»In plaats van de schuld, zoo als gij doet, aan de omstandigheden

te wijten," zeide Andres op een toon van meesterlijk gespeelde

verontwaardiging, »zoudt gij beter doen te vluchten. Gij zijt een

te geslepen vos om geen uitgang uit uw hol te weten, alle toegangen

kunnen niet bezet zijn. Wat duivel! terwijl gij ziet te ontsnappen,

zal ik, die toch niet voort kan, hier uw aftocht dekken, dan zult

gij eens zien of ik u verraden heb."

»Zoudt gij dat willen doen?"

»Ik doe het, zeker!"

»Mijn God! dan zijt gij een man, en ik geef u mijne hoogachting."

Op dit oogenblik klonk de snerpende oorlogskreet der Comanch en aan een

der uitgangen van de spelonk, terwijl men van eene tegenovergestelde

hoorde roepen:

»De Zoon des Bloeds! de Zoon des Bloeds!"

»Haast u! haast u!" schreeuwde de gambusino terwijl hij met drift

zijn geweer greep, dat naast hem lag.

»O! ze hebben mij nog niet!" antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij

met zijne forsche gespierde armen Ellen opnam, die op het eerste

alarm was toegeschoten en zich bevend aan haar vader vastklemde.

De drie bandieten trokken zich terug en verdwenen in de diepte der

onderaardsche gangen.

Andres nam onmiddellijk zijne kans waar, sprong op de beenen en snelde

hen na, gevolgd door een twintigtal Comanchen en Apachen die zich

onmiddellijk bij hem aansloten onder aanvoering van den Eenhoorn,

den Zwarte-Kat en den Spinnekop.

Weldra hoorde men in de gewelven der grot het gedonder der echoos,

veroorzaakt door het knallen der losbrandingen uit klein geweer.

De strijd was begonnen.

De Roode-Ceder had zich aan de andere zijde der spelonk gekeerd gezien

door Valentin en diens gezellen, toen hij wilde vluchten door een

uitweg dien hij meende dat nog onbezet was.

Hij snelde dus dadelijk terug, maar werd tot zijn ongeluk opgemerkt

en het schieten had onmiddellijk een aanvang genomen.

Het was een schrikbarend gevecht dat hier onder de sombere gewelven

der onmetelijke grot zou geleverd worden. De onverzoenbare vijanden

stonden eindelijk tegenover elkander en hadden geen van beiden kwartier

te geven noch te verwachten.

Intusschen liet de Roode-Ceder zich door de overmacht zijner vijanden

niet ontmoedigen, hij beantwoordde het vuur zijner tegenstanders

terstond met den meesten nadruk, daarbij langzaam terug wijkende en

telkens om zich heen ziende of hij een nieuwen uitweg kon ontdekken.

De volslagen duisternis die in de grot heerschte was zeer in het

voordeel der bandieten, die met de plaatselijke gelegenheid volkomen

bekend en bovendien door hun geringe getalsterkte, zich achter

iederen uitstekenden rotswand konden verschuilen om de vijandelijke

kogels te ontwijken, terwijl hunne eigene schoten op de talrijke,

dicht opeengedrongen aanvallers, eene vernielende uitwerking deden.

Op eens slaakte de Squatter een zegevierenden kreet, en gevolgd door

zijne medestanders, verdween hij als met een tooverslag.

De Indianen en partijgangers verstrooiden zich nu in alle richtingen

om de bandieten op te sporen.

Maar deze waren spoorloos verdwenen.

»Op die wijze zullen wij hem nooit vinden," riep Valentin, »wij

loopen gevaar van op elkander te schieten. Laat eenige krijgslieden

zich verwijderen om ocote-fakkels te gaan snijden, intusschen zullen

wij de uitgangen bewaken."

»'t Is overbodig," zeide Curumilla, die reeds met eene vracht

kaarshout aankwam.

Binnen weinige oogenblikken was de grot helder verlicht.

Nu vertoonde zich aan de blikken der verwonderde Comanchen dadelijk

de nevengalerij door welke de Roode-Ceder verdwenen was, en die zij

wel twintigmaal waren voorbijgeloopen zonder haar te zien.

Zij stormden haar thans in met een huilenden oorlogskreet, maar

deinsden oogenblikkelijk terug, daar zij met levendig geweervuur werden

ontvangen en drie van hen doodelijk getroffen ter aarde stortten.

De genoemde galerij was laag en smal en liep opwaarts, met een

soort van natuurlijken trap. In één woord, het was eene geducht

sterke stelling. Slechts vier man in 't gelid konden er met moeite

binnendringen.

Tienmaal hernieuwden de Comanchen den aanval, en tienmaal waren zij

genoodzaakt te wijken.

De dooden en gewonden hoopten zich aan den ingang op, zoodat zij dien

bijna versperden.

De toestand der aanvallers werd hachelijk.

»Houdt op!" riep Valentin.

Allen bleven staan.

Daarop hielden don Miguel, don Pablo, de Eenhoorn, de Witte-Gazelle,

de Zwarte-Kat, de Zoon des Bloeds en eenige Indiaansche hoofden te

zamen raad over hetgeen er verder moest gedaan worden.

Curumilla was met een twaalftal krijgslieden, die hij wenkte hem te

volgen, de grot uitgegaan.

Zooals gewoonlijk in dergelijke gevaarvolle omstandigheden waren de

gevoelens uiterst verdeeld, zoodat men het onmogelijk eens kon worden.

Op dit oogenblik keerde Curumilla terug, gevolgd door zijne

krijgslieden, allen beladen met droog hout en dorre bladeren, zooveel

zij dragen konden.

»Geeft wel acht!" zei Valentin, naar het opperhoofd wijzende »het is

al weder Curumilla die ons met zijn goed overleg helpen zal,"

De anderen begrepen er nog niets van.

»Komt, mijne kinderen!" riep de jager, »een laatsten aanval!"

De Comanchen stormden de galerij binnen, maar een nieuwe losbranding

noodzaakte hen andermaal af te houden.

»Het is genoeg!" kommandeerde de Franschman; »dit is al wat ik

weten wilde."

Men gehoorzaamde.

Valentin wendde zich toen tot de hem vergezellende hoofden.

»Het blijkt thans duidelijk dat de galerij geen uitgang heeft. Dat

schijnt de Roode-Ceder toen hij er de wijk in nam niet geweten te

hebben, anders zou hij er zeker niet ingegaan zijn; en bovendien,

als er een uitweg was, zouden de bandieten in plaats van in hun

schuilhoek te blijven, gewis van het eerste oogenblik tijd dat wij

hun verschaften gebruik hebben gemaakt om weg te komen."

»Dat is waar," antwoordden de hoofden.

»Wat ik u daar even heb gezegd had Curumilla reeds begrepen, het bewijs

daarvan is, dat hij het eenige middel heeft gevonden om den vijand te

dwingen zich over te geven, namelijk om hem door rook te verdrijven."

Deze verklaring werd met luide toejuiching ontvangen.

»Krijgslieden!" hervatte Valentin, »werp in dat hol zooveel hout en

dor blad als gij kunt, en zoodra de hoop groot genoeg is steken wij

dien in brand."

Ieder haastte zich om het zeerst hem te gehoorzamen.

De Roode-Ceder en zijne kameraden, terstond begrijpende wat hunne

vijanden voornemens waren te doen, poogden het te verhinderen door

op den duur een levendig geweervuur te onderhouden, doch de Indianen

door de ondervinding geleerd wisten zich zoodanig te plaatsen of op

een afstand te blijven dat de kogels niemand raakten.

Weldra was de ingang der galerij bijna geheel met brandbare stoffen

van allerlei aard gevuld.

Valentin nam een brandende fakkel, maar eer hij den hoop in brand

stak, wenkte hij met de hand om stilte te gebieden, en richtte het

woord tot de belegerden.

»Roode-Ceder!" riep hij, »men zal u berooken, wilt gij u overgeven?"

»Loop naar den duivel! vervloekte Franschman," antwoordde de Squatter.

En op deze krachtige rede volgden onmiddellijk drie geweerschoten.

»Wees nu op uwe hoede!" zeide Valentin tot de zijnen, »want als

zij nu voelen dat zij verstikken moeten, zullen ze een wanhopigen

uitval wagen."

Hij bukte en wierp de fakkel inde brandstoffen; zij vatten terstond

vuur, en binnen weinige minuten steeg er een dikke rook omhoog,

die den ingang der galerij bedekte als met een gordijn.

Inmiddels hield elk zich gereed om den verwachten uitval der belegerden

af te slaan.

De Indianen wisten dat de schok hevig zou zijn.

Zij behoefden niet lang te wachten. Plotseling zagen zij dwars door

de vlammen drie duivels springen, die hals over kop op hen instormden.

Toen volgde er in deze engbeperkte ruimte eene vreeselijke verwarring,

die eenige minuten aanhield.

Don Pablo had den Roode-Ceder nauwelijks bemerkt, of hij wierp zich

op hem; ondanks den weerstand van den bandiet maakte hij zich meester

van Ellen en droeg haar in zijne armen weg.

De Squatter brulde als een tijger, sloeg alles neder wat om of nabij

hem durfde komen; van hunnen kant streden Sutter en Fray Ambrosio

met den moed en de onversaagdheid van mannen die wisten dat het om

hun leven te doen was.

Maar deze wanhopige strijd van drie tegen eenige honderden kon niet

lang duren.

Ondanks hunne heftige pogingen werden de drie bandieten eindelijk

met de lasso gevangen en buiten de mogelijkheid gebracht om verder

een lid te verroeren.

»Doodt mij, ellendelingen!" brulde de Roode-Ceder vertwijfeld.

De Zoon des Bloeds naderde hem en bracht de hand aan zijn schouder.

»Roode-Ceder," zeide hij, »gij zult veroordeeld worden volgens de

Lynch-wet."

Toen hij den partijganger zag, deed de Squatter eene geweldige poging

om zijne banden te verbreken en hem aan te vallen, maar hij voelde

zijn onmacht en viel schuimbekkend op den grond terug.

Zoodra de strijd geëindigd was, haastte Valentin zich om buiten de

grot te komen en een weinig versche lucht te scheppen. Daarbuiten

stond de Zonnestraal hem op te wachten.

»Koutonepi," zeide zij, »de vader der gebeden, Seraphin, zendt mij

tot u. Uwe moeder gaat sterven."

»Mijne moeder!" riep de jager radeloos. »Mijn God, hoe zal ik het

maken om bij haar te komen?"

»Curumilla heeft reeds voor u gezorgd," antwoordde zij, »hij wacht

u onder aan den berg met twee paarden."

De jager stormde naar beneden en liep ijlings het pad af.

XL.

DE LYNCH-WET.

Eer wij verder gaan moeten wij in weinige woorden verklaren wat

eigenlijk de Lynch-wet is, daar wij in den loop van dit verhaal reeds

meermalen van gesproken hebben en die in de prairiën van Noord-Amerika

niet alleen, maar ook in sommige gedeelten der Vereenigde Staten nog

zulk eene groote rol speelt.

Hoezeer wij Europeanen ons altijd met reden verwonderen dat in

een zedelijke maatschappij zulk een monsterachtige wet als de

zoogenaamde Lynch-wet bestaan kan, moeten wij om den Amerikanen

recht te laten wedervaren erkennen dat deze wet in haar beginsel een

uitvloeisel was van gebiedende omstandigheden, al kunnen wij ook het

tegenwoordige stelsel niet goedkeuren dat zij op hare oorspronkelijke

instellingen hebben gebouwd. De Lynch-wet was in den eersten tijd

der vader-kolonisten op het land van Plymouth, niets anders dan de

kastijding of straf, door eene geheel wettelooze maatschappij opgelegd,

die geen ander middel had om gepleegde misdaden te straffen.

Thans daarentegen is deze wet in de grootere Staten der Unie niets

anders dan een onwettige machtsoefening der meerderheid, in strijd

met de wetten des lands die zij trotseert zoowel als de straffen door

deze wetten opgelegd.

In de nieuwe nederzettingen waar de bevolking schaars is, zijn de

kolonisten, zoolang het volgens de staatsregeling der Unie gevorderde

aantal inwoners om een district te vormen ontbreekt, genoodzaakt hun

toevlucht te nemen tot de Lynch-wet, daar zij geen rechtsbedeeling

bezitten noch wettige bescherming kunnen inroepen, tegen de dieven

en moordenaars van allerlei soort die de kolonie onveilig maken.

In de Prairiën van het Verre Westen is deze wet ongeveer gelijk aan

de wet der wedervergelding der oude Hebreeuwen en andere oosterlingen:

»oog om oog, tand om tand."

Wij zullen hier niet verder uitweiden over de Lynch-wet, zoo duister

in haren oorsprong, dat zelfs haar naam een onoplosbaar raadsel is,

ofschoon sommigen beweren dat zekere Lynch, een pachter of landbouwer,

haar het eerst heeft toegepast; het eenige bezwaar dat ik tegen deze

naamsafleiding heb, is dat de Lynch-wet in Amerika heeft bestaan

van den eersten tijd af dat de Europeanen er zich vestigden. Het

blijkt echter dat deze wet in de beschaafde staten der Unie niet is

uitgeoefend vóór de laatste jaren der vorige eeuw, toen men met de

volgens hare rechtspraak veroordeelden zoo kort en zakelijk te werk

ging, dat men den eersten lantarenpaal den besten te baat nam om er

het slachtoffer aan op te hangen. Vandaar zouden wij geneigd zijn

te veronderstellen dat het woord Lynch misschien een verbastering is

van light (licht).

Hervatten wij den draad van ons verhaal, dat nu spoedig ten einde

loopt.

Vier dagen na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen

bood het legerkamp van den Eenhoorn een zonderling schouwspel. Niet

alleen dat er Indiaansche krijgslieden van al de bondgenooten der

Comanchen vereenigd waren, maar tevens een groot aantal jagers en

strikkenzetters, zoo kleurlingen als blanken, die uit alle hoeken der

prairie waren samengevloeid om de rechtspleging der sedert eenige dagen

gevangen gemaakte bandieten bij te wonen en de strengheid der Lynch-wet

op hen te helpen toepassen, zoo als men die in de Prairie begrijpt.

Pater Seraphin, die zich op dat oogenblik mede in het kamp bevond,

om zijne zorgen en vertroostingen aan Mme. Guillois te besteden die

thans tot haar uiterste genaderd was en weldra zachtjes zou afsterven,

had al het mogelijke beproefd om zich tegen de rechtspleging der

gevangenen te verzetten.

Te vergeefs echter stelde hij aan de blanken zoowel als aan de

Indianen voor, dat er in de Vereenigde Staten onpartijdige rechters

genoeg te vinden waren die naar ambt en plicht billijk recht spreken

en de schuldigen doen straffen; al zijne pogingen bleven echter zonder

gevolg en hij was tot zijn innige smart genoodzaakt het op te geven.

Toen hij zag dat hij de gevangenen niet kon redden, had hij hen

behoorlijk voor den dood willen bereiden, maar ook hierin leed de

zendeling schipbreuk; de booswichten waren zoo verstokt van ziel en

in de ondeugd verhard dat zij hem niet wilden aanhooren en hem zelfs

met schimp terug wezen. Zonderling genoeg hadden de drie bandieten,

sedert zij in handen hunner vijanden waren geraakt, geen woord

samen gewisseld; ieder in een hoek der hut nedergehurkt die hun

tot gevangenis strekte, norsch en stil als wilde dieren, schenen

zij elkander nog te ontwijken zooveel de banden die hen knelden

hun toelieten.

Alleen Ellen was in hun midden als een vertroostende engel, die hun

heilzame woorden toesprak en bovenal de laatste dagen van haar vader

poogde te verzachten.

De Roode-Ceder leefde dan ook alleen door en voor zijne dochter;

elke glimlach van het arme kind, dat hare tranen voor hem verborg,

deed op zijn door booze hartstocht verwoest en verwilderd gelaat

wederkeerig een glimlach verschijnen; zoo hij nog had kunnen leven en

op den goeden weg had kunnen terugkeeren, zou zijne vaderlijke liefde

wellicht dit wonder hebben uitgewerkt, maar het was nu te laat; alles

was als verstorven in dat hart, waar de vaderlijke liefde zelfs niet

veel meer was dan het instinct van tijgers of panters.

»Zal het van daag eindelijk gebeuren, mijn kind?" vroeg hij aan

zijne dochter.

»Ik weet het niet, vader," antwoordde zij bedeesd.

»Ik begrijp u, mijne arme lieveling, gij vreest mij verdriet te doen

door mij de waarheid te zeggen; maar misleid u zelve niet langer,

wanneer een man zoo diep gezonken is als ik, is het eenigste wat

hij begeert de dood, en ziedaar, ik krijg reeds dadelijk antwoord:

de Lynch-wet begint hare taak. Zij zal van daag een ruimen oogst

inzamelen," liet hij er grinnekend op volgen.

Op dit oogenblik hoorde men in het kamp een geweldig rumoer.

Drie galgen waren dien morgen opgericht en rondom dezelve was een

talrijke volkshoop druk in de weer met het verkiezen der rechters

die het publieke recht zouden moeten handhaven.

De verkozen rechters waren ten getale van zeven, met name als volgt:

Valentin, Curumilla, de Eenhoorn, de Zwarte-Kat, de Spinnekop en twee

andere jagers der Comanchen.

Men had zorg gedragen geene namen op de lijst te plaatsen van personen

die zelven beschuldigingen tegen de gevangenen hadden in te brengen.

Des middags ten twaalf ure werd het in de vergadering op eens dood

stil.

Een kleine troep, uit krijgslieden en jagers bestaande, was de

misdadigers uit de gevangenis gaan halen om hen voor de rechters te

brengen, die zich tegenover de galgen vereenigd hadden.

Ofschoon pater Seraphin in zijne pogingen om hen tot betere gedachten

op te wekken niet was geslaagd, had hij hen toch willen vergezellen

om hen tot het laatste oogenblik te vermanen.

Hij ging met den Roode-Ceder aan zijne rechter en Ellen aan zijne

linkerzijde.

Toen de gevangenen voor de rechtbank kwamen, riep Valentin, die zeer

tegen zijn zin tot voorzitter benoemd was, de beschuldigers op.

Deze traden onmiddellijk te voorschijn.

Zij waren ten getale van vijf, namelijk don Miguel de Zarate, don

Pablo de Zarate, Andres Garote, de Witte-Gazelle en de Zoon des Bloeds.

Valentin nam het woord en sprak met eene luide en vaste stem:

»Roode-Ceder, gij staat hier voor de rechtbank der Lynch-wet, om

de misdaden te hooren waarvan men u beschuldigt, gij hebt volkomen

vrijheid om u te verdedigen."

De Squatter haalde de schouders op.

»Uwe Lynch-wet is eene domme wet," zeide hij op schamperen toon, »zij

doodt zonder lang pijn te veroorzaken; in plaats van deze onnoozele

wraakneming moest gij mij liever aan den folterpaal binden en een

ganschen dag pijnigen, dan kondt gij uw hart ophalen van genot, want

dan zoudt gij zien hoe een krijgsman den dood in 't aangezicht durft

zien, en de smart weet door te staan."

»Gij vergist u in onze bedoelingen," zei de voorzitter, »wij wreken

ons niet, maar wij straffen u, de folterpaal is voor de dappere en

onberispelijke krijgslieden bestemd, de misdadigers verdienen niets

anders dan de galg."

»Zooals u behaagt," antwoordde hij onverschillig, »wat ik u gezegd heb,

was alleen om voor uw genoegen te zorgen."

»Welke personen zijn hier aanwezig om tegen den Roode-Ceder

beschuldigingen in te brengen?" hervatte Valentin.

»Ik, don Miguel de Zarate."

»Ik, don Pablo de Zarate."

»Ik, dien men de Zoon des Bloeds heeft genoemd, maar die zijn waren

naam zal noemen, zoodra de Roode-Ceder dit verlangt."

»Het is onnoodig," bromde hij met eene doffe stem.

»Ik, de Witte-Gazelle."

»Formuleert uwe beschuldigingen," sprak de voorzitter.

»Ik beschuldig dezen man, dat hij mijne dochter geschaakt en daarna

laaghartig vermoord heeft," zei don Miguel.

»Ik beschuldig hem bovendien, van mijnen vriend den generaal Ibanez

den dood te hebben berokkend."

»Beschuldigde, wat hebt gij hierop te antwoorden?"

»Niets."

»Wat zegt het volk?" hervatte Valentin.

»Wij hechten ons zegel aan de beschuldiging," riepen allen met

eenparige stem.

»Ik beschuldig dezen man, van dezelfde misdaden," zeide don Pablo,

»hij heeft mijne zuster opgelicht en gedood."

»Ik beschuldig dezen man, dat hij het huis van mijne ouders

verbrand, mijn vader en moeder vermoord en mij aan de bandieten

heeft overgeleverd om mij in de misdaad te doen opvoeden," zei de

Witte-Gazelle.

»Ik," sprak de Zoon des Bloeds, »beschuldig hem van dezelfde misdaden,

de vader van dit meisje was mijn broeder."

Een huivering van afgrijzen doorliep de vergadering.

Valentin, na in stilte de overige rechters te hebben geraadpleegd,

sprak:

»De Roode-Ceder, met algemeene stemmen schuldig verklaard, wordt

veroordeeld om gescalpeerd en daarna gehangen te worden."

Sutter werd alleen veroordeeld om gehangen te worden, daar de rechters

hem, uit aanmerking zijner jeugd en het slechte voorbeeld dat hij

steeds voor oogen had gehad, wilden verschoonen.

Thans was de monnik aan de beurt.

»Een oogenblik!" riep de Zoon des Bloeds, voorwaarts tredende,

»deze man is niets meer dan een ellendige avonturier, die het recht

niet heeft om het kleed te dragen dat hij reeds zoo lang onteerde;

ik verzoek dat men den onverlaat, alvorens hem te beschuldigen,

daarvan ontdoe."

»Waartoe zoudt gij uw tijd verkwisten met mij te beschuldigen en al

die rechtsvormelijke fratsen?" antwoordde Fray Ambrosio schamper. »Gij

allen die ons hier te recht stelt zijt even misdadig als wij; gij

zijt moordenaars, daar gij u wederrechtelijk eene macht aanmatigt die

u niet toekomt. Voor dezen keer ja, slaat gij juist, maar in duizend

andere gevallen laat gij u door het u omringende gepeupel beheerschen,

en veroordeelt gij onschuldigen. Gij verlangt mijne misdaden te kennen,

ik zelf zal ze u zeggen.

»Deze man heeft gelijk, ik ben geen monnik, en ik ben het nooit

geweest; ik ben begonnen als een losbandige, ik eindig als een

misdadiger. Als medeplichtige van den Roode-Ceder heb ik landhoeven

verbrand of er de bewoners van vermoord om ze te berooven en te

bestelen. Met denzelfden Roode-Ceder was ik een scalpenjager; ik

hielp hem het meisje stelen dat daar voor u staat. Wat meer? Om hem

het geheim van een goudmijn te ontrooven, heb ik den vader van dezen

gambusino gedood. Wat wilt gij meer? Bedenk vrij de gruwzaamste en

verfoeielijkste misdrijven, ik heb ze gepleegd. Spreekt nu uw vonnis

en legt het ten uitvoer, maar gij zult geen woord meer van mij hooren,

ik veracht u, gij zijt lafhartigen!"

Na deze hatelijke taal met honende ergernis te hebben gesproken,

wierp hij een uitdagenden blik op de vergadering.

»Fray Ambrosio," zei Valentin na de stemmen te hebben opgenomen,

»gij zijt veroordeeld om gescalpeerd, onder de oksels opgehangen,

met honig bestreken te worden en aldus te blijven hangen, tot de

vogels des hemels u verslonden hebben."

Onder het aanhooren van dit vonnis kon de bandiet zijn schrik niet

verbergen, terwijl de verzamelde menigte het strenge recht met

uitbundig gejuich beantwoordde.

»De vonnissen zullen onmiddellijk worden voltrokken," zei Valentin.

»Wacht een oogenblik," riep de Eenhoorn, plotseling opstaande en zich

voor de rechters plaatsende.

»Wat den Roode-Ceder betreft is de eisch der wet niet gevolgd; zegt

zij niet: oog om oog, tand om tand!"

»Ja! ja!" schreeuwden de Indianen en jagers.

Door een onbeschrijfelijk voorgevoel getroffen, sidderde de Roode-Ceder

en kromp hem het hart ineen.

»Ja!" sprak de Zoon des Bloeds met eene koele stem, »de Roode-Ceder

heeft dona Clara, de dochter van don Miguel de Zarate, gedood, ook

zijne dochter Ellen moet sterven."

De rechters zelven deinsden verschrikt terug.

De Roode-Ceder stiet een vreeselijk gebrul uit.

Alleen Ellen bleef kalm.

»Ik ben bereid te sterven," zeide zij met eene zachte gelatene

stem. »Helaas! die arme dona Clara! God weet met hoeveel vreugde ik

mijn leven had willen geven om het hare te redden."

»Mijne dochter!" riep de Roode-Ceder wanhopig.

»Dat riep don Miguel ook, toen gij zijn kind laaghartig hebt vermoord,"

antwoordde de Zoon des Bloeds onbarmhartig; »oog om oog, tand om tand."

»O! het is gruwzaam wat gij daar doet, mijne broeders," riep pater

Seraphin. »Gij gaat onschuldig bloed vergieten, het zal terugkomen op

uw hoofd, God zal er u voor straffen; om Zijner barmhartigheids wille,

doodt dat onschuldige meisje niet!"

Op een wenk van den Eenhoorn maakten vier Indianen zich van den

zendeling meester, namen hem in weerwil van zijn verzet, ofschoon

altoos met de meeste voorzichtigheid op en brachten hem naar de hut

van het opperhoofd, waar hij zoolang onder toezicht bleef tot de

rechtspleging was afgeloopen.

Valentin en Curumilla wendden vergeefsche pogingen aan om zich tegen

dit barbaarsch bedrijf te verzetten; de Indianen en jagers, door den

Zoon des Bloeds opgeruid, eischten met groot gedruisch de toepassing

der wet en dreigden anders zichzelven recht te zullen verschaffen.

Vruchteloos smeekten don Miguel en zijn zoon den Eenhoorn en den Zoon

des Bloeds, zij konden niets bij hen uitrichten.

Eindelijk, door de gebeden van den jongman getergd, nam de Eenhoorn

Ellen bij de haren, stiet haar zijn mes in de borst en wierp haar

don Pablo in de armen, met den uitroep:

»Haar vader heeft uwe zuster vermoord, en gij bidt om haar leven! Gij

zijt een laag mensch!"

Bij deze onverantwoordelijke daad verborg Valentin zijn aangezicht

met beide handen en vluchtte heen.

De volksmenigte integendeel juichte haar uitbundig toe.

De Roode-Ceder wrong zich schuimbekkend in de banden die hem

kluisterden; toen hij Ellen had zien vallen veranderde hij als een

blad van een boom; hij brulde alleen dit eene woord:

»Mijne dochter! mijne dochter!"

De Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle waren onverbiddelijk, zij

woonden roerloos de strafoefening bij die aan de veroordeelden

voltrokken werd.

De Roode-Ceder en zijn zoon leden niet lang, ofschoon de eerste vooraf

gescalpeerd was; hij werd waanzinnig en scheen ongevoelig voor alles.

Wie het meeste leed was Ambrosio; de rampzalige onderging zijne straf

en kromp gedurende vierentwintig uren onder de vreeselijkste smarten

eer de dood er een einde aan maakte.

De lynch-wet · 第 28 / 29 段