Daar dus zijne vrienden hem schenen te vergeten, besloot de jongman

zich alleen uit den nood te helpen.

Vooreerst moest hij daartoe zijn tweeden bewaker zien uit den weg

te ruimen. Hij legde zich plat op den grond neer, en zich steeds

houdende alsof hij in diepen slaap was, kroop hij zachtjes naar den

Roodhuid toe.

Hij naderde hem om zoo te zeggen duim voor duim, en streep voor streep,

van lieverlede, onmerkbaar, maar altijd welberekend!

Eindelijk was hij geen twee passen meer van den krijgsman af, die

echter zoo gerust sliep dat hij hem zonder vrees kon naderen.

Nathan bedacht zich een oogenblik, vatte al zijne kracht en vlugheid

te zamen, en met een sprong als een jaguar zat hij op den Indiaan

met de knie op zijne borst, terwijl hij hem met de linkerhand bij de

keel greep.

De Comanch, oogenblikkelijk wakker wordende, spartelde geweldig om

zich van den noodlottigen aangreep te ontdoen en sloeg de oogen met

schrik rond.

Zonder een woord te spreken, trok Nathan zijn mes en stiet het den

Roodhuid diep in het hart, terwijl hij hem steeds bleef vasthouden.

De krijgsman viel achterover als van den bliksem getroffen en was

ontzield zonder een schreeuw of zelfs een zucht te slaken.

»Zie zoo," prevelde de bandiet zijn mes afwisschende; »dat is een

goed wapen. Nu mag het gaan zoo het wil, maar ongewroken zal ik

niet sterven."

Reeds den vorigen avond had Nathan, zoodra hij zag dat zijne vermomming

hem niet meer dienen kon, verzocht zijne eigene kleederen weder aan

te trekken, hetgeen hem was toegestaan.

Het toeval wilde, dat de Indiaan, dien hij doorstoken had in het

bezit was van zijn weitasch en zijne buks, de jongman nam ze nu

beiden terug en slaakte een zucht van zelfvoldoening, dat hij deze

voor hem zoo onwaardeerbare voorwerpen had wedergevonden en daarmede

zijn woudlooperskostuum kompleet was.

De tijd drong, hij moest tot iederen prijs zien weg te komen,

de schildwachten verschalken en het kamp verlaten. Wat had hij

te vreezen? den dood? Als hij bleef wist hij bepaald welk lot hem

verbeidde: voor hem was er geen twijfelachtige keus, het was toch

duizendmaal beter zijn leven in een ongelijken strijd te verliezen,

dan het uur der strafoefening af te wachten.

Nathan wierp een wilden blik in het rond, boog zich voorover, luisterde

en laadde in stilte zijn geweer.

De diepste rust bleef in het kamp heerschen.

»Kom," prevelde de jongman, »er valt hier niet te weifelen, ik moet

vertrekken."

Op dit oogenblik klonk het geblaas van de lintslang op nieuw.

Nathan ontroerde.

»O!" riep hij, »het blijkt nu dat men mij niet verlaten heeft, zooals

ik dacht."

Hij ging op den buik liggen en kroop naar den boom terug daar hij

aan vastgemaakt was geweest.

Er hing eene lasso tot op den grond, aan het einde dier lasso waren

twee dubbele knoopen gemaakt, die de matrozen een stoel noemen, van

welke de eene helft onder de heupen door gaat, terwijl de andere de

borst ondersteunt.

»Caramba!" mompelde hij, »zoo iets weet de oude alleen te verzinnen. Nu

zullen wij die honden van Roodhuiden nooit schooner trek hebben

gespeeld! Hebben ze mij niet voor een toovenaar willen houden, nu

zullen ze wel moeten, want ik daag hen uit om mijn spoor te vinden!"

Onder het houden van deze alleenspraak, had de Amerikaan zich reeds

op het stoeltje geplaatst.

De lasso, door een krachtige hand opgehaald, begon snel te stijgen

en Nathan verdween weldra tusschen het dichte loof van den lorkenboom.

Toen hij de eerste takken voorbij was, omtrent dertig voet boven den

grond, ontdeed de jongman zich van de lasso; werkte zich met behulp

van handen en voeten naar boven, en was binnen weinig minuten veilig

bij zijne kameraden.

»Oef!" bromde hij twee- of driemaal met kracht adem halende, terwijl

hij het zweet afwischte dat hem van het aangezicht gutste. »Nu kan

ik ten minste zeggen dat ik op een voorbeeldelooze wijze den dans

ben ontsnapt. Ik dank er u allen voor, want bij mijne ziel! zonder

u was ik dood geweest."

»Al komplimenten genoeg," antwoordde de oude Squatter, »wij hebben

geen tijd voor saletpraatjes. Hm! gij zult hier toch niet lang willen

blijven."

»Te duivel, dat zou ik denken; ik ben tot uwe orders, welken kant

moeten wij uit?"

»Dien kant," zei de Roode-Ceder den arm uitstrekkende in de richting

van het kamp.

»Wat duivel!" riep Nathan met drift, »zijt gij waanzinnig, of hebt

gij mij alleen willen redden om mij des te schooner aan onze vijanden

over te leveren?"

»Wat meent gij daarmede?"

»Iets dat gij zelf zoo goed zoudt zien als ik, wanneer het dag was:

namelijk dat het bosch aan dien kant geen honderd passen verder,

plotseling eindigt aan den rand van een onpeilbare quebrada."

»O wee!" zei de Squatter, terwijl zijn voorhoofd zich donker samentrok,

»wat dan gedaan?"

»Teruggekeerd, omtrent een half uur ver en dan linksaf gaan. Ik heb

sedert ik u verliet genoeg van het land gezien om mij ten minste in

't ruwe het beloop der bergen te herinneren; maar, zooals gij zegt,

het eerste wat wij op het oogenblik te doen hebben is ons van hier

te verwijderen."

»Te meer daar de maan terstond zal opkomen," merkte Sutter aan,

»en als dan de Roodhuiden bij ongeluk merkten dat Nathan gevlucht is

kregen zij ons dadelijk in den neus."

»Knap gezegd," riep Nathan; »op weg!"

»Op weg!" herhaalden de anderen.

De Roode-Ceder stelde zich weder vooraan en begon den terugtocht.

Dit ging met onbeschrijfelijk veel moeite gepaard in den donkeren

nacht; iedere stap moest op den tast worden gedaan en men kon geen

voet verzetten alvorens van zijn steunpunt zeker te zijn, anders

liep men gevaar van tak tot tak naar beneden te storten en misschien

zeventig of tachtig voet diep verpletterd op den grond neer te komen.

Nauwelijks hadden zij aldus drie honderd stappen gedaan, of een woest

geschreeuw ging achter hen op; een groot licht scheen in het bosch en

dwars door de bladeren zagen de vluchtelingen de zwarte gestalten der

Indianen die als dollemannen in alle richtingen liepen onder dreigend

getier en misbaar.

»Ei!" riep de Roode-Ceder, »de Comanchen schijnen bemerkt te hebben

dat gij hen verlaten hebt."

»Dat komt mij ook zoo voor," antwoordde Nathan, »die arme lieden

kunnen zich niet troosten over mijn verlies."

»Des te meer omdat gij hen waarschijnlijk vóór uw vertrek wel eene

kleine herinnering zult hebben achtergelaten."

»Wat gij zegt, vader," riep de andere terwijl hij onder zijn jachtkiel

twee bloedige haarschedels liet zien die aan zijn gordel hingen,

»ik dacht aan de premie, men moet nooit verzuimen zaken te doen."

De woesteling had eer hij zich aan de lasso liet ophalen in koelen

bloede zijn twee slachtoffers gescalpeerd.

»Ah zoo; zijn zij daarom zoo woedend," zei Fray Ambrosio; »gij weet

wel dat de Comanchen nooit iets vergeven. Hoe hebt gij zulk een

laaghartige daad kunnen begaan?"

»Bemoei u met uw eigen zaken, señor padre," zei Nathan forsch; »en

laat mij doen wat ik wil, of ik zend u met een kolfstoot als mijn

plaatsvervanger naar beneden."

De monnik beet zich de lippen.

»Wild beest!" bromde hij.

»Kom, houd nu stil voor den duivel!" zei de Roode-Ceder; »laten wij

liever denken om weg te komen."

»Wel ja," voegde Sutter er bij, »als wij weder veilig zijn kunt

gij elkander voldoening geven als echte caballeros. Maar in deze

oogenblikken hebben wij wel wat anders te doen dan te kijven als

oude vrouwen."

De twee mannen wisselden een blik van haat, maar hielden zich stil.

De troep trok verder, onder geleide van den Roode-Ceder en vervolgd

door het geschreeuw der Comanchen, die al meer en meer naderden.

»Zouden zij waarlijk ons spoor ontdekt hebben?" mompelde de Squatter

en schudde treurig het hoofd.

XXXIII.

WIE DE SLIMSTE WAS.

Wij zullen thans naar Valentin en zijne vrienden terugkeeren, die wij

verlaten hebben toen zij op weg gingen om den Roode-Ceder te vervolgen.

De Franschman begon eindelijk in deze zoo lang volgehouden jacht uit

eerzucht en eigenliefde belang te stellen, zijn eerzucht kwam hier in

't spel; het was de eerste maal sedert zijne komst in de prairie,

dat hij stond tegenover zulk een moeielijke en fijn geslepen partij

als de Roode-Ceder.

Zoowel als hij, bezat ook de Squatter eene grondige kennis van het

leven in het Verre Westen, alle geluiden, alle paden en schuilhoeken

der prairie waren hem bekend en gemeenzaam; even als hij had hij

zich bijzonder toegelegd om de listen en bedriegerijen der Indianen

te leeren kennen en gebruiken en eindelijk had Valentin in hem, zoo

niet zijn meester dan toch zijns gelijke gevonden. Zijne geprikkelde

eigenliefde dreef hem dus om de ontknooping dezer intrigue te

verhaasten, en hij nam zich stellig voor om deze zaak zoo krachtig

door te zetten, dat de Roode-Ceder ondanks al zijne geslepenheid

weldra in zijne handen zou vallen.

Na dus, zoo als wij gezien hebben, de hoogere streken der Sierra

verlaten te hebben, breidden de jagers zich waaiersgewijze uit, om

zoo mogelijk door een of ander bewijs het sedert lang verloren spoor

terug te vinden, volgens den bij alle woudloopers bekenden stelregel,

dat de spoorzoeker die het eene eind van een spoor gevonden heeft, na

verloop van eenigen tijd, ook het andere eind onfeilbaar bereiken moet.

Ongelukkig echter was er geen teeken van voetstappen hoegenaamd te

ontdekken; de Roode-Ceder was er ja geweest, maar zoo als men het

noemt, spoorloos verdwenen.

Intusschen liet Valentin zich niet ontmoedigen; hij bestudeerde het

terrein, onderzocht ieder geknakte struik of grashalm met een geduld

dat zich door niets liet afschrikken of vermoeien. Zijne vrienden,

minder aan zulke onaangename teleurstellingen gewoon, wierpen hem

te vergeefs wanhopige blikken toe; hij bleef steeds voortgaan met

gebukte houding, starende naar den grond, zonder op hunne gebaren of

woorden acht te slaan.

Eindelijk tegen den middag, na omtrent vier uren op deze wijs te zijn

voortgegaan,--moeielijke taak voorzeker!--bevonden de jagers zich op

eene naakte rots. Te dezer plaats zou het eene dwaasheid geweest zijn

afdruksels van voetstappen te willen zoeken, die het harde graniet

niet kon opnemen. Don Miguel en zijn zoon wierpen zich op den grond,

meer nog uit moedeloosheid dan van vermoeienis.

Curumilla begon het hier en daar verstrooide dorre blad te verzamelen

om een vuur voor het ontbijt aan te leggen.

Valentin stond op zijn geweer geleund, met een gefronst voorhoofd en

gespannen aandacht en keek beurtelings naar den grond en om zich heen.

De plek waar de jagers hun voorloopig kampement hadden gevestigd, was

een kale rots, op welke geen grasspriet groeien kon; een ontzaggelijke

lorkenboom overschaduwde haar bijna geheel met zijne dichte takken.

De jager bleef gestadig doorkijken en wendde den schranderen blik

afwisselend naar omhoog en naar beneden, als had hij een voorgevoel

dat hij op deze plaats het lang vermiste spoor zou wedervinden.

Op eens humde hij welluidend en diep. Op dit signaal, dat tusschen

hem en den Indiaan was afgesproken, hield Curumilla op met blad te

verzamelen, richtte zich op en keek hem aan.

Valentin liep terstond naar hem toe. De twee Mexicanen stonden ook

op en voegden zich bij hem.

»Hebt gij iets ontdekt?" vroeg don Miguel nieuwsgierig.

»Neen," antwoordde Valentin, »maar ik zal waarschijnlijk spoedig

iets ontdekken."

»Hier?"

»Ja hier, juist hier, ik ruik de stappen van het boschzwijn," riep hij

met een geslepen glimlach; »geloof mij, wij zullen ze spoedig zien."

Onder dit zeggen bukte de jager, raapte een handvol bladeren op en

begon ze een voor een nauwkeurig te onderzoeken.

»Wat zoudt gij aan dat blad kunnen zien?" mompelde don Miguel en

haalde de schouders op.

»Alles!" antwoordde Valentin forsch, terwijl hij zijn onderzoek

voortzette.

Curumilla, die op de hurken zat, maakte den grond schoon en bekeek

de rots.

»Ooah!" riep hij.

Allen bukten.

De Ulmen wees met den vinger op een kras in de rots, van omtrent tien

duimen lang en niet dikker dan een haar.

»Hier zijn ze doorgegaan," hernam Valentin, »dat is voor mij zoo zeker

als twee maal twee vier is; alles bewijst het mij: de voetstappen die

wij vroeger ontdekt hebben en die in omgekeerden zin liepen met deze

plaats, zijn er een ontegenzeggelijk bewijs van."

»Hoe kan dat?" riep don Miguel verwonderd.

»Niets is eenvoudiger: de voetstappen, die u misleid hebben kunnen

zulk een ouden woudlooper als mij niet bedriegen; de hiel was te

diep ingedrukt, het waren ook geen geregelde stappen, maar aarzelend,

nu links dan rechts, een bewijs dat zij valsch waren!"

»Valsch waren!"

»Geheel valsch. Weet gij wat de Roode-Ceder gedaan heeft om de

richting te verbergen die hij volgde? Hij is meer dan twee mijlen

ver het achterste voren geloopen."

»Zoudt gij dat denken?"

»Ik ben er zeker van. De Roode-Ceder, ofschoon reeds op jaren,

bezit nog de volle kracht der jeugd; zijn stap is vast en volkomen

regelmatig, gelijk die van al de echte woudloopers. Hij marcheert

met de noodige voorzorg, dat is hij zet den voorvoet eerst op den

grond, zoo als ieder doet die niet zeker is dat hij niet zal moeten

terugtreden. In de afdruksels die wij gezien hebben is, zoo als

ik u reeds gezegd heb, de hiel het eerst op den grond gezet en dus

veel dieper ingedrukt dan de teen; dat is te begrijpen en kan schier

onmogelijk anders zijn als men achteruit loopt, inzonderheid wanneer

het lang duurt."

»Dat is waar," antwoordde don Miguel; »wat gij zegt is zoo zeker als

twee maal twee vier is."

Valentin glimlachte.

»Wij zijn er nog niet," sprak hij, »laat mij begaan."

»Maar," opperde don Pablo, »gesteld nu dat de Roode-Ceder tot hiertoe

gekomen is, hetgeen ik thans zoo zeker geloof als gij zelf, hoe komt

het dan dat wij zijn spoor aan de andere zijde der rots niet hebben

teruggevonden? Hoe zorgvuldig hij het moge verborgen hebben, zoo het

werkelijk bestaat zouden wij het ontdekken."

»Zonder twijfel; maar het bestaat daar niet en het zou onnoodig

tijdverlies zijn om er naar te zoeken. De Roode-Ceder is tot hiertoe

gekomen, deze streep bewijst het u. Maar waarom kwam hij hier? zult

gij mij vragen. Om een licht te begrijpen reden. Op dit harde graniet

namelijk is geen enkel indruksel mogelijk; de Squatter heeft ons

willen misleiden, door ons--al waren wij hem te slim--op een punt

te brengen, waar wij zijne richting geheel verliezen moeten. Dit is

hem in zooverre gelukt; maar hij heeft al te fijn willen spelen en

daardoor zijne zaak bedorven; binnen drie minuten zal ik u zijn spoor

aanwijzen, zoo duidelijk als had hij het uzelf aangetoond."

»Ik moet u bekennen, vriend, dat ik zeer verwonderd ben over alles wat

gij mij zegt," hervatte don Miguel; »ik heb nooit iets kunnen begrijpen

van dat hoogere instinct dat u in de prairie schijnt te besturen en

voort te helpen, en waarvan ik met verbazing telkens nieuwe proeven

heb gezien, maar ik verklaar u ronduit dat de tegenwoordige proef al

de vorigen ver overtreft."

»Mijn hemel!" antwoordde Valentin, »gij maakt mij een kompliment

dat ik niet verdien; al wat gij van mij gezien hebt is eene zaak van

redeneering en vooral van gewoonte, zoo is het, bij voorbeeld, voor u

even ontwijfelbaar als voor mij, dat de Roode-Ceder hier geweest is,

niet waar?"

»Ja."

»Zeer goed; maar als hij hier geweest is, moet hij ook weder vertrokken

zijn," riep de jager lachend, »want anders zou hij er nog moeten zijn,

en dan hadden wij hem reeds."

»Dat is stellig."

»Goed; dus moeten wij nu zoeken op te sporen hoe hij is kunnen

wegkomen."

»Dat is het juist en daar zie ik geen kans toe."

»Dat komt omdat gij niet goed ziet, of liever omdat gij u de moeite

niet geven wilt."

»O! wat dat betreft, vriend, zweer ik u...."

»Vergeef mij, ik druk mij verkeerd uit; het is omdat gij u geen

rekenschap weet te geven van hetgeen gij ziet."

»Hoe zoo! weet ik mij geen rekenschap te geven van hetgeen ik

zie!" riep don Miguel min of meer gepikeerd door deze aanmerking.

»Zeer zeker," hernam Valentin bedaard, »en gij zult het mij dadelijk

toestemmen."

»Dat is al wat ik verlang."

Ondanks zijn scherpzinnig verstand en andere uitmuntende hoedanigheden,

had Valentin het zwak dat aan vele menschen eigen is, namelijk om

onder zekere omstandigheden gaarne met zijne verkregen kennis en

ervaring te schitteren.

Dit gebrek, dat in de prairie zeer dikwijls voorkomt, was hem echter

licht te vergeven en deed overigens aan het schoone karakter van

Valentin geen schade.

»Gij zult het zien," vervolgde hij met die soort van toegevendheid,

waarmede lieden die het wel weten gewoon zijn een of andere zaak

aan onkundigen op te helderen; »de Roode-Ceder is hier gekomen en

hij is verdwenen; ik kom hier en ik zie het; hij heeft niet kunnen

wegvliegen, noch in de aarde kruipen; hij moet dus noodwendig een weg

hebben gekozen, welken dan ook, daar een mensch door kan; nu ligt hier

op de naakte rots een massa bladeren verspreid: een eerste bewijs."

»Hoedat?"

»Pardi! dat spreekt van zelf; wij zijn immers niet in het saizoen,

dat de boomen hun blad laten vallen; zij kunnen dus niet van zelf

zijn afgevallen."

»Waarom niet?"

»Omdat zij dan geel en verdord zouden moeten wezen, terwijl zij

daarentegen groen en verlept en sommige zelfs verscheurd zijn: dus is

het immers bepaald zeker dat zij met geweld van den boom zijn gerukt."

»Dat is waar," mompelde don Miguel meer en meer verwonderd.

»Laten wij thans zien door welke onbekende kracht zij van de takken

kunnen zijn gerukt."

Onder dit zeggen was Valentin reeds voortgestapt, al bukkende, in de

richting waar hij een donkere kras op de rots had gezien.

Zijne vrienden volgden hem, en bespiedden even als hij aandachtig

den grond.

Op eens bukte Valentin en raapte een stuk boomschors op, zoo groot

als de palm van eene hand, en liet het aan don Miguel zien.

»Thans is mij alles duidelijk," zeide hij. »Gij ziet wel dat dit

stukje boombast verknepen en afgekauwd is alsof het sterk door een

touw omkneld was geweest, niet waar?"

»Ja."

»Wel! begrijpt gij het nu?"

»Waarlijk, niet beter dan te voren."

Valentin haalde de schouders op.

»Luister eens goed," zeide hij, »de Roode-Ceder is hier geweest,

met zijn lasso heeft hij het uiteinde van dien dikken tak weten

te grijpen, dien gij daar boven ons hoofd ziet uitsteken; geholpen

door zijne kameraden, heeft hij dien omgebogen tot op den grond. De

zwarte streep die wij gezien hebben, bewijst welk eene inspanning die

menschen hebben moeten doen om dit gedaan te krijgen. De tak eenmaal

gebogen zijnde, hebben de kameraden van den Squatter dien de een

na den ander beklommen; de Roode-Ceder, die het laatst achterbleef,

heeft er zich door laten opheffen, en allen zijn zij dus zeventig of

tachtig voeten hoog boven den grond gekomen; dat alles, gij zult het

moeten toestemmen, was zeer vernuftig uitgedacht; maar ongelukkig

hebben de hakken van den Squatter een kras van nauwelijks een haar

breed op de rots achtergelaten, en zijn er een massa bladeren van den

boom op de rots gevallen: bij het losmaken van zijne lasso is er een

stuk van de schors afgebroken, en daar hij te weinig tijd had om weder

naar beneden te gaan en de sporen van zijn bedrijf te verwijderen,

hebben wij die gevonden en hierdoor weet ik alles wat er gebeurd is

zoo goed alsof ik het zelf had bijgewoond."

Op deze even beknopte als duidelijke verklaring van den jager

volgde van de zijde zijner vrienden geen verbazing, maar stomme

bewondering; zij stonden versteld door zulk een ongehoorde proef

van scherpzinnigheid.

»Het is mirakuleus!" riep don Miguel uit. »En gij gelooft dus dat de

Roode-Ceder over dien boom is weggekomen?"

»Ik durf dit wedden om al wat gij wilt," zei Valentin. »Overigens

zult gij het weldra zien, want wij gaan denzelfden weg op."

»Zoo! maar op die wijs zullen wij toch niet veel verder kunnen komen."

»Gij vergist u. In de natuurbosschen van die soort, welke thans

voor ons ligt, bestaat bijna geen andere weg dan dien wij nemen

zullen. Komaan, nu wij het spoor van den bandiet eindelijk voor goed

hebben teruggevonden, hoop ik dat wij met lust zullen ontbijten om

hem des te krachtiger te kunnen vervolgen."

De jagers zetten zich vroolijk rondom hun vuur en aten met smaak een

bout van den grauwen beer.

Maar uit ongeduld namen zij, zooals men gewoonlijk zegt, dubbele

brokken, zoodat hun maal in een ommezien geëindigd was en zij weldra

gereed waren hunne nasporingen voort te zetten.

Valentin, ten einde zijn vrienden de juistheid zijner ophelderingen te

kunnen bewijzen, gebruikte om den boom te beklimmen hetzelfde middel

daar de Roode-Ceder zich van bediend had.

Werkelijk moesten de jagers, toen zij allen op den tak vereenigd

waren, de waarheid erkennen van hetgeen Valentin hun gezegd had;

de sporen van den Roode-Ceder waren overal duidelijk zichtbaar.

Zoo trokken zij een geruimen tijd voort, getrouw de sporen volgende

door de bandieten nagelaten; hoe verder zij echter kwamen, hoe

zeldzamer die sporen werden en eindelijk hielden zij geheel op.

Het spoor was voor de tweede maal verloren.

Valentin bleef staan, en wenkte zijne vrienden om bij hem te komen.

»Laten wij raad houden," zeide hij.

»Ik denk, dat de Roode-Ceder lang genoeg naar zijn zin over de boomen

gewandeld had, en dat hij op den grond zal zijn afgedaald," opperde

don Miguel.

Valentin schudde het hoofd.

»Gij zijt er niet achter, vriend," zeide hij, »wat gij daar beweert

is letterlijk onmogelijk."

»Waarom dat?"

»Omdat het spoor, zooals gij ziet, hier juist eindigt boven een meer."

»Dat is zoo."

»Daarbij is het wel boven allen twijfel verheven dat de bandiet het

niet al zwemmende zal zijn overgetrokken. Trekken wij dus, het mag

gaan zoo het wil voort, ik ben er zeker van dat wij spoedig nieuwe

sporen zullen vinden; de tegenwoordige richting is de eenige die de

Roode-Ceder kan gekozen hebben, zijn doel is de linie der vijanden

door te komen die hem van alle zijden insluiten. Ging hij de bergen

in, dan zou hij, gelijk gij weet, en hij weet het even goed als wij,

onherroepelijk verloren zijn, hij kon dus niet anders wegkomen dan

daar ginds, en het is daar dat wij hem moeten nazetten."

»En blijven wij dan altijd op de boomen?" vroeg don Miguel.

»Pardi! Gij moet niet vergeten, mijne vrienden, dat de bandieten

een meisje bij zich hebben. Dat arme kind is geenszins, zoo als zij,

gewoon aan de moeielijke marschen door de woestijn; zij zou die geen

uur lang kunnen volhouden zoo haar vader en hare broeders haar niet

langs betrekkelijk minder moeielijke wegen vervoerden. Slaat de oogen

eens naar beneden, en gij zult u kunnen overtuigen dat het voor hen

onmogelijk zou zijn om met een jong meisje daar door te komen. Hier

is dus onze weg," vervolgde hij nadrukkelijk, »en hier alleen kunnen

wij onzen vijand aantreffen."

»Welaan dan, met Gods hulp!" riepen de Mexicanen.

Curumilla had, volgens zijne gewoonte, niet gesproken, hij was zelfs

niet blijven staan om aan het gesprek deel te nemen, maar was steeds

voortgemarcheerd.

»Ooah!" riep hij op eens.

Zijne vrienden liepen haastig toe.

De Ulmen had een stukje gestreept katoen in de hand, niet grooter

dan een dollar.

»Zoo als gij ziet," riep Valentin, »wij zijn op den rechten weg,

gaan wij er dus niet van af."

Deze ontdekking deed alle redekaveling ophouden.

De dag daalde meer en meer, en de roode zonneschijf gloeide reeds

van verre tusschen de boomstammen.

Na nog twee uren gemarcheerd te hebben was het volkomen duister.

»Wat nu gedaan?" vroeg don Miguel; »wij kunnen den nacht toch niet als

papegaaien tusschen de takken doorbrengen; laten wij eene geschikte

plaats opzoeken om te kampeeren, morgen kunnen wij met het aanbreken

van den dag onze jacht hervatten."

»Ja," antwoordde Valentin lachend, »en als er dan dezen nacht, terwijl

wij daar beneden rustig slapen, iets gebeurt dat den Roode-Ceder

verplicht om terug te keeren, glipt hij ons door de vingers als een

adder, zonder dat wij het eens opmerken. Neen, neen, vriend, gij moet

u van nacht getroosten om als een parkiet zoo als gij zegt op een tak

te slapen, indien gij de vrucht van al uwe zorgen en vermoeienissen

niet wilt zien verloren gaan."

»O, o! als het niet anders wezen kan," riep don Miguel, »zal ik er mij

aan onderwerpen, al moest ik ook acht dagen lang op een boom slapen,

dat zou ik liever doen dan dat mij die booswicht ontsnapte."

De lynch-wet · 第 23 / 29 段