KERSTMANNETJE EN BOF. (Komen van rechts op. Kerstmannetje is niet
groot, weldoorvoed en draagt een roode pij met bont afgezet, een
bontmuts met een takje hulst als versiering, en zijn beenen steken in
wijde kappen. In de hand een lantarentje. Vriendelijk, blozend gezicht
met borstelige, grauwe wenkbrauwen, zilverwitte haren en een dito
ronden baard. Bof, zijn dienaar, mag niet tot de snuggersten behooren;
zeker is het, dat er geen kwaad haar op zit. Hij torst op den rug een
zak, waaruit kinderspeelgoed en een kerstboompje komt kijken.)
KERSTMANNETJE. Die klok heeft ons goed geleid, Bof! Kijk, daar zie ik
den toren al.
BOF. Den toren, meester? (Hij kijkt naar boven).
KERSTMANNETJE. Niet daarboven, Bof. Recht vooruit.