afgesproken, trokken Mme. Guillois en de Zonnestraal op weg onder
geleide van den Spinnekop en zijne twintig krijgslieden om zich naar
den Eenhoorn te begeven.
XXX.
HOE NATHAN VOOR TOOVENAAR SPEELT.
De Spinnekop, ofschoon Comanch en krijgsman van den echten stempel,
dat wil zeggen, vermetel, arglistig, brutaal en wreed, was daarom niet
geheel onbekend met de wetten der beleefdheid ook jegens vrouwen; hij
had dus het verzoek van de Zonnestraal, om de moeder van den grooten
bleeken jager naar den Eenhoorn te geleiden, met genoegen aangenomen.
De Indiaan, die als de meesten zijner stamgenooten zich zeer aan
Valentin verplicht rekende, nam met vreugde deze gelegenheid te baat
om zijn weldoener eene dienst te bewijzen.
Zoo de Indiaan alleen met zijne twintig makkers rustig op weg ware
getogen, zou hij, om hier eene uitdrukking der Comanchen te bezigen,
den afstand tusschen het dorp en den Eenhoorn binnen twee zonnen hebben
afgerend; maar nu hij twee vrouwen onder zijn geleide had, waarvan
de eene niet alleen hoog bejaard, maar bovendien eene Europeaansche
was, met andere woorden geheel ongewoon met het leven der wildernis,
nu begreep hij toch wel, zonder dat iemand er hem iets van zei--want
Mme. Guillois zou eer gestorven zijn dan zich te beklagen, en zij
alleen had het hem kunnen zeggen--nu begreep hij wel, zeg ik, dat
hij zijne manier van reizen een weinig wijzigen moest. Hij deed het
dan ook.
De beide vrouwen, elk op een stevig paard gezeten, Mme. Guillois
bovendien op een zacht kussen van zes of acht pantervellen, werden dus
uit vrees voor ongelukken midden in den troep geplaatst, die omdat zij
sterk genoeg in getal waren, niet in den gewonen Indiaanschen pas,
d.i. als de ganzen achter elkander, maar in vier of vijf gelederen
reed.
Zoo marcheerde men, om zoo te zeggen, in een sukkeldraf op den geheelen
eersten dag. Tegen zonsondergang liet de Spinnekop afzitten en gaf
hij order om te kampeeren.
Hij zelf was een der eersten die afsteeg, en met behulp van zijn mes
had hij in een ommezien een aantal takken gekapt, waaruit hij als met
een tooverslag, eene hut deed verrijzen, om de twee vrouwen behoorlijk
in te huisvesten, beschut tegen den nachtelijken dauw of koude.
De vuren werden ontstoken, het souper klaar gemaakt, en terstond na
den maaltijd begaven allen zich ter rust, uitgenomen de schildwacht.
Maar ook Mme. Guillois sliep niet; door koorts en ongeduldig verlangen
wakker gehouden, zat zij den ganschen nacht in een hoekje der hut in
diep nadenken verzonken.
Met het opgaan der zon werd de tocht hervat; doch daar men de bergen
naderde, werd de wind zeer koud en lag er een dikke mist over de
dalen verspreid. Ieder wikkelde zich zorgvuldig in mantel en pels
tot omstreeks tien ure des voormiddags, toen de zonnestralen kracht
genoeg kregen om deze voorzorg onnoodig te maken.
In zekere streken van Amerika heeft het klimaat de minder aangename
bijzonderheid, dat het des morgens, zoo als men zegt, steen en been
vriest, terwijl het op den middag smoorheet wordt en des avonds
daarentegen de thermometer op nieuw onder nul daalt.
De tweede dag ging zonder meldenswaardig voorval voorbij. Tegen
den avond echter, een uur voordat men halt zou maken, ontdekte de
Spinnekop, die eenige paardlengten voor den troep uitreed om den weg
te verkennen, voetsporen. De voetsporen waren geheel versch, zeer
duidelijk, gelijkmatig en diep en schenen van een jong, krachtvol
man te zijn die het reizen gewoon was.
De Spinnekop keerde naar zijn troep terug, zonder zijne ontdekking
noch de gevolgen die hij er uit afleidde aan iemand mede te deelen.
De Zonnestraal, die op dat oogenblik het dichtst bij hem was, klopte
hem op den schouder om zijne aandacht te trekken.
»Zie eens, krijgsman," sprak zij met de hand een weinig links vooruit
wijzende, »zoudt gij niet denken dat daar ginds iemand loopt?"
De Indiaan bleef staan, hield de hand boven de oogen om de
gezichtstralen beter in een punt te kunnen samentrekken, en tuurde
langen tijd aandachtig naar de donkere stip die de jonge vrouw hem
aanwees. Eindelijk reed hij weder voort en schudde herhaalde malen
het hoofd.
»Wel! wat denkt mijn broeder er van?" vroeg de Zonnestraal.
»Het is een man," antwoordde hij, »van hier gezien schijnt het een
Indiaan, en toch, weet ik niet recht of ik wel of kwalijk gezien heb."
»Hoedat?"
»Hoor eens, gij zijt de vrouw van het eerste opperhoofd van den stam,
ik kan het u dus gerust zeggen: er steekt hier iets vreemds achter; ik
heb zoo even te voren voetstappen ontdekt. Naar de richting gerekend,
zijn zij blijkbaar van dien man daar, te meer nog daar zij nog zeer
versch en slechts voor weinige oogenblikken gemaakt zijn."
»Welnu?"
»Welnu, die voetstappen zijn geen sporen van een Roodhuid, maar van
een blanke."
»Dat is inderdaad zonderling," mompelde de jonge vrouw ernstig
wordende; »maar zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?"
De Indiaan glimlachte verontwaardigd.
»De Spinnekop is een krijgsman," sprak hij, »een kind van acht jaar
had het even goed kunnen zien als ik, de voeten staan buitenwaarts
gekeerd; de Indianen daarentegen zetten die binnenwaarts; bovendien
is de groote teen dicht bij de anderen aangesloten, terwijl bij ons
Roodhuiden de groote teen sterk afwijkt; nu vraag ik mijne zuster,
of het mogelijk is, zich na zulke kenteekenen te vergissen?"
»'t Is waar," riep zij, »dat kan niet!"
»En ziedaar," hervatte hij, »let eens op de houding van dien man,
nu wij hem een weinig meer nabij komen; het blijkt duidelijk dat
hij zich zoekt te verbergen, hij denkt dat wij hem nog niet gezien
hebben, en gaat diensvolgens te werk. Kijk, daar bukt hij achter dien
mastikboom; daar komt hij weder te voorschijn. Nu houdt hij stil en
staat in beraad, hij vreest zeker dat wij hem gezien hebben en dat
zijn gang ons verdacht is voorgekomen. Ziet gij wel, hij gaat zitten
om ons af te wachten."
»Laten wij oppassen," zeide de Zonnestraal.
»Ik heb hem in 't oog," antwoordde de Spinnekop met een grimmigen blik.
Intusschen was al hetgeen de Spinnekop gezegd had letterlijk waar. De
onbekende, na herhaalde pogingen om zich achter de struiken te
verbergen of tusschen de heuvels onzichtbaar te maken, begreep weldra,
dat, zoo hij den schijn aannam van te vluchten, zijne vervolgers hem
des te scherper zouden in 't oog houden en, daar zij te paard waren,
hem spoedig zouden achterhalen. Hij schikte zich dus moedig in zijn
lot en keerde naar de vlakte terug, waar hij op den grond ging zitten,
met den rug tegen een tamarindeboom, en bedaard begon te rooken,
in afwachting van den troep ruiters, die snel naderden.
Hoe dichter echter de Comanchen bij hem kwamen, hoe meer zij hem
voor een Indiaan begonnen te houden. Eindelijk waren zij geen twintig
passen van hem af, en nu hield alle twijfel op. De man was, of scheen
althans een dier zwervende toovenaars te zijn, die in menigte in het
Verre-Westen van volksstam tot volksstam trekken, om de zieken te
genezen of om hunne wonderkuren te verrichten.
Werkelijk was deze toovenaar niemand anders dan Nathan, de
Squatterszoon, dien de lezer zonder twijfel reeds lang zal hebben
herkend.
Na volgens zijne loffelijke gewoonte, met een koelbloedigen moord
den armen toovenaar, wiens kennis helaas niet ver genoeg reikte om
dit afschuwelijk verraad te voorzien, voor zijn gewichtige dienst te
hebben betaald, was Nathan haastig opgemarcheerd, vast besloten om de
liniën zijner vijanden door te trekken, terwijl hij zich bijna zeker
hield van goed te zullen slagen, dank zij de vermomming in welke hij
zich had gestoken, eene vermomming, die hij, wij moeten het zeggen,
meesterlijk wist uit te voeren.
Zoodra hij dus de ruiters in de verte zag naderen, had hij de oude les
te baat genomen, »die goede beenen heeft behoeft het gevaar niet af
te wachten," en het op een loopen gezet. Ongelukkig echter was hij
te voet, en reeds tamelijk vermoeid van den verren tocht dien hij
had gemaakt; bovendien zag hij op zulk een open en weinig boschrijk
terrein, als het tegenwoordige, geen kans om zich te verbergen en
vreesde veeleer argwaan te zullen wekken bij lieden, die, daar zij
hem niet kenden, hem anders licht zonder nader onderzoek zouden nemen
voor hetgeen zijne kleeren aanduidden. Daarbij rekende hij op den
bijgeloovigen aard der Indianen en op de ruime mate van onbeschaamdheid
die hij bezat om hen te bedriegen.
Al deze beschouwingen maakte Nathan met de snelheid van iemand
die gewoon was te kiezen en te handelen. Zijn besluit stond in een
paar minuten vast en zich aan den voet van een boom nedervlijende,
stopte hij bedaard zijne calumet en wachtte al rookende de komst der
reizigers af.
Overigens moeten wij zeggen dat Nathan een man was van vermetele
waagzucht en ontembare stoutmoedigheid; geen stelling hoe netelig
en onverwacht ook kon hem verschrikken, maar behaagde hem veelmeer,
en zelfs de koortsachtige spanning waarin zij hem bracht had voor
iemand van zijn karakter iets bekoorlijks.
Als een echt avonturier, was zijn vaste grondregel om van iedere
omstandigheid partij te trekken, en zijn voordeel te doen zoo vaak de
gelegenheid zich aanbood; dus stelde hij haar ook thans op woeker,
en nauwelijks hielden de Indianen bij hem stil of hij richtte tot
hen dadelijk het woord.
»Ik heet mijne zonen welkom in mijn kampement," zeide hij met dien
sterk geteekenden keelklank, die het roode menschenras eigen is en
door de blanken zoo moeielijk wordt nagebootst; »de Wacondah heeft
hen tot mij geleid, ik zal mij beijveren zijn wil te eerbiedigen door
hen zoo goed te ontvangen als mij mogelijk is."
»Dank u," antwoordde de Spinnekop, hem met een uitvorschenden blik
aankijkend, »wij nemen het aanbod van onzen broeder even gul aan als
hij het ons doet; mijne jonge lieden zullen met hem kampeeren."
Hierop gaf hij zijne bevelen, die terstond werden uitgevoerd. Even
als den vorigen dag bouwde de Spinnekop met eigen hand voor de vrouwen
eene calli, waarin deze zich onverwijld terugtrokken. De toovenaar had
haar aangezien met een blik die haar een huivering door de leden joeg.
Na den avondmaaltijd stak de Spinnekop zijne Indiaansche pijp aan
en nam naast den toovenaar plaats; hij verlangde met hem te praten
en tot opheldering te komen, niet zoozeer omtrent kwade vermoedens,
maar omtrent zekere twijfelingen, die er bij hem bestonden.
Onwillekeurig gevoelde de Indiaan voor den onbekende een
onverwinnelijken afkeer, daar hij zich geen rekenschap van wist
te geven.
Nathan van zijn kant, terwijl hij met al den ernst van een Roodhuid
zat te rooken en zich in dikke wolken van tabaksdamp hulde, die hij
gestadig uit neus en mond blies, volgde in stilte iedere beweging van
den Indiaan, zonder zich den schijn te geven alsof hij op hem lette.
»Is mijn vader op reis?" vroeg de Spinnekop.
»Ja," antwoordde de vermeende toovenaar kortaf.
»Sedert lang?"
»Sedert acht manen."
»Ooah!" riep de Indiaan verbaasd, »waar komt mijn vader dan van daan?"
Nathan nam de pijp uit zijn mond, trok een geheimzinnig gezicht en
sprak op ernstigen en terughoudenden toon:
»De Wacondah is almachtig, zij tot wie de Meester des levens spreekt,
bewaren zijne woorden in hun binnenste."
»Dat is waar," antwoordde de Spinnekop met eene buiging, al begreep
hij er niets van.
»Is mijn zoon geen krijgsman van de geduchte koningin der prairiën,
is hij geen zoon van de dappere Comanchen?" hervatte de gewaande
toovenaar.
»Ik ben inderdaad een krijgsman der Comanchen."
»Is mijn zoon misschien uitgegaan om te jagen?"
»Neen, ik ben op dit oogenblik op het oorlogspad."
»Ooah! denkt mijn zoon nu een grooten toovenaar te bedriegen, dat
hij zulke woorden tegen mij durft spreken?"
»Mijne woorden zijn waar, mijn bloed vloeit helder als water in
mijne aderen, geen leugen heeft mijne lippen bezoedeld, mijn hart
blaast mijne borst niets dan waarheid in," antwoordde de Spinnekop,
blijkbaar gramstorig, daar hij zich door het verwijt van den toovenaar,
gekrenkt gevoelde.
»Goed, ik wil dat wel gelooven," zei deze, »maar sedert wanneer voeren
de Comanchen hunne vrouwen mede op het oorlogspad?"
»De Comanchen zijn meester om te doen wat zij goed vinden; niemand
heeft het recht hen tot verantwoording te roepen."
Nathan begreep dat hij op een verkeerden weg was en dat, wanneer hij
het gesprek op dit terrein wilde voortzetten, hij den man dien hij
zoo veel reden had te ontzien, tegen zich zou krijgen. Hij veranderde
dus van taktiek.
»Minder dan iemand," zeide hij zachtzinnig, »matig ik mij het recht
aan om van de daden der krijgslieden rekenschap te vorderen, ik ben
een man van den vrede."
De Spinnekop glimlachte minachtend.
»Inderdaad," zeide hij op zekeren toon van gebelgdheid, »de groote
geneesheeren daar mijn vader er een van is, zijn als de vrouwen,
zij leven zeer lang; de Wacondah beschermt hen."
De gewaande toovenaar wachtte zich wel den bitteren spot, die in dit
gezegde lag opgesloten, nader te doen uitkomen en hield zich alsof
hij dien niet opmerkte.
»Gaat mijn zoon naar zijn dorp terug?" vroeg hij.
»Neen," hernam de andere, »integendeel, ik ga met mijne beroemdste
krijgslieden naar het groote opperhoofd van mijn stam, die op eene
onderneming uit is."
»Tot welken stam behoort mijn zoon dan?"
»Tot dien van den Eenhoorn."
Nathan ontroerde inwendig, ofschoon hij er niets van liet blijken.
»Ooah!" riep hij, »de Eenhoorn is een groot opperhoofd, zijn roem
strekt zich uit over de gansche aarde. Waar is de krijgsman die zich
met hem in de prairie zou durven meten?"
»Kent mijn vader hem?"
»Die eer heb ik niet, al heb ik er dikwijls naar verlangd; tot op
dezen dag heb ik den vermaarden Sachem nog nooit kunnen ontmoeten."
»Laat u dat niet langer verdrieten; als mijn vader het verlangt,
zal ik hem met den Eenhoorn in kennis brengen."
»Dat zou voor mij een geluk zijn, doch de zending die de Wacondah
mij heeft toevertrouwd, vordert elders mijne tegenwoordigheid. Ik
heb weinig tijd, en kan dus, hoe zeer ik het ook zou willen, mijn
reisplan niet veranderen."
»Goed! de Eenhoorn is anders nauwelijks drie uren rijdens van hier;
morgen ochtend vroeg bereiken wij in tijds zijn kamp."
»Maar hoe komt het dat mijn zoon, die zulk een wijs krijgsman schijnt
te zijn, zich hier heeft opgehouden, daar hij toch zoo dicht bij zijn
opperhoofd was?"
Alle vermoedens waren thans bij den Indiaan geweken, hij zette dus
alle wantrouwen ter zijde en antwoordde ditmaal ronduit zonder de
waarheid te willen verbergen:
»Mijn vader heeft gelijk, ik zou zonder twijfel zijn voortgereden tot
het kamp van den Sachem en het reeds dezen avond voor het schreeuwen
van den nachtuil hebben bereikt, maar ik heb twee vrouwen bij mij,
die mijn tocht vertraagd en mij genoopt hebben om hier te blijven."
»Mijn zoon is jong," hernam Nathan met een schalkschen glimlach.
»Mijn vader vergist zich," hernam de Spinnekop, »die vrouwen zijn
mij toevertrouwd, ik bemin en eerbiedig haar: de eene is de vrouw van
den Eenhoorn, die naar haar man gaat, de andere is een bleekgezicht,
hare lokken zijn wit als de wolken, die daar boven ons hoofd drijven,
gezweept door den avondwind, haar lichaam is gebogen onder den last des
winters; zij is de moeder van den grooten jager der bleekgezichten,
den aangenomen zoon der Comanchen, wiens naam zeker bij mijn vader
bekend zal zijn."
»Hoe heet die jager?"
»Koutonepi."
Bij dezen naam, dien hij echter wel half kon verwachten, deed Nathan
onwillekeurig zulk een sprong achteruit, dat de Spinnekop vreemd
opkeek.
»Is Koutonepi mijns vaders vijand?" vroeg hij.
»Integendeel," hernam Nathan gevat, »de lieden die de Wacondah
beschermt, hebben geene vijanden, dat weet mijn zoon wel; het is de
vreugde bij het hooren van zijn naam die mij deed opspringen."
»Mijn vader moet dan duchtige redenen hebben om zich zoo verrast
te toonen."
»Die heb ik ook, inderdaad zeer sterke," antwoordde de vermeende
toovenaar met geveinsde opgewondenheid. »Koutonepi heeft eens mijne
moeder het leven gered."
Deze leugen sprak hij zoo triomfant uit en met zoo diepe en wel
gespeelde overtuiging, dat de Indiaan haar terstond voor waarheid
aannam en eerbiedig voor den toovenaar boog.
»Is dat het geval," zeide hij, »nu, dan ben ik zeker dat mijn vader
geen oogenblik aarzelen zal zijn reisplan een weinig te veranderen, om
dien man te zien aan wien hij met zulke hechte banden van dankbaarheid
verbonden is; want waarschijnlijk ontmoeten wij Koutonepi in het kamp
van den Eenhoorn."
Nathan meesmuilde. Gelijk het gewoonlijk met onoprechten gaat,
die om kwade vermoedens te verdrijven vaak te veel willen bewijzen,
voelde hij er in te zijn geloopen en begreep wel dat hij nu, om niet
op nieuw verdacht te worden, de gevolgen van zijn eerste leugen moedig
volhouden en tot iederen prijs met den Sachem mede moest.
De Amerikaan aarzelde niet, hij vertrouwde op zijn goed gesternte om
uit den strik te komen dien hij zich zelven gespannen had. De Fortuin
is vooral de godin der bandieten, op haar rekenen zij, en wij moeten
tegen wil en dank bekennen dat zij hen niet zelden uit den brand helpt.
»Ik ga met mijn zoon naar het kamp van den Eenhoorn," zeide hij.
Het gesprek werd nog een poos tusschen de twee mannen voortgezet.
Eindelijk, toen het geheel nacht was geworden, nam de Spinnekop
afscheid en legde zich, zooals hij van het begin der reis gewoon was,
neêr voor den ingang der calli waar de twee vrouwen rustten, en sliep
zelf weldra in.
Bij het vuur alleen gebleven, wierp Nathan een bespiedenden blik in
het rond.
De schildwachten stonden als bronzen standbeelden, onbewegelijk op
hun post en leunend op hunne wapenen, te waken.
Aan vluchten viel niet te denken.
De Amerikaan slaakte een zucht van spijt, wikkelde zich in zijn
bisonsmantel en vlijde zich op den grond neer, zacht mompelend:
»Bah! morgen zullen wij zien. Is het mij heden gelukt dezen te
bedriegen, waarom zou ik minder gelukkig zijn met anderen?"
En hij sliep in.
XXXI.
DE WITTE-GAZELLE.
De nacht ging rustig voorbij. Zoodra de zon in het oosten verscheen,
kwam in het kamp alles in beweging om zich voor de afreis gereed
te maken.
De paarden werden gezadeld, de gelederen geformeerd, de twee vrouwen
plaatsten zich in het midden van den troep en men wachtte alleen het
bevel om op weg te gaan.
Nathan, die zich in alles naar zijn rol als toovenaar gedragen moest,
nam een kalebas, vulde haar met water, doopte er een alsemtak in,
sprengde daarmede in de vier hemelstreken onder het murmelen van
eenige geheimzinnige woorden, om den geest des kwaads te verdrijven;
vervolgens goot hij de kalebas ledig voor de zon, met luider stem
tot driemaal toe uitroepende:
»O zon! ontvang deze offerande; zie met een gunstig oog op ons neder,
wij zijn uwe kinderen."
Na den afloop dezer ceremonie gingen de Indianen vroolijk op weg.
De aanroeping van den gewaanden toovenaar had hun veel genoegen gedaan,
te meer daar op het oogenblik van hun vertrek aan hunne rechterhand
vier groote arenden met kale koppen, de breede vleugels ontplooid
hadden en statig ten hemel waren gestegen tot eene verbazende hoogte,
waar zij eindelijk verdwenen.
De voorteekenen waren dus allergunstigst, en de heksenmeester was
in de oogen der bijgeloovige Comanchen op eens een man van groot
gewicht geworden.
Intusschen waren er twee personen die van hem een onverwinnelijken
afkeer bleven gevoelen, namelijk de Zonnestraal, en de moeder van
Valentin.
Onwillekeurig richtten zij telkens hare blikken op den toovenaar,
die als bij instinct gevoelende dat men hem bespiedde, zich op een
eerbiedigen afstand hield en aan het hoofd der karavaan naast den
Spinnekop reed, met wien hij gedurig zoo zacht en zoo druk mogelijk
bleef redeneeren, om hem aan de praat te houden en te verhinderen
dat hij zich naar de twee vrouwen begaf, die hem natuurlijk hare
vermoedens allicht hadden kunnen mededeelen.
De troep reisde in den draf, te midden eener heerlijk schoone
en grasrijke streek; hier en daar lagen in de vlakte groote
kegelvormige rotsblokken verspreid, wier hoogte soms twee, vier,
ja zelfs vijfhonderd voeten bedroeg.
In het oosten verhieven zich de laatste toppen der Sierra de los
Comanches, tusschen welke de reizigers thans weldra doorreden. De
naakte bergspitsen, die met hunne besneeuwde kruinen den hemel schenen
te trotseeren, strekten zich zeer ver noordwaarts uit, tot zij aan den
gezichteinder zich vertoonden als lichte dampen, die een ongeoefend
oog voor wolken zou hebben aangezien, maar door de Comanchen dadelijk
werden herkend als tot de keten der Rotsbergen te behooren.
Links van de karavaan en bijna loodrecht onder hare voeten, ontrolde
zich tot op onmetelijken afstand de woestijn, aan den uitersten
horizont door een nauwelijks zichtbare lijn van witte wolken begrensd,
die aldaar de voortzetting der Rotsbergen aanwees.
De Indianen stegen onophoudelijk, langs schier onbeklimbare paden,
doch waar hunne paarden even stoutmoedig, vlug en vast voortgingen
alsof zij klauwen aan de voeten hadden.
Naarmate de troep dieper de bergen indrong, werd de lucht kouder;
eindelijk, des morgens ten negen ure, na een engen bergpas tusschen
twee hooge rotsen te zijn doorgereden, die met hare steile wanden de
zonnestralen koesterend terugkaatsten, kwam men in een bekoorlijk dal
ongeveer een mijl lang en breed, in welks midden de tenten stonden
en de kampvuren van den Eenhoorn rookten.
Nauwelijks hadden de op post staande ruiters de aankomst van den
Spinnekop en zijn detachement geseind, of een zestigtal krijgslieden
stegen te paard en reden al huppelend en springend onder het afschieten
hunner geweren en aanheffen van welkomstkreten den nieuw aankomenden
te gemoet, die van hun kant hunne paarden lieten manoeuvreeren,
allerlei rijkunsten vertoonden en met luide hoerahs of met scherpe
en langgerekte tonen op hunne oorlogsfluiten antwoordden.
Zoo trokken zij het kamp binnen en reden tot aan de tent van den
Eenhoorn.
Bereids van de komst der verwachte versterking onderricht, stond
het opperhoofd met de armen op de borst gekruist voor zijne hut,
tusschen het totem en de groote calumet.
De Eenhoorn had met een snellen blik de krijgslieden reeds gadegeslagen
en zoowel de twee vrouwen als den toovenaar opgemerkt die zij met
zich brachten; intusschen deed hij alsof hij ze niet zag, en bleef
zijn gelaat even strak als te voren. Hij wachtte bedaard af tot de
Spinnekop hem van zijne zending verslag zou geven.
De dappere Comanch steeg van zijn paard, wierp de teugels aan een
zijner kameraden toe, kruiste de armen op de borst, en boog bij
iederen stap dien hij voorwaarts trad, tot hij op korten afstand van
den Sachem komende voor de laatste maal boog, zeggende:
»De Spinnekop heeft zijne zending volbracht, hij heeft de voeten der
gazelle gebruikt om des te sneller terug te kunnen komen."
»De Spinnekop is een beproefd krijgsman, in wien ik volkomen vertrouwen
stel. Brengt hij mij het aantal jongelingen daar ik om gevraagd
heb?" antwoordde de Eenhoorn.
»De oudsten hebben zich rondom het raadsvuur vereenigd, en leenden
het oor aan de woorden van den Spinnekop, de twintig jongelingen
zijn daar, brandende van moed en strijdlust en fier dat zij zulk een
beroemd hoofd als mijn vader op het oorlogspad mogen volgen."
De Eenhoorn glimlachte trotsch bij dit vleiende kompliment, maar
bijna onmiddellijk de strenge uitdrukking hernemende die tot de gewone
trekken van zijn gelaat behoorde, zeide hij:
»Ik heb den nachtegaal hooren zingen en mijn oor is getroffen door
de welluidende tonen van zijne stem. Bedrieg ik mij, of heeft hij
zijn nest gebouwd onder het dichte loof der eiken of in de lorken
dezer vallei."
»Mijn vader vergist zich; het is geenszins de nachtegaal dien hij
hoorde zingen, het is de stem van de vriendin zijns harten die hem in
't oor drong en hem tot in zijn binnenste deed beven," murmelde de
Zonnestraal zacht, terwijl zij bedeesd naderde.
De Sachem zag zijne vrouw aan met eene mengeling van liefde en
gestrengheid.
»Adem mijns levens," sprak hij, »waarom hebt gij het dorp verlaten? Is
uwe plaats hier onder de krijgslieden? Mag de vrouw van een opperhoofd
zich zonder verlof op het oorlogspad begeven?"
De jeugdige vrouw sloeg de oogen neêr, twee vochtige parelen biggelden
aan den rand harer lange wimpers.