HANS. (Zet zich den hoed op, treedt dan voor den spiegel, zwierig als
een cavalier, verbijtend zijn innerlijke smart en spot voor zichzelf,
en trekt zijn handschoenen aan.)
SNUF. (Een sierlijke haal onder het contract zettend:) Zie zoo.
(Onderdanig buigend:) Zou Uwe Edelheid het even willen onderteekenen?
HANS. (Neemt met korzelig gebaar de veer aan, die Snuf hem reikt. Ziet
het contract in. Verward:) Wéér roode inkt ....? (Hij ziet Satan en
Snuf aan. Beiden buigen diep. Hans overwint een aarzeling, zet dan
bruusk zijn naam.)
(In dit oogenblik valt de klepel uit de klok, slaat dreunend neer op
den vloer en tuimelt dan met donderend geraas langs de torentrap verder
omlaag.)