(In de herberg.)
(Alles is nu versierd. Groene slingers met bonte bloemen hangen door de
herberg. Vlaggetjes boven de vensters en deuren. De toonbank vol
wijnflesschen. Muziek van viool, fluit, klarinet en bas. Veel geloop
heen en weer. De morgenzon schijnt zwakjes door de ruitjes van geolied
papier.)
KASPER. (Op zijn fraaist uitgedost met witte handschoenen,
vadermoorder, kleurige, fleurige das, schoenen met strikken, een takje
hulst in het knoopsgat, staat met Stoffel en nog een paar trouwe
wijnbroeders aan de toonbank. Hij heeft beschermende allures tegen
iedereen, die géén graaf tot schoonzoon krijgt.) Daar gaan ze, mannen!
(Heft zijn kroes op.) De bruid en haar moeder en haar vader en haar
vrijer, alle vier in een slok naar binnen! Zoo! (Ze drinken.) Wat zeg
jij, Stoffel, ongelukkige kerel, stakkerd met je zeven ongetrouwde
dochters!
STOFFEL. (Zucht.) Lach me maar uit, Kasper.
KASPER. Zeur niet, Stoffel. Als we straks uit de kerk komen, mannen,
begint het feest! Mijn wijf heeft een taart gebakken, mijn hemel, zoo’n
taart hebben jullie in je leven nog niet gezien! Vlaggetjes er in,
brandewijn er over, en als hij wordt binnengedragen, zullen de vlammen
er omheen dansen! Snoek, mijn vriend Snoek .... wacht, dan moet ik
jullie eerst vertellen wat voor fratsen mijn dochter Gaaike er
tegenwoordig op na houdt. Dat komt ervan, nu ze gravin wordt .... nu
komen de fratsen ook! Vanmorgen zegt ze tegen mijn wijf: „Moeder, ik
wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!” En nou kun je zeggen
wat je wilt, maar daar blijft ze bij: „Ik wil niet trouwen .... zoolang
de klok niet luidt.”
STOFFEL. Nou, die luidt straks toch? De klepel hangt er toch weer in?
KASPER. Natuurlijk luidt de klok! De klepel is er gisteren al weer zoo
vast ingeklonken, dat ze er de eerste honderd jaar niet weer uit zal
vallen! „Snoek”, zeg ik daarom, „luid jij vanmorgen de klok voor het
huwelijk van mijn dochter, want anders wil ze de bruid niet zijn!”—„Dat
is goed, Kasper”, zegt ie. „Ik kan luiden als ....”
(In den schoorsteen klinkt een duivelslachje.)
KASPER. (Stokt.) Wie lachte daar?
STOFFEL. Ik niet, Kasper! Heeft er iemand gelachen?
DE ANDEREN. Niemand. Heb jij gelachen? Neen. Niemand heeft gelachen!
KASPER. Ik dacht het. „Nu, Kasper”, zegt Snoek, „dat is best, dan zal
ik de klok luiden, want ik kan luiden als ....”—Verduiveld, maak me
niets wijs: een van jullie staat me uit te lachen!
STOFFEL. Waarachtig niet, Kasper!
DE ANDEREN. Ik hoor niets, Kasper! Ik lach niet! Ik bezweer je ....!
KASPER. Nu, zweer maar niet; vandaag kan ik tegen een stootje, en wie
het laatst lacht, lacht het best. Jullie moeten zoometeen mijn
Anne-Marie eens zien, mannen! Ik durf geen wijf meer tegen haar te
zeggen, zoo’n madam is ze me geworden! Die rok alleen .... je zult eens
zien, wat er allemaal op die rok zit! Kom, we zullen aan mijn
wijf-madam maar eens een kroesje wagen. En breng die muzikanten
daarbuiten ook een fleschje, Stoffel, dan blazen ze misschien wat
minder valsch. En zeg er bij, dat ze wat vroolijker moeten spelen.
Valsch is het ergste niet, moet je maar zeggen, als het maar een
vroolijk moppie is! Hup, Marianneke! Of: Jan, kom kietel me! Of: ’t Is
me toch zoo’n rarekiek!