verdeelde zich in verscheidene takken van verschillende hoogte, de een
bijna tot de kruin des bergs opklimmende, terwijl anderen daarentegen
diep in den grond afdaalden; een onderaardsch meer, de vergaarbak
van een of ander ongenoemde rivier, strekte zich verder uit dan het
gezicht reikte, onder een laag gewelf, dat wemelde van vledermuizen.
Tevens had de grot meer dan een uitgang, geheel in tegenovergestelde
richting; deze uitgangen waren zoo goed verborgen, dat men ze uitwendig
onmogelijk kon bespeuren.
Een ding slechts bekommerde de avonturiers, namelijk de vraag hoe zij
levensmiddelen zouden bekomen; hiervoor echter meende de Roode-Ceder
wel te zullen zorgen door strikken te zetten, en zelfs door in den
berg te jagen.
Ellen was in een loodzwaren slaap geraakt, op het bed van
bisonsmantels, dat haar vader in der haast voor haar had gereed
gemaakt. Het ongelukkige meisje had zooveel geleden en sedert de
laatstvorige dagen zoo zware vermoeienis moeten doorstaan, dat zij
zich letterlijk niet meer op de been kon houden.
Toen de drie mannen de grot hadden bezichtigd, kwamen zij terug in
het vertrek waar Ellen sliep.
De Roode-Ceder staarde haar een poos aan met een blik van onbegrensd
leedgevoel; hij hield te veel van zijne dochter om haar niet te
beklagen en niet met smart te denken aan het vreeselijk lot dat haar
in zijne nabijheid te wachten stond, en daar hij geen middel voor
wist om het af te wenden.
Fray Ambrosio die steeds waakte voor zijne eigene belangen, ontrukte
den Squatter, aan zijne tweeledige beschouwing.
»Wel! compadre" zeide hij, »wij zijn waarschijnlijk gedoemd om hier
een geruimen tijd te blijven?"
»Zoolang tot onze vervolgers moede worden ons te zoeken, en eindelijk
aftrekken."
»Dat kan misschien nog lang duren; ik zou u dus tot meerdere zekerheid
raden een ding te doen."
»Wat?"
»Er liggen hier groote blokken steen, die door den tijd van het
gewelf zijn gevallen; zoo gij mij gelooven wilt, moesten wij er,
eer wij gaan slapen drie of vier van de grootste voor den ingang der
grot wentelen daar wij zijn binnengekomen."
»Waarvoor zou dat dienen?" vroeg de Squatter verstrooid.
»In onze tegenwoordige omstandigheden kunnen wij niet te veel
voorzorgen nemen, de Indianen zijn zoo duivelsch listig dat zij in
staat zouden zijn om door den hollen boom naar omlaag te komen."
»De padre heeft gelijk, oude," bromde Sutter, die reeds half sliep;
»het is zoo groote moeite niet om die steenen naar het gat te rollen,
dan zijn wij ten minste allen op ons gemak."
»Doe wat gij wilt," antwoordde de Squatter, die op nieuw zijne
dochter aanstaarde.
De beide anderen stonden op om hun gemaakte plan dadelijk ten uitvoer
te brengen, en een half uur later was de opening der grot zoo kunstig
verstopt, dat iemand die het niet wist, nooit zou geloofd hebben dat
er eene zoo groote opening bestaan had.
»Nu kunnen wij gaan slapen," zei Fray Ambrosio, »althans kunnen wij
gerust zijn."
XXXVII.
DE CASSETTE.
In weerwil dat de Witte-Gazelle hem een goed eind vooruit was, had
don Pablo haar in minder dan twee mijlen ingehaald.
Zoodra het meisje den galop van een paard achter zich hoorde had
zij omgekeken.
Een enkele blik was haar genoeg om den Mexicaan te herkennen.
Toen zij hem zag kleurde een koortsachtig rood hare wangen, en deed
eene stuipachtige beweging al hare leden trillen, kortom zij ontroerde
zoo hevig, dat zij genoodzaakt was stil te houden.
Uit schaamte evenwel en te fier om den man dien zij zonder hoop
beminde, te laten blijken welk een indruk zijne verschijning op haar
maakte, vermande zij zich en gelukte het haar een onverschillig
gelaat te toonen, terwijl het onderdrukte gevoel voortwoelde in
haar binnenste.
»Wat doet hij dezen kant uit? en waar gaat hij heen?" vroeg zij zich
zelve. »Wij zullen zien," vervolgde zij een oogenblik later.
Zij wachtte hem af.
Don Pablo had haar weldra achterhaald. Het meisje was in haar
gejaagden zenuwtoestand al zeer weinig geschikt voor diplomatische
onderhandelingen.
Toen de Mexicaan haar bereikte groette hij haar, en reed zonder het
woord tot haar te richten spoorslags voorbij.
De Gazelle schudde het hoofd.
»Ik zal hem wel aan 't spreken krijgen," zeide zij.
Hiermede gaf zij haar paard de sporen, zweepte het met de chicote en
voegde zich weldra in vollen galop aan de zijde van don Pablo.
De beide ruiters reden aldus een geruimen tijd naast elkander, zonder
een woord te wisselen.
Elk van hen scheen bevreesd het gesprek te beginnen, wel bewust dat
het terstond op een heet terrein zou worden gevoerd.
Altoos naast elkander voortgaloppeerende, kwamen zij aan een plaats
waar het pad dat zij bereden zich vaneenscheidde en twee verschillende
richtingen volgde.
De Witte-Gazelle hield haar paard in, en wees met de hand naar het
noorden.
»Daar moet ik heen," zeide zij.
»En ik ook," antwoordde don Pablo zonder aarzelen.
Het meisje keek hem aan met een blik van verwondering die al te
natuurlijk scheen om niet geveinsd te wezen.
»Waar moet gij dan heen?" hervatte zij.
»Waar gij heen moet," antwoordde hij.
»Maar ik moet naar het kamp van den Zoon des Bloeds."
»Welnu, ik insgelijks; vindt gij daar zooveel wonders in?"
»Ik; niets; wat gaat het mij aan," riep zij meesmuilend.
»Gij zult mij dus wel toestaan, nina, u tot zoo ver gezelschap
te houden?"
»Ik kan noch wil u dat beletten, caballero, de weg is vrij," hernam
zij droog.
Zij zwegen als bij onderlinge afspraak; ieder redeneerde met zich
zelven en verdiepte zich in zijn eigene gedachten.
Nu en dan wierp de Gazelle haar nevenman een van die helderziende
blikken toe waarmede de vrouwen in iemands hart kunnen lezen; er trilde
een glimlach op hare lippen, en zij schudde moedwillig het hoofd. Welke
zonderlinge gedachten woelden er wellicht in dat zeventienjarig brein?
Altoos in denzelfden galop doorrijdende kwamen zij tegen twee uren
na den middag aan het veer eener kleine rivier, aan welks anderen
oever men omtrent twee mijlen verder, tegen het hangen van den berg,
de tenten in het kamp van den Zoon des Bloeds zag schemeren. De
Witte-Gazelle bleef staan en op het oogenblik dat don Pablo met zijn
paard in het rivierbed wilde afdalen legde zij haar kleine hand aan
den teugel en sprak, hem terughoudend, met eene zachte maar vaste stem:
»Eer wij verder gaan, caballero, zou ik gaarne een woord met u
spreken."
Don Pablo zag haar verwonderd aan, maar deed geen enkele poging om
zich aan haar vriendelijken maar lastigen drang te onttrekken.
»Ik hoor u, señorita," antwoordde hij met eene buiging.
»Ik weet waarom gij naar het kamp van den Zoon des Bloeds gaat,"
hervatte zij.
»Daar twijfel ik aan," riep hij hoofdschuddend.
»Onnoozele! toen ik dezen morgen met Valentin sprak, laagt gij te
slapen aan onze voeten."
»Dat is zoo."
»Al waren uwe oogen gesloten, uwe ooren waren geopend."
»Waarmede gij zeggen wilt?"
»Dat gij ons gesprek hebt afgeluisterd."
»En als dat zoo eens was, wat zoudt gij daaruit besluiten?"
»Dit: gij gaat naar het kamp om mijne plannen te dwarsboomen, ja
zelfs in duigen te werpen, zoo dat mogelijk was."
»Ik!"
»Gij."
De jongman sidderde. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat men hem zoo
volkomen had kunnen doorgronden.
»Señorita," begon hij aarzelend....
»Ontken het maar niet," riep zij goedwillig, »het zou u niets baten;
ik weet alles."
»Alles!"
»Ja, en veel meer nog dan gij zelf er van weet."
De Mexicaan was verslagen.
»Laten wij met open kaart spelen," vervolgde zij.
»Met alle genoegen," antwoordde hij, zonder te weten wat hij zeide.
»Gij zijt verliefd op de Squattersdochter," zeide zij ronduit.
»Ja," antwoordde hij.
»Gij wilt haar redden?"
»Ja."
»Ik zal u helpen."
»Gij?"
»Ik."
Er volgde een poosje stilte.
Deze weinige woorden waren tusschen de beide sprekers met zenuwachtige
snelheid gewisseld.
»Gij bedriegt mij immers niet?" vroeg don Pablo een oogenblik later
beschroomd.
»Neen," antwoordde zij oprecht, »waarom zou ik? Gij hebt haar eenmaal
uw hart gegeven, men verlieft niet voor de tweede maal, ik zal u
helpen, zeg ik u."
De jongman staarde haar aan met gemengde verwondering en schrik.
Hij wist dat de Witte-Gazelle nauwlijks vijf of zes maanden geleden
Ellen's onverzoenlijke vijandin was, hij vreesde dus een strik.
Zij begreep dit onmiddellijk, een treurige glimlach vloog over
hare lippen.
»Liefde is mij niet meer gegund," zeide zij, »mijn hart is niet eens
groot genoeg voor den haat die mij verteert, ik behoor alleen aan de
wraak. Geloof mij, don Pablo, ik zal u trouw dienen. Als gij eindelijk
gelukkig zijt, zult gij misschien voor mij een weinig vriendschap
en dankbaarheid gevoelen. Dat is helaas, het eenige wat ik nog
begeer. Ik ben een van die ongelukkige wezens die als op een hellend
vlak schijnen te staan en zich in hun val niet kunnen ophouden. Beklaag
mij, don Pablo, maar vrees niet dat ik u verraden zal, ik herhaal u,
gij zult nooit trouwer vriendin gehad hebben dan mij."
Het meisje sprak deze woorden op zulk een toon van oprechtheid, en
men kon zoo duidelijk zien dat zij haar hart zonder voorbehoud ten
offer bracht, dat don Pablo er tegen wil en dank door bewogen werd,
en haar met jeugdige gulheid zijne hand toestak.
Zij drukte die met warmte, wischte een traan weg en nu alle
aandoeningen ter zijde stellende, zeide zij:
»Nu verder geen woord meer, wij verstaan elkander, niet waar?"
»O, ja!" antwoordde hij.
»Gaan wij over de rivier," riep zij glimlachend, »binnen tien minuten
zijn wij in het kamp; niemand behoeft te weten wat er tusschen ons
gesproken is."
Tien minuten later kwamen zij werkelijk in het kamp van den Zoon
des Bloeds, waar zij met vroolijke juichkreten en welkomstgroeten
ontvangen werden.
Zij reden het kamp door in galop en hielden eerst stil voor de tent
van den partijganger.
Deze, door het gejuich bij hunne komst verrast, was naar buiten
gekomen om hen op te wachten.
De ontvangst was hartelijk. Na de eerste plichtplegingen deed de
Witte-Gazelle haar oom verslag van haar wedervaren en van het gebeurde
in het kamp van den Eenhoorn tijdens haar oponthoud aldaar.
»De Roode-Ceder is een ware duivel," antwoordde hij; »ik alleen heb
de middelen in handen om hem meester te worden."
»Op welke wijs?" vroeg don Pablo.
»Dat zal ik u laten zien," zeide hij.
Zonder zich nader te verklaren, bracht hij een zilveren fluitje aan
zijne lippen en blies er een langen helderen toon uit.
Op dit appèl werd het bisonsvellen gordijn voor den ingang der hut
opgeheven en verscheen er een man.
Don Pablo herkende Andres Garote. De gambusino boog met die vleiende
en slaafsche beleefdheid, die den Mexicanen bijzonder eigen is, en
wachtte terwijl hij met zijne kleine grijze en verstandige oogen den
Zoon des Bloeds strak aankeek.
»Meester Garote," zeide de partijganger zoodra hij hem zag, »ik heb
u geroepen omdat ik u over ernstige zaken spreken moet."
»Ik ben tot uwe geëerde orders," antwoordde hij.
»Gij herinnert u zeker het contract dat tusschen ons gesloten is toen
ik u in mijn quadrilla heb aangenomen?"
Andres Garote boog toestemmend.
»Ik herinner het mij," zeide hij.
»Zeer goed. Hebt gij nog altijd een wrok tegen den Roode-Ceder?"
»Niet bepaald tegen den Roode-Ceder, señor, persoonlijk heeft hij
mij nooit leed gedaan."
»Dat is zoo; maar ik geloof dat gij u wilt wreken aan Fray Ambrosio."
In het oog van den gambusino fonkelde een blik van haat, die bij den
partijganger niet onopgemerkt bleef.
»Ik zou mijn leven willen geven om het zijne te hebben."
»Goed! zulke lieden bevallen mij; als gij wilt zal aan uw verlangen
spoedig voldaan worden."
»Als ik wil! señor, als ik wil!" riep de ranchero met
vuur. »Canarios! zeg mij maar wat ik daarvoor doen moet en het zal
spoedig gedaan zijn. Ik zweer u dat ik niet zal aarzelen."
De Zoon des Bloeds kon zijn genoegen nauwelijks ontveinzen.
»Welnu," zeide hij; »de Roode-Ceder, Fray Ambrosio en de anderen zijn
slechts weinige mijlen van hier in de bergen verscholen; gij zult u
daarheen begeven."
»Dat zal ik."
»Let wel, dat gij, onverschillig door welke middelen, maar dat gij u
bij hen indringt, en hun vertrouwen weet te winnen, en als gij dat
verworven hebt en de noodige inlichtingen hebt opgedaan, komt gij
weder hier om ons in staat te stellen dat adderengebroedsel uit den
weg te ruimen."
De gambusino dacht een oogenblik na, zoodat de Zoon des Bloeds meende
dat hij begon te dralen.
»Aarzelt gij?" vroeg de andere.
»Ik aarzelen!" riep de ranchero met een zonderlingen grijnslach,
»neen, señor, integendeel, maar ik ging met mij zelven te rade."
»Waarover?"
»Dat zal ik u zeggen: de last dien gij mij opdraagt is eene taak
op leven of dood. Als ik faal is mijne rekening spoedig opgemaakt,
dan slaat de Roode-Ceder mij dood als een hond."
»Wel waarschijnlijk."
»Hij heeft er het recht toe, ik kan er hem geen verwijt van maken; maar
al ben ik dood, zou ik toch niet willen dat de schelm er goed afkomt."
»Gij kunt op mijn woord staat maken."
Op het magere gezicht van den gambusino kwam een trek van
onbeschrijfelijke sluwheid en list.
»Daar maak ik ook staat op, señor, maar gij hebt zulke gewichtige
zaken om handen, die al uw tijd vorderen, dat gij mij, zonder het te
willen, misschien vergeten zult."
»Wees daar maar niet bang voor."
»Men kan voor niets instaan, señor, er kunnen in het leven zulke
wonderlijke omstandigheden voorkomen, dat...."
»Waar wilt gij heen? Kom, verklaar u ronduit."
Andres Garote sloeg zijn zarape op, haalde een klein stalen kistje
te voorschijn en zette het op de tafel, waar de partijganger aan
gezeten was.
»Daar, señor," zeide hij op dien zoetsappigen toon dien hij zelden
varen liet, »neem dat kistje, en als ik vertrokken ben, breek dan
het slot open; ik ben zeker dat gij er eenige papieren in vindt die
u belang zullen inboezemen."
»Wat moet dat nu beteekenen?" riep de Zoon des Bloeds ten hoogste
verwonderd.
»Dat zult gij wel zien," antwoordde de gambusino altijd bedaard,
»nu ben ik zeker dat, al mocht gij mij vergeten, gij u zelven niet
vergeten zult, en dat ik van uwe wraak partij zal trekken."
»Kent gij dan die papieren?"
»Wat denkt gij, señor, dat ik dat koffertje gedurende zes maanden in
mijn bezit zou hebben gehad zonder mij te verzekeren van hetgeen er in
is? Neen, señor, ik weet gaarne wat ik heb, of bezit. Gij zult zien,
dat het voor u zeer groote waarde heeft."
»Maar als dat zoo is, waarom hebt gij mij dan die papieren niet eerder
ter hand gesteld?"
»Omdat de geschikte tijd daartoe niet gekomen was; ik wachtte slechts
op de gelegenheid die mij van daag te stade komt. Wie zich wreken wil
moet geduld leeren hebben, gij kent het spreekwoord wel, señor, de
wraak is een vrucht die niet gegeten kan worden voordat hij rijp is."
Zoolang de gambusino sprak, hield de partijganger de oogen onafgewend
op de cassette gericht, met vurigen blik en de handen krampachtig
samengevouwen; en toen hij zweeg, vroeg hij hem:
»Gaat gij nu vertrekken?"
»Dadelijk señor; alleen zou ik, zoo gij er niets tegen hebt, aan de
bepalingen die gij mij hebt voorgeschreven gaarne nog iets veranderen."
»Wat dan?"
»Ik geloof dat het beter zou zijn als ik niet verplicht was om hier
terug te komen; dat zal maar kostbaar oponthoud geven met heen en weer
loopen, daar de Roode-Ceder, wiens vermoedens niet sluimeren zullen,
gewis gebruik van zal maken om zich te verplaatsen."
»Dat is zoo, maar hoe zullen wij dan doen?"
»O! dat is eenvoudig genoeg; weet gij wat, señor, als het oogenblik
daar is om onze netten uit te zetten, ontsteek ik een vuur op de
bergen, tot een teeken dat gij u op weg moet begeven, alleen zou
het niet kwaad zijn dat er iemand met mij medeging om zich ergens,
in de nabijheid van de plaats waar ik ben, schuil te houden."
»Aan dat verlangen zal voldaan worden," antwoordde de Witte-Gazelle,
»en niet slechts één, maar twee personen zullen u vergezellen."
»Hoezoo dat?"
»Don Pablo de Zarate en ik hebben het voornemen u te volgen," hernam
zij met een blik naar den jongman, die haar dadelijk begreep.
»Dan zijn wij in eens klaar," riep de gambusino, »en dan kunnen wij
vertrekken zoodra gij maar wilt."
»Oogenblikkelijk, oogenblikkelijk!" riepen de beide jongelieden.
»Onze paarden zijn niet te zeer vermoeid, zij kunnen van daag dat
toertje nog gemakkelijk doen," liet don Pablo er op volgen.
»Haast u dan, want de oogenblikken zijn kostbaar," zei de partijganger,
die als op heete kolen stond om alleen te zijn.
»Ik vraag slechts eenige minuten om mijn paard te zadelen."
»Ga dan, wij wachten u hier."
De gambusino ging heen.
De drie personen spraken niet verder, maar schenen alle drie even vol
belangstelling in het kistje, daar de Zoon des Bloeds zijne hand op
hield, als vreesde hij dat men het hem ontstelen zou.
Drie minuten later hoorde men daarbuiten een paard in galop; en
weldra stak Garote zijn hoofd door de deur terwijl hij het gordijn
half ophief.
»Hier ben ik," riep hij.
De Witte-Gazelle en don Pablo stonden op.
»Vertrekken wij," zeiden zij onmiddellijk de deur uitgaande.
»Goede reis!" riep de partijganger hun na.
»Señorita, denk aan de cassette," grinnikte de gambusino, »gij zult
verrukt zijn over den inhoud."
Het gordijn der tent viel; de paarden vertrokken in vliegenden galop.
Nauwelijks bevond de partijganger zich alleen of hij stond op,
versperde zorgvuldig den ingang zijner hut, om niet gestoord te worden
in het onderzoek dat hij zich voorstelde; ging toen weder zitten,
na uit een zakje van antilopenvel eenige sleutels van verschillenden
vorm te hebben gekregen.
Hij nam de cassette en bekeek haar aandachtig aan alle kanten. Er was
niets bijzonders aan te zien; zooals wij reeds elders gezegd hebben,
was het een licht koffertje van geciseleerd staal, met uitnemend veel
smaak bewerkt, kortom, een kunstjuweeltje op zich zelve.
Ondanks zijn verlangen om te weten wat er in was, aarzelde hij toch het
te openen; het kleine aanvallige meubeltje baarde hem eene ontroering
daar hij zich geen rekenschap van wist te geven; hij meende het reeds
vroeger gezien te hebben, maar zocht te vergeefs in zijne geheugenis
op te delven onder welke omstandigheden.
»O!" mompelde hij binnensmonds als tegen zich zelven, »als ik eindelijk
de voltooiing mocht bereiken van het werk waaraan ik mijn gansche
leven heb toegewijd!"
Hij verviel in eene diepe mijmering en zat een geruimen tijd voor
zich te kijken, zonder iets te zien en scheen geheel overstelpt door
de bittere herinneringen die zijne borst beklemden.
Eindelijk hief hij de oogen op, schudde met ongeduldige drift zijne
zware haarlokken en streek zich met de hand over het voorhoofd.
»Niet langer geaarzeld," zeide hij met eene holle stem, »laten wij
zien waaraan wij ons te houden hebben. Er spreekt in mij eene stem, die
mij zegt dat mijne nasporingen met goed gevolg zullen bekroond worden."
Nu greep hij met krampachtige handen een der loopers en stak dien in
het slot, maar zijne ontroering was zoo sterk, dat hij met het werktuig
onmogelijk iets kon uitrichten; hij wierp het toornig ter zijde.
»Ben ik dan een kind?" riep hij, »laat ik toch bedaard blijven."
Hij vatte den looper met vaste hand. Het kistje sprong open.
De partijganger keek gretig naar binnen.
Er was niets anders in dan een paar brieven, door den tijd verkleurd
en verschrompeld.
Zoodra hij ze zag werd zijn gelaat doodelijk bleek: ongetwijfeld had
hij met den eersten oogopslag het handschrift herkend. Hij brulde
schier van vreugde, en greep de beide brieven onder het uiten van
een vervaarlijken kreet.
»Daar heb ik dan nu de bewijzen die ik meende dat vernietigd waren!"
Hij opende de brieven met de meeste zorg, uit vrees dat zij in de
vouwen scheuren mochten, en begon te lezen. Weldra ontsnapte een
zucht van zelfvoldoening aan zijne beklemde borst.
»Ach!" murmelde hij, »levert de Hemel mij eindelijk mijne vijanden
in handen; nu zullen wij onze rekening sluiten!"
Hij legde de brieven weder in de cassette, sloot het zorgvuldig dicht
en stak het bij zich.
XXXVIII.
EEN ROOKZUIL IN DE BERGEN.
De drie avonturiers die het kamp van den partijganger zoo snel
uitgereden waren, hadden den weg naar de bergen gekozen. Zij
galoppeerden onophoudelijk en zwijgend voort.
De ontknooping van het vreeselijke drama, dat zoo lang had geduurd,
begon te naderen, dat voelden zij, en toch waren zij treurig gestemd.
Zoo is de mensch, geen gevoel dat hem sterker overmeestert dan de
droefheid; het menschelijk gestel is als geboren om te strijden,
vreugde is een abnormale toestand; gevormd om op harde proeven te
worden gesteld, is de sterkste soms de eerste die bezwijken zal in
voorspoed; ja de beide aandoeningen, hoe verschillend in hare soort,
zijn in hare uitwerksels zoo aan elkander gelijk, dat groote blijdschap
de zielskracht evenzeer vernietigt als groote droefenis.
Dit bleek weder aan de drie boven genoemde personen. Op het oogenblik
dat zij hunne lang gekoesterde hoop verwezenlijkt zagen, gevoelden
zij zich gedrukt en neerslachtig, zonder eigenlijk te weten waarom.
De beslissende slag zou thans worden geslagen. Sedert maanden voerden
zij een harden strijd tegen een geducht kampioen, die list tegen list
en sluwheid tegenover sluwheid wist te stellen en ten slotte ofschoon
zwaar gewond nog altijd overwinnaar was gebleven.
Ditmaal echter was de kans verkeerd; de zegepraal scheen te zullen
verblijven aan de zijde van het goed recht; terwijl de bandiet, tot
in zijn laatste wijkplaats teruggedrongen, met ieder uur verwachten
kon te worden ten ondergebracht.
Intusschen ontveinsden zij zich geenszins de moeielijkheden van
dezen beslissenden strijd, in welken de bandiet, zoo het hem al niet
gelukte hen door nieuwe list andermaal te bedriegen, misschien door
een eervollen dood in de laatste verschansing ontsnappen kon aan de
straf die hem was toegedacht.
In hunne tegenwoordige stemming laat zich licht begrijpen dat er
tusschen de drie avonturiers niet gesproken werd, tot zij eindelijk
de eerste bergen bereikten.
Daar hielden zij stil.
»Caballeros!" zeide de gambusino, »eer wij verder gaan, zal het dunkt
mij niet kwaad zijn eenige hoognoodige beschikkingen te maken."
»Welke beschikkingen bedoelt gij?" vroeg don Pablo.
»Wij komen hier in eene streek," antwoordde Andres Garote, »waar
wij van onze paarden meer last dan nut hebben; in de bergen kan een
voetganger overal voort en een ruiter schier nergens."
»Dat is zoo; laten wij dus onze paarden hier; de edele dieren zullen
zich niet verder verwijderen dan noodig is om voedsel te vinden. Als
wij ze later weder gebruiken moeten, zullen wij ze na weinig zoekens
wel terugvinden."
»Is de señorita van dezelfde meening?" vroeg de gambusino beleefd.
»Volkomen," antwoordde zij.
»Stijgen wij dan af; ontzadelen wij de paarden en laten wij hen aan
hun lot over."
Alle drie stegen af, ontnamen den paarden het hinderlijke tuig en
stuurden hen met een klap op het kruis de wildernis in.
De edele dieren, aan deze behandeling gewoon, verwijderden zich
nauwelijks eenige stappen en begonnen vreedzaam te weiden van het
harde prairiegras.
»Ziezoo, dat is gedaan," zeide de gambusino; »denken wij nu aan
ons zelven."
»Maar de tuigen," merkte de Gazelle aan; »als het oogenblik daar is,
zullen wij ze gaarne onder ons bereik nebben."
»Zeer juist geredeneerd," hernam Andres; »wij zullen ze daarom op
eene veilige plaats bergen; kijk, daar in dien hollen boomstam is
een hoekje dat er bijzonder toe dienen kan."
»Caramba! dat is een uitmuntend idee," zei don Pablo, »daar moeten
wij gebruik van maken."
De drie zadels en hoofdstellen werden in den hollen boom gestopt en
door den gambusino zoo dicht met dood blad bedekt, dat er niets van
te zien of te vermoeden was.
»Laten wij thans voor ons eigen nachtverblijf zorgen," zei de
Witte-Gazelle; »de nachten zijn koud in dit seizoen, vooral in de
bergen, de avond daalt reeds snel, weldra omringt ons de duisternis."
Onze drie veldontdekkers waren laat uit het kamp gereden en terwijl zij
zich met het afnemen en verbergen der tuigen bezighielden, was de zon
al lager en lager naar de kimmen gezakt en eindelijk ondergegaan. Op
dit oogenblik bevonden zij zich juist in de schemering tusschen dag
en nacht, die in de prairie zoo kortstondig is en gedurende welke het
wegstervende daglicht, met de aardsche duisternis om de heerschappij
kampende, het landschap doopt in een soort van halflicht dat de
voorwerpen vertoont als door een prisma gezien.