"Och, wel neen," zeide Prawira schamper, "dat komt elk jaar voor. Het
is maar knevelarij, zoo heet het in het reglement, zegt het boekje
van mijnheer Hazelaar. En je merkt het niet, begrijp je. Er wordt hier
een beetje gestolen, en daar nog wat; maar altijd kleine beetjes. En
nu heb ik dat nagerekend, maar anders merk je het niet eens. Maar
zoo kun je alles narekenen, dan zul je telkens zien dat de landheer
altijd meer vraagt dan waarop hij recht heeft."
"Maar," zei Rekso, "het kan toch ook wel zijn dat de landheeren te
laag getaxeerd hebben?"
Prawira lachte spottend.
"Dat behoef je niet te denken, Pah. Dat doen die blanda's [99]
niet. Wat raakt het hun of jij en anderen kreveeren van den
honger? Neen, Pah Rekso, in filantropie doen ze hier niet. Een
particulier land is er niet als liefdadige instelling. En je weet nog
lang niet alles, jullie nieuwelingen. Jullie denkt er niet aan, dat
van het aandeel van den landheer nog geen vijfde deel is afgetrokken
wegens de indroging van de natte padi. Jullie denkt er niet aan,
als je die vrijwillige overeenkomsten sluit, dat je ook nog een zesde
deel van je padi moet geven voor stamploon."
Prawira wond zich op. Hij was au fond een goede knaap en
revolutionair gezind en het ergerde hem, dat zijn landgenooten zoo
werden geschoren. Hij kon dit nagaan, en hem liet het niet, als de
meesten, lauw.
"Jullie zijn toch ook stomme kerels; eigenlijk verdienden jullie
niet beter. Wat drommel, waarom teekenen jullie ook die vrijwillige
overeenkomsten? Je moet weigeren. Alleen padi leveren en bij weging
en anders niet. En als jullie nu maar eensgezind zijt en allemaal
zoo doet dan kan de assistent-resident je ook niets maken."
Prawira wist echter, gelijk nog blijken zal, ook niet alles, bij lange
niet. Zoo is het verhoudingscijfer voor de verkrijging van rijst uit
padi, waar de normale coëfficient op O,54 gesteld moet worden, veel
te hoog genomen. En een berekening, op papier, van veertig katties
rijst per picol natte padi met 20 % breuk is absurd hoog.
Er was een gedrukte stemming gekomen over de aanwezigen; buiten
hoorde men het fladderen der tjodots [100] in den manggaboom en in de
verte blaatte klagelijk een geit. In het kleine vertrekje walmde het
flikkerende olielichtje. Het was reeds vrij laat. De vrouwen waren
successievelijk verdwenen en hadden zich ter ruste gelegd.
"Ik wou je nog wat vragen," zei Pah Rekso tot Prawira, die een strootje
gerold had; "je weet dat onze overeenkomsten worden ingeschreven op het
kantoor van den assistent-resident, ten minste dat is mij gezegd door
den koewoe. Die kan de dingen, die jij me vertelt, toch ook wel weten?"
"Hij zou het kunnen weten, ja meer: hij zou het moeten weten,
maar die kandjeng daar te Telatiga weet niets. Hij teekent de
overeenkomsten maar raak weg, geloof ik. Anders zou hij toch niet
overeenkomsten teekenen voor het land Telatiga, waarbij uitgegaan
wordt van een maatstaf van 33 katties rijst per picol natte padi,
terwijl hier 40 katties wordt geëischt? De assistent-resident is geen
goed bestuursman. Hij doet te weinig, hij houdt niet van soesah. Hij
wil het altijd seneng [101] hebben, en dat kan toch niet als je
assistent-resident bent."
De inconsequentie bij het registreeren van de overeenkomsten met de
opgezetenen van Alas Bamboe en Telatiga gesloten, heeft ook anderen
dan Prawira getroffen. Zij zal den lezer evenzeer treffen, wanneer
hij zich de moeite wenscht te geven op die basis na te rekenen, zich
houdende aan den hiervòòr medegedeelden staat dat in 19 .. aldus de
opgezetenen van een vierde gedeelte van den gecultiveerden grond op het
land Alas Bamboe voor ruim vierhonderd picols rijst werden bestolen!
Het was al heel laat toen Prawira opstapte, met het vaste voornemen
weerom te komen. Om Mariam.
Het was midden Juni. Fel blakerde de zon de gouden velden. Reeds was
men overal in den omtrek aan het oogsten. Weldra zou ook de dag daar
zijn, dat Mah Ten en de meisjes de sawahs zouden ingaan. Drie dagen
geleden had Pah Ran aan den koewoe kennis gegeven, dat zij weldra
de padi zouden snijden. En den volgenden avond was Sastrawidjaja,
de mantri-tjoeké, bij hen geweest.
Zoo'n mantri-tjoeké is een ondergeschikte van den landheer, die er
voor te zorgen heeft dat het aandeel van den eigenaar, het vijfde
gedeelte, bij den oogst ook werkelijk wordt afgezonderd. Dit werk is
niet gemakkelijk, al lijkt het zoo eenvoudig dat men van elke vijf
bossen padi er één voor den landeigenaar op zijde zet, en hiervan
aanteekening houdt. Het kost heel wat tijd in de eerste plaats en
het vordert groote oplettendheid. Immers, de landbouwer betaalt even
ongaarne belasting als de meeste andere menschen en met anderen heeft
hij gemeen de zucht om aan de verplichting tot betalen te ontkomen,
als hem dat maar even mogelijk is. Hij zal zijn best doen om de
minstwaardige padi als tjoeké af te staan, of minder te leveren dan
het vijfde gedeelte van zijn product. Er zijn tal van middelen, die er
alle op berekend zijn voor den toepasser voordeel af te werpen. Voor
den mantri is het zaak de toepassing te verijdelen. In gevallen van
twijfel aan de goede trouw van den landbouwer, van oneenigheid, van
onzekerheid, e. d. zal de mantri de gesneden padi wegen, om langs
dezen weg het aandeel des eigenaars vast te stellen.
Aan den anderen kant is de aanwezigheid van den mantri voor den
landbouwer hinderlijk, vaak hatelijk. Zijn zij geen vrienden, dan
maakt de eerste het den opgezetene lastig, kiest de beste bossen
uit. De mantri staat gemeenlijk in ontwikkeling een trapje hooger, kan
lezen en schrijven, en beschikt over een gezag, voortkomend uit zijn
meerderheid en geschraagd door het gezag van den landheer, die achter
hem staat. En ook zonder dat eenige animositeit behoeft te bestaan,
is de mantri, uit welbegrepen eigenbelang, er op uit, zooveel mogelijk
te requireeren. Dat geeft natuurlijk om kleinigheden vaak wrijving.
Er zit voorts nog meer vast aan die tjoekélevering, wanneer de landman
zich bij "vrijwillige overeenkomst" gebonden heeft. Het eerste artikel
van die overeenkomst bepaalt n.l. dat de sawah-opbrengst bij het
rijpen der padi bepaald zal worden naar den maatstaf van het gewicht
der gesneden padi van één enkele vierkante Rijnlandsche roede. Wat dit
zeggen wil, zouden de bestuursambtenaren moeten begrijpen, wanneer
zij niet al hun tijd wijdden aan het opmaken van staten en stukken,
om daaruit te doen blijken, hoe goed het in hun gewest, afdeeling
of district gaat. Daardoor ontgaat het hun, dat het hun plicht is
te weigeren de vrijwillige overeenkomsten tusschen landheeren en
opgezetenen op de landen Alas Bamboe en Telatiga te registreeren.
Het gewas toch van een sawah staat niet overal even goed en,
is het bezit van den landbouwer uitgestrekt, dan vooral zal
de gewichtsbepaling over één vierkante Rijnlandsche roede hem
ernstig benadeelen. Want de erfpachter maakt geen deel uit van de
met die gewichtsbepaling belaste commissie en de landheer wel, bij
delegatie. De commissie bestaat, volgens datzelfde eerste artikel der
vrijwillige overeenkomst, uit den mantri-tjoeké, een bezoldigd dienaar
van den landheer, en twee leden van het desabestuur. En daar ook de
laatsten slechts voordeel hebben te wachten van de goede gezindheid
der landheeren, is het niet meer dan menschelijk en begrijpelijk,
dat de vierkante Rijnlandsche roede, welke aangewezen zal worden voor
de gewichtsbepaling, niet ligt in het slechtste gedeelte van den
sawah, noch ook een gemiddelde opbrengst zal vertegenwoordigen. Er
zal een gewicht bepaald worden, dat den landman tot een abnormale
tjoekélevering zal verplichten, maar daar is dan niets aan te doen,
want de bezitter heeft zich immers gewapend met de "vrijwillige
overeenkomst", in domheid en onwetendheid door den erfpachter
geteekend.
Prawira's berekening heeft reeds laten zien welke inbreuk gemaakt
wordt op de wettelijke bepaling, dat slechts het vijfde gedeelte van
het product als grondbelasting wordt ingenomen, maar de landheer kan
ongestraft elke andere bepaling van het reglement van 1836 overtreden
en meer nog: hij kan in zulke gevallen steeds rekenen op den steun
van bestuursambtenaren, die, bepalingsslaven, slechts rekening houden
met letters en geschreven woorden; hij kan, mochten de opgezetenen
hulp inroepen van Buitenzorg, rekenen op de passiviteit van een
Gouverneur-Generaal, die het schoone bevel der Koningin om vòòr alles
een beschermer te zijn der inlandsche bevolking, niet telt, wetend
dat deze lastgeving slechts een frase is geworden en zijn gebiedster
hem nimmer ter verantwoording zal roepen, vragend:
"Hebt gij gedaan, wat Ik u bevolen had?"
Op het land Alas Bamboe, dus had Rekso, vóór het teekenen der
overeenkomst van den penghoeloe vernomen, moet een halve kattie tjoeké
rijst worden opgebracht als de opbrengst der aangewezen roede zes en
een vierde kattie natte padi of meer bedraagt. Deze limiet bedraagt
op het land Telatiga zeven en een halve kattie.
Waarom de assistent-resident van Telatiga, die de overeenkomsten van
beide landen registreert, niet vordert dat eenzelfde maatstaf worde
aangelegd, is een vraag, die door velen der minder onontwikkelde
opgezetenen meer dan eens wordt gesteld. Waarom hij niet volstrekt
weigert die overeenkomsten te registreeren, waar hij mòet weten dat
zelfs een grens van zeven en een halve kattie nog te eng is? Dit is
de vraag, die ik mij stel. Het antwoord is gemakkelijk te geven. Het
luidt voor beider vragen: de assistent-resident is gedekt doordat de
opgezetenen zelf de overeenkomsten teekenen.
Hij is gedekt! Dat is het, dat is de groote vloek van deze schoone
landen. De ambtenaar verzaakt zijn plicht, verloochent zijn roeping,
en wat nog erger is van regeeringsoogpunt: hij benadeelt het land. Maar
hij zorgt gedekt te zijn; hij waakt er voor dat niet hem, maar anderen,
gemeenlijk hen, die onder hem staan, blaam zal treffen; hij berekent
vooruit de middelen, welke hem zullen in staat stellen de schuld
van wat er verkeerd liep, te wentelen op anderer schouders. En de
belooning voor zijn plichtverzekering vindt hij in handhaving in zijn
gezag, dat hij misbruikte. Er zou veel minder verkeerd zijn in Indië,
wanneer er slechter ambtenaren waren!
Het vierde artikel der vrijwillige overeenkomst is reeds uit de
mededeeling van Prawira bekend. Daarbij worden de grenzen bepaald
tusschen vier en een halve en zeven en een vierde kattie natte padi
per roede voor een opbrengst van veertig kattie's rijst per picol
natte padi. Deze belasting is zwaarder dan die in het tweede artikel
genoemd voor een opbrengst van zes en een vierde en meer kattie natte
padi per roede. Dit schijnt niet het geval te zijn, maar ìs zoo.
En het is niet meer dan natuurlijk dat de landeigenaren, geraffineerd
sluw, in de bepaling der overeenkomst, een voorstelling hebben weten
te geven, welke de waarheid bedekt. Immers de productie van een zeer
groot deel der rijstvelden beweegt zich tusschen die beide grenzen
en het was dus zaak die productie vooral te treffen door een zware
belasting, wilde men een nog redelijke inkomst hebben. Dit kan blijken
uit de getalverhoudingen van den hiervoor vermelden tjoeké-staat,
die reeds een zeer verkeerd beeld geeft van den waren stand van
zaken, gelijk Prawira aantoonde en die bovendien een groot aantal
sawahs vermeldt als goed geslaagd, welke dien naam niet verdienden,
doch waarvan de opbrengst getaxeerd werd.
Maar er zijn sawahs, die een product leveren van minder dan vier en
een halve kattie per roede. Hiervan wordt goedgunstig een belasting
geheven, op papier, naar verkiezing des landbouwers in padi of
rijst. Dit is niet waar, want wie zich den tijd wil gunnen den
tjoeké-staat na te rekenen, zal ontwaren dat zulke mislukte sawahs
voorkomen in de rubriek der in het vorige artikel bedoelde rijstvelden.
Het was noodig wat langer stil te staan bij den inhoud dier vrijwillige
overeenkomsten: zij spelen zulk een groote rol in dit verhaal, zij
zijn oorzaak van zooveel leed, dat zij daarom reeds verdienden in
haar geheel te worden weergegeven, wat echter deze bladzijden niet
aantrekkelijker zou maken.
Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, was dan op dien avond in de woning
van Pah Rekso en Pah Ran geweest. Hij was er beleefd ontvangen. Sastra
was een oud man, die jaren lang reeds in den dienst der landheeren
was. Hij had er velen gekend, en bezat om zijn stalen geheugen en zijn
nauwkeurigheid bij de opzichters van Herea grooten invloed; wie met
hem oneenigheid kreeg, behoefde op gelijk niet te rekenen. Sastra
was zich zeer goed van zijn onmisbaarheid bewust en hij maakte,
autocraat als hij was, van zijn macht behoorlijk gebruik.
De desabesturen waren zijn werktuigen, want het kostte hem weinig
moeite, met behulp der opzichters, die zoo op hem vertrouwden,
degenen, die zijn vrienden niet waren of wilden zijn, het leven zeer
onaangenaam te maken. Het was dus geen wonder dat Sastra de reputatie
genoot een uitmuntend aanslager der tjoeké te zijn. Inderdaad was dit
zoo; maar dat de oude zijn landgenooten benadeelde om zijn meester
welgevallig te zijn, durfde niemand hem verwijten. Sastra was zeer
kwalijknemend. Onvriendelijkheid en stugheid namen hem onmiddellijk
tegen de menschen in. En zoo trachtte men het hem steeds naar den
zin te maken en hem in het gevlei te komen. Hij was in Herea de
heerscher en had er meer ontzag dan de opzichter, waarvan hij wist
te profiteeren. Als de meeste inlanders, die een zekere macht hebben
verworven, was hij despoot. Hij liet zich "smeren," zonder zich
daarvoor tot iets te verbinden. Hij bezat drie vrouwen, gold voor
een kapitalist, was een don Juan en een vrek.
In de woning van Rekso had hij zich met het air van den meester
een kopje koffie laten brengen, en met een gewichtig gezicht een
aanteekeningboekje voor den dag gehaald, waarin hij de namen van Pah
Rekso, Pah Ran en Siman had opgeschreven.
"Hoeveel sawah hebben jullie?" vroeg hij.
"Een bahoe en tweehonderd vier en veertig roeden," antwoordde Pah Ran.
"Nu, ik zal maar opschrijven: anderhalve bahoe; dat is gemakkelijker
voor de berekening," besliste de mantri-tjoeké.
"Ja, maar, kang [102], met je verlof," merkte Pah Ran op, "dat is
toch nadeelig voor ons."
"Och wat, dat kan hoogstens maar enkele katties schelen, en bovendien,
ik zal er rekening mee houden, en ze later van de tjoeké aftrekken."
De anderen zwegen. Er was toch niets aan te doen.
"En," vervolgde Sastra, "wil je dat wij wegen bij proefsnit, of reken
je de opbrengst op meer dan 6 1/4 kattie?"
"Neen," zeide Pah Ran haastig, "zooveel krijgen we nooit. Misschien
4 3/4, hoogstens vijf kattie."
Pah Rekso kreeg een hoestbui; hij stond, de keel schrapend, op en
begaf zich naar buiten, om een bloederige fluim uit te spuwen.
"Wat heb jij, Pah?" vroeg Sastra, maar deelneming was in de vraag
niet te vinden.
Pah Rekso legde de hand op de borst.
"Hier is het niet goed, mantri; de regens hebben me de longen
bedorven." Hij kuchte weer. "En nu komt er ook bloed."
"Zoo! Is de doekoen [103] er bij?"
"Ja, nu en dan. Het geeft natuurlijk niets."
Ipah vulde het kopje van den mantri nog eens, en zette een grof glas
zonder voet op tafel, waarin kaoeng-strootjes.
"Is dat je dochter?" vroeg Sastra op de vertrekkende deern wijzende,
aan Pah Ran.
"Neen, dat is Ipah, het oudste meisje van hem daar," antwoordde de
aangesprokene. "Ik heb maar een dochter; die is getrouwd met Siman,
hier."
"Hm. Maar à propos van de tjoeké ..." Sastra dronk langzaam een
teug van de zwarte koffie. Toen nam hij een strootje uit het glas
op tafel, tikte tegen het blad, blies er in, en stak het bedaard
aan. "Je begrijpt dat wij bij proefsnit moeten bepalen. Nu heb ik
gehoord dat, in het oosten, bij de rantja [104], je padi heel mooi
staat. De koewoe heeft verteld, dat jullie er goed voor hebt gezorgd
dat het water niet op het veld bleef. Dat is ferm. Maar nu kunnen
wij dáár een roede snijden ..."
Hij zeide den laatsten zin langzaam, met veel nadruk op elk woord.
"En dan?" vroeg Siman gretig, toen de ander ophield.
"Wel, zie je, de opbrengst daar is zeker meer dan zes en een kwart
kattie en je zou dus drie en driekwart picol tjoeké-rijst moeten
opbrengen."
"Maar," kon Siman zich niet bedwingen op te merken, "dat is niet overal
zoo op de sawah. Om de noord staat ze erg schraal. Daar is hama oeret
[105] geweest. En ook op de andere stukken kunnen we nauwelijks op vier
kattie rekenen. Er was hama poetik door de vele regens van het jaar."
"Ja, maar dat geeft je niets. De landheer mag zelf aanwijzen, welk
stuk voor de tjoeké moet worden gesneden."
"Maar er zijn toch ook nog de leden van het bestuur van de desa;
die kunnen toch ook wat zeggen?" verweerde zich Pah Ran.
"Jullie bent hier nog niet lang," zeide Sastra kalm. "Pah Djaja en
Marto van het bestuur moeten wel doen wat de landheer wil, begrijp
je. En ik ben in dienst van den landheer. Als ik niet veel tjoeké
binnen breng, word ik ontslagen. Hoe graag ik jullie ook zou helpen,
ik moet wel het beste stuk laten snijden," huichelde de mantri.
"Maar, kang," klaagde Pah Ran, "dat is toch verschrikkelijk,
dat is toch niet zooals het moet? Wij kunnen bij den kandjeng
assistent-resident klagen."
"Doe dat maar niet," zeide de ander, "het zou een vergeefsche reis
zijn, want hij onderzoekt de klacht niet eens. Dat hebben er al
zooveel gedaan, geklaagd. Maar het gaf ze niets. De toean assistent
zeide: jullie hebt immers zelf geteekend? En daaraan heeft hij toch
ook gelijk."
"Er is dus niets aan te doen."
"Misschien wel, maar daar heb ik veel soesah mee; ik zou het voor
jullie, omdat je nog vreemd bent, wel willen doen, maar dan moet ik
den landheer toch eigenlijk misleiden. Ja, het geeft veel soesah."
De wenk werd begrepen.
Er heerschte zwijgen, slechts onderbroken door het kuchen van Pah
Rekso. De anderen zaten te berekenen hoeveel de welwillendheid van
Sastra hun zou kosten, met blikken van verstandhouding elkander
aankijkende. Sastra slurpte loerend zijn koffie en stak een nieuw
strootje op. Eindelijk zeide Pah Ran:
"Kijk eens, Sastra, wij willen natuurlijk niet dat je kosten voor
ons maakt. Wij zijn je heel dankbaar voor je hulp, maar je moet ons
veroorlooven dat wij de kosten, die je daarvoor maakt, vergoeden."
"Goed," zeide Sastra, "dat verrekenen we wel na den oogst. Dus geen
proefsnit. Ik zal dan maar opschrijven dat de oogst geschat is op
vier en een halve kattie."
Zoo deed hij.
"Snijdt dan maar," vervolgde hij, het notitieboekje in den zak van
zijn zwart jasje stekend. "En breng dan maar de tjoeké-rijst naar
het pakhuis te Herea."
Daarmede stapte Sastrawidjaja op. Met een korten groet verliet hij
de woning.
"Wij hebben toch nog oentoeng," zeide Siman.
Maar zijn oude vader schudde het hoofd. "Ja, jongen, je hebt nu een
beetje oentoeng; dat wil zeggen je zoudt meer hebben moeten opbrengen,
wanneer de mantri zich niet liet omkoopen. Maar ik ben bang, dat
wij niet de twee en twintig en een halve picol padi zullen oogsten
per bahoe, waarop de opbrengst nu geschat is. Ik ken den groei hier
nog niet, maar hij lijkt mij arm. En de vele regens zullen geen goed
gedaan hebben. In Tjidamar is het anders. Wat de regen er bederven zou,
maakt de grond weer goed. Ik ben bang, dat vele aren dood zullen zijn."
"Kom vader, u maakt u veel te bezorgd. Wij zullen een goed product
krijgen, daar ben ik zeker van. Wij kunnen op wel dertig picols
padi rekenen, van het geheele stuk, bedoel ik, na aftrek van tjoeké,
stamploon, enz. En als we daar dan twaalf picols mooie witte rijst
van krijgen, dan hebben we ruim zeventig gulden te wachten. Nog niet
eens de palawidja meegerekend. Het volgende jaar kunnen we dan een
stukje sawah meer er bij halen, een halve bahoe dacht ik. Dan hebben
we net twee bahoes. Kom, vader, het hoofd niet laten hangen; het zal
best gaan."
De oude was evenwel niet op te beuren.
"Palawidja, zeg je? Daarvan komt hier in Gatok niets terecht. Te
veel zout in den grond, zeggen ze hier, en geen water. Neen, het
gaat verkeerd. En het is mijn schuld. Wij hadden in Tjidamar moeten
blijven."
Pah Rekso had weer een van zijn zwaarmoedige buien, die in den laatsten
tijd menigvuldiger dan ooit voorkwamen.
"Wij zijn dom geweest," zeide hij, "erg dom, dat we die vrijwillige
overeenkomst hebben geteekend. Als wij het niet gedaan hadden, zouden
wij padi hebben kunnen leveren."
"Nou ja, Pah," viel Pah Ran in, "dat is nu gebeurd en het geeft
niets er nu nog over te zeuren. En bovendien, het scheen ons toen
toe voordeeliger te zijn."
"Ja ja, het scheen zoo," antwoordde de oude koppig. "Dat zou ook een
bewijs zijn van onze domheid, als we niet gedwongen waren geweest om
te teekenen."
"Maar, Rekso," zeide zijn compagnon, die niet wilde toegeven, "nu
praat je toch maar wat. Wij hebben die overeenkomst toch vrijwillig
geteekend!"
"Je bent nog dommer dan ik, Ran. Dat had ik niet gedacht. Herinner
je je dan niet meer, dat wij voorschot hebben gekregen om zaadpadi
te koopen? Negen gulden hebben we gekregen. Dat moet je ook nog
terugbetalen aan den landheer. Noem je dat geen dwingen?"
"Wel neen, natuurlijk niet. Wij hadden zelf nog wel geld, om zaadpadi
te koopen. Dat hebben wij natuurlijk niet gedaan, toen wij voorschot
konden krijgen. Maar bovendien: van Tan Boen Ho hadden wij óók padi
kunnen krijgen."
"Zeker, maar voor de anderhalve picol padi, die wij noodig
hadden, zouden wij anderhalve picol rijst moeten teruggeven,
goede tjoekérijst. Alsof dat dan niet nog veel bezwarender is! Niet
gedwongen?! Pjoe! [106] de toean ziender heeft ons niet voor niets
gezegd dat we voorschot konden krijgen als wij teekenden. De landheer
moet er wel voordeel van hebben, als hij ons met voorschot helpt. Voor
niets helpt niemand. En dan met zooveel, met negen gulden! Aan vijf
gulden hadden wij ruim genoeg gehad."
"Maar vader," protesteerde Siman, "dat is toch onbillijk. Wij hadden
het toch niet behoeven aan te nemen?"
"We hadden toch onkosten met je trouwen, jongen; je huisje was ook
nog heelemaal niet ingericht. En Djiah mocht toch waarachtig wel een
slendang [107] hebben, en het plantloon kon er ook mee betaald worden."
"Nou ja," zei Pah Ran, "maar wij hebben toch ook andere voordeelen
gehad. Wij behoeven geen tuinhuur te betalen, heeft de toean ziender
gezegd, geen tjoeké van de katjang [108] en andere palawidja."
"Juist," barstte Pah Rekso kuchend los, "dat is het. Dat is het wat
ik dwingen noem. Ze hebben ons met allerlei moois gepaaid, toen we
nog vreemd waren als een karbouw in een nieuwe kraal. Wij hebben
gedacht dat het heel wat moois was, die vrijstelling van tuinhuur,
en die vrijstelling van vischtjoeké bij de aftapping van setoes. Wat
voor vrijstelling is er nog meer? O, ja, we mogen vrij visschen in
de rawahs [109] en de rantja's [110], en ook mogen wij visschen in
de waterleidingen. Het is prachtig. Maar het visschen is bijna niet
te controleeren en de palawidja mislukt hier elk jaar, dus van tjoeké
daarvan zijn wij van zelf al vrijgesteld. Ik begrijp niet dat jullie
dan niet inziet, dat wij feitelijk gedwongen zijn om te teekenen,
als een kind, dat met een koekje gedwongen wordt om obat [111] in
te nemen."
De oude zweeg, geërgerd. Ook de anderen spraken niet. Maar al zijn
grieven kwamen zoo allengs bij Rekso op. Hij had meer tijd dan de
anderen. Hij werkte niet, zat den ganschen dag alleen en bracht zoo
uren door, waarin hij kon zitten piekeren en peinzen over zaken,
waar hij met zijn verstand niet bij kon.
"De landheer, die nekt je, als je niet teekent. Prawira heeft goed
praten dat we het volgend jaar niet moeten teekenen. Wat is er met
Karta gebeurd van de desa Tjikoedoeng?--Zijn vrouw is onlangs bevallen
van het vierde kind, weer een meisje. Karta heeft wel tjilaka. Karta
heeft niet geteekend. En toen hij langs de leiding liep, sprong een
ikan gaboes [112] uit het water vóór hem in het gras. Karta raapte
de visch op en dat zag de koewoe, die hem zoo slecht gezind is,
omdat Karta hem niet genoodigd heeft op de sedekah [113], het vorige
jaar. En door toedoen van den koewoe is Karta toen op de politierol
gestraft ... De landheer maakt het je met alles moeilijk, alle macht
is bij hem."
Den volgenden dag had de oogst-sedekah plaats in de woning van
Pah Rekso. Mah Ten, Djiah en de beide meisjes waren druk aan het
werk geweest. Veel kosten had men er niet voor gemaakt. Er was
nasi koening [114] en tal van sambalans [115], gebak, wadjik [116]
en assamkoekjes [117]. Rekso had het voorvaderlijk gebruik om voor
den oogst den zegen van den Allerhoogste af te smeeken niet willen
verwaarloozen. Hij kon niet gelooven dat uit zulke veronachtzaming
geen onheil zou voortvloeien en hij voor zich keurde het af, dat in
de desa sedekahs zoo zeldzaam zijn, dat de sawahbezitters slechts
zelden den penghoeloe verzoeken het oogstgebed uit te spreken over
de panèn. Hij wilde niet afwijken van den ouden adat [118], ook al
kostte het hem wat geld aan de sedekah en aan den penghoeloe.
Den dag daarop was men met het snijden begonnen.
Mah Ten, Ipah en Mariam, zelfs Djiah, die dagelijks hare bevalling
wachtte, bijgestaan door nog een tiental vrouwen, waren het
veld ingegaan. Djirah en nog andere kleuters hielpen mee met het
arenlezen. Ook in enkele naburige sawahs waren de vrouwen aan het werk.
Het was brandend heet, maar daarom verstomde de zang der snijdsters
niet.
Men vorderde goed. Uren en uren zonder rustpoos werkten de vrouwen
voort. Het aantal schoven groeide. Het zweet parelde de werksters op
het gelaat. Rusteloos ging de anè-anè door de halmen.
Ver over eenen eindelijk werd verpoosd. Reeds waren uit de desa
de kinderen gekomen met het schrale middagmaal van moeder en
zuster. Andere vrouwen hadden haar kostje zelf reeds meegenomen. Hier
en daar op de galangans werd een vuurtje ontstoken om een visch
te bakken. De rook steeg loodrecht omhoog: geen zuchtje trok over
de velden.
Mah Ten, de meisjes, Djiah en de andere snijdsters zaten bijeen
om en naast de galangan, droge rijst met een ikan sepat [119]
verschalkend. In een kommetje was lekkere sajor lodé [120], waaruit
met graagte werd geschept. Djanim had den karbouw vandaag wat vroeger
naar huis gedreven en hem een soendoeng [121] vol gras en bladeren
voorgezet.
Daarop had hij het maal voor de vrouwen naar de sawah gebracht. Heel
gewichtig zat hij op eenigen afstand met de handen om de knieën een
strootje te rooken. Djiah pikte dapper mede met de vrouwen.
"Zeg 'reis, Djiah," merkte een der snijdsters op tusschen twee smakken,
"het moet vandaag of morgen toch gebeuren, geloof ik."
"Het kind moest er al zijn, heeft de doekoen gezegd," antwoordde Djiah.
"Nou maar, jij durft hoor; als je niet oppast wordt het nog hier op
de sawah geboren."
"Dat is niets hoor, een anak sawah [122] wordt een goede tani [123],"
was de wijsgeerige opmerking van een oudje.
Djiah was overmoedig.
"Kun je begrijpen," zei ze, "ik houd hem op."
"Wat zegt de doekoen? Is het een jongen of een meisje?"
"Natuurlijk een jongen," lachte Ten schelmsch, "Siman verlangde er
erg naar getrouwd te zijn."
Algemeen gelach.
"Nou mah," verweerde zich het aanstaand moedertje, "ik zou nou maar
niets zeggen. Jouw oudste en je tweede waren ook jongens."
Maar Ten was met het antwoord dadelijk gereed:
"Je kunt me nog wel de baas zijn met twee jongens tegelijk!"
Maar na de boert kwam het werk weer.
Tegen vier uur 's middags was ruim de helft van de padi gesneden
en stond in bossen op het land. Men ging huiswaarts. Het was een
zware dagtaak geweest. Met het water der Tjikoentoel wiesch men zich
gelaat en bovenlijf, de vrouwen ongegeneerd den boezem ontblootend;
de meisjes hadden zedig de sarong onder de oksels vastgemaakt.
Thuis klaagde Djiah over pijn in de lenden. Siman maakte zich ongerust.
"Zal ik Mah Itam halen?" vroeg hij bezorgd. Maar zijn jonge vrouwtje
lachte hem uit.
"Welneen, zoover is het nog niet. Maar ik heb te lang gestaan. Morgen
zal ik liever de bossen binden."
"Zou je nog wel gaan, morgen?" vroeg Siman.
"Zeker, hoor. Ik kan nog best mijn werk doen."
Den volgenden dag ging Djiah ook naar het veld en bepaalde zich tot
het aaneenbinden der schoven, maar lang hield zij dat toch niet meer
vol en na den maaltijd moest zij gaan liggen. Zij kreunde zoo hevig,
dat Djirah bevreesd om haar moeder riep.
"Mah, mah, kom toch. Djiah is ziek."
Ten keek om, zag haar schoondochter krimpen en wentelen, begreep
dadelijk wat er gebeurde en ijlde naar haar toe, enkele vrouwen
wenkende haar bij te staan.
"Djirah, gauw naar huis," riep ze haar dochtertje toe. "Laat Siman
en Pah Ran komen met een baleh, en zeg Mah Itam, dat ze dadelijk komt!"
De gloeiende zon brandde fel op de struiklooze vlakte. Mah Ten knielde
neer, en Ipah hield haar hoofddoek boven Djiah's gelaat om dit te
beschutten tegen de doordringende zonnestralen. Ten keek spiedend
over de vlakte. Het liep nu tegen vieren en nog was van de mannen of
van Mah Itam niets te bespeuren.
Als ze er niet spoedig waren, zou de bevalling afgeloopen zijn zonder
hulp der wijze vrouw.
Eindelijk verscheen in de verte Mah Itam. Langzaam kwam zij nader.
Ze kwam nog op tijd.
Ten brandde van verlangen om te weten waar de baleh bleef, maar durfde
de aandacht der doekoen niet af te leiden door vragen.
Mah Itam, al prevelende, nam 'n drinknap, vulde die uit 'n nabijstaande
gendi [124] met water, wierp er 'n dubbeltje in en hield ze Djiah te
drinken voor. Deze dronk half onbewust, in diep ontzag voor de kennis
der vroedvrouw.
"Bapah-moe 'ntenni [125], bapah-moe 'ntenni," zeide zij hoog ernstig
tot 't ter wereld komende menschje.
Zij was 'n Javaansche.
Als werd er gehoor gegeven aan deze aansporing, werd 't volgende
oogenblik 't knaapje geboren, dat met geschrei 't eerste levenslicht
begroette.
"Heb ik 't niet gezegd," zeide Mah Itam triomfantelijk, terwijl zij
teekenen van bewondering las in de oogen der haar omringende vrouwen.
"Wat is er?" werd van 'n naburige sawah geroepen.
"Djiah is daar juist bevallen!" riep Mariam terug.
"Loh! [126] Op de sawah! Wat is 't?"
"Een jongen!"
"Slamat! [127] Oentoeng temen! [128]" klonk het hartelijk weerom.
Toen de kleine in de beek gereinigd was, kwamen eindelijk Pah Ran en
Siman met de baleh aan. Zij waren aan het visschen, toen Djirah was
gekomen. Vandaar hun lang uitblijven. Djiah was na een half uurtje
weer in zoover hersteld, dat zij zich, gesteund door Ten en Ipah,
in de Tjikoentoel kon wasschen. Toen wilde zij naar huis loopen, maar
daartegen verzetten zich de mannen. En de spotternij der vrouwen kon
hen van hun plan niet afbrengen. Djiah moest met den zuigeling op de
baleh plaatsnemen en werd naar huis gedragen.
Dien nacht bleef de zorgzame Ten bij haar schoondochter. Den volgenden
dag was Djiah weer op de been.
Siman was een gelukkig vader. Hij kon zich maar niet voorstellen,
dat die kleine, mollige Rekso nu zìjn jongen was. En als hij alleen
dacht te zijn, zou men hem hebben kunnen verrassen in een alleenspraak
tot den kleinen vent, waarbij hij dezen tallooze lieve naampjes gaf.
Het beschot van den oogst was tegengevallen. Pah Rekso had gelijk
gehad. De hama poetik had meer nadeel gedaan dan aanvankelijk vermoed
was en de regen was schuld aan veel vooze aren. En zoo kwam het dat
men nog geen dertig picols padi binnenhaalde.
Daar moest het snijloon nog af; het vijfde gedeelte van den snit, naar
het landsgebruik, en van de rest zou weer het vijfde gedeelte ongeveer
aan indroging verloren gaan. Nu hadden echter Ten, Djiah, en de beide
meisjes medegesneden en daardoor kwam men er met een snijloon van
slechts drie en een halve picol af, wijl de huurarbeidsters zooveel
minder hadden gesneden.
Na de indroging te velde kon men op ruim een en twintig picols droge
padi rekenen. Daarvan zou dan af moeten aan tjoeké veertig kattie
mooie rijst voor elken vijfden picol natte padi, die geoogst was.
Siman had na een half uur rekenen uitgevonden, dat zij alzoo twee
picols en veertig kattie goede rijst van één vijfde breuk zouden moeten
opbrengen. Van de tien en een halve picol rijst, die zij uit de een
en twintig picols droge padi zouden winnen, bleven er alzoo ongeveer
acht over. Het resultaat was niet mooi. Neen, dat was het niet. En met
een soort beklemming dacht hij er aan dat Sastra nog zijn "onkosten"
vergoed moest hebben, dat er nog stamploon betaald zou moeten worden,
dat de penghoeloe nog een aandeel in den oogst bezat.
Met een bedrukt gemoed was hij de woning van zijn vader binnengetreden.
Hij vond er Prawira, die weer eens om de eene of andere reden verlof
had gekregen van den opzichter. Dat gebeurde heel vaak in den laatsten
tijd. Telkens loog Prawira den opzichter voor dat er een familielid
van hem overleden was, het gewone verhaal.
Rekso lag in het afgeschoten vertrekje op de baleh. De oude was in
't geheel niet goed. Het bloedspuwen was zeer veel erger geworden
en telkens was hij genoodzaakt het bed te houden. Mah Ten was in de
keuken bezig en in het middenvertrek der woning vond Siman alleen
Prawira op den balehrand zitten, in gezelschap van de mooie Mariam,
die echter, zooals de dorpsétiquette voorschrijft, op goeden afstand
van den gast zat. Het scheen wel of Siman beiden verrast had in een
ernstig gesprek, althans dat maakte hij op uit de zichtbare verwarring
van Prawira. Aan Mariam was niets te merken.
"Hoe is het met vader, Mariam?" vroeg de binnentredende, na een korten
groet aan Prawira.
"Niet goed, Siman, niet goed. Ach God, wij hebben toch soesah met hem."
"Ja, meisje, er komt nog meer." Daarop vervolgde hij tot Prawira:
"Zeg, het komt mooi gelegen dat ik je hier tref. Ik heb je te spreken,
maar liever moet de oude het niet hooren. Weet je wat, ga met me
mee. Bij mij kunnen we beter praten."
Erg veel genoegen had Prawira er niet in, maar hij kon de uitnoodiging
toch moeilijk weigeren en na een blik van verstandhouding met zijn
gastvrouw, die Siman niet ontging, volgde hij den jongen man naar
buiten.
Simans gemoed was vol bitterheid en hij kon niet wachten tot ze thuis
waren, om zijn medgezel deelgenoot te maken van zijn vrees.
"Wij zitten in de soesah, Prawira. Je moet me helpen."
"Als ik kan, graag, Siman. Maar geld heb ik zelf niet."
"Niet met geld. Je bent knapper dan wij, Prawira, je hebt veel geleerd
en weet meer dan wij. Je moet ons raad geven. Maar hier zijn wij bij
mij thuis, ga naar binnen."
Prawira trad binnen en begroette Djiah, die naast het slapend jongske
zat te naaien, bij het oogbedervend walmend licht van de palita [129].
Toen zij gezeten waren, vervolgde Siman zijn gesprek.
"Ik wou je vragen voor mij na te rekenen of wij niet te veel betalen
moeten aan tjoeké. Kijk, wij hebben bijna dertig picols padi geoogst."
"Ja, dat beteekent niets. Al hadt je de helft binnengehaald," zei
Prawira dadelijk op een toon van gezag. "Je hebt de overeenkomst
geteekend, niet waar, en je hebt met de taxatie van dien schurk van een
Sastra genoegen genomen, welnu, dan moet je leveren wat afgemaakt is."
"Ja maar, Prawira, de landheer vraagt rijst en geen padi, dus hij
heeft geen stamploon te betalen en dan, de padi droogt in en daar
wordt ook geen rekening mee gehouden."
"Dat weet ik wel, Siman, dat weet ik heel goed. Maar daar geven ze
daarginds," en met zijn duim wees Prawira over zijn schouder naar
het noorden--"niets om."
"Maar dan krijgen ze toch meer dan een vijfde, en dat mag toch niet;
wij behoeven toch niet meer op te brengen, dan waartoe wij verplicht
zijn?"
"Jullie hebt een fout begaan, eerst door te teekenen en later heb je
weer een fout begaan door met de taxatie genoegen te nemen. En nu is
er niets aan te doen, niets. Wou je soms naar den assistent-resident
gaan? Daar krijg je toch geen gelijk. Voor ons, kleine lui, hebben
de blanda's geen recht, weet je. Wie het geld heeft, heeft het
recht. Maar hoeveel moet je nu opbrengen? De taxatie was vier en
een halve kattie per roe, niet? Dat is dus twee en twintig en een
halve picol per bahoe, dus drie en dertig picol en vijf en zeventig
kattie voor de anderhalve bahoe, die jullie hebt. Daarvan moet je
dus aan tjoeké opbrengen, het vijfde deel, dat is zes picol en vijf
en zeventig kattie, of veertig kattie rijst per picol, niet waar,
dat is dus twee picol en zeventig kattie rijst."
"Ik kreeg maar twee picol en veertig kattie", merkte Siman op, die
aandachtig geluisterd had. "Maar Sastra kreeg ook dezelfde uitkomst
als jij. "Maar wij krijgen slechts tien en een halve picol rijst in
handen, zonder stamploon, draagloon en andere onkosten. Dan krijgt
de landheer toch veel meer dan een vijfde deel?"
"Wel ja, zonder de onkosten krijgt hij al ruim een vierde deel van je
product. En nu wil ik je niet verontrusten, zie je, maar als je denkt
dat je daarmede van de soesah af bent, dan toon je de toestanden hier
niet te kennen."
"Wat is er dan nog meer?" vroeg de ander angstig.
"Wel in de eerste plaats dat stampen. De vrouwen kunnen dat natuurlijk
wel. Maar tusschen stampen en stampen is een groot verschil. De
rijst voor den landheer moet erg grof zijn, er mag nog geen tiende
deel kleine korrel bij wezen. En dat vereischt een handigheid en een
routine bij het stampen, die jullie niet kunt hebben. Als Mah Ten en
de meisjes en hier Djiah, gingen stampen, zou je al je padi bedorven
krijgen, voor de tjoekérijst namelijk."
"Och kom," viel Djiah in, "dacht je, dat wij het niet even goed kunnen
als de anderen?"
"Neen, heusch niet, Djiah, heusch niet. Want weet je wat het geval
is? In jullie contract staat, dat je een vijfde deel gebroken korrel
mag hebben, maar dat is niet waar, dat is een leugen, want als je
zulke rijst brengt, dan wordt die geweigerd."
De beide anderen zwegen in angstige spanning, toen Prawira ophield. Hij
vervolgde:
"Het is niet om jullie iets op de mouw te spelden. Wat zou ik er aan
hebben? Maar het gebeurt dagelijks, kan ik zeggen. Als je rijst levert
met meer dan tien kattie kleine korrel op een picol, kijken ze zuur;
is er meer dan twaalf kattie, dan wordt de rijst niet ontvangen. Daar
heb je nu Mordi, hier van de desa, jullie kent hem wel. Ik was in
het pakhuis om op te schrijven, toen hij de tjoeké kwam leveren. De
opzichter heeft tegen hem gevloekt. "Wil jij mij bedriegen? Die rijst
is veel te fijn," zei hij. Ik heb de rijst toevallig ook gezien. Ze
was heel mooi. En zooveel kon zelfs ik wel zien, dat er meer dan
vier vijfde deel mooie gave korrel was. Wat kon Mordi doen? Hij ging
weer weg met zijn rijst. En hij heeft de tjoekérijst moeten koopen,
God weet voor hoeveel. Maar het moet een heele som geweest zijn,
want er was bijna geen gebroken korrel bij. Geloof mij, Siman, je
moet je rijst veel mooier leveren dan in je contract staat."
"Maar, dat is verschrikkelijk!" riep Siman, die niets dan zorgen te
gemoet zag.
"Wat kan je er aan doen? Daarom, laat liever je padi stampen door
vrouwen, die het elk jaar doen. Die weten, hoe ze verlangd wordt door
den landheer."
"En wat kost het stampen hier?"
"Op elke zes kattie èèn, d. w. z. tot gewone witte rijst, maar je
kunt naar verhouding ook geld geven."
"Zonder eten?" vroeg Djiah.
"Natuurlijk wèl, twee maal daags."
"En als ze tjoekérijst moeten stampen?"
"Dan betaal je nog vijf en twintig cents voor elke picol."
"Dus voor onze tjoeké moeten we aan stamploon betalen ...?" Djiah
dorst den zin niet afmaken.
Prawira vulde hem aan:
"Vijf en veertig kattie rijst, zeven en zestig en een halve cent en
de kost."
Het gesprek werd onderbroken door den kleinen Rekso, die de borst
vroeg. Djiah nam den kleinen man op, maakte de onderste speld van de
kabaja los en hield hem ongegeneerd den tepel der welgevulde borst
voor. Gulzig dronk de kleine.
Siman zeide niets. Prawira stak een strootje op.
"Weet je wat", zeide hij, "ik zal een goed woord voor je doen bij den
opzichter. En kom jij dan zelf ook of Pah Ran, om te vragen de tjoeké
te verminderen, omdat het beschot zoo slecht is uitgevallen. Maar of
het wat baten zal?"
"Misschien kan ik wat verdienen," zeide Djiah schuchter.
De beide mannen keken haar tegelijk aan en in Simans oogen blonk iets
van erkentelijkheid.
"Dat kan zeker," zei Prawira, "in het pakhuis te Herea bijv. is nu
wel wat te doen; van 't jaar is veel padi binnengekomen. Als je wilt,
kan ik wel vragen aan den opzichter of hij je gebruiken kan."
"Ja, doe dat," klonk het zacht uit Djiah's mond, toen plotseling
Siman ruw inviel:
"Neen, ik wil niet. Ik wil niet. Praat er niet meer over, want je
zou mij boos maken."