A. That an Agreement should be come to among the Governments--

1. To punish, and as far as possible by penalties of equal degree, the

procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or

any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to

continue in it; and in cases, where persons are accused of this crime:

2. To undertake simultaneous investigations into the crime, when the

facts, which constitute it occur in different countries.

3. To prevent any conflict of jurisdiction by determining the proper

place of trial.

4. To provide by International Treaties for the extradition of the

accused.

Ik zou mijn betoog vooruitloopen, indien ik reeds naast deze resoluties

mijne kantteekeningen plaatste. Slechts enkele opmerkingen wil ik

mij veroorloven. Vooreerst de zoo vaak elders gemaakte, dat ook

hier niet het ware karakter van den meisjeshandel voldoende in 't

oog is gehouden. Men heeft zich verder weer laten verleiden--en hoe

gemakkelijk geschiedt dat hier niet--de grenzen van deze materie te

overschrijden. De vermelding van "abuse of authority" doet niets ter

zake, daar de gevallen, waarin b.v. ouders misbruik maken van hun

gezag, buiten den eigenlijken meisjeshandel staan. [21]

Zeer terecht wordt op strafrechtelijke repressie aangedrongen. De

gewraakte feiten brengen een rechtsbelang van groote waarde in gevaar,

en wel gevaar voor algeheele vernietiging. De ervaring toont aan,

dat de omvang van het kwaad van dien aard is, dat repressie volkomen

gewettigd is.

In ons land vallen verschillende nationale pogingen te vermelden om

het euvel op die wijze te keeren, zoowel in den boezem der wetgevende

macht zelve als daarbuiten. Van de laatste vermeld ik de reuzenpetitie

kort na de onthullingen van de Pall Mall Gazette in 1885 aan de

2de Kamer der Staten-Generaal gericht met 't doel internationale

maatregelen te verkrijgen tegen den "uitgebreiden handel in vrouwen,

die zich over een groot gedeelte van Europa en zelfs over andere

werelddeelen uitstrekt." Er wordt gewezen op de aanwezigheid van

"Nederlandsche vrouwen in publieke huizen in het buitenland, tot

in Marseille toe." Het adres was onderteekend door een 15000 tal

vrouwen van Nederland, daartoe uitgenoodigd door den Nederlandschen

Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn.

In den boezem der wetgevende macht zelve is voldoende gelegenheid

geweest om op krachtige maatregelen aan te dringen ter gelegenheid

van de bespreking van de door Nederland met andere mogendheden

uitgewisselde verklaringen, die ik reeds vroeger besprak. Laatstelijk

is het nog geschiedt bij de behandeling van de staatsbegrooting

voor 1900. In 't voorloopig verslag lezen we: "Opnieuw maakte de

handel in vrouwen en meisjes, die over de geheele wereld bestaat en

door elke verbetering der verkeersmiddelen wordt in de hand gewerkt,

in eene afdeeling een punt van bespreking uit." Aangedrongen werd op

medewerking van onzen Staat om vooral eenige internationale regelen,

zooals het congres te Londen ze wenschte, tot stand te brengen. Bij

de openbare beraadslaging in de 2de Kamer geschiedde het o.m. ook

nog met aandrang door den afgevaardigde Graaf van Bylandt. Bij beide

gelegenheden was het antwoord van den Minister in dien zin, dat ik

er uit moet begrijpen, dat van onze Regeering het initiatief tot

regeling dezer materie niet behoeft verwacht te worden. Een voorstel

van een buitenlandsche regeering tot het treffen eener regeling in

den geest van de wenschen door de "National Vigilance Association"

te Londen in Juni l.l. uitgesproken, zou zeker in ernstige overweging

worden genomen.

Opmerking verdient het feit, dat slechts de aandacht gevestigd wordt

op den buitenlandschen handel; slechts op internationale maatregelen

wordt aangedrongen. Al moge het waar zijn, dat de nationale handel niet

in dezelfde mate op den voorgrond treedt en zoodoende in mindere mate

het rechtsbewustzijn schokt, als gevolg waarvan krachtige aandrang

geboren wordt om doeltreffende maatregelen in 't leven te roepen,

toch kan de wenschelijkheid niet verheeld worden, dat de opname van

een strafbepaling in ons strafwetboek om de bedoelde handelingen te

keeren niet lang meer op zich moge laten wachten. Is dit geschied, zoo

wordt het individu, dat zich met den buitenlandschen handel occupeert,

ook in de meeste gevallen vervolgbaar. Het voorloopige gemis van

internationale overeenstemming wordt daardoor wel niet volkomen

gedekt, doch op enkele resultaten valt dan toch reeds te wijzen. De

vraag blijft nu op welke wijzen moet eene dergelijke strafbepaling

geredigeerd worden? Dat deze vraag niet van moeielijkheid ontbloot is,

blijkt uit menige poging elders reeds gedaan om den meisjeshandel als

delict in een artikel te belichamen, en dat zoowel door officieele

strafrechtelijke commissies als door vergaderingen en congressen. Doch

meestal zonder gunstige resultaten. Ik wees hierboven passim meer

dan eens daarop. Men begrijpe mij niet verkeerd. Zeer zeker wordt

de placeur door de meeste dier bepalingen getroffen; in zoover is

't doel bereikt. Doch beoogd was eene strafbepaling uitsluitend tegen

placeurs. Door onnauwkeurige ontleding hunner handelingen ontstaat een

veel te ruim gestelde bepaling. In zooverre wraak ik de resultaten der

bovenvermelde pogingen, dat daardoor ook achterhaald worden feiten,

die men zich niet ten doel gesteld had te achterhalen.

Om een goede bepaling te verkrijgen is het noodig de handelingen der

placeurs te ontleden, ontdaan van alle bijomstandigheden, die niet

tot 't wezen der zaak behooren. We krijgen dan successievelijk de

feitelijke bestanddeelen van het delikt voor oogen.

Doch vooreerst nog enkele andere opmerkingen. Ik sprak van het

delikt. Zou het niet de voorkeur verdienen door verruiming der grenzen

van het huidige artikel 250 2º Sw. zoodanig, dat de meisjesverkooper

ook vervolgd kan worden, een nieuw zelfstandig delikt overbodig te

maken? Hierop het volgende ten antwoord.

Dat aan art. 250 2º Sw. gebreken kleven, hebben reeds velen

betoogd. De vereischten der minderjarigheid en der gewoonte maken het

onvoldoende. Doch het blijft een open vraag of ook bij weglating van

deze vereischten het artikel den meisjeshandel wel in zich sluit, of

dat althans de placeur als medeplichtige kan getroffen worden. Is dit

laatste mogelijk, dan rijzen de gewone bezwaren, dat de handelingen

van den placeur eerst strafbaar zijn, wanneer de bevordering van

ontucht voltooid of, binnen de grenzen der wet, gepoogd is. Bij

geval men echter de interpretatie van genoemd artikel zoover mocht

drijven dat men daden van meisjeshandel als indirecte bevordering van

ontucht daaronder zou willen brengen--wat m. i. niet kan, daar ook

bij weglating van de twee genoemde feitelijke deliktsbestanddeelen

toch niets veranderd wordt aan het historisch begrip lenocinium,

dat ook art. 2502º bedoelt te treffen en dat dusdanige indirecte

bemiddeling uitsluit--dan staan wij voor de vraag, of de wetgever zoo

doende zijn goedbedoelde bescherming niet te ver zou uitstrekken, door

meerderjarigen in alle gevallen en onafhankelijk van omstandigheden

als die welke den meisjeshandel karakteriseeren, onder de hoede van de

strafwet te stellen. Mijn bezwaar is dus, dat art. 2502º. niet dusdanig

kan veranderd worden, dat een daad van meisjeshandel daardoor alleen er

bij zou kunnen gestraft worden. En de beoordeeling of het wenschelijk

is, dat ook andere feiten nog strafbaar gesteld zouden moeten worden,

ligt buiten mijn bestek. Ook vordert het behandelen van deze kwestie

bij de wetgevende macht te veel tijd, dan dat een strafbaarstelling

van den handel in vrouwen en meisjes daarop zoude kunnen wachten. Het

strafwetboek is nog niet lang genoeg in werking om met vrucht deze

oude zaken weer te berde te brengen, die bij de behandeling van het

wetboek dezelfde stof tot gedachtenwisseling aanboden als nu. Daarom

wensch ik afzonderlijke strafbaarstelling van daden van meisjeshandel.

Ter wille der duidelijkheid resumeer ik de feitelijke bestanddeelen

van een daad van meisjeshandel aldus: Iemand wil een vrouw aan de

prostitutie overleveren. Bij volkomen bewustheid van wat men met haar

voor heeft, is zij niet over te halen. List, misleiding is noodig,

het oogmerk moet dus verzwegen worden. Hoe de misleiding plaats

heeft is onverschillig, meestal door 't aanbod van een gefingeerde

dienstbetrekking. Dit is de quintessens.

In verband hiermede zou ik dan willen aanbevelen het volgende artikel,

dat ik als artikel 250bis in het strafwetboek zou willen vragen:

Art. 250bis. Als schuldig aan eene daad van handel in blanke slavinnen

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren

1º. hij die opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met 't oogmerk

haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende,

voor de prostitutie aanwerft;

2º. hij die opzettelijk, wetende welk oogmerk de dader heeft en voor

de vrouw wederrechtelijk verzwijgt, dit oogmerk in de hand werkt.

Daarna volge een art. 250ter, dat ik infra zal behandelen en een

art. 250quater van dezen inhoud:

250quater. Als schuldig aan handel in blanke slavinnen kunnen de in de

artikelen 250bis en 250ter bepaalde straffen worden verdubbeld, voor

hem die van het plegen der daar omschreven misdrijven een beroep maakt.

Art. 251 zou ik wenschen in dezen geest te wijzigen en aan te vullen:

Art. 251. "Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en

241-250quater omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel

28 No. 1-5 vermelde rechten worden uitgesproken.

"Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen

249-250quater omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij

van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

"Bij veroordeeling wegens een der misdrijven in artikel 250quater

bedoeld, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

"Indien tijdens het plegen van een der misdrijven in de artikelen

250bis-250quater omschreven nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert

eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der misdrijven

in de voornoemde artikelen bedoeld onherroepelijk is geworden, kunnen

de straffen met een derde worden verhoogd.

Toelichting. Het eerste lid van artikel 250bis omschrijft een daad van

meisjeshandel duidelijk; het omvat alle feitelijke bestanddeelen. Het

oogmerk bestaat om de vrouw aan een leven van ontucht over te leveren

terwijl haar dit oogmerk verzwegen wordt. Deze verzwijging kan niet

geschieden, terwijl er geen intentie bestaat om daardoor het bewuste

oogmerk te bevorderen.

Het verzwijgen heeft plaats met dit vooropgestelde doel en kan

niet onwillekeurig geschieden, b.v. omdat de dader in de meening

verkeerde, dat de vrouw van de feitelijke omstandigheden op de

hoogte is, en hij dus de vermelding van de feiten zooals zij zijn,

onnoodig achtte. Het vereischte dat de aanwerving geschiede zonder

dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt, wordt uitgedrukt

door het woord "wederrechtelijk", dat den eigen, vrijen wil van de

vrouw ten eenenmale uitsluit, terwijl bij minderjarigen het gebrek

aan medeweten en toestemming van ouders en voogden, daarin mede

begrepen wordt. De plaatsing van het woord opzet zorgt er voor, dat

de dader niet, te goeder trouw in de meening verkeerende, dat de vrouw

werkelijk weet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven

(b.v. bij overplaatsing van een prostituée uit 't eene bordeel naar

het andere), veroordeeld kunne worden. Het opzet beheerscht door de

plaatsing al hetgeen volgt. Door ruime erkenning van het opzet bij

mogelijkheidsbewustzijn worde bewerkt, dat de dader zich niet met een

Franschen slag over zijn twijfel heenzet, of de vrouw al dan niet weet,

dat zij een leven van ontucht gaat leiden. Zoo het blijkt, dat hij geen

positieve gronden had om dat aan te nemen of b.v. aan te nemen, dat zij

reeds prostituée was, moet, indien overigens de vereischten daarvoor

aanwezig zijn, veroordeeling volgen. De ondubbelzinnige erkenning en

toepassing van deze schakeering van het opzet maakt het bestaan van

een culpoos delikt naast dit doleuze overbodig en is hier ook onnoodig.

Het delikt is voltooid, zoodra de aanwerving heeft plaats gehad;

het bijkomende oogmerk behoeft niet bereikt te zijn. Dus zoodra

er een bepaalde afspraak, verbintenis bestaat tusschen de vrouw en

den placeur, dan hebben we het delictum consummatum van art. 250bis

eerste lid.

We nemen hier het verschijnsel waar, dat de dader bijna altijd voor

het voltooide delikt zal terechtstaan; de gevallen van strafbare

poging zullen zich betrekkelijk in gering aantal kunnen voordoen, want

dikwijls zal als onbewezen moeten aangenomen worden het vereischte,

dat uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van den wil des

daders onafhankelijk niet is voltooid.

De medeplichtige is strafbaar volgens de gewone regelen b.v. de houder

van een dienstkantoor, die de vrouw willens en wetens in relatie

brengt met een hem bekend placeur, met wien hij volgens afspraak meer

verbintenissen van dezen aard sluit.

Doch er bestaan nog een reeks van helpers, die, omdat zij hun hulp

verleenen na de voltooiing van het delikt, eene gerechte straf zouden

ontloopen. Het zijn degenen, die na de aanwerving, na het sluiten van

de verbintenis tusschen de vrouw en den placeur om b.v. de gefingeerde

dienst aan te nemen, de noodzakelijke keten vormen om het bijkomende,

hun welbekende oogmerk van den dader te doen bereiken. Het zijn de

begunstigers van het delikt, die ik in navolging van art. 48 tweede

lid van de Duitsche wet op het Auswanderungswesen door art. 250bis 2de

lid heb willen treffen. O. a. alle personen, die, onder de vereischten

in dit lid gesteld, successievelijk behulpzaam zijn de vrouw in dien

toestand te brengen, dat zij zich aan de prostitutie overgeeft door

haar b.v. in het bordeel te brengen. In de meeste gevallen zal het

bewijs gemakkelijk te leveren zijn of het vereischte opzet, opzet

bij mogelijkheidsbewustzijn inbegrepen, aanwezig is.

Art. 250quater omschrijft het misdrijf "handel in blanke

slavinnen". Art. 250bis treft de enkelvoudige daad van

aanwerven. "Handel in blanke slavinnen" veronderstelt echter 't

verrichten als beroep. Daarvoor is niet noodig dat er reeds meer

daden verricht zijn, ook een enkele kan een beroepsdaad wezen, mits

aanwezig en bewezen zij de wil om dergelijke daden te herhalen. Dit

is het karakter van een zgn. "beroeps-delikt" in tegenstelling van

een "gewoonte-delikt". De straf wordt hier verdubbeld, omdat hier

een anti-sociale wil voor den dag treedt, die juist wegens zijn

permanentie op zijn krachtigst moet onderdrukt worden.

De invoeging dezer nieuwe artikelen maakt eene aanvulling noodzakelijk

in beide leden van art. 251. Vooral het 2de lid is dan van belang om

b.v. aan dienst- en huurkantoren een verder bestaan te ontzeggen. Deze

juist stichten veel kwaad.

Tevens wensch ik aan art. 250 de boven aangegeven 3e en 4e alinea

toe te voegen.

De openbaarmaking der uitspraak is gewenscht in tweeërlei

opzicht. Vooreerst om in 't algemeen het publiek op het speciëele

geval opmerkzaam te maken zoodat het zich weer helder voor oogen kan

stellen aan hoeveel gevaren de jonge vrouwen blootgesteld zijn; ten

tweede om wantrouwen op te wekken tegen de praktijken van den dader

en zijne eventueele helpers, zoodat 't hun na 't ondergaan van hun

straftijd moeilijker zal vallen vrouwen en meisjes te misleiden.

Art. 251 vierde lid bepaalt een zwaardere straf bij recidive van

de voorgaande misdrijven. Indentiteit is niet vereischt, analogie

voldoende. De recidive verjaart in 5 jaar.

Op deze wijze wordt naar mijne meening op de beste wijze een repressie

voor de bedoelde daden geschapen. Mijns inziens vormt, en vooral voor

onze strafwetgeving, het bovenstaande een deugdelijke basis om op te

bouwen een stelsel van repressie van den buitenlandschen meisjeshandel.

Voor ik verder ga, moet ik blijven stilstaan juist om eenige

algemeene beschouwingen te geven ten opzichte van de bestrijding

van deze internationale wandaden. "Aux maux internationaux il faut

des remèdes internationaux" zegt Bluntschli. Het is juist de vraag:

"wat hebben wij hier te verstaan onder maux internationaux, wat

onder remèdes internationaux?" De beantwoording van deze vragen

moet eenigszins in elkaar vloeien. Met de remèdes hebben we hier te

verstaan strafrechtelijke bepalingen. Met bepalingen van internationaal

strafrecht kan men drieërlei bedoelen.

I. De rechtsregelen, die den omvang van de werking van het inlandsche

strafrecht afbakenen ten aanzien van feiten buiten het territoir

begaan.

II. De rechtsregelen, die de internationale rechtshulp op

strafrechtelijk gebied vaststellen.

III. De door internationale overeenstemming vastgestelde rechtsregelen,

die ten doel hebben de bescherming van internationale rechtsbelangen.

Strafrecht heeft ten doel bescherming van

rechtsbelangen. Internationaal strafrecht, zooals dat onder III

aangegeven wordt, bescherming van internationale rechtsbelangen. Hebben

wij hier te doen met een internationaal rechtsbelang? Wanneer wij

ons een internationaal rechtsbelang voorstellen als een, waarvan

een geheel van staten als de dragers van dat rechtsbelang zich de

bescherming moet aantrekken, dan moet een beslist ontkennend antwoord

volgen. Met een voorbeeld wordt dit duidelijker. Het geven van regelen

met betrekking tot de bescherming van de onderzeesche telegraafkabels,

van de internationale waterwegen zooals dat nu reeds geschied is, ten

opzichte van de bestrijding van het anarchisme, waartoe Spanje [22]

het initiatief heeft genomen, doch dat het heden nog niet geschied

is, is op een deugdelijken rechtsgrond gebaseerd; we hebben hier te

doen met waarachtig internationale rechtsbelangen. Doch bij den blanke

slavinnenhandel hebben wij te doen met zuiver nationale rechtsbelangen,

die evenwel in ruimeren zin door de omstandigheden internationaal

kunnen heeten. Von Liszt drukt dit aldus uit: "Durch internationale

Angriffe kann eine internationale Solidarität der nationalen Interessen

entstehen, und durch diese das an sich nationale Rechtsgut zu einem

internationalen werden."

Doch nog om eene andere reden zou ik niet wenschen op deze wijze

internationale strafrechtelijke bepalingen in het leven te roepen. Ons

internationale publiekrecht heeft nog niet die vlucht bereikt, waarop

het internationale privaatrecht kan bogen. Doch beiden moeten zich

steeds met een palliatief behelpen, waar het geldt het in leven roepen

van internationale bepalingen. Dit palliatief bestaat daarin, dat eene

conferentie van gedelegeerden uit verschillende landen de grondslagen

vaststelt, volgens welke de Regeeringen beloven aan de wetgevende macht

hunner landen voorstellen voor eene wettelijke regeling in te dienen of

er worden resoluties genomen in den vorm van wettelijke bepalingen, die

de bedoelde Regeeringen aannemen door de respectieve wetgevers tot wet

te doen verheffen. Er is geen ander middel mogelijk. De zuiverste wijze

van handelen zou zijn, dat een centraal gezag of centrale wetgever

over die landen bevoegd is de wettelijke bepalingen uit te vaardigen,

die in het internationaal belang noodig blijken te zijn. Doch tot

zulk een hoogte is het internationaal recht nog niet gevorderd,

een dergelijk centraal gezag ontbreekt vooralsnog. Daarom ben ik

eenigszins afkeerig van het gebruik van een dergelijk palliatief

(tot welke punten van verschil dit aanleiding geeft heeft nog

onlangs het internationale tractaat van 1897 voor de regeling van

eenige bepalingen van formeel privaatrecht aangetoond) en zou ik mij

wenschen te houden aan andere onder I en II aangegeven beginselen,

die den grondslag vormen voor een deugdelijke regeling.

De omvang van de werking van ons strafrecht is nauwkeurig aangegeven

in de artt. 2-7 Wetboek van Strafrecht en wel voornamelijk volgens het

territorialiteitsbeginsel. Iedereen is strafbaar voor feiten op ons

territoir gepleegd. Verder onder bepaalde voorwaarden en beperkingen

ieder Nederlander voor in het buitenland gepleegde misdrijven. Ten

slotte ook de vreemdeling, die bepaald aangegeven misdrijven in het

buitenland pleegt. Deze beginselen heerschen in zekere mate meer of

minder verschillend in de meeste strafwetten. In ieder geval ware

't anders wenschelijk, dat zij op gelijke wijze in alle landen

bestonden. Dit zou een gezonde grondslag vormen om de criminaliteit

tegen te gaan, waarnaast tevens een ruime erkenning van het onder II

aangegevene, met name van het instituut der uitlevering, moest bestaan.

Eene dergelijke uniforme regeling en vaststelling van

uitleveringstractaten voor zoover zij nog niet bestaat, zou ik in

alle moderne strafwetboeken ingevoerd wenschen te zien. Dit is van

belang voor de bestrijding van de internationale criminaliteit in

het algemeen, van den internationalen meisjeshandel in het bijzonder.

Doch hiermede hebben wij ons doel nog niet bereikt. Waar het

territorialiteitsprincipe overheerschende is, is het van het grootste

gewicht aan te geven waar het gepleegde feit berecht moet worden,

m. a. w. er mag geen twijfel bestaan aangaande den locus delicti

commissi. Daarom moet zoowel om 't feit, dat ik, zooals blijken zal,

de mogelijkheid van meerdere loci delicti commissi aanneem, als ten

gevolge van de omstandigheid dat in bijna iedere strafwet naast het

territorialiteitsbeginsel nog andere principes gehuldigd worden,

in acht genomen worden, dat er geen botsingen ontstaan tusschen

de strafvordering der verschillende staten. Hiertegen zouden bij

eene internationale conferentie maatregelen te nemen zijn. Van den

buitenlandschen handel wensch ik niet te maken een delictum sui

generis. M. i. voldoet art. 250bis voldoende aan de behoefte, indien

wij het oogmerk om de vrouw of het meisje in ontucht buiten het rijk

te doen leven als verzwarende omstandigheid aannemen. Te meer, daar

de punten van internationaal strafrecht, die ik hierboven aanstipte,

in onze wet reeds grootendeels gevonden worden.

Ik zou deze gequalificeerde daad van meisjeshandel dan willen

neerleggen in art. 250ter, dat dan aldus zou luiden:

Art. 250ter "De schuldige aan een der in het vorige artikel omschreven

misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven

jaren en zes maanden, indien het oogmerk van den dader daarop gericht

was de vrouw in het buitenland aan de prostitutie over te leveren." De

hierop volgende artikelen zijn ook op dit artikel van toepassing,

zooals reeds gebleken is.

Ook hier is voor het voltooide delikt natuurlijk hetzelfde van

toepassing, wat ik supra over art. 250bis zeide. M. i. is de

strafbaarstelling van den buitenlandschen handel op deze wijze

correcter dan ze in art. 48 van het Duitsche Auswanderungsgesetz van

9 Juni 1897 plaats heeft. Daar heet het toch: "Wer eine Frauensperson

zu dem Zwecke sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen mittelst

arglistiger Verschweiging dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet,"

u. s. w. Wat is toch de kwestie? De Verleitung zur Auswanderung kan

plaats gehad hebben om de reis korter te maken b. v. van Maastricht

over Hasselt naar Amsterdam, verder om niettegenstaande het bedoelde

oogmerk als einddoel de vrouw of het meisje in het buitenland eerst

in een overgangsstadium te doen verkeeren. M. a. w. er is hier niet

aangegeven, dat de "gewerbsmässige Unzucht" in het buitenland moet

plaats hebben.

Inzooverre acht ik mijn artikel beter.

De schuldige van art. 250bis tweede lid moet weten, dat de dader dit

oogmerk koestert.

Het strafbare feit is gepleegd. Waar moet het berechting vinden

m. a. w. welke strafwet moet worden toegepast? Wanneer het strafbare

feit gepleegd, voltooid is, gaf ik reeds aan.

Onder A 3 van de resoluties van het Congres te Londen werd besloten:

"To prevent any conflict of jurisdiction by determining the proper

place of trial." Welke redenen aanleiding kunnen geven tot eenig

conflict gaf ik reeds hierboven aan.

Neem aan dat de meisjeshandel zoowel in Nederland als Duitschland op

denzelfden grondslag strafbaar gesteld is; in beide landen heerschen

dezelfde bepalingen ten opzichte van den omvang van de werking der

strafwet. De verleiding van een Hollandsch meisje om in een Duitsch

bordeel te gaan is in Nederland voltooid. Zonder twijfel moet dan de

berechting in ons land plaats hebben. Heeft evenwel het misdrijf van

art. 250bis jo 250ter 1º deels in Nederland, deels in Duitschland

plaats gehad, dan zou ik van het volgende beginsel wenschen uit

te gaan. Waar een misdrijf deels in het eene land, deels in het

andere land is gepleegd, mag de rechtsorde in beide landen zoodanig

daarbij betrokken geacht worden, dat berechting in beide landen

gerechtvaardigd is. Zoolang dus slechts een deliktsbestanddeel in

het eene land gepleegd is, is ook de rechter van dat land bevoegd

in te grijpen. Heeft b. v. het misdrijf plaats van 250 bis 2e lid:

de begunstiger neemt in Keulen het meisje van den placeur of het

plaatsbureau onder zijn hoede en reist met haar naar Amsterdam,

waar zij in een bordeel geplaatst wordt. Zoowel de Duitsche als de

Nederlandsche rechter zijn dan bevoegd. Aan welken moet dan evenwel

de berechting overgelaten worden? Dit geschilpunt zou ik wenschen,

dat ook op een internationale conferentie uitgemaakt werd. Bij slot

van rekening zal, dunkt mij, de processueele opportuniteitsvraag

den doorslag moeten geven. Welke rechter zal het dan wel moeten

zijn? Zeer moeilijk is het in weinige woorden de wenschelijkheid van

't een of andere beginsel te bepleiten. Is de rechter bevoegd der lex

originis van den dader of van de vrouw? Soms de rechter van 't land,

waar de vrouw zich aan de ontucht overgeeft? Of wellicht van het forum

deprehensionis? Deed ieder geval zich zeer eenvoudig voor, dan zou ik

het laatste beginsel verkiezen, om mij aan 't bovengenoemde voorbeeld

te houden: de dader wordt te Amsterdam gevat. Om processueele redenen

zou ik n. l. in dit geval aan het forum deprehensionis den voorkeur

geven. Doch dit beginsel is ook niet vol te houden, daar juist wegens

het ambulante van de bezigheid van den dader deze wellicht na 1 of 2

dagen in België, Frankrijk, Oostenrijk of Engeland verblijft en daar

gevat wordt. Dan moet er uitlevering plaats hebben, doch aan wien?

Aan Nederland of aan Duitschland? Na nauwgezette overweging komt

't mij voor, dat bij internationaal tractaat de rechter van dat land

tot de berechting bevoegd is, waar de vrouw thuis behoort; ik bedoel

hier niet hare nationaliteit, maar daar waar zij woont, van waar men

dus mag verwachten, dat in de meeste gevallen de verleiding begonnen

is. En processuëele redenen op den achtergrond schuivende omdat zich

toch steeds moeilijkheden zullen voordoen, die bij tractaat moeten

opgelost worden, geef ik dit voor de aanneming van gemeld beginsel

als hoofdargument op, dat juist daar, waar de vrouw thuis hoort

het rechtsbewustzijn het meest geschokt is door het plegen van het

misdrijf tegen iemand, die alom meer of minder bekend is.

Voor de strafprocedure is vooral met 't oog op 't bewijs van eminent

belang de rechtshulp van het andere land b.v. om te weten te komen

of de dader werkelijk het bewuste oogmerk bezat.

't Is buitendien van het hoogste belang voor de ontwikkeling van het

internationaal strafrecht in 't algemeen, voor de berechting van den

meisjeshandel in 't bijzonder, dat tractaten regelen, in hoeverre

vreemdelingen gedwongen kunnen worden als getuigen gehoord te worden,

of en in welke gevallen zakelijke bewijsmiddelen ten dienste van een

strafproces afgestaan kunnen worden, in hoeverre rogatoire commissiën

toelaatbaar zijn en de dwang voor den vreemde rechter bestaat om aan

de verzoeken te voldoen. De consulaten zouden in deze kwesties ook

een rol kunnen vervullen. Wie de kosten der rechtshulp moet dragen

en de regeling hiervan moet alsdan ook vastgesteld worden.

Daar bij deze strafbare feiten dikwijls meer dan een persoon betrokken

is, die ieder zelfstandige feiten plegen waarvan het complex de vrouw

ten val moet brengen, zal in 't belang van het onderzoek in vele

gevallen voeging noodig blijken te zijn. Voor den Nederlandschen

rechter geeft het wetboek van strafvordering eenige gevallen van

connexiteit (art. 87-91). Aldus zou een tractaat ook voor connexiteit

in gevallen van internationalen meisjeshandel voeging kunnen ordenen.

Voor het geval een Nederlander in het buitenland een der strafbare

feiten van art. 230bis-250quater begaat, zijn de artt. 52º en 68 van

het Wetb. v. Str. in acht te nemen.

Ten opzichte van de toepassing van art. 251 vierde lid n.l. de recidive

van daden van verkoop van vrouwen wensch ik het groote belang te

betoogen, dat individuën, reeds in een anderen staat een strafvonnis

ter zake van een dergelijk feit ten hunne laste hebbende, in onzen

staat, als recidivisten zullen veroordeeld worden en omgekeerd.

Wanneer eens als gevolg van eene internationale conferentie de bedoelde

feiten op denzelfden grondslag strafbaar gesteld zullen zijn, dan kan

er geen bezwaar bestaan bij tractaat, dat daarna voor onzen Staat

wettelijk goedgekeurd zal zijn, aan het buitenlandsche strafvonnis

internationale rechtskracht te verleenen, althans voor zoover dat

voor de recidive noodig zal blijken te zijn.

In aanmerking nemende, dat de boven ontworpen strafbepalingen, hoe

streng zij ook zijn, dikwijls niet bij machte zullen zijn preventief

te werken uit hoofde van het feit, dat de te behalen winsten van

dien aard zijn, dat men hare strengheid durft trotseeren, verder dat

degenen, te wier behoeve de werving geschied is, evenzeer een groote

mate van criminaliteit openbaren, wensch ik nog aan te bevelen een

nieuw artikel, dat als art. 250quintus een geval van gequalificeerde

koppelarij moet opleveren. Het luidt aldus:

Art. 250quintus. Hij die opzettelijk het plegen van ontucht door

eene op de wijze in art. 250bis of ter omschreven voor de prostitutie

aangeworven vrouw met een derde teweegbrengt of bevordert, wordt als

schuldig aan begunstiging van handel in blanke slavinnen gestraft

met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. [23]

Ten slotte acht ik voor het behoud van art. 452 Sw. geen gegronde

argumenten aanwezig. In Hoofdstuk VI § 1 bij de behandeling van de

wetgeving in Nederland besprak ik dit artikel uitvoerig. Ik wil daarom

hier niet in herhalingen vervallen door deze mijne meening nog maals

te argumenteeren.

Doch hoe te zorgen dat deze strafbepalingen geen doode letter

blijven? Hier moet de politie aan 't woord komen. In deze materie

heeft zij een groote rol te vervullen. Hare taak is tweeledig;

preventief: ter voorkoming en afwending van deze gevaren; repressief:

ter opsporing van deze gepleegde delikten. Op dit laatste deel van

haar taak doelde ik zooeven. Laat ik evenwel de justitiëele politietaak

aanstonds behandelen.

Duidelijk heb ik reeds in het begin dezer proeve doen uitkomen, dat

ik niet veel heil verwacht van opheffing van bordeelen ten opzichte

van deze feiten. Integendeel streng toezicht op de bordeelen acht ik

van meer nut. Zoowel preventief als repressief kan de politie werkzaam

zijn, als zij een onbeperkt recht van toegang heeft in deze huizen. In

die gemeenten, waar het houden van een bordeel op straffe verboden

is, moest de wet verlof verleenen, dat de dienaren der politie bij

vermoeden van overtreding zoo ruim mogelijke bevoegdheid verkrijgen,

b. v. met schriftelijke toestemming van het hoofd der plaatselijke

politie, de verdachte huizen binnen te treden.

Van groot belang acht ik, dat de politie op de hoogte gekomen van

verdachte handelingen van suspecte individuën openlijk waarschuwingen

richt aan het publiek. Particuliere vereenigingen kunnen haar groote

diensten bewijzen.

Met enkele woorden wil ik wijzen op enkele punten, die Dr. Gruber in

zijn rapport op 't Criminalisten Congres te Budapest, Sept. 1899,

onder zijn desiderata rangschikte. Eventueele uitreiking van een

buitenlandsche pas moest geweigerd kunnen worden aan minderjarige

vrouwen, die 't land onder verdachte omstandigheden verlaten

willen. Uitschrijven van belooningen aan de aanbrengers van deze

gewraakte praktijken. M. i. een zeer af te keuren beginsel. Bewaking

van stations en stoombootaanlegplaatsen, rondreizende vrouwelijke

politiedienaren. Photographieën en metingen volgens Bertillon

genomen van de bekende de koppelarij uitoefenende individuën aan

de politieoverheden der groote steden te zenden en verder van

deze stukken een internationaal ruilsysteem in 't leven te roepen,

zou Dr. Gruber wel willen aanbevelen.--Ofschoon dit laatste votum

meer als een algemeene wensch voor eene doortastende bestrijding

der internationale criminaliteit mag aangemerkt worden, ontken ik

haar groot belang niet voor de bestrijding van den meisjeshandel in

't bijzonder. Onderlinge civiliteit van de politiemagistraten der

verschillende landen is juist, behoudens enkele uitzonderingen, in deze

materie het eenige, dat dienstbaar gemaakt wordt aan 't keeren van deze

internationale criminaliteit. Doch van groot gewicht moet geacht worden

zoowel voor de repressie als voor de preventie van deze misdrijven

eene op internationale overeenstemming berustende wederzijdsche

verplichting der politieoverheden elkaar de noodige inlichtingen,

gevraagde hulp--deze laatste nader te omschrijven--te verleenen om

deze euveldaden af te wenden, de gevolgen ervan te keeren. (Zonder

twijfel is ook voor de bestrijding van de internationale misdadigheid

in 't algemeen van belang, dat dergelijke politieëele bevoegdheden

en verplichtingen in algemeene bewoordingen omschreven worden.)

Wat nu reeds als internationaal collegiale vriendelijkheid wel betracht

wordt behoorde een wettelijken, althans een bij tractaat vastgestelden

grondslag te hebben; b.v. het wederzijds op de hoogte brengen van doen

en laten van beruchte individuën, van verdachte lieden, voorzoover dit

tenminste volgens 't oordeel der politieoverheid zelve haar voor de

handhaving der rechtsorde in ruimeren zin doeltreffend voorkomt. Wat

deze materie speciaal aangaat kan der overheid van de plaats van

bestemming, indien deze bekend is, verzocht worden een oogje in 't

zeil te houden in gevallen waarin personen onder min of meer verdachte

omstandigheden, die evenwel nog tot geen ingrijpen aanleiding kunnen

geven, het land verlaten.

Wanneer eenmaal het strafbare feit gepleegd is, (of wanneer

men vermoedt dat er een gepleegd is) treedt de politie als

justitiëele op. Zij staat hier onder het gezag der justitiëele

ambtenaren zelve. Hare bevoegdheid en plicht om hier in het belang

der internationale bestrijding van den meisjeshandel op te treden

hangt dus af van de bevelen haar gegeven door de justitie zelve, wier

bevoegdheid, van internationaal formeel strafrechtelijk karakter, om

bevelen uit te vaardigen, weer afhangt van de op tractaten of wetten

steunende bevoegdheden en plichten om in dezen werkzaam te wezen. Welke

desiderata hier te vervullen zijn, besprak ik reeds hierboven.

Waar het misdrijf gepleegd is, kan het kwaad reeds geleden zijn en

is 't ook mogelijk, dat de gevolgen nog niet zijn ingetreden. In 't

eerste geval moeten de verdere gevolgen gekeerd worden, in 't tweede,

het intreden afgewend. Met andere woorden het slachtoffer moet in

bescherming genomen worden. Dit gebiedt ons ook art. 4 eerste lid van

onze Grondwet. Hier bij den buitenlandschen handel komt dan vooral in

aanmerking de zorg, dat de vrouw gelegenheid hebbe het land te verlaten

en naar haar eigen land terug te keeren, dat zij te kwader ure zonder

volkomen vrijheid van toestemming (in den meest ruimen zin) verliet.

Bij tractaat moeten de zich aansluitende staten de verplichting op

zich nemen iedere vrouw, die aan de ontucht overgeleverd is door

misleiding van anderen op haar verzoek weder naar het land, waar

zij woonde (natuurlijk, mits zij onderdaan was van een der staten

onderteekenaars van het tractaat) terug te leiden. Doch ieder land

moet dan voor zich zelve regelen stellen om uit te maken, dat van

dit favoriet-voorschrift geen misbruik gemaakt worde, b.v. door eene

vrouw, die wel als slachtoffer van een placeur gevallen is doch

zich binnen korter of langer tijd volkomen verzoend heeft met het

ontuchtig leven. 't Zou toch mogelijk zijn, dat een dergelijke vrouw

na langen tijd den aandrang in zich voelde opkomen om kosteloos naar

haar land terug te keeren. Hiertegen moet gewaakt worden. Het verdrag

moet dan voorschrijven, dat hierop nauwkeurig toegezien moet worden,

en de nationale wetgeving hiertegen doeltreffende regelen moet geven.

Ten opzichte van minderjarigen moet dan nog dit beginsel aangenomen

worden, dat zelfs tegen haar wil de meisjes op verzoek der personen die

volgens de wetten des lands gezag over haar hebben, kunnen teruggevoerd

worden, natuurlijk slechts dan, wanneer zij door toedoen van placeurs

prostituées zijn geworden. (wenschelijk is 't, dat 't ook in alle

andere gevallen geschiede, doch dit raakt de materie, die ik behandel,

niet.) De status ante moet toch zooveel mogelijk hersteld worden.

Dit terugvoeren naar het land, waarvan de vrouw herkomstig is,

is zuivere politietaak. Bij de behandeling der drie verklaringen

tusschen Nederland eenerzijds en België, Oostenrijk en Duitschland

anderzijds sprak ik over de zoogenaamde "uitleiding" uitvoerig.

Ik wees er daar reeds op, dat in het laatste geval de politie optreedt

als gevolmachtigde der gezaghebbenden, hetzij ouders of anderen. In

het eerstgenoemde geval, dus daar waar zij de terugkeer bewerkstelligt

van haar, die in den val gelokt zelf verzoekt uitgeleid te worden,

treedt eene taak der politie op den voorgrond, die een uitvloeisel is

van haar algemeene bevoegdheid en plicht op te treden en in te grijpen

waar de zorg voor de veiligheid der rechtsorde en voor de bescherming

van het individu dergelijk ingrijpen rechtvaardigen. Grondwettelijken

steun vindt deze zorg voor vreemdelingen in art. 4 Grondwet.

Om reciprociteit te waarborgen en efficaciteit van den maatregel

te bewerkstelligen is vaststelling en nadere regeling bij tractaat

gewenscht. Wat de financiëele lasten betreft, die mogelijkerwijze

op den Staat zouden kunnen drukken, is nadere wettelijke goedkeuring

vereischt in volge art. 59 tweede lid van onze Grondwet.

Met nadere regeling van de uitleiding bij tractaat bedoel ik juist

eene regeling, die ten doel heeft te zorgen, dat met de uitleiding

werkelijk gevolgen bereikt worden, die haar in waarheid den naam kunnen

geven van een maatregel te zijn ter bescherming van het slachtoffer

van den meisjeshandel.

Men heeft getracht in de respectieve drie verklaringen zooeven genoemd,

ook aan dezen eisch te voldoen. M.i. zou dit het beste resultaat

opleveren. Daar waar het verzoek geschiedt door de vrouw of het meisje

zelf, moet bij tractaat de verplichting opgelegd worden, dat de politie

van het land, waar de vrouw zich tijdelijk bevindt, aan de politie

van het land, waarheen de vrouw uitgeleid wordt (in casu b.v. van de

plaats, waarvan zij herkomstig was) kennis geeft van plaats en tijd

der uitleiding; nadere inschikkelijkheden moeten geheel afhangen van

het plichtsgevoel der betrokken autoriteiten en van haar onderlinge

overeenstemming. Waar beide staten niet aan elkander grenzen, moet

deze zelfde hoofdregel in acht genomen worden. De overheid van den

anderen staat kan dan of zelf aan de plaats van uitleiding de hoede

over de vrouw op zich nemen of zij kan schikkingen treffen met den

staat van doorreis om het terugbrengen zoo doeltreffend en economisch

mogelijk te bewerkstelligen.

De staat, waar het meisje zich bevindt, moet op zich nemen in de

gevallen, waarin de personen die gezag over de minderjarige hebben

het verzoek tot de overheid richten, hun zelf bericht te geven van

de plaats en tijd der uitleiding. Nadere afspraken kunnen tusschen

de politie en deze personen gemaakt worden. En de ouders of anderen

kunnen aan de politie van hun eigen land het verzoek richten als hun

gemachtigden op te treden.

Doch in het laatste geval is de kostenkwestie een belangrijke

factor. Van welk standpunt moeten wij uitgaan? Er bestaan slechts

2 mogelijkheden: òf de respectieve staten dragen alle kosten òf

de belanghebbenden doen dit. Een derde mogelijkheid dat beiden ze

zullen dragen moet reeds aanstonds verworpen worden bij gebreke van

hoegenaamd iederen maatstaf, die voor deze deeling geschikt zou kunnen

zijn. Ik ga hier vooral uit van de rechtsbeginselen geldend in onzen

Nederlandschen Staat. En dan pleit m.i. het beginsel waarom in deze

materie ingegrepen wordt, n.l. de bescherming van hoogst gewichtige

rechtsbelangen, geheel voor de beslissing dat de staat of staten de

kosten zullen dragen. En verder nog een negatief argument, dat in het

tegenovergesteld geval de ouders door te hooge kosten ervan afgeschrikt

kunnen worden het belang hunner kinderen te bevorderen door hun

uitleiding te verzoeken. De kosten zouden bovendien in vele gevallen

wegens insolventie der betrokken personen niet te verhalen zijn.

Elders wees ik reeds op de gewichtige taak, die in deze stof de

consulaire ambtenaren te vervullen hebben; daarheen verwijs ik in

hoofdzaak op deze plaats (zie pagg. 77, 128-130.)

Dit zijn de desiderata, waarvan de vervulling, naar het mij voorkomt,

in werkelijkheid de koop en verkoop van meisjes in dien zin, dat

er werkelijk ernstig gevaar voor de integriteit van gewichtige

rechtsbelangen ontstaat, en welke ik in deze proeve behandelde,

zal kunnen tegengaan. Met alle bescheidenheid bied ik deze te nemen

maatregelen de bevoegde machten dan ook ter overweging aan.

Bestaat er evenwel een gegrond motief voor onzen Minister van

Justitie om niet het initiatief te willen nemen tot de internationale

bestrijding van dit kwaad? Dat de binnenlandsche handel niet in die

mate bestaat, dat zij een dergelijk initiatief zou rechtvaardigen geef

ik toe, maar daarvoor wordt ze ook niet verlangd. Doch de import is

omvangrijk genoeg om krachtige maatregelen van internationalen aard

te treffen. Iedere staat toch heeft een roeping te vervullen zoowel

ten opzichte van zijn ingezetenen als van de op 't gebied van dien

staat komende vreemdelingen. Ik verwijs nogmaals naar art. 4 eerste

lid van onze Grondwet.

Dit artikel heeft een dieperen zin, dan de eerste lezing zou doen

vermoeden. Gelijke aanspraak hebben allen, die zich op 't grondgebied

van het Rijk bevinden, op bescherming van persoon en goederen. Het valt

niet te ontkennen, dat het de plicht van iederen staat tegenover zijn

eigen onderdanen is de verwezenlijking van hun geluk zooveel mogelijk

te bevorderen door hun belangen voorzoover het kan geschieden zonder

dat de staat zijn werkkring overschrijdt, in bescherming te nemen.

Het grondwetsartikel gebiedt dit ook ten opzichte van

vreemdelingen. Men interpreteere het dus niet te eng door er slechts

in te lezen, dat op den vreemdeling behalve de in art. 4 tweede lid

genoemde gevallen geen uitzonderingsgevallen op de positief bestaande

beschermingsvoorschriften toelaatbaar zijn.

Neen, maar waar voor den onderdaan eventueel in hetzelfde geval

verkeerende als de vreemdeling maatregelen ter bescherming zouden

geschapen worden, daar moeten indien de vreemdeling in dat geval

verkeert, dezelfde pogingen tot bescherming aangewend worden.

Daarom zou 't mij voorkomen, dat het met deze voorgaande beschouwingen

in overeenstemming is, en niets er zich tegen verzet, dat van Nederland

ook in deze materie het initiatief voor eene internationale regeling

uitgaat en naar mijne bescheiden meening een regeling 't beste

gebaseerd op de door mij in dit proefschrift voorgestane beginselen.

De 'handel in blanke slavinnen'. · 第 43 / 63 题