gewild, en ik hoop dat God mij niet straffe omdat ik u gehoorzaamd
heb. Maar nu vorder ik op mijne beurt dat de zorg voor uwe gezondheid
aan mij alleen zij opgedragen."
»Wat wilt gij dan?" vroeg zij hem met een onbeschrijfelijken glimlach.
»Ik wil dat gij eenige uren rust neemt, die u zoo noodig is na de
vele vermoeienissen van den dag en de aandoeningen van dezen avond."
»En gij dan, kind?"
»Ik, moeder, ik ga ook slapen, want is deze dag zwaar en moeielijk
geweest, die van morgen zal het niet minder zijn; ga dus gerust slapen
en bekommer u volstrekt niet om mij."
Mme. Guillois kuste haar zoon hartelijk vaarwel en wierp zich op het
bed van dierenvellen, dat door de zorg van de Zonnestraal voor haar
was gereed gemaakt.
Valentin trad de calli uit en begaf zich naar zijne vrienden, die op
korten afstand rondom een vuur lagen, dat door Curumilla was aangelegd.
In plaats echter van te slapen, zoo als hij tegen zijne moeder gezegd
had, wierp de jager eerst eenige armvollen droog hout op het vuur,
om te zorgen dat het niet uitging, zette zich toen met den rug tegen
een boom, kruiste de armen op de borst en verzonk in diepe gepeinzen.
Zoo ging bijna de gansche nacht voorbij zonder dat de jager er aan
dacht om te slapen.
Welke gedachten kunnen er op dat oogenblik in het brein van den
krachtvollen man hebben gewoeld en waren in staat om tranen op zijne
gebronsde wangen te brengen.
Van waar die treurigheid en ontmoediging, die zijne ziel overmeesterden
en hem zoo zwak maakten als eene vrouw.
Deze droefheid die hij als een kostelijken schat in zijn binnenste
bewaarde was een geheim tusschen God en zijn geweten.
Geen sterveling die haar vermoedde, veel min er de oorzaak van kende,
dan misschien Curumilla alleen; maar de trouwe Indiaan zou liever
hebben willen sterven, dan zijn aangenomen broeder te doen blijken
dat hij kennis droeg van de diepe, altijd bloedende wond die zijn
hart verteerde.
Intusschen gingen de uren het een na het ander voorbij, de sterren
verbleekten reeds aan den hemel, die den oostelijken horizont reeds
met flauwe opaaltinten begon te kleuren.
De dag zou dus weldra verschijnen. Valentin, door de snerpende
morgenkoude verkleumd, vestigde zijn blik op de aarde en prevelde
met een gesmoorden zucht:
»Is zij gelukkig!"
Van wie sprak hij?
Wie was de onbekende, waarvan het aandenken hem gedurende een ganschen
slapeloozen nacht had beziggehouden?
Niemand had dit kunnen zeggen, want nimmer nog was haar naam den
jager op de lippen gekomen.
Het vuur was bijna uitgedoofd; hij stookte het weder aan.
»Ik moet toch een weinig zien te slapen," mompelde hij.
Zich toen dicht in zijn bisonsmantel wikkelende legde hij zich neder,
sloot de oogen en zocht den slaap, dien grooten vertrooster der
bedroefden, door velen vaak zoo lang te vergeefs ingeroepen eer hij
komt om hun eenige uren vergetelheid te schenken van hunne smarten.
Hij was nauwelijks ingedommeld, of eene mollige hand werd hem zacht
op den schouder gelegd en eene bedeesde stem fluisterde zijn naam
aan zijn oor.
De jager opende dadelijk de oogen en vloog driftig op.
»Wie daar?" zeide hij.
»Ik, de Witte-Gazelle."
Werkelijk stond het meisje onbeweeglijk aan zijne zijde.
Valentin, die nu geheel wakker was, wierp zijn bisonsmantel af,
stond op en schudde zich een oogenblik.
»Ik ben tot uwe orders," zeide hij, »wat wilt gij?"
»Ik kom u raadplegen," antwoordde zij.
»Spreek, ik hoor u."
»Heden nacht, terwijl gij met den Eenhoorn bezig waart den Roode-Ceder
aan den eenen kant te zoeken, zochten de Zwarte-Kat en ik hem aan
den anderen kant."
»Weet gij dan waar hij zich bevindt?" viel de jager haar schielijk
in de rede.
»Neen, maar ik veronderstel het."
Hij keek haar aan met een uitvorschenden blik, dien zij doorstond
zonder de oogen neer te slaan.
»Gij weet wel dat ik u thans geheel ben toegedaan," zeide zij oprecht.
»Vergeef mij, ik had ongelijk; wees zoo goed voort te gaan."
»Toen ik zeide dat ik u om raad kwam vragen, heb ik mij verkeerd
uitgedrukt, ik kom u veeleer iets verzoeken."
»Wees verzekerd, als het mij eenigszins mogelijk is in uw verzoek te
bewilligen, dat ik niet zal aarzelen."
De Witte-Gazelle bedacht zich een oogenblik, maar verkloekte zich en
nam toen, naar het scheen, haar besluit:
»Gij hebt geen persoonlijke grief tegen den Roode-Ceder, niet
waar?" zeide zij.
»Met uw verlof," antwoordde Valentin. »De Roode-Ceder is een booswicht,
die eene familie daar ik veel achting en liefde voor heb in rouw heeft
gedompeld; hij heeft een meisje vermoord dat mij zeer lief en waard
was, en bovendien een man aan wien ik mij door innige vriendschap
verknocht gevoelde."
De Witte-Gazelle kon haar spijt nauwlijks verbergen, maar hield
zich goed.
»Derhalve?" zeide zij.
»Wanneer hij in mijne handen valt, dood ik hem gewis."
»Er is echter een ander persoon, die sedert vele jaren bloedige
verongelijkingen aan hem te wreken heeft."
»Van wien spreekt gij, señorita?"
»Van den Zoon des Bloeds."
»Dat is waar, die moet, zooals hij mij gezegd heeft eene vreeselijke
rekening met hem te vereffenen hebben."
»Welnu," hervatte zij levendig, »dan moest gij zoo goed zijn om den
Roode-Ceder aan mijn oom--ik wil zeggen, aan den Zoon des Bloeds--over
te laten."
»Waarom vraagt gij mij dat?"
»Omdat het uur van handelen gekomen is, don Valentin."
»Verklaar u nader."
»Sedert de bandiet in de bergen is opgesloten, zonder uitzicht op
ontsnapping, heeft mijn oom mij gelast, om zoodra het oogenblik daar
was, u te verzoeken de gevangenneming aan hem te willen afstaan."
»Maar als hij hem eens liet ontsnappen?" zeide hij.
Zij glimlachte op eene onbeschrijfelijke manier.
»Dat is onmogelijk," antwoordde zij; »gij weet niet wat een haat van
twintig jaar beteekent."
Zij sprak deze woorden op een toon van verbittering, die den
Franschman, hoe dapper hij ook wezen mocht, onwillekeurig deed
huiveren.
Valentin zou, zooals hij zeide, den Roode-Ceder in koelen bloede
in een gevecht hebben gedood, wanneer het toeval hen gewapenderhand
tegenover elkander had geplaatst; maar het streed met zijne gevoelens
van riddereer en krijgsmansdapperheid, om een ontwapenden vijand te
vellen, hoe laaghartig en slecht die vijand ook wezen mocht.
Daarbij, ofschoon hij inwendig ten volle de noodzakelijkheid erkende
om zulk een verscheurend dier in menschengedaante als de Roode-Ceder
voor goed uit den weg te ruimen, speet het hem niet dat een ander de
verantwoordelijkheid van zulk eene daad op zich nam en voor hem den
plicht van beul vervulde.
De Witte-Gazelle staarde hem oplettend aan en volgde met belangstelling
de verschillende gewaarwordingen die op zijn gelaat afwisselden,
om te weten waartoe hij besluiten zou.
»Wel?" vroeg zij hem een oogenblik later.
»Wat moet ik doen?" antwoordde hij.
»Mij laten handelen, het kordon rondom hem zoo dicht samentrekken
dat onze vijand er onmogelijk door kan, al veranderde hij zich in
een prairiehond, en verder rustig afwachten."
»Lang?"
»Twee of drie dagen; is dat te lang?"
»Neen, zoo gij uwe belofte houdt."
»Die zal ik houden, of om nader bij de waarheid te komen, mijn oom
zal die houden."
»Dat is hetzelfde."
»'t Is beter."
»Dat heb ik willen zeggen."
»Dat blijft dus afgesproken."
»Een woord nog."
»Spreek."
»Gij weet immers wat mijn vriend don Miguel de Zarate van den
Roode-Ceder te lijden heeft gehad, niet waar?"
»Ik weet het."
»Gij weet dat de booswicht zijne dochter heeft vermoord."
»Ja," riep zij, met een bevende stem, »ik weet het; maar laat dat
aan mij over, don Valentin; ik zweer u dat don Miguel de Zarate beter
zal gewroken worden dan hij ooit heeft durven hopen."
»Goed; zoo er binnen de drie dagen die gij mij verzoekt, aan dien
moordenaar nog geen recht is gedaan, neem ik die taak op mij, en
zweer ik u op mijne beurt, dat het geducht zal zijn."
»Dank, don Valentin; mijn oom rekent op uw woord."
»Nu vertrek ik."
»Dadelijk?"
»Onmiddellijk."
»Waarheen?"
»Naar den Zoon des Bloeds, om hem uw antwoord te brengen."
De Witte-Gazelle trad naar haar paard, dat niet ver van daar gezadeld
aan een boom vastgemaakt stond. Met een sprong was zij in den zadel,
en na den jager nog een laatsten groet van dank te hebben toegewuifd
reed zij weg in vliegenden galop.
»Zonderling schepsel!" mompelde Valentin.
Daar het gedurende dit gesprek volkomen dag geworden en de zon reeds
was opgegaan, begaf Valentin zich naar de hut van den Eenhoorn om
den raad der hoofden te doen samenroepen.
Nauwelijks was de jager de calli binnengetreden, of don Pablo, die
tot dusver onbewegelijk stil en met de oogen gesloten gelegen had,
alsof hij sliep, stond onmiddellijk op.
»Goede God!" riep hij uit, wanhopig de handen vouwend, »hoe zal ik
de arme Ellen redden? Als zij in handen van deze furie valt is zij
verloren!"
Daarop, na zich een oogenblik bedacht te hebben, liep hij inderijl
naar de hut van den Eenhoorn. Valentin kwam er juist uit toen de
jongman aan den ingang verscheen.
»Waar gaat gij zoo haastig heen, vriend?" vroeg hem de jager.
»Ik verlang een paard!" antwoordde don Pablo.
»Een paard!" riep de jager verwonderd, »om wat te doen?"
De Mexicaan wierp hem een zonderlingen blik toe.
»Ik moet naar het kampement van den Zoon des Bloeds," zeide hij
ronduit.
Een weemoedige glimlach plooide zich om de lippen van den jager. Hij
drukte den jongman de hand en zei op meêwarigen toon:
»Arm kind."
»Laat mij gaan, Valentin, ik bezweer het u," zeide hij smeekend.
De jager ontbond het paard dat aan de jonge twijgen voor de deur der
calli stond te knabbelen.
»Ga," zeide hij treurig; »ga waar uw lot u heen roept."
De jongman bedankte met vuur, sprong in den zadel, gaf zijn paard de
sporen en verwijderde zich in vliegenden galop.
Valentin oogde hem na zoo lang hij kon, en toen de ruiter in de
verte verdwenen was slaakte hij een diepen zucht, zacht in zich
zelven mompelend:
»Ook hij is verliefd!....de ongelukkige!"
Hij trad de calli binnen daar zijne moeder gehuisvest was om haar
den morgengroet te brengen.
XXXVI.
DE LAATSTE SCHUILHOEK.
Thans moeten wij naar den Roode-Ceder terugkeeren.
Toen de Squatter het geschreeuw der Roodhuiden gehoord en in de verte
de fakkels onder het geboomte had zien schitteren, achtte hij zich
in het eerste oogenblik verloren, hij bedekte zijn gelaat wanhopig
met de beide handen en zou door schrik overstelpt gevallen zijn,
zoo Fray Ambrosio hem gelukkig niet in tijds had opgevangen.
»Demonios!" riep de monnik. »Pas toch op, compadre, het is gevaarlijk
om hier misbaar te maken."
De ontmoediging van den bandiet duurde echter slechts een oogenblik,
en bijna dadelijk hersteld, richtte hij zich even fier en onversaagd
op als te voren en riep met eene forsche stem:
»Ik zal nog ontsnappen!"
»Goed, compadre, dat noem ik braaf gesproken," zeide de monnik,
»maar er moet gehandeld worden."
»Voorwaarts!" brulde de Squatter.
»Hoe dat, voorwaarts!" riep de monnik met schrik terugdeinzend;
»maar voorwaarts, dat is immers naar het kamp der Roodhuiden?"
»Voorwaarts! zeg ik u."
»Voorwaarts, en de duivel helpe er ons door!" mompelde Fray Ambrosio.
De Squatter, zooals hij gezegd had, marcheerde onversaagd naar
het kamp.
Weldra kwamen zij weder op dezelfde plaats, waar zij Nathan met de
lasso hadden opgehaald en die zij in hun eerste oogenblik van schrik
verlaten hadden om den terugtocht aan te nemen.
De Squatter schoof de bladeren uit elkander en keek naar omlaag.
Het gansche kamp was in rep en roer; de Indianen liepen als dollemannen
in alle richtingen.
»O!" mompelde de Squatter, »ik had gehoopt dat die duivels ons
gezamenlijk zouden gevolgd zijn; het is onmogelijk hier af te dalen."
»Daar valt niet aan te denken," zei Nathan, »dan waren wij
onherroepelijk verloren."
»Wij moeten besluiten tot het een of ander," pruttelde de monnik.
Ellen, die niet meer kon van vermoeienis, was op een tak gaan zitten.
Haar vader keek haar aan met een wanhopigen blik.
»Arm kind!" prevelde hij half binnensmonds; »dat gij zoo lijden moet!"
»Denk niet aan mij, vader," antwoordde zij, »red u zelven; laat mij
hier maar achter."
»U achterlaten!" riep hij woest, »nooit, al moest ik sterven! neen,
neen! ik zal u redden!"
»Wat heb ik te vreezen van menschen die ik nooit kwaad heb
gedaan?" hervatte zij, »zij zullen wel medelijden hebben met mijn
toestand."
De Roode-Ceder grinnikte spotachtig.
»Vraag aan tijgers of zij medelijden hebben met antilopen," zeide
hij, »gij kent de wilden nog niet, arm kind! Zij zullen u met helsche
vreugd martelen en dooden."
Ellen zuchtte en liet het hoofd hangen zonder te antwoorden.
»Wij verliezen onzen tijd; laten wij besluiten," hernam Fray Ambrosio.
»Loop naar den duivel!" riep de Squatter barsch, »gij zijt mijn
booze geest."
»Wat is de mensch toch een ondankbaar wezen!" riep de monnik, terwijl
hij de oogen schijnheilig naar den hemel sloeg, »ik die uw beste
vriend ben."
»'t Is genoeg!...." zei de Roode-Ceder met kracht, »wij kunnen hier
niet langer blijven, laat ons terugkeeren."
»Alweêr."
»Weet gij een anderen weg, duivel?"
Zij trokken terug.
»Waar is Nathan?" vroeg de Squatter op eens; »heeft hij zich laten
afzakken?"
»Zoo dom niet," riep de jongman met een lach, »maar ik ben van
kostuum veranderd."
Hij stiet de takken uit elkander die hem onzichtbaar maakten; zijne
kameraden schreeuwden bijna van verbazing.
Nathan had zich in een berenvel gestoken, op den kop na, dien hij in
zijne hand hield.
»Oho!" riep de Roode-Ceder, »dat is een gelukkige inval! Waar hebt
gij dat gestolen, jongen?"
»Ik had niets meer te doen dan het van den tak te haken, daar men
het aan te drogen had gehangen."
»Dat moet gij met zorg bewaren, misschien zullen wij het spoedig
noodig hebben."
»Dat heb ik ook gedacht."
»Kom, laten wij voortmaken."
Nauwelijks hadden zij eenige stappen gedaan of de Squatter stond
stil, hief de armen op om zijne kameraden te waarschuwen, en bleef
staan luisteren.
Na twee of drie minuten wendde hij zich om naar zijne kameraden,
en fluisterde met eene nauwelijks hoorbare stem:
»De terugtocht is ons afgesneden, men loopt in de boomen, ik heb de
takken hooren kraken en de bladeren ritselen."
Allen keken elkander verschrikt aan.
»Laten wij niet wanhopen," hervatte hij met drift, »alles is nog
niet verloren; laten wij hooger klimmen en zijwaarts uitwijken,
tot zij ons voorbij zijn gegaan, intusschen kan Nathan hen met zijn
nieuwe kostuum bezighouden, de Comanchen doen gewoonlijk den beren
geen kwaad, die zij zeggen dat van hunne familie zijn."
Niemand had hier iets tegen.
Sutter was de eerste die naar boven vloog, de monnik volgde hem kort
op de hielen.
Ellen keek haar vader bedrukt aan.
»Ik kan niet," zeide zij.
»Ik zeg nog eens dat ik u zal redden, kind," mompelde hij op een toon
van teederheid die zich moeielijk laat beschrijven.
Hij nam het meisje in zijne sterke armen, en zette haar bedaard op
zijn schouder.
»Houd u maar goed vast," mompelde hij zacht, »en vooral vrees voor
niets."
Met eene behendigheid en kracht, die de vaderlijke liefde
vertienvoudigde, klampte zich de bandiet met de hand aan de takken
boven zijn hoofd vast en verdween in het dichte loof, terwijl hij
zijn zoon toeriep:
»Pas op! Nathan! speel uw rol goed, jongen; ons behoud hangt van u af."
»Wees gerust, oude," antwoordde de jongman terwijl hij den berenkop
over zijne ooren trok; »ik ben niet dommer dan een Indiaan; ze zullen
mij wel voor een neef van hen aanzien."
De lezer weet reeds wat er op gevolgd is, en hoe deze krijgslist,
die aanvankelijk zoo goed gelukte, door Curumilla verijdeld werd.
Toen de Squatter zijn zoon zag vallen, kreeg hij een oogenblik van
woede en legde zijn geweer aan om den Araucaan neer te schieten.
Gelukkig had de monnik deze beweging tijdig genoeg gemerkt om er zich
tegen te verzetten.
»Wat doet gij?" riep deze, het geweer opheffende, »wilt gij uwe
dochter dooden?"
»Gij hebt gelijk," mompelde de Squatter.
Ellen had gelukkig Nathan niet zien vallen en dus niets van het overige
begrepen, anders had haars broeders dood haar gewis een smartelijken
gil afgeperst, die hen zou hebben verraden.
»O!" riep de Roode-Ceder, »alweder die Fransche duivel, met zijn
verwenschten Araucaan, zij alleen zouden genoeg zijn om mij te
overwinnen."
De vluchtelingen bleven nog meer dan een uur in de vreeselijkste
spanning, zonder zich te durven bewegen, uit vrees van ontdekt
te worden.
Zij waren thans hunnen vervolgers zoo nabij, dat zij hen duidelijk
konden hooren praten.
Eindelijk echter verwijderden zich de stemmen, gingen de fakkels uit,
en keerde alles tot de stilte terug.
»Oef!" riep de monnik, »zij zijn vertrokken."
»Niet allen," antwoordde de Squatter, »hebt gij dan dien verwenschten
Valentin niet gehoord?"
»Dat is waar, onze aftocht is nog altijd afgesneden."
»Wij behoeven nog niet te wanhopen; vooreerst hebben wij hier niets
meer te vreezen; rust een poosje, terwijl ga ik even op verkenning
uit."
»Hum!" pruttelde Fray Ambrosio; »waarom gaan wij niet liever samen? dat
zou dunkt mij veel voorzichtiger wezen."
De Roode-Ceder lachte bitter.
»Hoor eens, compadre," zeide hij, den monnik bij den arm grijpende,
zoodat deze bijna geschreeuwd zou hebben; »gij mistrouwt mij,
en gij hebt ongelijk; eens heb ik u willen verlaten, dat beken ik,
maar tegenwoordig wil ik het niet meer, wij zullen samen omkomen of
samen gered worden."
»Spreekt gij inderdaad oprecht, compadre?" riep de monnik.
»Ja, want op de bedriegelijke beloften van een priester had ik
besloten mij te beteren, ik was van levenswijs veranderd, ik had een
vreedzaam bestaan gevonden en eerlijken arbeid zonder iemand leed of
last te veroorzaken; maar de menschen die ik had willen vergeten,
hebben zich mijner herdacht om zich op mij te wreken: zonder mijne
pogingen en mijn berouw in aanmerking te nemen, hebben zij mijne arme
jacal verbrand en mijn zoon gedood, en nu vervolgen zij mij als een
wild dier; ik voel den ouden tijger wild in mij ontwaken en de booze
zuurdeesem die op den bodem mijner ziel sluimerde begint weder te
gisten. Zij hebben mij een oorlog verklaard op dood en verdelging:
welnu, ik neem dien aan en zal hem wederkeerig voeren, zonder verdrag
of zonder hun om genade te vragen wanneer ik in hunne handen kom,
evenmin als ik hun die geven zal wanneer zij in de mijne vallen. Laten
zij op hunne hoede zijn, wee hun! want ik ben nog de Roode-Ceder! dien
de Indianen den bijnaam van »menschenverslinder" gegeven hebben, en
ik zal hun hart verscheuren! Wees dus voor het tegenwoordige gerust,
señor padre, wij verlaten elkander niet, gij zijt zooveel als mijn
geweten, wij zijn onafscheidelijk."
De Squatter uitte deze gruwzame gezegden op zulk een toon van woede
en haat, dat de monnik aan de waarheid er van niet meer kon twijfelen
en begreep dat het slechte beginsel bij hem weder geheel de bovenhand
had bekomen.
Een afschuwelijke glimlach plooide zich op zijne lippen.
»Komaan, compadre," zeide hij, »ga nu op verkenning uit, wij zullen
u hier wachten."
De Squatter verwijderde zich.
Gedurende zijne afwezigheid werd er geen woord tusschen de bandieten
gewisseld; Sutter sliep, de monnik dacht na, en Ellen zat te schreien.
Het arme meisje had met eene mengeling van smart en ontzetting de
woeste verklaring haars vaders aangehoord; zij berekende nu de diepte
des afgronds in welken zij zich door het besluit van den Roode-Ceder
plotseling voelde afstorten, een kloof die haar voor altijd van de
maatschappij afzonderde en haar veroordeelde om levenslang in een
toestand te verkeeren die haar in een poel van wee en tranen dompelde.
Na een uur afwezigheid ongeveer kwam de Roode-Ceder terug.
Er lag een glans van genoegen op zijn gelaat.
»Wel?" vroeg de monnik nieuwsgierig.
»Goed nieuws!" antwoordde hij, »ik heb een schuilplaats ontdekt,
waar ik de fijnste speurhonden der prairie trotseer om mij te vinden."
»Nog al ver?"
»Geen honderd passen van hier."
»Zoo nabij?"
»Dat maakt haar juist zoo veilig: onze vijanden zullen nooit op
het denkbeeld komen dat wij ons zoo dicht in hunne nabijheid hebben
durven vestigen."
»Dat is waar: wij moeten er dadelijk naar toe."
»Zoodra gij maar wilt."
»Onmiddellijk."
De Roode-Ceder had niet gelogen, werkelijk was door hem een schuilhoek
ontdekt die aan alle vereischten van veiligheid voldeed; als wij
zelve op onze reistochten in de prairie niet dergelijke zaken gezien
hadden, zouden wij aan de mogelijkheid van zulk een toevluchtsoord
niet geloofd hebben.
Na een afstand van omtrent honderd vijftig ellen doorloopen te hebben,
hield de Squatter stil boven een ontzaggelijken, door ouderdom
uitgeholden eikenstam.
»Hier is het," zeide hij, met zorg de massa bladeren, takken en lianen
uiteenscheurende die de holte geheel voor het oog bedekten.
»Hum! moeten wij daarin afdalen?" riep de monnik terwijl hij in de
opening keek, die zoo donker was als een oven.
»Ja," antwoordde de Roode-Ceder; »maar stel u gerust, zij is minder
diep dan gij denkt."
Ondanks deze verzekering aarzelde de monnik nog.
»Gij kunt het nemen of laten," hervatte de bandiet; »blijft gij anders
liever ongedekt?"
»Maar wij zullen ons daar binnen niet kunnen verroeren."
»Zie om u heen."
»Ik zie al."
»Merkt gij dan niet op dat de berg, juist op dit punt loodrecht is?"
»Ja, werkelijk."
»Goed; wij zijn hier aan den rand der steilte, daar de arme Nathan
van sprak."
»Ah!"
»Ja; gij ziet wel dat die doode boom om zoo te zeggen in den berg is
ingeheid als een paal."
»Dat is waar, ik had het niet dadelijk opgemerkt."
»Welnu, als men in dit gat afklimt, dan komt men op omtrent vijftien
voet diepte aan een tweede, dat de schors van den boom doorboort en
met eene grot in verband staat."
»O!" riep de monnik verheugd, »hoe hebt gij dit hol ooit kunnen
ontdekken."
De Squatter zuchtte.
»Dat is al wat tijd geleden," zeide hij.
»Ja maar," riep Fray Ambrosio, »als gij wist dat het hier was, kunnen
anderen het ook weten."
»Neen," antwoordde hij hoofdschuddend, »slechts één man buiten mij
die het wist, en deze kennis heeft hem het leven gekost."
»Dat stelt mij gerust."
»Geen jager noch strikkenzetter komt ooit hier; het is een onbereikbare
sterkte; slechts een paar stappen verder in de zelfde richting
voortgaande, zullen wij ons boven een afgrond van onpeilbare diepte
bevinden, van welken deze berg een der wanden uitmaakt; overigens,
om u alle vrees te ontnemen, zal ik het eerst afdalen."
De Roode-Ceder wierp eenige stukken kaarshout in de holte, hing
zijn geweer achter zijn rug en liet zich nu aan de handen hangende,
op den bodem des hollen booms nedervallen.
Sutter en Fray Ambrosio keken met groote belangstelling toe. De
Squatter sloeg vuur, stak een der ocote-fakkels aan en hield haar
boven zijn hoofd.
De monnik erkende nu terstond dat de oude scalpjager hem de waarheid
had gezegd.
De Roode-Ceder trad de grot binnen, op welker bodem hij zijn fakkel
plantte, derwijze, dat de holte in den boomstam verlicht bleef;
daarna liet hij zich met de lasso weder bovenhalen bij zijne kameraden.
»Welnu," zeide hij, »wat denkt gij er van?"
»Wij zijn daar opperbest," antwoordde de monnik.
Zonder verder te aarzelen liet hij zich in het hol neder en verdween
in de grot.
Sutter volgde zijn voorbeeld, maar bleef in den hollen stam staan om
zijne zuster bij het afklimmen te helpen.
Het meisje scheen geen kennis meer te dragen van hetgeen rondom haar
gebeurde. Zachtzinnig en volgzaam als altijd, gedroeg zij zich met
werktuiglijke juistheid en onverschilligheid, zonder zich rekenschap
te geven waarom zij het eene liever zou doen dan het andere; haars
vaders gezegden hadden haar zoo diep getroffen, dat alle veerkracht
en eigenwil in haar gebroken waren.
Nadat haar vader haar in den boom had nedergelaten, volgde zij haar
broeder werktuigelijk in de grot.
Alleen achtergebleven, wischte de Squatter met de meeste
nauwlettendheid ieder spoor of teeken uit, dat aan den scherpen
blik hunner vijanden de plaats had kunnen aanwijzen waar zij waren
doorgegaan; en na zich ten volle verzekerd te hebben dat niets zijne
tegenwoordigheid aan deze plaats verraden kon, liet ook hij zich in
de opening afzakken.
De eerste zorg der bandieten was nu, hun nieuwe verblijf op te nemen.
Het was zeer ruim.