf noodig. Na eenige discussie stemde hij dus toe.

Djiah spoedde zich naar Mah Ten, wie zij de schikking mededeelde. De

goede vrouw verkeerde nog in zulk een stemming van moedeloosheid,

dat ze alles goed vond. Ook Djiah's vader liet zich overhalen. Hij

moest toegeven dat zijn dochter gelijk had: men had al veel tijd

onbenut voorbij laten gaan en er diende thans begonnen te worden met

de uitplanting der katjang.

Prawira beloofde Djiah met raad en daad bij te staan. Misschien

dat zijn vader de karbouw wel zou koopen. Onlangs nog had hij zijn

voornemen te kennen gegeven een der oudere buffels te verkoopen,

om zich een jonger, krachtiger dier aan te schaffen.

En zoo was het dan, dat heel vroeg in den morgen, nog voor het eerste

ochtendgloren, Djiah en Prawira met de buffel marktwaarts gingen. De

kleine Rekso was gedeponeerd bij Ipah. Heden zou hij zich wel moeten

tevreden stellen met de flesch.

Met loomen tred volgde de karbouw. Het was als wist het dier, dat het

van meester ging veranderen. Zij was ongeveer twee maanden voor de

panèn gedekt en men kon dus met het oog daarop wat hoogeren prijs

bedingen. Vijf en veertig gulden, zoo was uitgemaakt, moest zij

minstens opbrengen.

Tegen tienen was men te Bodjong Kawoeng. Djiah was niet vermoeid,

want zij had den ganschen weg te paard gezeten. Prawira had haar

natuurlijk het rijpaard afgestaan en Djiah had, met de beenen voor

langs het picolzadel, als een man gereden. Men hield stil bij de woning

van Prawira's vader. Het was erg levendig te Bodjong Kawoeng. Het was

de groote passerdag en van mijlen uit den omtrek, dagreizen ver zelfs,

waren de lieden gekomen. Djiah hoopte dat ze slagen zou.

Prawira's vader was niet tehuis. Ook hem zou men vinden op de

passer, zeide zijn vrouw. Haar verzoek om even te blijven zitten,

werd vriendelijk afgeslagen door Djiah, die haast had. Straks zou

men weerkomen. Eerst de zaken.

Prawira's vader werd spoedig gevonden. Hij zelf had geen buffel meer

noodig. Het trof slecht. Hij had er juist een gekocht, ingeruild

juister, tegen een der zijne, met vier rijksdaalders toe. Maar Pah

Wirio, de loerah, wilde beesten hebben. Hij zou hem hier halen.

Djiah bleef met haar buffel staan. Ze had honger, maar wilde niet

weg. Er kon een kooper komen. Prawira ging dus heen om wat ketan

[154] of rijst te koopen.

Hij was nog niet weerom, toen een net gekleede inlander op haar

toekwam. Hij bekeek de buffel van voor en op zijde en zeide toen

langzaam:

"Wil je haar verkoopen?"

"Ja."

"Ze is al wat oud," begon hij, terwijl hij met de hand over de

schoften ging.

Djiah antwoordde niet.

Na een lange poos werd een bod genoemd:

"Vijf en dertig gulden?"

"Zestig!"

De ander schrok.

"Daarop durf ik niet te bieden," zei hij en deed of hij wegging.

"Ze is bezet," prees Djiah haar waar aan, "vier maanden ver; en nog

jong is ze. Hoeveel bied je?"

De ander bukte zich, betastte de uiers, en schudde het hoofd.

"Vijftien rijksdaalders; meer is ze niet waard."

Djiah zag Prawira komen en kreeg meer moed. Er was toch nog eenige

durf noodig, had ze gemerkt, zoo openlijk de waar aan den man te

brengen. Nu hield ze prijs.

Prawira kwam haar te hulp. Hij wist niet wat Djiah gevraagd had,

maar begon dadelijk met veel welsprekendheid de goede eigenschappen

van het dier op te sommen. De ander had wel lust in de buffel, maar

de gevraagde prijs was hem te hoog. Men moest wat laten vallen. Op

dit oogenblik had Djiah gelegenheid Prawira toe te fluisteren, dat

ze zestig gulden gevraagd had. "Laat maar wat vallen," zeide ze.

Maar Prawira liet niets vallen. Hij bleef koppig, geen gulden

minder. De kooper werd blijkbaar afgeschrikt en Djiah maakte zich reeds

ongerust dat hij heen zou gaan. Hij had veertig geboden; meer wilde

hij, naar het scheen, niet geven. Maar Prawira gaf niet toe. Djiah

begreep er niets van.

Toch had Prawira reden voor zijn handelwijze. Hij had op eenigen

afstand zijn vader gezien tusschen de menigte; hij kwam hun richting

uit met een ander, de loerah waarschijnlijk. Prawira had goed gezien

en vond het beter zich op eenigen afstand op te stellen. Het was

wenschelijk dat de loerah niet begreep dat hij en zijn vader reden

hadden tot aanprijzen. En het was ook als toevallig dat Prawira's

vader Pah Wirio naar Djiah's buffel bracht.

"Dit is een goed dier," zeide hij.

Dezelfde scène van bekijken en betasten.

"Hoeveel moet je er voor hebben, vrouwtje?" vroeg Pah Wirio.

"Zestig."

"Ik geef een ringgit meer," bood de eerste bieder, die nog niet

heengegaan was.

Als toevallig kwam Prawira van voren op de groep toe.

"Moet u de buffel koopen, vader?" vroeg hij, een blik van

verstandhouding met hem wisselend.

"Neen, hier de loerah."

"Ik heb het beest reeds gezien. Goed dier, maar zestig is te veel. Of

hoeveel vraagt ze?"

"Ja, zestig."

"Ze is bezet," zei Djiah zenuwachtig, "maar soedah, ik geef haar

voor minder."

"Vijf en veertig," zei de loerah kalm.

"Zeg vijf en vijftig," antwoordde de verkoopster.

"Heeft ze al gejongd?"

"Ééns, een stier, dezen keer krijgt ze dus een koekalf; want ze is

gedekt drie maanden na de geboorte van het eerste kalf."

"Kan ze ploegen?"

"Wij hebben haar altijd gebruikt op het veld."

De andere bieder wilde tegen den loerah niet opbieden. Hij had de

buffel gaarne gehad, maar er waren nog meer dieren op de markt en

het kon hem slechts kwaad doen den loerah tegen zich te krijgen.

"Ik geef een ringgit meer," zeide Pah Wirio.

Djiah stond besluiteloos.

De loerah zag het pleit gewonnen. Hij deed alsof hij heen wou

gaan. En Djiah was nog niet handig genoeg in het verkoopen en liet

zich misleiden door deze manoeuvre.

"Goed, neem haar dan maar," zeide zij en gaf het touw den loerah in

de hand. Deze wenkte een dessagenoot.

"Och, Taman, breng jij deze karbouw in mijn kraal, wil je?"

De aangesprokene, een jonge snuiter, voldeed aan het verzoek en

verwijderde zich met het dier, dat, zich de vliegen van de flanken

slaande, met tragen tred heenstapte. De loerah telde negentien

rijksdaalders in Djiah's handen neer, en verwijderde zich na een

korten groet met Prawira's vader.

Verheugd ging Djiah met Prawira mede.

Zij had een rijksdaalder meer gekregen, dan waar op gerekend was. Dat

was een heele schat.

Een uur later was zij weer op pad naar Herea. Prawira vergezelde haar,

naast het paard stappend.

Zij moest niet dadelijk naar den opzichter gaan, zeide hij, nadat hij

had vernomen, wat haar naar Herea dreef. Djiah wilde namelijk zien

of zij niet wat kon verdienen. Wel had Siman zich daartegen verzet,

maar de omstandigheden waren thans veranderd. Er was geld noodig. En

als hij nu voor een voldongen feit werd gesteld, zou hij allicht

toegeven. Bij Van Affelen, had Prawira gezegd, zou zij evenwel niet

terecht kunnen. Want waar zou zij werk kunnen vinden? Alleen in het

pakhuis. En dat was nog heel toevallig, want gewoonlijk werkten daar

geen vrouwen. Van het jaar was het anders, wijl er een vrij groote

hoeveelheid tjoeké-padi was ingekomen. En daar had Kario, de mandoer,

alles te zeggen. De opzichter ging geheel af op het oordeel van

Kario. Die mandoer was een flink arbeider, die naar volle tevredenheid

van den opzichter werkte. Djiah moest hem om arbeid vragen. Als hij

wilde, wilde de opzichter ook.

Het was een goede raad, dien Djiah dan ook volgde. Te Herea gekomen,

begaf zij zich dadelijk naar de woning van Kario.

Deze was een nog vrij jonge man van gunstig voorkomen. Toen Djiah hem

schuchter de reden van haar komst mededeelde, had hij haar aandachtig

en lang aangekeken. Als Djiah had kunnen vermoeden, welke gedachten hem

door het hoofd gingen, toen hij de jonge vrouw met haar verleidelijk

figuur, haar mollige vormen en haar bekoorlijk gezichtje zoo oplettend

beschouwde, had zij zeker al haar voornemens laten varen. Maar zij

zag niets, want zij had de oogen neergeslagen.

Na haar gevraagd te hebben wie ze was en waar ze vandaan kwam,

zeide Kario, dat hij haar wel werk kon geven. Ze moest maar in het

pakhuis komen.

Djiah beloofde overmorgen te zullen terug zijn; zij vroeg niet naar

het loon, dat zij ontvangen zou, niet naar den arbeid, die haar

wachtte. Zij was te verheugd in haar succes en ook al was dit niet

het geval geweest, dan nog zou het de vraag geweest zijn of zij den

moed gehad zou hebben ernaar te informeeren. Van Prawira vernam zij

echter, dat zij op een verdienste van vijf tot tien cent daags zou

kunnen rekenen.

In de middaguren kwam zij op de zienderan om het voorschot en de

rente daarop te betalen.

Van Affelen zat in slaapbroek en kabaai in de voorgalerij, toen Djiah

kwam. Zij hurkte op de stoep en deelde hem mede dat zij het voorschot

kwam terugbetalen. Van Affelen was in een goede luim; hij was altijd

in een goede luim in gezelschap van mooie, jonge vrouwen.

Lachend zeide hij:

"Maar dan moet ik toch eerst weten wie je bent?"

"Ik ben de vrouw van Siman, van de desa Gatok, meester."

"Siman ... , Siman ... dien ken ik niet. Of ja toch--wacht eens. Is

hij niet onlangs hier geweest om vermindering te vragen van de tjoeké?"

"Ja, meester."

"Ah juist. En ben jij zijn vrouw; nou, je ziet er lief uit, hoor ..."

"Ik kwam het voorschot betalen, meester."

"Jawel, jawel, dat heeft zoo'n haast niet. Ik dacht dat jullie zoo'n

soesah hadt," vervolgde hij ietwat ironisch, zich voelend in de idee,

dat hij toch gelijk gehad had, toen hij Siman zijn verzoek weigerde. Ze

hadden hem dus weer willen misleiden ...

"Dat is ook zoo, meester."

"Je schijnt nu dan toch geld te hebben."

"We hebben de karbouw verkocht."

Djiah boog het hoofd, toen ze dit zachtkens zeide, bij de droeve

herinnering aan de scheiding van het trouwe dier.

"Zoo, h'm ... En jij bent dus onlangs bevallen? Men kan het je wel

aanzien."

Djiah begreep de onkiesche woordspeling en hief het hoofdje niet op.

Van Affelen stond op om zijn voorschotboek te halen, dat hij na eenig

zoeken vond.

"Zeg 'r 's," vervolgde hij bij zijn terugkomst uit het nevenvertrek,

"hoe is het met den oude; ik bedoel den vader van je man? Sastra

heeft me gezegd dat hij zoo ziek was?"

"Hij is dood, meester."

"Dood? Zoo. Dat kan toch zoo lang niet geleden zijn?"

"Hij is gisteren begraven ..."

"H'm."

Van Affelen was niet op zijn gemak. Waarom niet, zou hij moeilijk

zelf hebben kunnen zeggen. Was het omdat hij Siman vermindering van

den tjoeké-aanslag had geweigerd? Dit zou een bewijs geweest zijn

dat zijn hart nog niet voor alle edeler aandoeningen gesloten was.

Hij zocht in zijn boekje naar de desa Gatok en volgde daarop met den

vinger de namen der voorschot-houders. Maar hij vond geen Siman.

"Pah Rekso heeft het voorschot ontvangen", zeide Djiah.

De Europeaan keek op en zag haar opeens vlak in de oogen, die

bedeesd werden neergeslagen. Op dat oogenblik vond Van Affelen zijn

huishoudster zeer hinderlijk. Hij zou haar eens verlof geven, naar

Telatiga bijvoorbeeld.

"Dat hadt je wel eerder kunnen zeggen", merkte hij op, maar er was

geen zweem van ergernis in den toon van zijn stem. Toen zocht hij weer.

"Ah, hier is het. Pah Rekso, negen gulden. Daar komt een gulden

tachtig cent bij voor de rente".

Zij haalde haar katoenen zakje te voorschijn en nam er vier

rijksdaalders en een gulden uit.

Van Affelen vond het lastig dat zij geen gepast geld bij zich had. Hij

moest weer opstaan en haalde uit de geldkist twee dubbeltjes, die

hij haar gaf.

Djiah stond op en groette. De blanke gaf den groet terug met

zekere weekheid in zijn stem, die de Javaansche zeer onaangenaam

aandeed. Ze was blij dat ze weg kon en overdacht dat ze toch veel

had moeten betalen aan rente. Van de berekening dier rente begreep

zij natuurlijk niets.

Djiah wist ook niet dat op het land Telatiga van 1884 tot 1901 een

winst gekweekt was van ruim f 252.000--dit althans was de opgave voor

het patentrecht, en het bedrag kan dus hooger geweest zijn--uit de

rente op in voorschot gegeven gelden, tot een bedrag van slechts f

704.608,30. En ook al had zij dit geweten, dan nog zou zij in haar

eenvoud niet hebben kunnen berekenen hoe groot de gebruikelijke

rentekoers was. Djiah wist niet, dat bovendien de maat, waarmede de

tjoeké gemeten werd een kleinere hoeveelheid aangaf dan inderdaad

afgemeten was. Zij toch had geen inzage gehad van een brief van den

administrateur van het land Telatiga aan een der eigenaren, d.d. 31

Maart 1902, meldend dat de "tjoeké-rijst ontvangen werd met de geijkte

rijstmaat, die gewogen zes katties meer opleverde dan een picol van

125 Amsterdamsche ponden."

Het is zoo veel niet, meent ge, zes kattie, zes honderdste deelen

van een picol. Maar dit bedrog heeft jaren en jaren geduurd; er zijn

zeer vele landbouwers, tienduizenden, en honderdduizenden picols

rijst werden als tjoeké ontvangen. Men zou dus langs eenvoudigen

weg van vermenigvuldiging kunnen komen tot een uitkomst. Maar

ik heb nog een beter bewijs van het bedrag: de erkenning van den

administrateur. "Het teveel," zoo heet het in dienzelfden brief,

"bedroeg 23847,19 picols". Ik heb den tijd er niet voor, de rekening

heeft iets stuitends ook, na te gaan of dit opgegeven aantal van

de bevolking gestolen picols rijst juist is. Ik wil aannemen dat er

inderdaad niet méér gestolen is, zoover nog nagegaan kan worden, dan

23847 picols. Tegen zes gulden de picol .... Neen, ik wil niet rekenen.

Djiah wist dit alles niet. Ook niet dat op het land Alas Bamboe

de misdaad nog verder gedreven werd; dat daar door de hoogere

rijstprijzen, de zwaardere heffingen en het meten met valsche maten

de diefstal nog zwaarder drukte en de rente op het voorschot er nog

meer dan zes en dertig procent in tien maanden bedroeg ...

Als zij dit alles geweten had, zou zij eerder verheugd zijn

geweest, dat Van Affelen met een renteheffing van slechts 20 procent

genoegen had genomen, omdat Djiah zoo mooie oogen had. Het geval was

exceptioneel ...

Laat in den namiddag was Djiah weer te Gatok. Daar wachtte haar een

teleurstelling. Siman was slechts zeer weinig opgeschoten met den

katjang-aanplant. Zijn schuld was dit niet. Pah Ran toch had hem niet

kunnen bijstaan, want die had in heerendienst moeten uitkomen. Het was

een tegenvaller geweest, en niet voor hen alleen, doch voor velen in

de desa Gatok, die hun heerendienstplicht reeds hadden volbracht en

meenden voor dagen weder daarvan vrij te zijn. Wel was hun medegedeeld

dat deze extrabeurt in mindering zou komen van het totaal aantal dagen,

die zij in onbetaalden arbeid zouden moeten "wijden" aan het belang

der eigenaars, maar zulk een belofte heeft geen de minste beteekenis

voor den desaman. Er is immers niet één onder hen, die aanteekening

houdt van zijn heerendienst-arbeid; en gesteld overigens dat iemand

zijn rechten zou verdedigen, zijn klacht zou van geenerlei invloed

zijn. En zoo was men sedert lang gewend geraakt aan een belasting

van meer dan twee en vijftig dagen arbeids zonder loon in het jaar.

Dertig man van de desa Gatok waren dien morgen opgeroepen om

mede te werken aan de verharding van een weg van Tji-Empoek naar

Karang-Tengah. Tji-Empoek lag elf paal beoosten Gatok en de lieden

hadden dien langen weg moeten afleggen, voordat zij op het werk

kwamen. Daar waren reeds velen bezig met het opstapelen van karangs

[155] en het ophalen van grind uit de naastbijzijnde rantja. Zeer velen

hunner hadden, evenmin als de desalieden van Gatok, eenig belang bij

dien weg, wat er den arbeid niet populairder op maakte.

Toen Djiah dan thuis kwam, was haar vader nog niet terug. Eerst

een uur later kwam hij. Niet dan na zes uur des namiddags hadden

de heerendienstplichtigen mogen heengaan. Wel was dit in strijd met

de bepalingen van het reglement op den heerendienstplicht, maar het

reglement is er in hoofdzaak voor de eigenaren en er is geen voorbeeld

van, dat een eigenaar gestraft is geworden wegens machtsmisbruik of

knevelarij ... Dat gaat heel moeilijk in Indië.

Den volgenden dag zou Siman moeten uitkomen, in een andere ploeg

van dertig man. En het aanplanten van palawidja zou er op die manier

onder lijden. Er was toch niet vooruit te zien hoe lang nog aan den

weg tusschen Tji-Empoek en Karang-Tengah gearbeid zou moeten worden;

en ook wist men niet of de eigenaren daarna niet nog andere werken

zouden wenschen te doen uitvoeren in onbetaalden dienst. Afgesproken

werd daarom dat morgen aan den dag Pah Ran, geholpen door Ipah en

Djamin, de katjang in den grond zou brengen. Er was maar een kleine

uitgestrektheid te beplanten, want men had zich voorgesteld de rest

te bebouwen met djagong [156], die reeds was ingekocht.

Djiah kon daaraan niet helpen; zij zou aan het werk gaan in het

pakhuis te Herea. Het had haar veel overredingskunst gekost Siman

er toe te bewegen zijn toestemming te geven. Maar hij had ten slotte

moeten zwichten voor het finantiëele argument. Djiah zou den kleinen

Rekso meenemen. Zij was er zeker van dat zij den kleine wel bij zich

zou kunnen houden. hier of daar in een hoekje van het pakhuis. Hij

zou er rustig slapen. Lastig was hij niet, en op tijd zou hij zijn

voedsel kunnen krijgen. Eens in de week zou Djiah thuis komen. Eerst

had zij er over gedacht elken morgen naar Herea te gaan en 's avonds

weer naar huis terug te loopen. De kleine Rekso zou dan wel overdag

onder de hoede van een der meisjes kunnen zijn. Maar van dit plan

was zij toch teruggekomen: het zou op den duur te vermoeiend worden

dag aan dag veertien paal af te leggen.

Den volgenden morgen ging Siman op weg, knorrig en met bitterheid in

het gemoed. Zijn gereedschap, een patjol en een arit, moest hij zelf

meenemen. Ook dit is in strijd met de strekking van het reglement ...

Pah Ran was uitgetogen naar het veld. De arbeid was zwaar, want

de grond was droog en het was nu niet doenlijk om het water van

de Tjikoentoel op de sawahs te krijgen. Djamin droeg daarom in een

petroleumblik water aan, en Ipah plantte de boonen onder de bamboezen

kruislatten, waarlangs het loof omhoog zou kunnen klimmen. Pah Rans

patjol sloeg regelmatig in den harden kleigrond en maakte de groote

kluiten stuk. Nu en dan keek hij op over het veld, dat nog uit de

hand, met de patjol, bewerkt moest worden voor de djagong. Pah Ran

zuchtte. In geen dagen zouden hij en Siman gereed zijn met dien

arbeid. Gelukkig behoefde de bewerking niet intensief te zijn: maïs

is een dankbare plant; maar te werken onder de heete stralen van den

koperen zon, onder den wolkeloozen hemel, vorderde toch altijd nog

inspanning genoeg.

Den morgen daarop ging Djiah naar Herea. Den kleinen Rekso had zij

zich op den rug gebonden en een bundeltje kleeren was alle bagage

voor de week, die zij afwezig zou zijn.

Dien middag stond de katjang in den grond. Djamin had in opdracht

dagelijks den jongen aanplant te begieten. Hij behoefde de buffel

niet meer te hoeden en had dus wat tijd. De kleine man deed het werk,

dat hem toevertrouwd was, naar behooren en met een ernst, die besef

verried van de noodzakelijkheid van zijn arbeid.

Dagen achtereen waren Siman en Pah Ran bezig met de bewerking van

het djagong-veld. Een malsch regentje zou hun thans zeer te stade

zijn gekomen, want de grond werd met den dag harder. De hemel bleef

echter immer even strak. Geen wolkje beloofde water.

Toen kwam de groote heerendiensttijd voor Siman en Pah Ran, nog

vòòrdat de djagong in den grond gebracht was. Ongelukkiger kon het al

niet treffen en dus hadden zij getracht van den koewoe voorloopige

vrijstelling te krijgen. Over veertien dagen bijvoorbeeld zouden

zij zonder bezwaar kunnen uitkomen. Nu was het weliswaar mogelijk de

diensten af te koopen, maar waar zouden zij het geld daarvoor vandaan

gehaald hebben?

Den kleinen heerendienst, de senènan of krigan, afkoopen, zou desnoods

nog gaan, maar zich vrij te maken van den grooten heerendienst, dien

van een week arbeids aaneen, daartoe zou men rijk geweest moeten

zijn, rijker althans dan Siman en Ran waren. En hun armoede was

ook weer oorzaak, dat zij den koewoe niet hadden kunnen overhalen

hen voorloopig vrij te stellen. Niet dat deze hun zoo kwaad gezind

was, wel neen; maar het was zijn politiek doof te blijven voor een

verzoek, dat niet gesteund kon worden door zilver. Hij, de koewoe,

had het geheel in z'n hand de heerendienst-beurten der desalieden te

wijzigen, indien slechts het aantal onbetaalde diensten niet minder

werd. Maar het was in zijn eigen belang niet raadzaam een precedent

te scheppen, dat die wijziging kon plaats hebben zonder dat hem de

moeiten en kosten om daartoe verlof te krijgen van den opzichter

werden vergoed. Natuurlijk wist ieder dat de opzichter er zich niet

mede bemoeide en slechts naging of elke heerendienst-plichtige het

door hem verschuldigde aantal diensten had verricht, maar--de schijn

moest gered worden. Het moest niet kunnen gebeuren dat later klachten

werden ingebracht tegen hem, den koewoe, over meten met verschillende

maten. De getroffenen zouden tegen hem zijn.

Siman en Pah Ran konden dus aan den grooten heerendienst niet

ontkomen. En met een bezwaard hart gingen zij op weg, erover piekerende

dat de goede tijd voor den inbreng van de djagoeng voorbij ging,

terwijl zij ten bate van de eigenaren onbetaalden arbeid verrichtten.

Zij zouden een week wegblijven, want de arbeid die hen wachtte, de

herstelling van een grooten dam in het bosch, moest twee en twintig

palen van hun woning verricht worden. Twee en twintig palen! Die

afstand moest te voet afgelegd worden en dus behoorden zij reeds twee

dagen te voren op weg te gaan, want om zes uur des morgens moest men

op het werk zijn ... De reis heen en de reis terug, dat waren dus

vier dagen, voor den veldarbeid verloren.

Het gezelschap, dat op weg ging naar Gending, waar de dam gelegen

was, bestond uit achttien man, allen van Gatok. Een ploeg van twaalf

desalieden van Tjikoedoeng voegde zich later op den dag bij hen. Ook

die moesten naar Gending.

Den tweeden dag in den middag was men te bestemder plaatse. De

paar uren voor zonsondergang werden besteed aan het opzetten van

noodverblijven: een afdak van klapper- en bamboebladeren op een viertal

bamboestijlen, een mat op den bodem, ziedaar het verblijf voor een

week. Er heerschte geen prettige geest onder het volk. De gedachte

aan het werk, dat thuis wachtte, drukte de stemming van de zestig man,

die er waren, want ook van de desa's Tjimanoek en Kalapa Aloes waren

heerendienstplichtigen opgeroepen. Ook waren er een drietal mandoers

om toezicht te houden. Sastrawidjaja was een hunner.

Het weder was frisch dien avond. In het bosch gaven insecten een

concert, schel geaccompagneerd door het hoogstemmig gesjirp der

krekels in het gras. Boven om den top van een bloeienden doerènboom

hoorde men den vleugelslag van den kalong [157] of het smakkende

geluid van strijdvoerende tjodots [158]. Een zachte wind trok langs

de stammen en zijn gesuis vermengde zich met het murmelen van den

tot beek geworden stroom, die tegen den half vernielden steenen dam

klotste als wilde zij dit beletsel uit haar weg ruimen.

De omgeving werd flauw verlicht door eenige vuurtjes, waarboven een

vischje werd gebraden. De onaangename, scherp doordringende geur

van het zengende vleesch vulde de ruimte. Langzaam rees, als een

bloedroode schijf, door een opening van het woud de maan boven de

zwijgende vlakte.

Een der lieden begon een pantoen [159] op monotone wijze, waaraan

door Pah Asriep een eind werd gemaakt.

"Het is nogal tijd om te zingen," zeide hij verwijtend. De ander zweeg.

Pah Asriep was een man, die zeker zijn vijftigste levensjaar reeds

bereikt had. Mager en tanig, reeds grijs, met een harden trek

om den ingevallen mond, had hij toch iets over zich, dat voor

hem innam. Iemand die meer dan anderen geleden had: dien indruk

maakte hij. Daaraan alléén echter dankte hij het ontzag niet,

dat hij te Kalapa Aloes genoot. Pah Asriep had een ilmoe [160]

voor het genezen van ziekten. Zijn kennis had een zeer zuivere en

gansch niet superhumane bron: hij was namelijk een kruidkundige

van ongewone talenten, en van zeer vele Indische planten en kruiden

had hij de geneeskrachtige eigenschappen leeren kennen, deels door

overlevering, door toepassing overigens. Hij genas dysenterie, hij

had een bladerenaftreksel voor den hoest; hij verdreef klieren met

een afkooksel van anijsachtige zaden, ja zelfs beroemde hij er zich

op een longontsteking te hebben genezen met een medicijn, uit batang

oepas bereid. Zijn reputatie was echter nog grooter dan zijn kunde,

geen wonder overigens in de desa. Ook in tal van andere zaken werd hem

om raad gevraagd. Pah Asriep was een uiterst streng geloovige, die al

de leefregels van den Koran in acht nam; hij kon lezen en schrijven,

kende goede en kwade voorteekenen en zijn ervaring scherpte steeds

zijn inzicht in zaken en toestanden. Het leed had hem echter verhard

en verbitterd. Hij stond nu geheel alleen op de wereld; alles was

hem door den dood ontrukt.

"Dit is een verdrietige tijd voor ons, Ramin," zeide hij tot den

jongen man, die in gezang zijn gemoed had gelucht, "het is niet goed

den mond te laten zingen, als het hart droef is. Ik voorspel een

zwaren tijd, want het jaar is droog. Alleen het hart van de kafirs

[161] zal nog droger zijn."

"Hoe bedoel je, Pah," vroeg een ander angstig, "zal de padi mislukken?"

"Ik wilde geen profeet van het booze zijn, Boedin, maar als er geen

regen komt om de aarde te drenken, zal de palawidja mislukken, nog meer

dan andere jaren, en er zullen ziekten komen in de padi. Zooals van het

jaar, was het nu zes oogsten geleden ook. En toen kwam er hongersnood."

"U hebt dus zoo'n hongersnood bijgewoond, Pah?" Het was Siman, die

de vraag deed. Iets onbestemds, onrustigs had zijn ziel bevangen.

"Acht maal, jonge man. Maar wie ben jij? Ik ken je nog niet. Ik zie

dat je van de Pasoendan komt, is dat zoo?"

"Ja, wij kwamen van Soemedang, een jaar geleden."

"Was het zoo slecht daarginds, dat je wegtrok?"

"Hier is het nog slechter, Pah."

De oude keek hem aandachtig aan. Toen knikte hij goedkeurend.

"Hoe heet je?"

"Siman."

"Nu luister, Siman: het wordt hier nog veel slechter. Je bent een

vreemdeling. Als je raad noodig hebt, vraag dan naar Pah Asriep van

Kalapa Aloes. Als ik nog niet dood ben, zal ik je helpen. Ik ben een

oud man, en ik heb veel gezien. Mijn grootvader woonde reeds in Kalapa

Aloes, voordat de compenie dit land verkocht."

"Is dat lang geleden, Pah?"

"Heel lang, want mijn vader heeft het land niet meer vrij gekend. Hij

heeft altijd tjoeké betaald, maar minder dan nu gevraagd wordt door

de eigenaren."

"Hoe was het vroeger met de heerendiensten?" vroeg Pah Ran, en wonder

was het niet dat hij deze vraag deed, waar zij allen op dat oogenblik

dubbel het drukkende gevoelden van die belasting in arbeid.

"Toen ik geboren werd, zoo heeft mijn vader verteld, waren er geen

heerendiensten, maar ik zelf heb ze altijd gedaan. Dit land was

verkocht, vrij van heerendienst, begrijp je; maar later hebben de

eigenaren het recht om arbeid te eischen zonder betaling van de

compenie gekocht. En nu maken zij er misbruik van."

"Hoe zoo?" vroeg Pah Ran weer.

Er had zich een kring om den oude gevormd. Men was nieuwsgierig te

vernemen wat hij vertellen zou. Het betrof hen allen; het betrof

hun rechten, die, mocht men Pah Asriep gelooven, geschonden werden

door de blanken. En waarom zou men hem niet gelooven? Hij was een

der oudste ingezetenen; zijn vader en grootvader waren op dit land

geboren, zij hadden er geleefd, zij waren er begraven. Zou hij dan

niet recht van spreken hebben?

"Er bestaat een reglement," begon de oude, "waarin onze rechten en onze

verplichtingen worden bepaald. Toen de compenie dit land verkocht,

heeft zij de opgezetenen niet willen prijsgeven aan den willekeur

van de eigenaren; toen heeft zij een reglement gemaakt. Maar het is

jammer dat men vergeet dat het reglement nog bestaat. De kandjeng

assistent-resident te Telatiga kent het niet en als wij klagen, krijgt

de eigenaar toch gelijk. En toch, wij zullen immers niet klagen als

wij niet gelooven in ons recht te zijn?"

Eentonig was zijn stem, maar daardoor juist paste zij in deze omgeving

van zwijgende natuur.

"Want zie, ik weet dat de eigenaren van ons mogen vorderen een dag

arbeids zonder loon in de week; en zij mogen slechts arbeid eischen van

hen, die reeds veertien jaren oud zijn. Zij, die reeds hun vijftigste

bereikt hebben, behoeven geen heerendiensten meer te verrichten. Maar

daar ziet ge Hariman slapen. Ik heb Hariman zien geboren worden;

dat was kort na den voorlaatsten hongersnood. En dat is nu juist

dertien oogsten geleden. De koewoe van Kalapa Aloes achtte hem sterk

genoeg voor den heerendienst. En ik zelf, ik weet niet hoe oud ik ben,

maar ik geloof dat ik ouder ben dan vijftig."

Pah Asriep had gelijk: hij wàs ouder dan vijftig. Vertelde hij niet

daarjuist, dat bij zijn geboorte op het land nog geen heerendienst

werd geheven?

Toch was het reeds meer dan een halve eeuw geleden dat aan de eigenaren

der beide landen het recht tot heffing dezer belasting werd geschonken.

"Maar dat is zoo erg niet. Erger is het als zieken worden gedwongen

om werk te doen. Is niet Pah Markam bewusteloos neergevallen van de

koorts, toen hij djattiboomen moest kappen in heerendienst? Erger

ook is het wanneer nog meer van ons gevorderd wordt dan waartoe

wij verplicht zijn. Dat maakt ontevreden, zonder dat men kan hopen

op wijziging van den toestand. En er wordt te veel werk onbetaald

verricht. Geschiedt niet alles tegenwoordig in heerendienst? Worden

niet bosschen geveld en landstreken ontgonnen in heerendienst;

is niet de zienderan van Goenoeng Lawang gebouwd door onbetaalde

arbeiders? Worden niet de rijstzakken geleverd zonder billijke

vergoeding; en is het nieuwe huisraad van den administrateur

niet van Telatiga aangebracht, gedragen door werkvolk, dat geen

belooning ontving? En zijn ook niet zonder loon gebleven de lieden

van Tjikoedoeng, die mooie metselsteenen leverden voor het pakhuis

te Herea? Neen, waarlijk, er wordt te veel werk ondernomen door de

eigenaren en de handen schieten te kort."

"Maar," waagde Karsiman, een der mandoers, op te merken, "ge vergeet,

Pah Asriep, dat vroeger veel minder heerendiensten werden gevorderd

dan thans ..."

"Zoo zegt men, Karsiman; inderdaad, zoo wordt gezegd. Ik weet daar

meer van dan gij, die de eigenaren verdedigt ..."

"Ik verdedig niemand, maar ge moet billijk zijn in uw oordeel ..."

"Ei, het treft mij, jonge man, dat gij mij dit zegt. In den dienst

der blanken is billijkheid een slechte eigenschap. Gij kent zeker nog

de jonge vrouw van Djaja van Tji Empoek, van Djaja, die verpletterd

werd onder een vallenden boom? Ook zij zal uw billijkheid ongetwijfeld

roemen."

Karsiman was een oogenblik bleek geworden. Hij had zich gaarne op den

oude geworpen en dezen getuchtigd voor zijn woorden. Maar moedig was

hij niet, en in deze omgeving vooral zou hij zijn daad hebben moeten

boeten. Pah Asriep zou kunnen rekenen op die allen om hem heen. Hun

bewondering voor den ouden man hield gelijken tred met den afkeer,

dien Karsiman hun inboezemde; ook al wisten de meesten niet waarop

de grijsaard doelde, zij beseften dat de mandoer openlijk van een

schurkenstreek werd beschuldigd en zij waren dadelijk bereid de partij

te kiezen van den beschuldiger.

Karsiman beheerschte zich. Hij wilde zijn figuur redden; de meesten

toch wisten niet ...

"Mijn schuld was het niet. Ik moest doen, wat ik deed."

"Djaja's vrouw is nu ook dood, Karsiman. Zij heeft zelfmoord gepleegd,

in een vlaag van waanzin, toen zij een blind kind ter wereld had

gebracht, en er geen korrel padi meer was in huis. Jij, Karsiman,

jij hebt haar de laatste padi ontnomen ..."

"Dat is gelogen," riep Karsiman.

"Gij weet dat ik nooit lieg, Karsiman," hernam de grijsaard,

tergend kalm.

Er ontstond eenig gemor en geschuifel onder de

aanwezigen. Sastrawidjaja trok Karsiman achteruit. "Ga maar weg,"

fluisterde hij den ander toe. "Ziet ge niet dat de oude kwaad wil?"

"Ik heb het vroeger weinig anders gekend," vervolgde Pah Asriep na een

wijle. "Er zijn tijden geweest, dat is zoo, dat de honderdduizenden

dagdiensten niet gebruikt konden worden door de beheerders, omdat

er geen werk was. En de registers zouden kunnen aantoonen, zegt men,

dat nog geen vierde gedeelte der diensten werden gevorderd, en dat men

gemiddeld slechts dertien dagen in het jaar uitkwam. Maar ik ben te

oud om mij hierdoor te laten beetnemen en ik durf verklaren, dat dit

slechts schijn is, en dat die schijn opzettelijk werd gewekt. Maar

dan nog: gesteld al dat het vroeger beter was, wat helpt dit ons

thans? Moeten wij niet gedurende een week uitkomen, met de belofte de

volgende zes weken vrij te zijn? En zijn wij vrij? Of wordt niet, als

deze week voorbij is, de kleine heerendienst van ons gevorderd? Moeten

wij niet geregeld zes tot zeven maanden eens in de week dienst doen

in senènan of krigan? En wie uwer heeft het wel eens nagerekend,

hoeveel arbeid u aldus onbetaald wordt opgelegd, welken wij niet

verplicht zijn te verrichten? Wie uwer kent voorts de bepalingen

van het reglement zoo goed, dat hij zal kunnen protesteeren tegen

werkzaamheden, welke uitdrukkelijk zijn verboden?"

"Behoeven wij dan niet alles te doen wat ons wordt opgedragen?" vroeg

er een.

"Neen, dat behoeven wij niet. Maar gewoonlijk gelooft men mij niet

als ik dit zeg. Ik ben oud en wel kan ik lezen, maar de goede menschen

hebben gelijk voorzichtig te zijn. Want klagen doet de klagers kwaad."

"En welke werken behoeven wij dan niet te doen?"

"Het is gemakkelijker op te noemen, waartoe wij wèl verplicht zijn. Het

reglement zegt dat de eigenaren gerechtigd zijn ons wegen te laten

herstellen in heerendienst, als dit noodig is, waterleidingen te

graven, of te herstellen, gras te snijden, grond om te ploegen,

wacht te doen. En niets meer."

"Dus wij behoeven geen hout te hakken, geen steenen te bakken, geen

woningen te bouwen, geen water te dragen, geen brieven te vervoeren

...?"

"Niets van dat alles. Dat is alles uitdrukkelijk verboden."

"Maar het gebeurt toch!"

"Natuurlijk."

"Pah Asriep, ik heb onlangs met vele anderen land moeten ontginnen in

heerendienst in Sikarang, omdat er een proef genomen zou worden met

ramih [162]," sprak Lontar, een vlugge knaap uit de desa Tjimanoet,

"Had ik mij dus daartegen moeten verzetten?"

"Neen, mijn jongen, dat hadt je niet. Want het geeft je slechts

soesah. Je wordt opgepakt en voor de rol gestraft wegens

dienstweigering. En er wordt niet bijgezegd, welken dienst je

weigerde te verrichten. Maar verboden is het ontginnen van gronden,

dat weet ik."

"En wij dan, Pah, die het nieuwe pakhuis te Herea hebben moeten

helpen bouwen?"

"Ook dat is verboden, Siman."

"Wij hebben moeten werken in het pakhuis bij de bereiding van de

tjoeké-rijst ..."

"Dat was onrechtmatig, want het is verboden."

"En ik, Pah Asriep, heb vaak den pesoeratan [163] moeten vervangen ..."

"Het is verboden."

"Ook dat wij, lieden van Tjikoedoeng, gansch in het zuiden, bij Pondok

Boeroeng, djatti-boomen hebben geveld, drie en dertig palen ver? Wij

hebben de balken moeten transporteeren tot Dojang toe. Vandaar hebben

andere heerendienstplichtigen voor het transport zorg gedragen."

"Zeker, ook dat is verboden. Maar de kandjeng assistent-resident tracht

aan dit houttransport een einde te maken, wat hem niet gelukt. Er

is nog veel, heel veel, dat verricht wordt in onbetaalden arbeid,

en niet verricht mag worden. Werkzaamheden in de huizen der blanken,

hoeden van vee, overbrengen van boodschappen, transporten, verzorging

van plantsoenen, alles, alles geschiedt in onbetaalden arbeid."

"Maar, Pah, is het dan niet verboden dat wij hier, in het bosch,

een week worden aangehouden voor de herstelling van den dam?"

"Die arbeid zelf is geoorloofd, Pah Ran. Herstellen van waterleidingen,

zei ik immers daarnet. En nu is dit wel geen leiding, maar dat komt er

zoo nauw niet op aan. Bovendien hebben de orang tani [164] er voordeel

van dat de dam hersteld wordt, is het niet? Maar wij moesten betaald

worden en dat gebeurt niet."

"Dus toch geen heerendienst?"

"Neen, ik zeg het verkeerd. De eigenaar is verplicht om ons twee

cents per paal te betalen voor elke paal meer dan vijf, die wij af

te leggen hebben van onze desa."

"Wij hebben dus recht op vier en dertig cents ..."

"Ja, voor elken dag werk."

"Ook voor de vier dagen dat wij onderweg zijn?"

"Neen; maar dat zit anders. De tijd, dien wij noodig hebben om op het

werk te komen, moet in den duur van den arbeid begrepen zijn. En zoo

komt het toch op hetzelfde neer."

"Maar wij, van Gatok en Tjikoedoeng, zijn vier dagen kwijt met reizen

en toch moeten wij hier zeven dagen blijven ..."

"Och, mijn jongen, het is nog erger dan je denkt. Wij krijgen geen

cent vergoed, wij hebben onkosten onderweg, wij hebben slecht eten, een

kattie rijst per hoofd. Wat doen wij daarmede zonder ingrediënten? Het

reglement spreekt van "behoorlijke voeding". Is daaruit iets anders te

verstaan, dan dat de eigenaar den menschen, die, in zijn dienst, niet

voor hun eigen voedsel kunnen zorgen, dit voedsel moet verstrekken,

dat is dus niet droge rijst alleen?"

"Toen wij werden opgeroepen, Pah, hebben wij den koewoe verzocht om

uitstel, omdat de djagong nog niet in den grond was, maar de koewoe

heeft geweigerd ..."

"Ja, Siman, ze durven veel. En het zijn de koewoe's, de mantri's,

de mandoers, die eigenlijk nog grooter vijanden van ons zijn. Want

zij kennen beter dan de blanken onze zorgen. Maar zij allen, allen

zijn omkoopbaar; zij allen zuigen ons mede uit, alsof het niet genoeg

is dat wij ons zweet en bloed moeten geven aan hen, die blanker van

huid zijn dan wij. Jullie hadt het recht, het recht, versta-je wel,

om te weigeren een week heerendienst te verrichten."

"Waarlijk?"

"Zeker, dat weet ik heel, heel beslist. Het reglement zegt dat wij

van elke week zes volle dagen voor ons zelf moeten hebben."

"En dus ..."

"Dus moet je zwijgen en dulden, want dat recht is er alleen op het

papier. Dus moet je elf dagen verzuimen vòòr je de djagong in den

grond kunt brengen."

"Maar--het kan in dien tijd te laat zijn."

"Dan moet je zwijgen en dulden. Allah wil het, dat het bruine volk

wordt verdrukt."

Hij zweeg, de armen gekruist om de opgetrokken knieën.

Toen voer hij plotseling uit, en er flikkerde een grimmige gloed in

zijn grauwe oogen:

"Maar er is een middel om onze soesah te vergeten: opium. Dat kun je

krijgen bij Tio Ang Sioe, den zoon van den landheer, te Gatok. Die

voert het openlijk binnen. Verslaaf-je aan opium! En dan, Siman,

dan ..." hij fluisterde: "is er nog een ander middel. Maar dat mag

ik je niet leeren.--Neen, neen, vraag niet.--Later, later misschien

... Wel te rusten."

Velen dier slaven peinsden dien nacht nog langen tijd over al wat zij

van den oude gehoord hadden. Het kwam hun voor als iets hèèl vreemds en

't was toch iets heel gewoons ...

Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid · 第 9 / 17 题