boschzwijn is in de val, hij zal spoedig zijn man vinden. Hoe
uitgestrekt de woestijn ook wezen mag, voor lieden die gewoon zijn
haar in alle richtingen te doorkruisen bezit zij geen onbekende
schuilhoeken. De Roode-Ceder is inderdaad een buitengewoon man en
heeft meer gedaan dan iemand om ons te ontsnappen, maar thans is
alles voor hem geëindigd, het is niets meer dan eene vraag van tijd."
»De hemel geve dat gij waarheid spreekt! Ik zou mijn leven willen
opofferen om hem te zien straffen."
»Ik verzeker u, weldra is hij in uwe macht."
Op dit oogenblik trok Curumilla Valentin bij de mouw.
»Wel, hoofdman, wat hebt gij?" vroeg laatstgenoemde.
»Luister eens," riep de Indiaan.
De jagers spitsten de ooren; weldra hoorden zij, op vrij verren
afstand, verwarde kreten, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker
werden, en eindelijk in een ontzettend rumoer overgingen.
»Wat zou daar toch gebeuren?" vroeg Valentin peinzend.
De kreten namen hand over hand toe, ongewone lichtvlammen verschenen
in het bosch, zoodat er duizende vogels, uit hun slaap geschrikt in
alle richtingen opvlogen onder angstig en klagend geschreeuw.
»Geeft acht!" riep de jager; »laat ons wel toezien wat wij te doen
hebben."
Hunne onzekerheid duurde echter niet lang. Valentin verliet op eens
den schuilhoek waar hij zich verborgen had en hief een langen en
doordringenden kreet aan, die terstond door een vervaarlijk gehuil
werd beantwoord.
»Wat is er toch?" vroeg don Miguel.
»De Eenhoorn!" antwoordde Valentin.
XXXIV.
LIST TEGEN LIST
De vlucht van Nathan was door een zonderling toeval ontdekt.
De Comanchen zijn evenmin als de andere Indianen gewoon om des nachts
patrouille te maken of de posten te bezoeken, al zulke uitvindingen
der beschaafde volken zijn in de prairie geheel onbekend. Naar alle
waarschijnlijkheid zouden dus de Indianen niet voor de dag aankwam
bemerkt hebben dat hun gevangene verdwenen was.
Nathan rekende hierop. Hij was met de gebruiken der Indianen te goed
bekend om niet te weten waaraan hij zich te dien aanzien te houden
had. Maar hij had gerekend buiten den haat, die altijd waakzame
schildwacht, die door geen macht is in slaap te wiegen.
Een uur ongeveer na de zoo gelukkig volvoerde vlucht van den jongen
Squatter, was de Witte-Gazelle hetzij door koude wakker geworden of
meer waarschijnlijk uit verlangen om zich te verzekeren of de gevangene
wel goed bewaakt werd en onmogelijk zou kunnen ontsnappen, het kamp
rond gegaan, hier en daar over de slapende krijgslieden heenstappende
en zich zoo goed of kwaad mogelijk in de duisternis een weg banende;
want de meeste kampvuren waren reeds uitgedoofd en die nog brandden
verspreidden slechts een onzeker licht; maar gedreven door dat gevoel
van haat dat zijne noodlottige dienaars vaak maar al te getrouw den weg
wijst, had zij zich eindelijk in dit verwarde doolhof thuis gevonden en
den boom bereikt waar zij dacht dat de gevangene aan vast gebonden zat.
De boom stond verlaten; de touwen die voor Nathan gediend hadden,
lagen in stukken gesneden op eenigen afstand.
De Witte-Gazelle stond een oogenblik verbijsterd bij dit gezicht,
dat zij wel het allerminst had verwacht.
»O!" mompelde zij woedend, »het is eene familie van duivels! Maar
hoe is hij toch weggekomen? hoe heeft hij kunnen ontvluchten?"
Toen ging zij aan 't zoeken.
»Die ellendige rekels slapen gerust," zeide zij de twee krijgslieden
ziende liggen, »terwijl de man dien zij in last hadden te bewaken,
hier ver van daan is en hen uitlacht."
Zij schopte hen verachtelijk met den voet.
»Luie honden!" riep zij, »wilt ge wel opstaan, de gevangene is voort."
De vermeende slapers verroerden zich niet,
»O wee! wat beduidt dat?" riep zij.
Zij bukte om hen van naderbij te beschouwen.
Nu werd haar alles duidelijk.
»Dood!" riep zij; »hij heeft hen vermoord! welk eene duivelsche macht
moet dat bandietengeslacht bezitten."
Na een poosje verslagen te hebben staan kijken, richtte zij zich
woedend op, ijlde het kamp door en schreeuwde met een krijschende stem.
»Op! op! krijgslieden, ontwaakt! de gevangene is ontsnapt!"
Alles was oogenblikkelijk op de been gekomen. De Eenhoorn was een der
eersten die zijne wapenen greep en haar te gemoet snelde om naar de
oorzaak te vragen van dit ongewone geschreeuw.
Met weinig woorden had de Witte-Gazelle hem op de hoogte gebracht en
de Eenhoorn, nog woedender dan zij, wekte zijne krijgslieden op en
verspreidde hen in alle richtingen om Nathan te vervolgen.
Wij weten echter reeds dat de jonge Squatter ten minste vooreerst
van hunne ijdele woede niets te duchten had.
Deze wonderbare vlucht van een man uit een kamp vol krijgslieden,
zonder door de schildwachten te zijn opgemerkt, was iets zoo
buitengewoons, dat de Comanchen, bijgeloovig als alle Indianen hier
aan eene werkelijke tusschenkomst van den boozen geest moesten denken.
Intusschen was het geheele kamp in rep en roer; allen liepen naar alle
kanten met brandende fakkels in de hand. De kring werd al grooter en
grooter; de krijgslieden door ijver vervoerd, hadden het open kamp
verlaten om zich in het bosch te begeven.
Op eens verscheurde een doordringende kreet het luchtruim.
Allen bleven als door een tooverslag staan.
De Eekhoorn stiet nu een even scherpen en langdurigen kreet uit,
in antwoord op den zooeven gehoorden; terwijl al de Comanchen zich
er ten slotte mede vereenigden.
»O! wat is dat?" vroeg de Witte-Gazelle.
»Koutonepi! mijn broeder!" antwoordde de Eenhoorn lakoniek, terwijl
hij zijn signaal herhaalde.
»Snellen wij hem te gemoet!" riep zij uit.
»Kom!" zei het opperhoofd.
Zij ijlden onmiddellijk voort door een tiental krijgslieden gevolgd,
en kwamen weldra onder den boom in welken Valentin en zijne kameraden
zich bevonden.
De jager zag hen aankomen; toen zij op korten afstand waren riep hij
hun toe.
»Waar zijt gij?" antwoordde de Eenhoorn.
»Boven in dezen ceder!" riep Valentin, »blijf staan en zie!" De
Indianen bleven staan en keken naar boven.
»Ooah!" riep de Eenhoorn verwonderd, »wat doet mijn broeder daar?"
»Ik zal het u zeggen; maar help mij eerst afklimmen; wij zijn hier
niet gemakkelijk genoeg geplaatst om te praten, vooral over de zaken
die ik u te vertellen heb, hoofdman."
»Goed; ik verwacht mijn broeder."
Valentin sloeg zijne lasso om een der takken en maakte aanstalten om
zich naar beneden te laten glijden.
Curumilla legde hem de hand op den schouder.
»Wat wilt gij, hoofdman?" vroeg de jager.
»Gaat mijn broeder naar omlaag?" hernam de Araucaan.
»Zooals gij ziet," riep Valentin hem de lasso wijzende.
Curumilla schudde onvoldaan het hoofd.
»De Roode-Ceder!" zeide hij.
»Canarios!" riep de jager, zich op het voorhoofd kloppende, »daar
dacht ik niet meer om! Ben ik dan gek geworden! Pardi! hoofdman,
gij zijt een heerlijke vent, gij denkt aan alles; wacht even!"
Valentin bukte, zette de handen als een roeper aan weerszijden van
den mond.
»Hoofdman!" riep hij.
»Wat wil mijn broeder?" antwoordde de Eenhoorn.
»Kom boven."
»Goed!"
De Sachem greep de lasso, klom met krachtige vuisten naar boven en
bereikte weldra den tak, waar Valentin en de jager hem ontvingen.
»Hier ben ik!" zeide hij.
»Welk toeval bracht u hier in het bosch zoo laat in den nacht?" vroeg
de jager.
De Eenhoorn vertelde hem in weinige woorden wat er gebeurd was.
Bij dit verslag fronste Valentin de wenkbrauwen en deed op zijne
beurt verslag van zijn wedervaren.
»Dat wordt ernstig," sprak de Eenhoorn hoofdschuddend.
»Ja," antwoordde Valentin; »uit alles blijkt, dat zij die wij zoeken,
niet ver van hier kunnen zijn; misschien hooren zij ons zelfs."
»'t Is wel mogelijk," mompelde de Eenhoorn; »maar wat kunnen wij er
tegen doen, 't is nog diep in den nacht."
»Goed! maar laten wij althans even slim zijn als zij. Hoeveel
krijgslieden hebt gij daar beneden?"
»Tien, denk ik."
»Goed. Zijn er ook eenigen onder daar gij u op zoudt kunnen verlaten?"
»Op allen!" antwoordde de Sachem fier.
»Ik spreek niet zoo zeer van hun moed, maar van hunne ervaring."
»Ooah! ik heb den Spinnekop."
»Dan weet ik wat ons te doen staat," zei Valentin. »Laat hem boven
komen en met uwe krijgslieden, over welke gij hem het kommando
geeft, onze plaats vervangen; hij moet hier de linie van gemeenschap
afsnijden, terwijl ik met mijne kameraden u volgen zal. Ik zou gaarne
de plaats willen bezien waar uw gevangene is vastgebonden geweest."
Alles wat Valentin bevolen had werd uitgevoerd.
De Spinnekop posteerde zich op de boomen, om met de tien krijgslieden
die hij onder zijn bevel had zorgvuldig wacht te houden; terwijl
Valentin, voortaan verzekerd dat hij een onoverkomelijken slagboom
tegen den Roode-Ceder had daargesteld, zich gereed maakte om met den
Eenhoorn af te klimmen en naar het kamp te gaan.
Curumilla hield hem nogmaals terug.
»Waarom zoudt gij naar beneden gaan?" zeide hij.
De Franschman kende zijn kameraad zoo goed, en was aan zijne wijze
van spreken zoo gewoon, dat hij hem met een half woord begreep.
»Het is waar," zeide hij tegen den Eenhoorn, »laten wij liever
over de boomen gaan van tak tot tak. Curumilla heeft gelijk; op
deze wijze zullen wij den Squatter, zoo hij in dezen omtrek is,
onfeilbaar ontdekken."
De Sachem der Comanchen boog ten bewijze van toestemming en zij gingen
op marsch.
De weg duurde niet lang.
Zij marcheerden nauwelijks een half uur, toen Curumilla, die vooraan
ging, eensklaps met een gesmoorden uitroep bleef staan.
De jagers keken op, en op korten afstand ontwaarden zij eene groote
zwarte massa, die onbezorgd heen en weer schommelde.
»He!" riep Valentin; »wat is dat?"
»Een beer," antwoordde Curumilla.
»Inderdaad," zei don Pablo; »het is eene prachtige zwarte beer."
»Laten wij hem een kogel toezenden," zei don Miguel.
»Pas op, doe dat niet!" riep don Pablo met drift, »een geweerschot
zou ons dadelijk ruchtbaar maken en aan hen die wij zoeken, de plaats
verraden waar wij zijn."
»Ik zou hem toch gaarne meester worden," merkte Valentin aan, »al
was het alleen om zijn pels."
»Neen!" riep de Eenhoorn, die tot dusverre gezwegen had; »de beren
zijn te goede neefjes van mijne familie."
»Dat is iets anders," riep de jager, terwijl hij met moeite een
spotachtigen lach smoorde.
De Indianen in de prairie, wij meenen dit reeds gezegd te hebben,
zijn zeer bijgeloovig. Onder andere stellen zij algemeen, dat zij
uit zekere dieren afkomstig zijn, voor welke zij bij gevolg grooten
eerbied koesteren; dit belet hen wel is waar niet om ze nu en dan,
in geval van hongersnood, te dooden, maar tot eer van de Roodhuiden
moeten wij zeggen dat zij op dit punt zeer bijzonder te werk gaan
en hunne vermeende voorzaten nooit zullen neerschieten, zonder hun
vooral duizendmaal verschooning gevraagd en met zoovele woorden gezegd
te hebben, dat alleen gebrek aan voedsel hen noodzaakte om van dit
uiterste middel tot levensonderhoud gebruik te maken.
De Eenhoorn had echter op dit oogenblik geen levensmiddelen noodig,
daar zijn kamp er ruim van voorzien was; hij ging dus jegens zijn
neef den beer met de loffelijkste beleefdheid en eerbied te werk.
Vooreerst boog hij voor hem en sprak hem eenige minuten lang op de
vriendelijkste wijze toe. Intusschen bleef de beer onophoudelijk
balanceeren zonder groot gewicht of aandacht aan zijn toespraak te
schenken, integendeel scheen hij zich meer te vervelen dan gevleid
te gevoelen door de komplimenten van zijn neef.
De Sachem belgde zich weldra over deze ongemanierde onverschilligheid,
wenkte den beer een laatste afscheid toe en ging verder.
De kleine troep zette den tocht eenigen tijd in stilte voort.
»Het maakt niet veel uit," zei Valentin op eens; »maar zonder juist
te weten waarom, zou ik de pels van uw neef gaarne gehad hebben,
hoofdman."
»Ooah!" antwoordde de Eenhoorn, »er is overvloed van bisons in
het kamp."
»Canarios! dat weet ik zeer goed," riep de jager; »maar dat is hier
de vraag niet."
»Wat dan?"
»Ik weet het niet, maar die beer zag er min of meer verdacht uit;
hij scheen mij niet van de goede soort."
»Spot mijn broeder er meê?"
»Op mijn woord van eer niet, hoofdman; ik zweer u dat die knaap daar
mij niet echt voorkomt; ik zou mij geen oogenblik bedenken om dadelijk
terug te keeren en er het mijne van te hebben."
»Denkt mijn broeder dan dat de Eenhoorn een kind is en niet zou
kunnen zien of hij een dier voor zich heeft of niet?" riep de Sachem
hooghartig.
»Pardi! ik zal mij wel wachten zoo iets te denken, hoofdman! ik weet
gij zijt een krijgsman van groote ondervinding, maar de slimste kan
zich wel eens bedriegen."
»Ooah! En wat denkt mijn broeder dan?"
»Zal ik u mijn gevoelen ronduit zeggen?"
»Ja, mijn broeder spreke vrijuit, hij is een groot jager, zijne kennis
is onbeperkt."
»Welnu! en wat denkt gij dan van dien beer," vroeg don Miguel.
»Dat het de Roode-Ceder of een zijner zoons is," antwoordde Valentin
met drift.
»Waarom veronderstelt gij dat?"
»Vooreerst, omdat de beren op dit uur gewoonlijk naar de rivier gaan;
maar gesteld dat deze er reeds geweest is, dan zult gij toch wel weten
dat alle wilde dieren den mensch ontvluchten; dus zou hij, door het
schitterend licht en het vervaarlijk geschreeuw in het anders altijd
zoo stille bosch verschrikt, zich volgens zijn instinct, veeleer
hebben zoeken te redden, hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen,
dan hier voor onze oogen onbezorgd te staan dansen, bijna honderd
voeten hoog in de lucht; des te meer daar de beren veel te slimme
en zelfzuchtige dieren zijn om hun waard een kostelijke pels zoo
dwaselijk op een takkenvloer te wagen zoo zwak en oneffen als waar
hij stond te dribbelen; hoe meer ik er dus over denk, hoe meer ik
mij overtuigd houd dat deze beer geen dier maar een mensch is."
De jagers en de Eenhoorn zelf, die met de meeste aandacht naar het
gezegde geluisterd had, waren getroffen door de waarheid en juistheid
zijner opmerkingen; duizend kleine bijzonderheden die zij anders
nooit zouden hebben opgemerkt, kwamen hun thans in de gedachten en
versterkten de vermoedens van den Franschman.
»Het is zeer mogelijk," riep don Miguel, »en wat mij betreft zou ik
het bijna gelooven."
»Mijn hemel!" hervatte Valentin, »gij begrijpt dat men zich, ondanks
zijne ondervinding, zeer gemakkelijk kan bedriegen in een nacht zoo
donker als deze, vooral bij den vrij verren afstand waarop het dier
zich bevond en door ons moest worden waargenomen; alleen hebben wij
eene groote onvoorzichtigheid begaan, en ik wel het meest, dat wij
ons niet nader van hem zochten te vergewissen."
»Ach! wat spreekt mijn broeder waar en goed," riep de Indiaan, »hij
heeft volkomen gelijk, de wijsheid woont in hem."
»Thans zal het te laat zijn om terug te keeren, de knaap zal nu wel
vertrokken zijn zonder zijn deel te vragen," zei Valentin nadenkend;
»maar," vervolgde hij terstond met een bespiedenden blik om zich heen,
»waar is Curumilla?"
Op hetzelfde oogenblik hoorden de jagers niet ver van hen af een
sterk gekraak in de takken, gevolgd door een gesmoorden schreeuw.
»Oho!" riep Valentin, »zou dat de beer kunnen zijn die zijne zaken
doet?"
Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster.
»Dat is het signaal van Curumilla," zei Valentin; »wat duivel of hij
te doen heeft?"
»Dat dienen wij te weten, en daarom onmiddellijk terug te keeren,"
beweerde don Miguel.
»Pardi! denkt gij dan dat ik mijn ouden kameraad ooit in den steek
zou laten?" riep Valentin terstond antwoord gevende met een dergelijk
signaal als dat van den Ulmen.
»Gaan wij!" hernam don Miguel.
De jagers keerden op hunne stappen terug, zoo snel als de smalle en
gevaarlijke weg hun toeliet.
Curumilla zat op zijn grootste gemak, in een dichten warklomp van
takken en lianen, geheel onzichtbaar voor ieder die hem van beneden
had willen bespieden, en lachte in zich zelven dat het schaterde.
Curumilla te hooren lachen was iets zoo ongewoons en scheen op zulk
een uur zoo ongerijmd, dat Valentin er van schrikte en in de eerste
oogenblikken niet anders dacht dan dat zijn vriend waanzinnig was
geworden.
»Zeg eens, hoofdman," riep hij, omzichtig naar alle kanten rondziende,
»wilt gij mij ook zeggen waarom gij zoo lacht? Al is het niet om daarin
uw voorbeeld te volgen, zou ik er toch gaarne de reden van weten."
Curumilla keek zijn vriend met een strakken en verstandigen blik aan
en antwoordde op welvoldanen toon:
»De Ulmen is vergenoegd."
»Dat zie ik wel," hernam Valentin, »maar ik weet nog niet waarom,
en dat maakt mij nieuwsgierig."
»Curumilla heeft den beer gedood," zei de Araucaan deftig.
»Zoo!" riep Valentin verwonderd.
»Mijn broeder zie slechts, daar is de neef van den Sachem."
De Eenhoorn trok een ontevreden gezicht.
Valentin en zijne vrienden volgden met belangstellende blikken de
richting die de Araucaan hun aanwees.
De lasso van Curumilla, stevig vastgemaakt aan den tak waarop de
jagers stonden, hing in de ruimte beneden hen; aan het onderste einde
balanceerde eene zwarte vormlooze massa.
Dit was het lijk van den beer.
Gedurende het gesprek dat de Eenhoorn straks met zijn vermeenden neef
hield, had hij aandachtig de bewegingen van den dansenden beer bespied:
even als Valentin de grimassen van het dier niet natuurlijk vond, had
ook hij willen weten wat hij er van gelooven moest; bij gevolg had hij
gewacht tot zijn vrienden zich verwijderden, alstoen het eene eind van
zijne lasso aan een dikken tak vastgemaakt, en terwijl de beer, in den
waan dat hij reeds van zijne vijanden ontslagen was, achteloos van zijn
standpunt afdaalde, had de Indiaan hem allerbehendigst gelasseerd. Bij
dezen onverhoedschen aanval had de beer gewankeld en het evenwicht
verloren; kortom, hij was naar beneden gestort en ten slotte tusschen
hemel en aarde blijven hangen, dank zij den loopenden knoop die hem
om den hals zat, en die hem wel is waar belet had de beenen te breken,
maar daarentegen binnen weinige sekonden had doen stikken.
De jagers haastten zich om de lasso op te trekken.
Allen brandden van verlangen om te weten of zij zich bedrogen hadden.
Na eenige inspanning hadden zij het lijk van den beer naar boven
gehaald.
Valentin bukte met drift om hem te bekijken, maar rees oogenblikkelijk
weder op.
»Ik dacht het wel," zeide hij met minachting.
Hij schopte tegen het berenhoofd, de huid liet los en viel naar
beneden, alleen het misvormd en loodblauw gelaat van Nathan achter
zich latende.
»O!" riepen zij, »Nathan!"
»Ja," hernam Valentin, »de oudste zoon van den Roode-Ceder."
»Dat is één!".... zei don Miguel somber.
De arme Nathan was niet gelukkig met zijne maskerades; met de eerste
ontkwam hij ter nauwernood den brandstapel; met de tweede werd hij
gehangen.
XXXV.
DE JACHT WORDT VOORTGEZET.
De jagers staarden eene poos stilzwijgend op het lijk van den bandiet.
De Eenhoorn, die hem zeker allerminst vergeven kon dat hij hem had
durven bespotten door zich voor een zijner voorouders te doen doorgaan,
stoorde voor een oogenblik den ernst die de overige toeschouwers
eene poos gekluisterd hield, door zijn mes te trekken en met ongewone
knaphandigheid den armen duivel te scalpeeren.
»Dat is de haarschedel van een hond der Langmessen uit het Oosten,"
zeide hij op minachtenden toon terwijl hij de bloedige trofee aan
zijn gordel hechtte. »Zijn valsche tong zal niemand meer bedriegen!"
Valentin stond diep in gedachten.
»Wat gaan wij nu doen?" vroeg don Miguel.
»Canelo!" riep don Pablo, »dat is niet moeilijk te gissen, vader;
wij gaan onmiddellijk den Roode-Ceder vervolgen."
»Wat zegt mijn broeder Koutonepi?" zei de Eenhoorn zich eerbiedig
tot Valentin wendende.
De jager keek op.
»Alles is geëindigd voor dezen nacht," antwoordde hij; »die man was
daar geplaatst om ons af te leiden terwijl de anderen vluchtten. Hen
thans te willen vervolgen zou een groote dwaasheid zijn; zij hebben op
ons te veel gewonnen om hen met eenige mogelijkheid te kunnen inhalen;
de nacht is zoo donker dat wij een krijgsman op post zouden moeten
zetten bij iederen boom. Wij zullen ons bepalen bij onze schildwachten
zooals wij die thans hebben uitgezet. Tegen den morgenstond zal de raad
van den stam vergaderen om over de verdere maatregelen te beslissen."
Allen schikten zich naar het advies van den jager.
Men nam den terugtocht aan naar het kamp, waar men omtrent een uur
later aankwam.
Terwijl zij het boschkamp intraden klopte de Eenhoorn Valentin op
den schouder.
»Ik moet mijn broeder spreken," zeide hij.
»Ik hoor mijn broeder," antwoordde de jager, »zijne stem is muziek,
zij verheugt mij altijd het hart."
»Mijn broeder zal wel blijde zijn," antwoordde de Sachem met een lach,
»als hij hoort wat ik hem te zeggen heb."
»De Sachem kan mij niet anders dan goed nieuws brengen; wat heeft
hij mij dan nu te vertellen?"
»De Zonnestraal is van avond in het kamp aangekomen."
Valentin ontroerde.
»Was zij alleen?" vroeg hij met drift.
»Alleen had zij niet durven komen," antwoordde de Sachem met zekeren
trots.
»Dat is waar," zei Valentin ongerust. »Dus is mijne moeder...."
»De moeder van den grooten jager is hier; ik heb haar mijne calli
ingeruimd."
»Dank u, hoofdman!" riep hij opgetogen. »O! gij zijt in waarheid een
broeder voor mij."
»De groote bleeke jager is een kind van den stam en een broeder voor
ons allen."
»O! mijne moeder, mijne goede moeder! is zij waarlijk hier
gekomen? O! ik moet, ik wil haar ten eerste zien."
»Daar is zij!" zeide Curumilla.
De gedienstige Araucaan had, toen hij het eerste bericht van den
Eenhoorn hoorde, terstond geraden hoeveel genoegen het zijn vriend
zou doen, en was zonder iets te zeggen Mme. Guillois gaan halen,
die van ongeduld toch niet slapen kon daar zij niet wist dat haar
zoon zoo dicht bij haar was.
»Mijn zoon," riep de goede vrouw hem om den hals vallende.
Nadat de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren nam Valentin
zijne moeder aan den arm en geleidde haar naar hare calli terug.
»Gij doet niet wijs, moeder," zeide hij op een toon van
verwijt. »Waarom hebt gij het dorp verlaten? Het jaar is ver gevorderd,
het is koud, gij kent het doodelijk klimaat in de prairie nog niet,
uwe gezondheid is wankelend, ik wil dat gij u in acht neemt en uw
zwak gestel zoo veel mogelijk ontziet, is het niet om u zelve dan
zij het voor mij; helaas! als ik u verloor, wat zou ik beginnen?"
»Mijn lieve kind!" antwoordde de oude vrouw aangedaan. »O! wat ben
ik gelukkig dat gij mij zoo lief hebt. Dit nu te ondervinden vergoedt
mij rijkelijk hetgeen uwe afwezigheid mij heeft doen lijden. Ik bid u,
laat mij mijn eigen zin volgen; op mijn leeftijd mag men niet rekenen
op den onzekeren dag van morgen; laat mij niet van u scheiden en gun
mij, als ik toch niet langer leven kan, ten minste het geluk van in
uwe armen te sterven."
Valentin keek zijne moeder opmerkzaam aan, hare sombere gezegden
hadden hem smartelijk getroffen; hij schrikte toen hij haar vervallen
aangezicht zag dat in den laatsten tijd zeer bleek en mager was
geworden.
Mme. Guillois zag wel dat haar zoon bewogen was; zij glimlachte
weemoedig.
»Gij ziet het," zeide zij zacht, »ik zal u niet lang tot last zijn
weldra zal de Heer mij tot zich roepen."
»O! spreek zoo toch niet, moederlief; verdrijf die sombere gedachten,
ik hoop u nog vele jaren bij mij te hebben."
De oude dame schudde het hoofd, zooals oude lieden doen wanneer zij
meenen van iets zeker te zijn.
»Maak u geen dwaze voorstellingen," antwoordde zij met eene vaste stem;
»wees man, bereid u op eene aanstaande en onvermijdelijke scheiding;
maar een ding moet gij mij beloven."
»Spreek, moeder."
»Wat er ook gebeure, zweer mij dat gij mij nooit meer van u zult
verwijderen."
»Maar dat zou een moord zijn die gij mij beveelt, moeder, in uw
tegenwoordigen toestand zoudt gij geen twee dagen lang bestand zijn
tegen het leven dat ik leid."
»Laat het zoo zijn, mijn zoon, ik wil u niet meer verlaten; bezweer
mij wat ik u verzoek."
»Moederlief!" zeide hij aarzelend.
»Weigert gij, mijn zoon!" riep zij met smart.
Valentin voelde zijn hart breken; hij had den moed niet om langer
weerstand te bieden.
»Nu dan," mompelde hij bijna snikkend, »daar gij het eischt, moeder,
zult gij uw zin hebben, ik zweer u dan dat wij niet weêr zullen
scheiden."
Het was alsof een straal van hemelsche vreugd het verwelkte gelaat
der oude vrouw voor een oogenblik verhelderde.
»Wees gezegend, mijn zoon," zeide zij, »gij maakt mij gelukkig door
mijn verzoek in te willigen,"