»de winter nadert met rassche schreden; de hooge boomen zijn van hunne
bladeren beroofd; de sneeuw valt met dichte vlokken op de bergen:
de Zonnestraal werd ongerust in hare eenzame hut, sedert vele manen
reeds heeft het opperhoofd zijne vrouw verlaten, en zich van haar
verwijderd; zij heeft verlangd weder te zien dien zij lief heeft."
»De Zonnestraal is de vrouw van het opperhoofd, haar hart is sterk;
meermalen reeds was zij van den Eenhoorn gescheiden en altoos wachtte
zij zijne wederkomst af zonder te klagen: waarom was haar gedrag
heden zoo gansch anders?"
De jonge vrouw greep de hand van Mme. Guillois.
»De moeder van Koutonepi heeft verlangd haar zoon weder te zien,"
antwoordde zij eenvoudig.
Het gelaat van den Eenhoorn helderde op, zijne stem klonk zachter.
»De moeder mijns broeders is welkom in het kamp van den Eenhoorn,"
zeide hij met eene beleefde buiging voor de oude vrouw.
»Is mijn zoon niet bij u, hoofdman?" vroeg zij nieuwsgierig.
»Neen, maar mijne moeder make zich niet ongerust; zoo zij het verlangt
kan zij hem voor de tweede zon wederzien."
»Dank u, hoofdman."
»Ik zal een krijgsman afzenden, om Koutonepi te waarschuwen dat zijne
moeder in ons midden is."
»Ik zal zelf gaan," riep de Spinnekop.
»Goed; dat is u toegestaan. Breng mijne moeder naar mijne hut om haar
de noodige rust te laten nemen."
De twee vrouwen verwijderden zich.
Een enkel persoon stond nog voor den Eenhoorn, die persoon was de
vermeende toovenaar.
De twee mannen beschouwden elkander aandachtig.
»O!" riep de Sachem, »welk gelukkig toeval voert mijn vader in
mijn kamp?"
»De gezanten van Wacondah gaan waar hij hun beveelt te gaan, en denken
niet na over hetgeen hij wil," antwoordde Nathan droogjes.
»Dat is zoo," hernam de Sachem; »wat verlangt mijn vader?"
»Gastvrijheid voor een nacht."
»Gastvrijheid verleent men zelfs aan een vijand in de wildernis;
is mijn vader zoo onbekend met de gebruiken der prairie, dat hij mij
dit vraagt?" sprak de Eenhoorn met een argwanenden blik.
Nathan verbeet zich.
»Mijn vader heeft mijne woorden kwalijk begrepen," zeide hij.
»Het maakt weinig uit," viel de Eenhoorn hem gebiedend in de rede,
»de groote geneesheer zal den nacht in het kamp doorbrengen; een gast
is den Comanchen heilig, alleen de verraders, als zij ontmaskerd zijn,
worden naar verdiensten gestraft. Mijn vader kan zich verwijderen."
Nathan huiverde inwendig bij deze woorden, die hem schenen te bewijzen
dat het opperhoofd hem verdacht hield en dat zijn incognito niet zoo
veilig was als hij wel wenschte. Intusschen verborg hij zijne vrees
in zijn hart en bewaarde zooveel mogelijk den goeden schijn.
»Ik dank u," zeide hij met eene buiging.
De Eenhoorn boog insgelijks en keerde hem toen den rug toe.
»Hm!" mompelde de Amerikaan in zich zelven: »ik geloof dat ik
dwaas gedaan heb met mij te midden dezer duivels te begeven, het
basiliscusoog van dien verwenschten hoofdman scheen mijne geheimen
op mijn gelaat te lezen. Laten wij ons in acht nemen!"
Onder deze beschouwingen verwijderde zich Nathan met langzamen tred,
opgeheven hoofd en met al den schijn alsof hij over den uitslag van
zijn onderhoud met den Eenhoorn zeer tevreden was.
Juist op dit oogenblik reed een ruiter met lossen teugel de vallei
binnen. Deze ruiter passeerde geen twee schreden van den Amerikaan
en wisselde met hem een doordringenden blik.
Nathan sidderde.
»Als zij mij herkend heeft, ben ik verloren," zeide hij.
Die ruiter was de Witte-Gazelle. De Comanchen bogen voor haar toen
zij hen voorbij reed; zij nam haar richting rechtstreeks naar de hut
van den Eenhoorn.
»Ik ben in den muil van den wolf," mompelde Nathan, »mijne verwaandheid
zal mijn ongeluk zijn. Er is één ding dat de mensch niet kan
ontveinzen, en dat eene ding is zijn blik, de Gazelle kent mij te
goed om zich te vergissen; laten wij zien weg te komen zoo er nog
tijd voor is."
Nathan was een te wel beraden man om te wanhopen; hij liet dus geen
enkel oogenblik in vruchteloos zelfbeklag verloren gaan; integendeel,
met al de helderheid van geest die het gevaar aan den moedige schenkt,
berekende hij in weinige sekonden de kansen op behoud die hem nog
overbleven en bereidde zich voor op een wanhopigen strijd. Hij wist
maar al te goed welk een gruwzame straf hem te wachten stond, om zijn
leven en zijne vrijheid niet tot het uiterste te verdedigen.
Zonder zich ergens op te houden, zonder zijn stap of houding te
veranderen, wandelde hij voort in dezelfde richting, groette in
't voorbijgaan de krijgslieden die hij tegenkwam, en zoo bereikte
hij zonder eenige stoornis de grens van het kamp. Hij durfde niet
omkijken om te zien wat er achter hem gebeurde; maar zijn geoefend
oor luisterde scherp naar ieder verdacht geluid.
Er scheen echter niets te gebeuren dat zijne vrees kon rechtvaardigen,
het kamp bleef steeds even rustig en kalm.
»Ik heb mij vergist," mompelde hij, »zij heeft mij niet herkend:
mijne vermomming is zoo goed dat ik te spoedig begon te vreezen,
het zou misschien beter zijn om te blijven. Maar toch, neen, neen,"
vervolgde hij een oogenblik later, »stellig ben ik hier niet veilig."
Hij ging eenige stappen verder en was gereed om het bosch in te gaan,
toen hem op eens een zware hand op den schouder werd gelegd.
Hij bleef staan en keek om.
De Spinnekop stond naast hem.
»Waar gaat mijn vader heen?" vroeg hem de krijgsman op een spotachtigen
toon, die wel geschikt was om den Amerikaan het ergste te doen duchten;
»hij heeft zich zeker vergist?"
»Hoedat vergist?" antwoordde Nathan, die zich inspande om koel
te blijven.
»Mijn vader is bezig om het kamp uit te gaan."
»Welnu, en wat zou dat?"
»Heeft mijn vader den Sachem dan niet om gastvrijheid gevraagd?"
»Wel zeker."
»En waarom gaat hij dan heen?"
»Wie zegt u dat ik heen ga, krijgsman?"
»Maar mij dunkt dat gij al mooi op weg zijt naar het bosch."
»Dat weet ik wel, want ik ga werkelijk naar het bosch om eenige
tooverkruiden te zoeken, ter bereiding van een groot geneesmiddel,
dat ik den Sachem zal aanbieden om hem onkwetsbaar te maken."
»Ooah!" riep de Indiaan een paar groote oogen opzettende; »als gij
hem dat eens zelf wilt gaan zeggen, twijfel ik niet of hij zal u
overal vrij laten rondloopen."
»Zoo! ben ik dan uw krijgsgevangene?"
»Geenszins, maar het is stellig verboden om iemand uit het kamp te
laten, zonder voorafgaand verlof, en daar gij er niet aan gedacht hebt
om deze gunst te verzoeken, ben ik tot mijn leedwezen genoodzaakt u
te waarschuwen."
»Zeer goed! dan blijf ik; maar ik zal onthouden hoe de Comanchen de
gastvrijheid verstaan."
»Mijn vader doet kwalijk dat hij dit zegt; de eer van ons volk vordert
dat deze zaak onverwijld worde toegelicht. Mijn vader gelieve mij
dus te volgen naar den Sachem; ik ben zeker dat dit misverstand met
een paar woorden zal zijn uit den weg geruimd."
Nathan voelde dat hij in den strik was; de vleiende wijze waarop de
Spinnekop de zaak behandelde stelde hem maar half gerust. Wat hij
hem had voorgeslagen was alles behalve naar zijn smaak, doch daar
hij begreep de zwakste te zijn en geen kans zag om op eenige wijs
weg te komen, onderwierp hij zich aan de omstandigheden en besloot,
ofschoon zeer tegen zijn zin, om met den Spinnekop naar de hut van
den Eenhoorn terug te keeren.
»Gaan wij," zeide hij tegen den Indiaan.
Nathan volgde zwijgend achter den Spinnekop.
De Eenhoorn zat voor zijne hut omringd door de voornaamste
opperhoofden; naast hem stond de Witte-Gazelle met de hand op haar
karabijn leunende die met de kolf op den grond rustte.
Toen de gewaande toovenaar aankwam, gaven de Indianen noch door
hunne blikken noch door hunne gebaren eenig bewijs dat zij hem als
zoodanig erkenden.
De Amerikaan sloeg de oogen ter sluik in 't rond.
»Ik ben ingerekend!" prevelde hij binnensmonds, »zij zijn al te
bedaard."
Met dat al trad hij voor hen, kruiste de armen op de borst en wachtte.
De Witte-Gazelle keek op en zag hem aan met een onverbiddelijken blik.
»Nathan," sprak zij op een toon die hem schier het bloed in de aderen
deed stollen, »de opperhoofden verlangen van u een van die mirakelen
waarmede de toovenaars van hun stam gewoon zijn bewijs te geven van
hunne geheimzinnige macht."
Aller oogen waren thans op den Amerikaan gericht en ieder wachtte
met belangstelling zijn antwoord, om te zien of hij een moedig man
dan wel een lafaard was. Nathan begreep dit, hij haalde verachtelijk
de schouders op en antwoordde glimlachend en op laatdunkenden toon:
»De Comanchen zijn honden en oude vrouwen, de jagers van mijn volk
zullen hen met de zweep wegjagen. Zij die altijd zoo geslepen willen
zijn hebben zich door een blanke laten bedriegen, en zonder u, nina,
mag de duivel mij halen als ze mij ooit herkend zouden hebben."
»Gij erkent dus dat gij geen Indiaansch toovenaar zijt?"
»Ja, zeker! Die Indiaansche buffelhuid die ik mij heb omgehangen
stinkt te veel, zij weegt mij als lood op de schouders; ik werp haar
af om mijn vorige kleed weder aan te nemen, dat ik nooit had moeten
afleggen."
De Witte-Gazelle wendde zich om naar den Eenhoorn.
»Gij ziet het, hoofdman," zeide zij.
»Ik zie het," antwoordde hij; en vervolgde toen tegen den Amerikaan:
»Is mijn broeder een krijgsman onder zijn volk?"
Nathan grinnikte.
»Ik," antwoordde hij onverschrokken, »ik ben de zoon van den
Roode-Ceder, den onverzoenlijken vijand van uw vervloekte ras; mijn
naam is Nathan. Doet met mij wat gij verkiest, honden, maar gij zult
geen klacht aan mijne lippen, geen traan aan mijne oogen, geen zucht
aan mijn borst ontlokken."
Deze hooghartige woorden deden in de rijen der opperhoofden een
gemompel van goedkeuring opgaan.
»Ah zoo!" sprak de Eenhoorn aan wien de Gazelle iets in het oor had
gezegd. »Wat kwam de zoon van den Roode-Ceder dan in het kamp der
Comanchen doen?"
»Ik zie geen kans om u dat te zeggen, hoofdman," antwoordde de jongman
vrijmoedig. »U kwam ik er niet zoeken, ik heb alleen door uwe liniën
willen komen om te ontsnappen, anders niet."
Een ongeloovige glimlach teekende zich op de lippen der Witte-Gazelle.
»Denkt Nathan dat wij kinderen zijn die zich door zulke praatjes
laten misleiden?" zeide zij.
»Denk er van wat gij wilt, het is mij onverschillig; ik heb u de
waarheid gezegd."
»Gij zult toch niet willen ontkennen dat gij met voordacht als een
toovenaar vermomd, onder uwe vijanden gekomen zijt?"
»Bij den hemel! dat zegt gij met recht, nina; maar het eene is even
natuurlijk als het andere, denk ik. Overigens herhaal ik u, alles is
louter toeval."
»Ei! dat is zeer onwaarschijnlijk; uw vader en uwe broeders bevinden
zich zeker altoos door dat zelfde toeval hier in den omtrek, niet
waar?"
»Wat hen betreft mag ik lijden dat de duivel mij den hals breekt,
als ik weet waar zij op dit oogenblik zijn."
»Dat antwoord heb ik juist van u verwacht; ongelukkig zijn er in alle
richtingen krijgslieden uitgezonden, die hen spoedig zullen weten
te vinden."
»Dat denk ik niet. Overigens geef ik er niet om; kunnen zij ontsnappen
des te beter voor hen, en vallen zij in uwe handen, des te erger!"
»Ik behoef u zeker niet te zeggen welk lot gij te wachten hebt."
»Dat is mij sinds lang bekend: de brave Roodhuiden zullen zich
waarschijnlijk amuseeren met mij levend te villen, voor een klein
vuur te braden, of een of andere dergelijke vriendschappelijke
bejegening. Het mag hun wel bekomen!"
»En als men u eens het leven schonk, zoudt gij dan genegen zijn om
te zeggen waar uw vader en uwe broeders, alsmede uw waarde vriend
Fray Ambrosio zich bevinden?"
»Op mijn woord van eer, neen! Ik heet wel een bandiet zonder eer
of wet, dat geef ik u toe, nina, maar ik ben noch verrader noch
verklikker. Regelt u daarnaar, en zoo gij benieuwd zijt om een man
van mijne soort te zien sterven, noodig ik u uit mijne strafoefening
bij te wonen."
»Wel?" vroeg de Eenhoorn aan de Gazelle.
»Hij wil niet spreken," antwoordde zij. »Maar al verzekert hij van
neen en al toont hij groote standvastigheid, zoo zullen misschien
de martelingen die gij hem wilt laten ondergaan, zijn moed aan het
wankelen brengen en hem doen klappen."
»Derhalve," hervatte het opperhoofd, »zou mijne zuster mij raden
om...."
»Ik raad u," viel zij hem met drift in de rede, »hem even onbarmhartig
te behandelen als hij het anderen gedaan heeft."
»Goed."
De Eenhoorn wenkte zijne krijgslieden en zei, met vingerwijzing op
den Amerikaan:
»Brengt den gevangene weg, en maakt alles voor de pijniging gereed."
»Dank u!" zeide Nathan, »gij zult mij ten minste niet hooren klagen,
dat is één troost."
»Wacht met uwe vroolijkheid tot gij de eerste proef hebt doorgestaan,"
voegde de Gazelle hem spotachtig toe.
Nathan antwoordde niet en verwijderde zich tusschen de tanden
fluitende, terwijl twee krijgslieden hem weg brachten.
Deze bonden hem stevig vast aan een lorkenstam en lieten hem alleen,
na zich verzekerd te hebben dat hij zich niet bewegen kon en dus
iedere poging tot vlucht onmogelijk was.
De jongman zag hen na en liet zich op den grond vallen, onbezorgd in
zich zelven prevelende:
»De vermomming was toch goed, zonder dat verduivelde vrouwspersoon
zou ik zeker geslaagd zijn."
XXXII.
HOE NATHAN ZICH VERDER GEDRAAGT.
Van zijn hooge standpunt boven de boomen had de Roode-Ceder gezien
dat men zijn zoon aan den lorkenstam bond.
Dit gezicht had hem plotseling doen stilhouden, hij bevond zich juist
boven het kamp der Comanchen, eene uiterst gevaarlijke stelling, daar
de geringste misstap of verkeerde beweging, door zijne tegenwoordigheid
te verraden, genoeg was om zijnen ondergang te veroorzaken.
Op zijn wenk kwamen Sutter en Fray Ambrosio beurtelings bij hem om
de bladeren uiteen te schuiven en Nathan te zien, die zeker nergens
minder aan dacht dan dat zijne kameraden, die hij den vorigen dag
verlaten had, zoo dicht bij hem waren.
Intusschen nam de duisternis in het boschkamp hand over hand toe en
weldra waren de voorwerpen daar beneden moeielijk te onderscheiden,
te meer nog door het valsche en onzekere schijnsel der vuren die van
afstand tot afstand ontstoken werden.
De Squatter hield niet van zijn zoon, zulk een man als hij was niet
in staat om meer dan één bemind voorwerp in zijn hart op te nemen;
al zijne genegenheid bepaalde zich uitsluitend tot Ellen. Het leven
of de dood van Nathan ging hem als vader weinig aan; in den benarden
toestand echter waarin hij zich thans geplaatst zag, betreurde hij
zijn zoon als een goed kameraad, een dapper en manmoedig helper in
den nood, een bekwaam schutter, kortom een persoon waarop men in een
gevecht rekenen kon.
Wij behoeven hier het vastberaden en besluitvaardig karakter van den
Roode-Ceder niet verder aan te wijzen, het is den lezer bekend.
In de tegenwoordige omstandigheden kwam hem een denkbeeld in 't hoofd;
en ook nu zoo als altijd, wanneer hij eens zijn besluit genomen had,
liet hij zich door niets terug houden en trotseerde hij ieder gevaar
om het ten uitvoer te brengen.
De Roode-Ceder had besloten zijn zoon te redden, niet, wij herhalen
dit, uit vaderlijke liefde, maar om een knap scherpschutter te meer
aan zijne zijde te tellen wanneer hij, zooals zich wel liet aanzien,
genoodzaakt zou zijn te strijden.
Het was echter geene gemakkelijke zaak om Nathan te redden. De
jongman zelf, die niets dan den dood voor oogen had, wist allerminst
dat zijn vader op zoo korten afstand zich gereed maakte om hem te
helpen ontvluchten. Deze onwetendheid kon den stouten aanslag dien
de Squatter in den zin had allicht doen mislukken.
Laatstgenoemde, alvorens iets te beginnen, riep zijne twee kameraden
tot zich en deelde hun zijn plan mede.
Sutter, even waagziek en stout als zijn vader, juichte het plan
volmondig toe; hij zag in dit waagstuk niets anders dan een nieuwen
meesterlijken trek aan zijne vijanden de Roodhuiden gespeeld, en
verheugde zich niet zoo zeer daarover dat hij zijn broeder uit hunne
handen zou verlossen, als wel over het zotte figuur dat zij zouden
maken, wanneer zij, op het bepaalde uur der straf hun slachtoffer
komende zoeken om het aan den folterpaal te klinken hem nergens meer
vinden zouden.
Fray Ambrosio daarentegen bezag de zaak uit een geheel ander oogpunt:
hunne stelling, zeide hij, was reeds gevaarlijk genoeg om haar,
zoo te zeggen voor de aardigheid, niet nog hachelijker te maken,
door een verloren man te willen redden, die als de proef mocht
komen te mislukken, bovendien hun aller ondergang zou kosten, daar
hunne luchtwandeling dan voor de Roodhuiden niet langer verborgen
kon blijven.
De debatten tusschen de drie avonturiers duurden lang en waren levendig
genoeg, elk hield zijn gevoelen hardnekkig vol en zij konden het ten
slotte niet eens worden, tot de Roode-Ceder, die dit wel zag, er op
eens een eind aan maakte door te verklaren dat hij zich stellig had
voorgenomen zijn zoon te redden, en dat hij hem zou redden, al wilden
ook al de Roodhuiden van het Verre Westen er zich tegen verzetten.
Tegenover zulk een beslissende uitspraak was niets anders te doen
dan te zwijgen en te zwichten, hetgeen de monnik dan ook deed.
De Squatter maakte nu dadelijk aanstalten om zijn plan ten uitvoer
te brengen.
Wij hebben reeds gezegd dat de nacht gedaald was, en weldra had dikke
duisternis de gansche prairie als in een lijkkleed gehuld; de maan,
die haar laatste kwartier reeds door was, zou eerst tegen twee uren na
middernacht opkomen, en het was nu omstreeks acht ure; de Roode-Ceder
had dus nog zes geschikte uren voor zich, die hij besloot met woeker
zich ten nutte te maken.
Onder zulke dringende omstandigheden, als die waarin de avonturiers
zich bevonden, weegt en telt men de oogenblikken als een gierigaard
zijne goudstukken, iedere verspilde minuut was in hun oog een
onherstelbaar verlies.
De nacht werd inmiddels nog donkerder; dikke, zwarte met onweder
bezwangerde wolken dreven zwaarmoedig door het uitspansel en bedekten
het schemerende sterrelicht; de lichte avondkoelte was na zonsondergang
van lieverlede sterker geworden en blies thans klagend door de hooge
takken van het honderdjarig geboomte.
Behalve de hier en daar rondom het kamp verspreide schildwachts lagen
af de Indianen rondom hunne smeulende vuren, in hunne bisonsmantels
gewikkeld en gaven zich over aan diepe rust.
Ook Nathan, ofschoon stevig gebonden, sliep of scheen te slapen;
twee krijgslieden in zijne nabijheid geplaatst om hem te bewaken,
hadden toen zij zagen dat hun gevangene zich zoo gelaten aan zijn
lot onderwierp zich almede ter ruste gelegd en waren onbekommerd
ingeslapen.
Plotseling deed zich een licht geblaas hooren, als het geschuifel
eener lint-slang, boven in den top van den boom aan welks voet de
jongman nederlag. Deze opende dadelijk de oogen en wierp een zoekenden
blik in het rond, zonder zich echter te verroeren uit vrees van zijne
bewakers wakker te maken.
Een tweede geblaas, maar langer van duur dan het eerste liet zich
hooren, en bijna onmiddellijk gevolgd door een derde.
Nathan hief voorzichtig het hoofd op en keek naar den top van den boom,
maar het was er zoo pikdonker dat hij niets onderscheiden kon. Op
hetzelfde oogenblik gleed er een koud voorwerp, daar hij echter
den vorm niet van kon gissen, langs zijn voorhoofd, het bewoog zich
slingerend heen en weer en sloeg eenige keeren tegen zijn aangezicht
Het ding, wat het ook wezen mocht, daalde langzamerhand en viel
eindelijk op de knieën van den jongman.
Hij bukte voorover en bekeek het aandachtig.
Het was een mes!
Nathan had bijna geschreeuwd van blijdschap. Hij was dus niet door
allen verlaten! Onbekende vrienden stelden belang in zijn lot en
zochten hem middelen te verschaffen om zich te redden.
De hoop keerde in zijn hart terug als bij den kampvechter die een
oogenblik door een ontvangen slag bedwelmd, weder bijkomt en zijne
krachten verzamelt om den strijd te hervatten.
Zoo onverschillig is niemand, hoe onversaagd hij ook wezen mag, al
heeft hij na dapperen strijd tegen het onmogelijke zijn leven voor
goed en onvoorwaardelijk prijs gegeven, of, wanneer hem op weg naar
de strafplaats een onverwachte straal van hoop tegenblinkt, herstelt
hij zich onmiddellijk, het beeld des doods wijkt uit zijne ziel,
hij richt zich op en strijdt op nieuw met wanhopigen moed om het
leven te herwinnen dat hij reeds verloren waande.
Zoo ging het ook met Nathan: hij richtte zich langzamerhand overeind,
met den blik onafgewend naar zijne steeds onbeweeglijke wachters
gericht.
Men vergeve ons de wellicht al te uitvoerige beschrijving van deze
bijzonderheden, maar zij zijn te waar om hier onvermeld te blijven. Op
het oogenblik toen het eerste gefluit zich hooren liet, lag Nathan te
snorken ofschoon hij klaar wakker was; en ook nu snorkte hij steeds
voort, om door dit eentonige geluid zijne ingedommelde bewakers des
te vaster in slaap te wiegen.
Er was iets zonderling treffends in het voorkomen van den jongman,
die met de oogen wijd open, de wenkbrauwen gefronst en een gelaat
vertrokken door hoop en vrees, de koorden doorzaagde waarmede zijne
ellebogen aan den boomstam gehecht waren, terwijl hij onder dit alles
zoo bedaard bleef snorken alsof hij den meest gerusten slaap genoot.
Met ongehoorde moeite en inspanning was het hem eindelijk gelukt het
touw dat zijne beide polsen samenknelde door te snijden; thans zat
hij met hetzelfde geduld dat van zijne ellebogen door te zagen.
Weldra was ook dit los; het overige was niets meer, nu hij zijne
handen en armen eenmaal vrij had.
Binnen weinige sekonden was hij van al zijne banden ontdaan en bergde
hij het mes in zijn gordel.
Het koord waarmede men het mes had nedergelaten werd weder opgehaald.
Nathan wachtte met onbeschrijfelijken angst.
Hij zat of lag weder in zijne eerste houding en snorkte voort.
Op eens ontwaakt een zijner wachters, wendt zich naar hem om rekt
de door slaap verstijfde beenen, staat op, komt naar hem toe en bukt
geeuwend over hem heen.
Nathan bespiedde met half gesloten oogen zorgvuldig al zijne
bewegingen. Toen hij zag dat het aangezicht van den Roodhuid geen
twee duim ver van het zijne af was, greep de jongman hem sneller
dan eene gedachte met beide handen bij de keel, en dat zoo woest,
dat de Comanch dus onverhoeds aangepakt geen tijd had om te schreeuwen.
De Amerikaan was met herculische spierkracht begaafd, die door de
hoop op uitkomst in dit oogenblik nog verdubbeld werd. Hij klemde den
hals van den Indiaan zoo vast als een bankschroef, deze worstelde
als een leeuw om zich aan den doodelijken greep te ontwringen:
maar te vergeefs; de ijzeren vuisten van den bandiet lieten, niet
los en verstikten hem meer en meer met een langzame, welberekende,
onverbiddelijke omklemming.
Met uitpuilende oogen en vreeselijk verwrongen gelaatstrekken sloeg
de Roodhuid eindelijk twee of driemaal werktuigelijk met de armen in
de lucht, zonk in een laatsten stuip en bleef toen onbeweeglijk liggen.
Hij was dood.
Nathan hield hem nog eenige minuten vast om zich te verzekeren dat
alles met hem gedaan was, en legde toen den krijgsman naast zich
neder in eene houding alsof hij nog altoos gerust sliep.
Daarop streek hij zich met de hand over het voorhoofd om er het koude
zweet af te wisschen, en sloeg de oogen op naar de kruin van den boom;
maar hij zag niets.
Een vreeselijke gedachte schoot den jongman door het brein: zouden
zijne vrienden wanhopen hem te redden, zouden zij hem aan zijn lot
hebben overgelaten? Hij hijgde van angst.
Evenwel, hij had immers zoo duidelijk het signaal van zijn vader
gehoord; het geblaas van de lintslang was sedert lang het afgesproken
sein tusschen hen om in gevaarlijke omstandigheden elkander te
beroepen.
Zijn vader was de man niet om een door hem begonnen werk half afgedaan
te laten steken, wat er ook van komen mocht.
Maar toch, de minuten verliepen en niets verkondigde den in nood
zijnde dat men aan zijne bevrijding medewerkte; alles bleef doodstil.
Zoo verstreek er bijna een half uur, Nathan verkeerde in eene koorts
van onbeschrijfelijk ongeduld en angst.
Tot op dit oogenblik was er wel is waar niemand in het kamp die de
ongewone bewegingen had opgemerkt waaraan hij zich hoe gering dan
ook had moeten wagen, maar het minste noodlottige toeval kon ieder
oogenblik zijn ontvluchtingsplan aan het licht brengen, er behoefde
slechts een enkele Indiaan, door de scherpe nachtkoude ontwaakt,
op te staan en bij eene wandeling door het kamp om warm te worden
hem voorbij te komen.