BOF. (Volgt met zijn oogen de richting, die Kerstmannetje aanduidt.)

KERSTMANNETJE. Zie je hem nu?

BOF. Ik kan niets zien, meester: ik heb tegen de kou mijn muts over de

ooren getrokken. Maar ik hoef den toren ook niet te zien; als jij hem

maar ziet, is het toch voldoende?

KERSTMANNETJE. (Snuivend en knikkend:) Ja—ja. Kom, ik zal mijn lantaren

eens aansteken; ’t wordt donker, en jij zou kunnen struikelen met dien

zwaren zak op je rug. Zal ik hem eens van je overnemen, Bof?

BOF. Hij is zoo zwaar niet, meester. Als ik bedenk, hoeveel gezichten

er nog vroolijk zullen kijken om wat er in dien zak zit, dan komt hij

me zoo licht voor, alsof ik hem mijn leven lang zal kunnen dragen. Maar

steek de lantaren maar aan, meester, want jij zou over een verborgen

wortel kunnen struikelen.

KERSTMANNETJE. (Steekt zijn lantaren aan. Het gaat niet zoo makkelijk,

want hij moet zich met een tondeldoos behelpen.) Verborgen wortels ....

dat zijn de gevaarlijkste, Bof. Ik zou het den menschen altijd wel

opnieuw willen zeggen: „Pas op de verborgen wortels ....! Er zijn twee

paden in het leven. Het eene is niet altijd mooi geëffend; soms is het

mul, soms is het steenig, soms gaat het maanden lang door barre zon,

door koude, regen, hagelbuien .... Maar de grond is betrouwbaar,—men

weet waar men staat. Het andere pad biedt koele schaduw als het warm

is, en beschutting, wanneer de sneeuwjacht op witte rossen door de

velden raast. Maar neem je in acht .... er zijn verborgen wortels

....!” (Hij heeft de lantaren aangekregen en heft haar omhoog.) Zie,

Bof, hoe voor het licht het duister vluchten moet. Zoo duister kan een

duistere nacht niet zijn, of het kleinste lichtje scheurt zijn kleed

uiteen. (Naar boven ziend, naar zijn brandend lantarentje:) Het licht

der waarheid is een klein, maar stevig barkje; geen woelige zee kan het

verzwelgen, al raast een storm van laster ook gierend door het want, al

kruiven zich de golven leugens nog zoo hoog ....!—Kom, laat ons verder

gaan. Die klok daarginds roept ons zoo vriendelijk en vertrouwelijk,

alsof ze zeggen wilde: Kom hier! Hier is het goed! En warm! Hier wonen

vrienden!

BOF. Als die klok ons niet op het goede pad gehouden had, meester,

waren we, met die versneeuwde wegen, nog verdwaald!

KERSTMANNETJE. Ja, we mogen dien klokkeluider wel dankbaar zijn! We

zullen hem eens opzoeken. Heet hij niet: Hans?

(Hij gaat links het tooneel af, moeizaam stappend door de sneeuw.)

BOF. Ik geloof het wel, meester. Als hij niet Hans heet, heet hij

Jozef, of: Gijs, of: Cornelis, of iets wat daarop lijkt. (Volgt

Kerstmannetje het tooneel af.)

SNUF. (Springt achter den boom te voorschijn. Hij heeft zich al

moeilijk genoeg in bedwang gehouden. Woedend:) Die loopen me rakelings

langs de hel en merken het niet eens!

SATAN. Ze zullen merken, dat ze er nog is, Snuf! Overigens bevalt het

me niet, dat ze van dien klokkeluider hebben gesproken.

SNUF. We zullen zien wie het wint, meester: ons briefje en onze mooie,

adellijke koets, of .... (Beukt op de helledeur.) Doe dan toch open!

(Het venstertje opent zich, en de verlangde zaken worden aan Snuf

verstrekt.)

SNUF. Een veer, een kaars, lak, een omslag, inkt, papier .... Als je nu

nog even licht maakt ....?

HELLEWACHTER. (Spreekt een tooverwoord uit:) Mykrasjka!

(De lantaren boven gaat aan.)

SNUF. (Bukt zich voor Satan.) Als Uw Edelheid mijn rug voor lessenaar

zou willen nemen ....?

SATAN. (Schopt hem onder het zitvlak). Laten we voor het schrijven van

dien brief een plekje zoeken waar het warmer is, Snuf! Hier zouden er

weinig meer dan hanepooten op het papier komen!

SNUF. Je hebt gelijk, meester, brrrrrr! (Zoekt troost bij zijn

fleschje.)

SATAN. Neem de boel maar mee. Snap jij, Snuf, wat de lui voor

aantrekkelijks vinden aan zoo’n klok?

SNUF. Ik? Ik word er katterig van. Als we haar gekocht hebben,—in het

moeras er mee!

SATAN. Nog beter, Snuf! We hangen haar in de hel op, boven de vlammen;

dan kunnen de brandende zieltjes er zich aan verlustigen.

SNUF. En als Kerstmannetje het gelui bij ons hoort, neemt hij misschien

nog wel eens een kijkje in de hel!

SATAN. Als hij eenmaal binnen was, Snuf, bij de giftige tong van m’n

moêr, hij kwam er niet meer uit!

SNUF. Dan aan het werk, meester!

SATAN. Kom mee!

(Beiden af.)

Hans de Klokkeluider · 第 10 / 64 题