Na het afdrukken van dit proefschrift verscheen in het Zeitschrift
für die gesamte Strafrechtswissenschaft (20ster Band 4es Heft) een
artikel van Dr. jur. Karl Hatzig, getiteld "Der Mädchenhandel".
In de literatuuropgave, die boven het opstel staat, mis ik een van de
voornaamste bronnen en wel de rapporten van het Pénitentiair Congres in
1895 te Parijs vergaderd. De tijd ontbreekt mij eene uitvoerige kritiek
te leveren over dit opstel, dat een dertigtal pagina's druk bevat.
Nieuwe gezichtspunten in zake deze materie vind ik er niet in
geopend. Integendeel de opvattingen, die de schrijver huldigt,
stemmen in generali overeen met die, welke ik in mijn proefschrift
neerlegde. Doch juist daarom bevreemdt het mij des te meer, dat
het door Dr. Hatzig ontworpen artikel den indruk geeft als te zijn
voorgesteld door iemand, wien het juiste karakter van den handel in
blanke slavinnen onbekend is.
Zijn artikel luidt aldus:
"Wer gewerbsmässig eine Frauensperson zu Zwecken der gewerbsmässigen
Unzucht anwirbt, wird mit Zuchthaus bestraft u. s. w."
Men ziet, dat de vermelding van het bedriegelijk element in dit artikel
verwaarloosd is, ten gevolge waarvan ook vele andere handelingen,
die geheel buiten den meisjeshandel vallen en wellicht geen misdadig
karakter bezitten, onder deze strafbepaling zouden vallen.
Op zich zelf staande daden van meisjeshandel wil S. blijkbaar
ongestraft laten.