Dit oogenblik moesten zij zich ten nutte maken om zich te orienteeren,

ten einde voort te kunnen gaan zonder vrees van te zullen verdwalen,

wanneer de duisternis geheel de overhand zou hebben bekomen.

Zoo gedacht zoo gedaan, en na met een welberekenden blik de richting

der verschillende bergspitsen te hebben opgenomen, hervatten zij

stoutmoedig hun tocht.

Zij marcheerden omtrent een uur lang op een hellend vlak, dat al

steiler en steiler werd en eindigde in een terras van geringe breedte,

waar zij een poosje halt maakten, vooreerst om adem te scheppen,

ten tweede om samen te overleggen wat zij verder doen zouden.

»Als wij hier nachtverblijf hielden," zei de Witte-Gazelle. »De

steile rots achter ons beschermt ons uitmuntend tegen den wind,

en gewikkeld in onze zarapes en bisonsmantels meen ik zeker dat wij

goed slapen zullen."

»Niet te voortvarend, nina," zei de gambusino hoogwijs, »er is op

dit oogenblik aan geen slapen te denken."

»Waar dan aan?" hervatte zij met drift, »wat mij betreft, verzeker

ik u dat ik zeer goed slapen zal."

»Dat kan wel waar zijn, nina," hernam Andres, »maar wij hebben wel

iets anders te doen."

»Wat dan?"

»Zien waar wij zijn."

»Zien waar wij zijn. Wordt gij nu dwaas, vriend? Het is stikdonker. De

drommel zelf, gewend aan de duisternis als hij is, zou hier op zijn

eigen staart trappen."

»Juist om die reden, nina; wij moeten ons de weinige oogenblikken

eer de maan opkomt ten nutte maken om den omtrek te doorzoeken."

»Ik begrijp er niets van."

»Ziet gij dan niet hoe doorschijnend de lucht is; het zwakke

schemerlicht der sterren is voldoende om de voorwerpen zelfs op

verren afstand te onderscheiden, zoo de lieden die wij vervolgen nog

eten, hebben zij waarschijnlijk dit uur uitgekozen om hunne spijzen

te koken."

»Nu, maar wat zou dit?" riep don Pablo nieuwsgierig.

»Als gij mijne redeneering maar even wilt nagaan: de Roode-Ceder

verwacht zijne vijanden alleen van de zijde der vlakte, niet waar?"

»Ja."

»Hij heeft dus zijne voorzorgen aan die zijde genomen, en niet aan

deze; hij zal nooit vermoeden dat wij hem zoo nabij zijn en in den

waan dat niemand hem hier bespiedt, durft hij den rook van zijn vuur

veilig aan den nacht toe te vertrouwen; wel overtuigd dat niemand

het zien zal, hetgeen ook letterlijk waar zou zijn als wij tot zijn

ongeluk niet hier waren; begrijpt gij nu de reden waarom ik er op

aandrong om nog in dat late uur de bergen in te gaan?"

De Witte-Gazelle zoowel als don Pablo waren verrast over de juistheid

dezer redeneering en zij begonnen bij dit blijk van bekendheid met de

woestijn, die hun gids aan den dag legde, een hooger dunk van hem op

te vatten en hem stilzwijgend de meerderheid toe te kennen, die ieder

mensch van ondervinding op een gegeven oogenblik altijd ten deel valt.

»Handel naar goedvinden," zei don Pablo.

»Wij schikken ons geheel naar uw raad," voegde de Gazelle er bij.

De gambusino liet zich door dezen bijval noch door hoogmoed noch door

te groot zelfvertrouwen vervoeren; hij vergenoegde zich met zijne twee

gezellen aan te bevelen op de plaats te blijven tot hij terug kwam,

en verwijderde zich toen.

Zoodra hij alleen was ging de gambusino, in plaats van te loopen,

zooals hij tot hiertoe gedaan had, plat op den grond liggen en kroop

hij op handen en knieën langzaam langs de rotsen, van tijd tot tijd

stil houdende om het hoofd op te heffen en rond te kijken, terwijl

hij tevens de ooren gespitst hield op het minste geluid.

Hij bleef lang weg. Don Pablo en de Gazelle wandelden ongeduldig het

terras op en neder, om zich onder het wachten warm te houden.

Eindelijk, na verloop van bijna twee uren, kwam hij terug.

»Wel!" vroeg don Pablo.

»Kom eens mede," zei de gambusino laconiek.

Zij volgden hem.

Hij geleidde hen een pad af, zoo steil dat zij op handen en knieën

moesten voortkruipen om niet in den afgrond te storten.

Na een vrij lange afklimming met ongehoorde moeite volbracht te hebben,

richtte de gambusino zich op en wenkte zijne kameraden hetzelfde

te doen.

Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, want zij konden bijna

niet langer.

Zij bevonden zich nu weder op een terras, van dezelfde soort als

het vorige; ook dit terras was even als het andere begrensd door een

steile rots, doch midden in die rots was een opening, als de mond van

een oven, en, wat meer is, in die opening zag men zeer in de verte

een licht glinsteren, omtrent als eene ster.

»Zie eens," zei de gambusino.

»O! wat is dat?" mompelde don Pablo verwonderd.

»Zouden wij reeds gevonden hebben wat wij zoeken," riep de

Witte-Gazelle.

»St!" riep Andres Garote haar de hand op den mond leggende; en met

eene nauwelijks hoorbare stem fluisterde hij: »Wij zijn hier aan den

ingang eener grot; die onderaardsche gewelven planten het geluid

zoo wonderbaar voort, en de Roode-Ceder is zoo scherp van gehoor;

hoe ver hij ook op dit oogenblik van ons verwijderd is, zou hij ons

licht kunnen hooren."

Zij staarden eene poos naar het bevende licht, dat als een

ondeelbaar punt in de duisternis blonk en er uitzag als het oog

der spelonk. Somwijlen kwam er eene donkere schaduw voor deze ster,

en bleef zij eenige minuten lang onzichtbaar.

Toen de gambusino dacht dat hunne nieuwsgierigheid genoeg voldaan was,

trok hij hen even aan den arm en voerde hen zachtjes terug.

»Komt," zeide hij.

Zij begonnen weder te klimmen. Omtrent een half uur later deed hij hen

op nieuw stil staan en strekte den arm uit in een bepaalde richting.

»Ziet eens nauwlettend," zeide hij hun.

»O!" riep don Pablo terstond, »dat is rook."

Werkelijk scheen er een fijne kolom witte rook als een dunne

doorschijnende straal uit de aarde ten hemel te stijgen.

»Er is geen rook zonder vuur," grinnikte de gambusino; »eerst heb ik u

het vuur laten zien en nu ziet gij den rook. Zijt gij overtuigd? hebben

wij het hol van den tijger gevonden?"

»Ja," riepen beiden tegelijk.

»Dat is beter dan slapen, niet waar?" hervatte hij min of meer op

een toon van triomf.

»En wat moeten wij nu doen!" viel de Witte-Gazelle hem met drift in

de rede.

»Canarios! dat is eenvoudig genoeg," antwoordde Andres; »een van u

moet onmiddellijk naar het kamp terugkeeren om onze ontdekking aan

te kondigen, dan zal de meester wel doen wat hij noodig acht."

»Goed!" zei het meisje, »dan ga ik."

»En gij?" vroeg de gambusino zich tot don Pablo richtende.

»Ik blijf hier."

Garote had hier tegen niets aan te merken.

De Witte-Gazelle ijlde met koortsachtige drift de berghelling af.

De gambusino strekte zijn bisonsmantel op den grond uit, wikkelde

zich in zijn zarape en ging liggen.

»Wat gaat gij doen?" vroeg don Pablo

»Dat ziet gij," was zijn antwoord, »ik maak mij gereed om te slapen;

wij hebben voor het oogenblik niets meer te doen en zullen moeten

wachten tot morgen; ik zou u raden mijn voorbeeld te volgen."

»'t Is waar," zei de jongman, »gij hebt gelijk," en zich in zijn

zarape wikkelende ging hij almede op den grond liggen. Zoo verliep

er een uur; de beide mannen sliepen of schenen ten minste te slapen.

Plotseling richtte don Pablo zich op den elleboog, bukte voorzichtig

over zijn kameraad en bekeek hem met aandacht.

Andres Garote sliep inderdaad zoo gerust als mogelijk was.

Na zich hiervan verzekerd te hebben stond de jongman op, bekeek zijne

wapenen, wierp een laatsten blik op den slapende, en klom den berg af.

De maan was opgekomen, hare bleeke stralen verspreidden nauwlijks licht

genoeg om voort te gaan zonder vrees van in den afgrond te storten.

Toen de jongman het lagere terras bereikte, waar in de straks genoemde

grot het bewuste bevende licht nog altijd brandde, bleef hij een

oogenblik staan, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de oogen ten

hemel opsloeg die met duizend sterren boven zijn hoofd schitterde,

en na nog eens zijne wapens bekeken te hebben om zich te verzekeren

dat zij in orde waren sloeg hij een kruis en waagde zich onversaagd

in de grot.

Er behoorde vrij wat moed toe om aldus een gevaar te gaan braveeren

des te geduchter naarmate het minder bekend was.

Met het oog op het licht gevestigd dat hem tot poolster diende liep

don Pablo voorzichtig met de armen vooruit, het lijf gebukt en het

oor gespitst, nu en dan staan blijvende om de naamlooze geluiden

te verkennen die gewoonlijk in onderaardsche gewelven weerklinken,

en gereed om zich tegen de onzichtbare vijanden te verweren die hij

in de schaduw meende te zien.

Zoo stapte hij een geruimen tijd voort zonder dat het licht in de

verte merkelijk grooter scheen te worden, toen de wand van graniet,

waar hij zich onder het voortgaan met de linkerhand aan vasthield,

op eens eindigde, en hij in den achtergrond eener kleine door een

fakkel van kaarshout flauw verlichte kamer, of rotsholte, Ellen zag

liggen, op de naakte rots geknield, in vurigen gebede.

De jongman bleef staan door bewondering getroffen bij dit onverwachte

schouwspel.

Ellen lag met losgereten haren, die haar wild over de schouders hingen;

met haar verbleekt gelaat, badende in tranen, scheen zij ten prooi

aan de grievendste zielesmart.

Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst.

Don Pablo kon bij dit hartbrekend gezicht zijne ontroering niet

langer meester blijven. Onbedachtzaam alle voorzichtigheid ter zijde

stellende, ijlde hij met open armen naar het meisje toe en riep op

een toon van hartstochtelijke liefde:

»Ellen! Ellen! wat deert u?"

Op deze stem, die zoo onverwachts haar gehoor trof, stond het meisje

op en zeide met een gebiedenden wenk vol majesteit:

»Vlucht, ongelukkige, vlucht of gij zijt verloren!"

»Ellen," hervatte hij, haar te voet vallende en de handen smeekend

naar haar opheffende, »wat ik u bidden mag, hoor mij!"

»Wat komt gij hier doen?" riep zij.

»Ik kom u redden of sterven."

»Mij redden," herhaalde zij op droevigen toon; »neen, don Pablo,

mijn lot is voor altijd besloten, laat mij met vrede; vlucht als ik

u bidden mag."

»Neen, zeg ik u, er zweeft een vreeselijk gevaar over uws vaders hoofd,

hij is reddeloos verloren; kom en vlucht, nu het nog tijd is. O! Ellen,

ik bid u in naam onzer liefde, zoo rein en oprecht, volg mij!"

Het meisje schudde onwillig het hoofd met eene beweging die hare

lange blonde tressen deed golven.

»Ik ben ten doode gedoemd, don Pablo, u langer hier te houden is uw

verderf te zoeken. Gij bemint mij zegt gij, welnu, op mijne beurt zeg

ik u, uit naam van uwe liefde en uit dien van de mijne zoo gij het

wilt, bid ik u mij te verlaten, voor altijd te verlaten! O! geloof

mij toch, don Pablo. Zoo gij mij aanraakt, zijt gij dood, ik ben een

vervloekt schepsel."

De jongman kruiste de armen op de borst en richtte fier het hoofd op.

»Neen!" zeide hij vastberaden, »ik zal niet vertrekken, de belanglooze

trouw mag uw deel alleen niet zijn; wat zegt mijn leven, als ik u

niet meer zien mag? Ellen! wij zullen samen sterven."

»Mijn God! wat heeft hij mij lief," riep zij wanhopig. »Heer! Heer! zal

ik nog meer moeten lijden, of is de maat eindelijk vol? O, geef mij

de kracht om mijne zelfopoffering ten einde toe vol te houden! Hoor

eens, don Pablo," riep zij, hem met kracht bij den arm grijpende,

»mijn vader is een banneling, door de gansche wereld uitgeworpen; hij

heeft maar eene vreugd, een geluk in zijn onmetelijk ongeluk, namelijk

zijne dochter! Ik kan, ik wil hem niet verlaten. Hoe hartgrondig ik

u ook lief heb, don Pablo, nooit zal ik mijn vader verlaten. Nu heb

ik u alles gezegd wat er tusschen ons te zeggen is, mijn vriend;

door langer hier te vertoeven trotseert gij nutteloos een groot en

onvermijdelijk gevaar. Vertrek, don Pablo, vertrek, ik gebied het u."

»Bedenk," zei de jongman met tranen in de oogen, »bedenk, Ellen,

dat dit gesprek ons laatste zal zijn."

»Ik weet het."

»Wilt gij dan volstrekt dat ik zal gaan?"

»Ik gebied het."

»Ja, maar ik wil het niet!" riep op eens eene ruwe stem.

Zij keken verschrikt om, en zagen den Roode-Ceder, die met de

handen op zijn geweer gekruist op eenigen afstand hen grinnikend

aanstaarde. Ellen wierp haar vader zulk een gebiedenden blik toe dat

de oude Squatter onwillekeurig de oogen neersloeg.

Zonder te antwoorden wendde zij zich tot don Pablo en nam hem bij

de hand.

»Kom," zeide zij en trad stout naar haar vader, die steeds onbeweeglijk

stond.

»Laat ons door," zeide zij vastberaden.

»Neen," antwoordde de Squatter.

»Let wel op hetgeen ik u zeg, vader," hernam zij, »ik heb u mijn leven,

mijn geluk en al mijne wenschen op deze wereld ten offer gebracht,

maar op eene voorwaarde, namelijk dat zijn leven u heilig zal zijn;

laat hem dus gaan, ik wil het zoo."

»Neen," riep hij nog eens, »hij moet sterven."

Zij schoot in een stuipachtigen lach, welks scherpe toon de beide

mannen deed huiveren; met een lichtsnellen greep rukte zij den

Squatter een zijner pistolen uit den gordel, spande den haan, en

zette het zich voor het hoofd.

»Laat hem door!" herhaalde zij.

De Roode-Ceder brulde van schrik.

»Houd op," riep hij haar aangrijpende.

»Nog eens, laat door of ik dood mij."

»O!" riep de bandiet op een toon van onbeschrijfelijke woede, »ga dan,

duivel; maar ik zal u wel wedervinden!"

»Vaarwel, mijn geliefde," riep Ellen hartstochtelijk, »voor de laatste

maal, vaarwel!"

»Ellen," antwoordde de jongman, »tot wederziens, ik zal u redden in

weerwil van u zelve!"

En hij verdween in de galerij.

»Nu, vader," zei het meisje haar pistool wegwerpende, toen het geluid

der voetstappen van haar geliefde in de verte was weggestorven,

»nu kunt gij met mij doen wat gij wilt."

»U vergeef ik het, kind," antwoordde de Roode-Ceder tandknersend,

»maar hem zal ik dooden!"

XXXIX.

HET WILDE ZWIJN IN ZIJN LAATSTE VERSCHANSING.

Don Pablo liep ijlings de grot uit en keerde dadelijk naar Andres

Garote terug.

De gambusino sliep nog, en het kostte den jongman vrij veel moeite om

hem wakker te krijgen. Eindelijk opende hij de oogen, ging overeind

zitten, rekte zich een geruime poos, eindelijk toen hij de sterren

boven zich zag glinsteren, riep hij op gebelgden toon:

»Steken u de moskieten dat gij mij wakker maakt, laat mij toch slapen,

ik heb nauwelijks een dutje gedaan; het is nog in lang geen dag."

»Dat weet ik beter dan gij, daar ik niet geslapen heb," antwoordde

don Pablo.

»Dat is uw eigen dwaasheid," geeuwde de andere zijne kaken bijna te

bersten, »geloof mij toch, ga slapen, goeden nacht!"

En hij dacht dadelijk weer te gaan liggen, doch de jongman liet er

hem den tijd niet toe.

»'t Is wel een tijd om te slapen," zeide hij, hem de zarape afrukkende,

daar de andere zich te vergeefs in wilde wikkelen.

»Wordt gij dan razend dat gij mij zoo plaagt?" riep de gambusino kwaad,

»of is er wat nieuws gebeurd, zeg?"

Don Pablo vertelde hem wat hij gedaan had.

De gambusino hoorde hem met de meeste oplettendheid aan; toen het

verhaal uit was krabde hij zich achter de ooren en antwoordde:

»Demonios! dat ziet er ernstig uit! 't is in één woord

fataal! Verliefde menschen zijn gekke menschen. Gij hebt onze geheele

onderneming in de war geholpen."

»Denkt gij dat?"

»Canelo! ik weet het zeker; de Roode-Ceder is een oude vos en zoo

kwaadaardig als een oppossum; nu hij er eenmaal de lucht van heeft

zie ik geen kans om hem te verschalken."

Don Pablo staarde hem aan met een verlegen gezicht.

»Wat zullen wij doen?" zeide hij.

»Verkassen, dat is de veiligste weg. Gij begrijpt wel dat de andere

thans op zijne hoede is."

Er volgde tusschen de beide sprekers eene lange pauze.

»Canarios!" riep de gambusino op eens, »ik wil mij niet laten uit het

veld slaan, ik zal den ouden duivel een trek spelen op mijne manier."

»Wat is uw plan?"

»Dat is mijne zaak; zoo gij meer vertrouwen in mij gesteld hadt zou het

gansch anders met mij gegaan zijn, en zouden wij de zaken tot algemeen

genoegen hebben kunnen regelen. Enfin! wat gedaan is blijft gedaan, ik

zal uwe onhandigheid zien te herstellen. Wat u aangaat gij moet weg."

»Moet ik weg, waarheen dan?"

»Naar beneden den berg af; en dat wel om niet weder boven te komen

voordat uwe kameraden er zijn, die gij tot geleider zult dienen om

hen herwaarts te brengen."

»Maar gij dan?"

»Ik? Breek uw hoofd niet met mij. Vaarwel."

»Als het niet anders wezen kan," zei de jongman, »doe dan wat u

goeddunkt, ik geef u volkomen vrijheid."

»Gij hadt dit besluit vroeger moeten nemen. Maar, à propos! mag ik

uw hoed hebben, zeg?"

»Van ganscher harte, maar gij hebt er immers zelf een!"

»Ja, maar ik zal er waarschijnlijk nog een noodig hebben. Wacht! nog

een woord."

»Spreek."

»Als gij soms onder het afklimmen hoort schieten of zoo, maak u dan

niet ongerust, en kom vooral niet naar boven."

»Goed, dat is afgesproken, vaarwel!"

»Vaarwel!"

Na den gambusino zijn hoed te hebben toegeworpen, nam de jongman zijn

geweer op schouder en begon hij den berg af te klimmen, zoodat hij

weldra in de tallooze wendingen van het pad verdwenen was.

Zoodra Andres Garote zich alleen bevond, nam hij den hoed van don

Pablo en keilde hem in den afgrond waar hij hem met de oogen volgde

om te zien waar hij bleef.

Na eenige keeren op den tochtwind te hebben gezweefd, raakte de

hoed een uitstekende rotspunt, kaatste terug en bleef eindelijk op

aanmerkelijke diepte aan den steilen kant van de bergkloof hangen.

»Mooi!" zei de gambusino wel voldaan, »daar ligt hij juist goed;

nu iets anders."

Andres Garote ging op den grond zitten, nam zijn geweer en schoot

het in de lucht af; onmiddellijk daarna greep hij een der pistolen

uit zijn gordel, zette het met den tromp op de dikke spier van zijn

linker voorarm en schoot het af, de kogel ging er door en door en

maakte eene vleeschwond.

»Caramba!" riep hij terwijl hij dadelijk op den grond zonk, »dit

doet meer pijn dan ik dacht! maar dat is hetzelfde, het voornaamste

is hier dat ik mijn doel bereik; dat zullen wij nu moeten afwachten."

Er verliep bijna een kwartieruurs zonder dat de stilte der woestijn

door iets gestoord werd.

Andres lag al dien tijd te steunen en te kermen, dat hij de steenen

zou vermurwd hebben. Eindelijk hoorde hij op korten afstand een

licht gedruisch.

»Ei!" prevelde de gambusino die in stilte alles opmerkte wat er omging,

»ik geloof dat ik beet heb en de visch aan den haak is."

»Wie duivel hebben wij hier?" riep een ruwe stem, »kijk eens, Sutter."

Andres Garote sloeg de oogen op en herkende den Roode-Ceder en

zijn zoon.

»Ach!" riep hij op klagenden toon, »zijt gij dat, oude Squatter. Waar

drommel komt gij vandaan? Als ik ooit iemand verwachtte, u allerminst,

al ben ik recht blijde u te zien."

»Ik ken die stem," zei de Roode-Ceder.

»'t Is Andres Garote, de ranchero," antwoordde Sutter.

»Ja, ik ben het, goede Sutter," zei de Mexicaan, »o wee! wat heb ik

een pijn!"

»Zoo! wat scheelt u dan, en hoe komt gij hier?"

»Dat moogt gij wel zeggen," hernam de andere bitter. »Cuerpo de

Dios! alles is met mij van kwaad tot erger gegaan sedert ik mijne

rancho verlaten heb om in die verwenschte prairie te gaan."

»Wilt gij mij antwoorden, ja of neen?" riep de Roode-Ceder terwijl

hij met de kolf van zijn geweer op den grond stampte en hem een

argwanenden blik toewierp.

»Wel! ik ben gekwetst zoo als gij trouwens wel zien kunt, ik heb

een kogel door den arm gekregen en mijn lijf is erg gekneusd. Santa

Maria! wat ik niet lijd! Maar dat is minder, de bandiet die mij zoo

heeft toegetakeld zal niemand meer kwaad doen."

»Hebt gij hem gedood?" vroeg de Squatter met drift.

»Zoo min of meer! kijk maar eens in de bergkloof, dan zult gij zijn

lijk zien."

Sutter keek naar beneden.

»Ik zie een hoed," riep hij het volgend oogenblik, »het lijk zal niet

ver af zijn."

»Als het ten minste niet op den bodem der barranca ligt," zei Andres.

»Dat is wel waarschijnlijk," zei Sutter, »want de rots is bijna

loodrecht."

»O! demonios! nuestra Señora! wat lijd ik een pijn," kermde de

gambusino.

De Squatter was op zijn beurt over de steilte neergebogen. Hij had

den hoed van don Pablo herkend; en slaakte een zucht van genoegen

toen hij naar Andres terugkeerde.

»Hoor eens," zeide hij op zachter toon, »wij kunnen hier niet blijven,

kunt gij nog loopen?"

»Ik weet het niet, ik zal het probeeren."

»Probeer het dan, voor den duivel!"

De gambusino stond met veel moeite op, deed een paar stappen, maar

viel weder op den grond.

»Ik kan niet," zeide hij ontmoedigd.

»Bah!" riep Sutter, »ik zal hem op mijn rug nemen, hij is zoo zwaar

niet."

»Haast u dan en maak er een eind aan."

De jongman bukte, nam den gambusino op, en zette hem op zijne schouders

met zooveel gemak alsof het een kind was.

Tien minuten later lag Andres Garote in de grot bij het vuur, terwijl

Fray Ambrosio bezig was hem den arm te verbinden.

»Ik moet zeggen, kameraad," zei de monnik, »dat gij zeer behendig

gewond zijt."

»Hoe dat?" vroeg de Mexicaan niet op zijn gemak.

»Te duivel, ja; een wond in den linker arm zou u in geval van nood

niet beletten om met ons nog een goed schot te doen."

»Dat doe ik, wees daarvan verzekerd," antwoordde hij op zonderlingen

toon.

»Maar behalve dat, gij hebt mij nog niet gezegd hoe gij zoo toevallig

in de bergen zijt gekomen," zei nu de Roode-Ceder.

»Dat toeval is zeer eenvoudig, sedert de nederlaag en verstrooiing van

onze arme quadrille heb ik in de woestijn rond gezworven als een hond

die zijn baas kwijt is, door de Indianen nagejaagd om gescalpeerd en

door de blanken vervolgd om gehangen te worden, daar ik in de bende

van den Roode-Ceder gediend had, wist ik geen raad waar heen? Nu

drie dagen geleden kwam ik bij toeval in deze sierra; en heden nacht

nadat ik zoo even pas een mond vol gegeten had en gereed was om een

weinig te slapen, ben ik door een onbekend persoon in de duisternis

onverwachts aangevallen; het overige weet gij, maar dat is hetzelfde,

ik heb behoorlijk met hem afgerekend."

»Goed, goed," viel de Roode-Ceder hem in de rede, »houd dat maar voor

u zelven; voor het tegenwoordige wil ik u groeten, gij zult wel rust

noodig hebben, zie een beetje te slapen zoo gij kunt."

De krijgslist van den gambusino was te eenvoudig en tevens te fijn

overlegd om niet te gelukken.

Niemand kon veronderstellen dat iemand zoo dwaas zou zijn geweest

om zich voor de aardigheid zulk een ernstige wond toe te brengen;

wat nog meer had bijgedragen om de vermoedens van den Roode-Ceder te

doen verdwijnen, was dat hij den hoed van don Pablo had gezien.

Hij kon zich niet voorstellen, dat twee personen van zoo verschillenden

rang en vooral van zoo ver uiteenloopend karakter samen een verbond

zouden hebben gemaakt.

Dit viel niet in zijne berekening, alles was te gelooven maar dat niet.

Derhalve hadden de bandieten, die Andres Garote als een der hunnen

beschouwden, in hem geen het minste wantrouwen.

De gelukkige ranchero, tevreden dat hij zich in het hol van den

leeuw bevond en bijna zeker van het welslagen zijner plannen, was te

veel aan wonden gewoon om zich erg over de vleeschwond te bekommeren

die hij zich met lofwaardige moed en behendigheid had toegebracht,

zoodat hij zich onbezorgd ter ruste legde en spoedig insliep.

Toen hij wakker werd, zat Fray Ambrosio bij hem en stond zijn ontbijt

gereed.

»Wel!" vroeg hem de monnik, »hoe bevindt gij u thans?"

»Veel beter dan ik verwacht had," antwoordde hij, »dat slaapje,

hoe kort ook van duur, heeft mij goed gedaan."

»Laat ik uwe wonde eens bezien, compadre."

Andres hield hem zijn arm voor, dien de monnik op nieuw verbond.

De beide mannen praatten nog een poosje samen, als oude kennissen

die blijde waren elkander na lange afwezigheid weder te zien.

Plotseling kwam de Roode-Ceder aanloopen, met zijn geweer in de hand.

»Op! op!" schreeuwde hij, »daar is de vijand!"

»De vijand!" riep de gambusino. »Canelo! waar is mijn buks? Als ik

niet staan kan zal ik zittende schieten; men moet niet kunnen zeggen

dat ik mijne vrienden niet geholpen heb toen zij in nood waren."

Terstond kwam Sutter van de andere zijde aanloopen al schreeuwende:

»Op! op!"

De zonderlinge samenloop eener dubbele overrompeling van twee kanten

tegelijk, bracht den Roode-Ceder tot nadenken.

»Wij zijn verraden!" riep hij.

»Door wie?" vroeg de gambusino onbeschaamd.

»Door wie, door u misschien!" antwoordde de Roode-Ceder toornig.

Andres begon te lachen.

»Gij lijkt wel gek, Roode-Ceder," zeide hij, »brengt het gevaar

uw hoofd in de war, gij weet immers dat ik hier niet van daan ben

geweest."

De schijn moest hier wel voor bewijs gelden.

»En toch zou ik durven zweren dat wij door een der onzen verraden

zijn," hervatte de Squatter woedend.

De lynch-wet · 第 27 / 29 段