SNUF. (Grist hem het contract uit de vingers en brengt het, vriendelijk
grijnzend, haastig in veiligheid.)
HANS. (Heesch fluisterend als het geluid verstorven is:) Wat–was–dat
....?
SATAN. De klepel van de klok, heer graaf! Die viel!
HANS. De klok .... is haar tong .... ontrukt.
SNUF. Dat ze niet praten kan!
HANS. Ik heb .... mijn klok .... haar tong ontrukt.
SATAN. Tot Kerstmis kun je ze haar teruggeven.
SNUF. (Voor zich heen:) Maar hij doet het niet.
SATAN. Kom volg mij, graaf, de poort uit! En stillekes, dat de
poortwachter ons niet ziet!
HANS. (Satan aanziend, wezenloos:) De poort zal gesloten zijn!
SATAN. Wij hebben .... een eigen sleuteltje! (Toont grijnzend zijn
sleutel.) Dat past op alle deuren! En ongemerkt komt ge in uw koets,
heer graaf!—Snuf, draag het kleed!
SNUF. (Neemt het kleed vol respect op zijn armen.) Ik zal er mee
omgaan, alsof er al een gravin in stak, meester!
SATAN. (Laat Hans met hoffelijk gebaar voorgaan. Volgt hem dan, de
torentrap af, na met een tooverbeweging en tooverwoord de „Schatkamer”
te hebben gesloten.) Brabbaisjka!
SNUF. (Het kleed parmantig op de armen:) Daar gaat ie! Daareven nog
behoorde hem de wereld. Nu zal hij zich tevreden moeten stellen ....
(grijnzend:) met een helsch kasteel, een nagemaakt gravinnetje en een
kwaad geweten. De zielenvangst zal er wel bij varen! (Hij huppelt de
trap af.)