SNUF. (Verbergt zich achter een anderen boom.)

KERSTMANNETJE EN BOF. (Komen van rechts op. Kerstmannetje is niet

groot, weldoorvoed en draagt een roode pij met bont afgezet, een

bontmuts met een takje hulst als versiering, en zijn beenen steken in

wijde kappen. In de hand een lantarentje. Vriendelijk, blozend gezicht

met borstelige, grauwe wenkbrauwen, zilverwitte haren en een dito

ronden baard. Bof, zijn dienaar, mag niet tot de snuggersten behooren;

zeker is het, dat er geen kwaad haar op zit. Hij torst op den rug een

zak, waaruit kinderspeelgoed en een kerstboompje komt kijken.)

KERSTMANNETJE. Die klok heeft ons goed geleid, Bof! Kijk, daar zie ik

den toren al.

BOF. Den toren, meester? (Hij kijkt naar boven).

KERSTMANNETJE. Niet daarboven, Bof. Recht vooruit.

Hans de Klokkeluider · 第 9 / 64 题