KASPER. (Wendt zich tot hem om.) Weet u er dan iets van, graaf?
HANS. (Verward:) Hoe zou ik .... er iets van weten?
KASPER. Maar .... gekocht?! Hoe kwam hij te spreken van .... gekocht?!
Dan moet iemand ze hem .... verkocht hebben!
HANS. (Geeft den strijd op. Zacht, met gebukt hoofd:) Hans, de
klokkeluider.
GAAIKE. (Doodsbleek:) Neen ....!
KASPER. (Begrijpt het nog niet.) Wat: Neen?
GAAIKE. Hans heeft zijn klok niet verkocht!
HANS. (Zacht, smartelijk:) Voorgoed verkocht .... neen, dat nog niet.
De duivel loog, toen hij de klok .... de zijne noemde.
GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan. Stamelend:) Hoe weet u dat?
KASPER. (Nu gaat hem een licht op.) Wie haalde de duivel hier, als die
klokkeluider het niet deed?
SNOEK. Daarom is hij natuurlijk ook gevlucht! Die vermaledeide
klokkeluider!
HANS. Misschien wilde hij zijn klok wel verkoopen .... uit wanhoop. Hij
hield veel van zijn klok .... is het niet, Gaaike? Als hij niet van
zijn klok hield, zou hij .... geen klokkeluider zijn geworden.
Nietwaar?
GAAIKE. (Stamelend, Hans strak aanziend.) Nú weet ik ....!
KASPER. Wat is er?
HANS. (Mat, geslagen:) Niets. Kom mee. Ik zal bewijzen .... dat de
klokkeluider schuldig is.
GAAIKE. (Hijgend, Hans steeds aanziend:) Stil! Ik wil .... ik wil wat
zeggen! (In spanning ziet zij Hans aan, om te weten hoe hij zal
reageeren op wat zij zeggen gaat.) Ik .... hou van Hans! Niet van den
vreemden graaf, maar van den klokkeluider.
HANS. (Richt verward het hoofd op.) Gaaike ....!
ANNE-MARIE. (Snelt verschrikt toe.) Kind ....!
GAAIKE. (Spreekt nu haar vreugde uit.) Ik hou van Hans! Van Hans!
HANS. (Ziet haar met groote oogen aan. Dan wil hij wat zeggen, maar
vindt de woorden niet. Met een vreugdesnik snelt hij door de buitendeur
af.)
KASPER. (Verbleekt.) W-wat is dat? Gaaike .... wat heb je gedaan?!
GAAIKE. (Vreugdetranen door haar stem:) Ik heb .... den klokkenluider
teruggevonden.
KASPER. Wat is dat voor wartaal?!
GAAIKE. (Juichend:) Hans en de vreemde graaf .... zijn dezelfde!
KASPER. W-wat zeg je .... (Zich omwendend:) Waar gaat hij heen?
SNOEK. Hij rent op de kerk af! Zou hij de klok gaan luiden?
KASPER. Als hij de klok kan luiden .... heeft hij ook wat met den
duivel uit te staan!
STOFFEL. M-misschien wel?! Het is alles .... gelijk gekomen! De
verdwenen klokkeluider .... de gevallen klepel .... de komst van den
vreemden graaf!
SNOEK. Waarom zou die vreemde graaf .... Hans de klokkeluider niet
kunnen zijn?
KASPER. (Driftig, smartelijk:) Hoe komt hij aan die kleeren .... die
koets?!
SNOEK. De prijs, dien hij van den duivel .... voor zijn klok ontving!
GAAIKE. (Met groote oogen starend, fluisterend:) Neen .... ik .... ik
was de prijs!
KASPER. (Stamelend:) Dus .... duivelskleeren. Een duivelskoets. (Naar
zijn hoofd tastend:) Is de wereld dan vol tooverij? Of .... droom ik?
Of is alles ....? (Hij ziet rond.) Jullie hebt mij .... een poets
gebakken! Ja! Kijk me aan ....! Jullie hebt ....! En ik ben er in
gevlogen. Ik, zot! Ik, idioot! (Bitter:) Hoe zou een herbergier ook aan
een grafelijken schoonzoon komen! Hoe kan een klepel uit een klok
vallen? Wat heeft de duivel aan een klok?! En Kerstmannetje .... ha—ha!
Een vastenavondsgrap! Jullie allen .... hebt je rollen goed gespeeld!
M’n compliment! (Met een traan door zijn stem:) Gaaike, mijn
compliment! Vrouw, madam, mijn compliment!
ANNE-MARIE. Kasper ....!
STOFFEL. Ik bezweer je, Kasper ....!
SNOEK. Kasper, je raaskalt!
KASPER. Stil, jij bent dronken! Wat weet jij ....?
(Buiten klinken stemmen dooreen:) De duivel is weg! De duivel is
gevlucht! Hans de klokkeluider! Hans ....!
KASPER. Ze roepen: Hans, de klokkeluider ....!
(Hij snelt met de anderen naar de deur. Slechts Gaaike blijft staan en
luistert.)
GAAIKE. (Prevelend:) Hans ....! Ze roepen: Hans ....! Hans en de
graaf.... zijn dezelfde ....!
KASPER. (Naar buiten roepend:) Wat is er?!
STEMMEN. (Van buiten:) De vreemde .... dat is Hans! Hij is in den toren
gegaan, en de duivel is er uit gesprongen!
STOFFEL. Hoor! De klok gaat .... gaat lui ....!
(De klok begint te kleppen, helder en krachtig. Stemmen klinken
dooreen:) Hoor! De klok luidt weer! Hoera, de klok luidt weer! We zijn
van den duivel bevrijd! Leve Hans de klokkeluider!