eerste schot te treffen; daartoe behoort men, ik wil niet zeggen
een moed en onversaagdheid te bezitten zonder voorbeeld, maar eene
zeldzame vastheid van hand."
»Dank u," antwoordde Valentin glimlachend; »maar terwijl onze vijand
thans dood is, verzoek ik u hem te bekijken en mij dan te vertellen
waar ik hem geraakt heb."
De Mexicaan boog met drift; werkelijk was de beer dood. Zijn reusachtig
lijk, dat Curumilla reeds begon de prachtige pels af te stroopen,
besloeg omtrent tien voeten grond.
Het welgerichte schot van den jager was in het rechteroog ingegaan.
De beide mannen gaven hunne verwondering luidkeels te kennen.
»Ja," zei Valentin, die hunne gedachten wel raden kon, »het is een
redelijk mooi schot; maar als ik u iets leeren mag heeft dit dier
een groot gedeelte van zijn schrikkelijken roem te danken aan zijne
kwade gewoonte, om steeds op den mensch aan te vallen, dien hij toch
maar zelden overwint."
»Maar zie eens, vriend, wat groote en scherpe klauwen! zij zijn
minstens zes duim lang."
»Dat is waar; ik herinner mij een armen Comanch dien een grauwe beer
door een enkelen slag met zijn poot den schouder verbrijzelde. Maar
vindt gij het niet een belangwekkende jacht? Ik moet u bekennen dat
zij voor mij onweerstaanbaar aantrekkelijk is."
»Ik gun u de pret, vriend," zei don Miguel; »dat gij in zulke gevechten
behagen schept, laat zich begrijpen: gij zijt door uwe levenswijs
zoo gemeenzaam geworden met het gevaar, dat gij er niet langer aan
kunt gelooven; maar voor ons stedelingen, moet ik u bekennen, dat
dit monster allerverschrikkelijkst is."
»Wel! don Miguel, hoe kunt gij zoo spreken, daar ik u meermalen leven
om leven met een tijger heb zien kampen?"
»Dat is wel mogelijk, vriend, en als de gelegenheid zich aanbood deed
ik het misschien nog, maar een jaguar is geen grauwe beer."
»Nu, ik zal er met u niet langer over kibbelen," zei Valentin. »Terwijl
Curumilla ons ontbijt gereed maakt, ga ik even op verkenning uit in de
diepte der vallei. Help gij intusschen onzen kok een boutje van mijn
wildvang braden, en ik ben zeker, als gij er eens van geproefd hebt,
dat de smaak van dit gebraad uw gevoelen omtrent de grauwe berenjacht
zal wijzigen."
Hiermede wierp Valentin onbezorgd zijn geweer over schouder dat hij
al pratende weder geladen had, en stapte de struiken in, achter welke
hij bijna onmiddellijk verdween.
Het wild, zoo als Valentin den grauwen beer had verkiezen te noemen,
woog minstens vier honderd pond. Na het met zijne gewone Indiaansche
handigheid te hebben gevild, had Curumilla het, met medehulp van de
twee Mexicanen, aan een stevigen boomtak opgehangen, die onder de
zwaarte er van boog; hij had eenige lapjes uit de lenden gesneden
en er de lever uitgehaald, die voor geoefende jagers het lekkerste
beetje is; daarna, terwijl don Pablo en don Miguel bezig waren het
vuur aan te stoken en de lapjes op de kolen te leggen, was de Indiaan
de grot ingegaan.
Don Pablo en diens vader, sinds lang aan de vrije manieren van den
Araucaanschen Ulmen gewoon, hadden hierop geen aanmerking gemaakt en
hielden zich ijverig bezig met de toebereidsels voor het ontbijt,
te meer daar zij na de vermoeienissen van dien nacht en de lange
ontberingen waaraan zij hadden blootgestaan, grooten eetlust gevoelden,
die door den reuk der berenbiefstuk nog meer werd geprikkeld.
Intusschen was het maal sinds geruimen tijd klaar en nog keerde
Valentin niet terug. De beide koks maakten zich hierover ongerust.
Curumilla kwam evenmin uit de grot terug, ofschoon hij er reeds meer
dan een uur geleden was binnengegaan.
De Mexicanen keken elkander aan.
»Kan er ook iets met hen gebeurd zijn?" vroeg don Miguel.
»Wij moeten eens gaan zien," antwoordde don Pablo.
Beiden stonden op.
Don Pablo stapte naar de grot, terwijl don Miguel zich naar het
uiteinde van het terras begaf.
Op hetzelfde oogenblik kwam Valentin aan de eene zijde te voorschijn
terwijl Curumilla aan de andere verscheen.
Curumilla had twee jonge berenvellen in de hand.
»Wat beteekent dat?" vroeg don Pablo niet zonder verbazing.
De Ulmen glimlachte.
»De beer was een wijfje," zeide hij.
»Kunnen wij ontbijten?" riep Valentin.
»Als gij maar wilt, vriend," antwoordde don Miguel. »Wij wachten
slechts op u."
»Ik ben lang uitgebleven, niet waar?"
»Meer dan een uur."
»Het was buiten mijne schuld. Verbeeldt u dat het daar beneden zoo
donker is als de nacht. Het heeft mij de grootste moeite gekost om
het lijk van onzen vriend terug te vinden, maar hij is nu Goddank
begraven en buiten bereik van de tanden der wolven en andere ondieren
in de prairie."
Don Miguel drukte hem hartelijk de hand terwijl twee tranen langs
zijne wangen liepen.
»Valentin!" zeide hij met eene bewogen stem, »gij zijt beter dan wij
allen; gij denkt om alles; geen omstandigheden, hoe ernstig ook,
kunnen u doen vergeten wat gij als plicht beschouwt. Dank beste
vriend, dank, dat gij het lijk van den armen generaal aan de aarde
hebt wedergegeven. Gij maakt mij op dit oogenblik wezenlijk gelukkig."
»Goed, goed," riep Valentin het hoofd afwendende om de ontroering te
verbergen die hem tegen wil en dank overmeesterde; »laten wij gaan
eten zoo gij wilt. Ik heb grooten honger, de zon komt op en wij zijn
nog altijd in dit ontzettende doolhof, waar wij zooveel gevaar hebben
geloopen ons gebeente te laten."
De jagers zetten zich rondom het vuur en begonnen met lust aan het
op hen wachtende maal.
Toen zij er mede gedaan hadden, hetgeen niet veel tijd vorderde,
dank zij de vermaningen van Valentin die hen telkens aanspoorde om
twee stukken op elkander te leggen, stonden zij op en maakten zich
gereed om hun tocht voort te zetten.
»Laten wij wel op onze gangen letten, caballeros, en een wakend oog
in het rond houden, want als ik mij niet bedrieg zullen wij binnen
het uur een spoor ontdekken."
»Waarom zoudt gij dat denken?"
»Ik heb er geen bepaalde reden voor," antwoordde de Franschman
glimlachend, »maar het is alsof een donker voorgevoel mij verzekert dat
wij spoedig den man zullen ontmoeten dien wij reeds zoolang zoeken."
»Ik hoop dat gij waarheid spreekt, vriend!" zei don Miguel.
»Op marsch, op marsch!" riep Valentin, terstond oprukkende. Zijne
kameraden volgden hem.
Op dit oogenblik verscheen de zon boven den gezichteinder, het bosch
ontwaakte als op een tooverslag, en de vogels onder het bladerdak
verscholen, begonnen uit volle keelen hun morgen-hymne om het gesternte
des dags te begroeten.
XXIX.
HERKENNING.
Zooals wij reeds gezegd hebben, was Madame Guillois door haar zoon
in het winterdorp der Comanchen geïnstalleerd, en de Indianen hadden
haar met vreugd ontvangen als de moeder van hun aangenomen zoon;
zij hadden de gemakkelijkste calli onmiddellijk voor haar ingeruimd
en haar met alle blijken van teederheid en kieschheid verzorgd.
De Roodhuiden bezitten boven de blanken een onbetwistbare meerderheid
in alles wat gastvrijheid betreft. Een gast is bij hen eene heilige
zaak, dermate dat zij hun eene slaafsche dienstbaarheid betoonen door
het inachtnemen van al zijne begeerten, zelfs zijne minste grillen.
Pater Seraphin, na den Roode-Ceder gewaarschuwd te hebben op zijne
hoede te zijn, was naar Mme. Guillois teruggekeerd, ten einde haar
des te beter te kunnen bewaken.
De eerwaarde missionaris was een oude kennis en vriend van de
Comanchen, dien hij in vele gevallen goede diensten had bewezen en
die hem niet vereerden als geestelijke, want daarvan begrepen zij te
weinig, maar als een goed en edelaardig mensch die steeds geneigd en
gereed was zich voor zijn naasten op te offeren.
Zoo verliepen er eenige weken, zonder dat er in het lot der oude
vrouw eenige merkbare verandering kwam.
De Zonnestraal, die zich op eigen gezag als bediende van Madame
Guillois had aangeworven, beijverde zich om haar die duizend
kleine diensten te bewijzen, die in het innerlijk leven der vrouw
zulk een groote plaats beslaan; zij hield haar met haar gebroken
Indiaansch-Fransch-Spaansch gebabbel in eene opgeruimde stemming en
zorgde voor haar als een liefhebbende dochter voor hare oude moeder,
door haar op alle mogelijke wijze den tijd te korten, of liever,
zooals de Spanjaarden het met eene eigenaardige uitdrukking noemen,
»den tijd te verschalken" (enganar), dat in allen geval beter is dan
het Fransche tuer le temps, want zoo het ons al eens gelukt den tijd
te verschalken, eindigt de onverbiddelijke toch altoos met ons te
dooden, in plaats van wij hem.
Zoolang pater Seraphin bij Mme. Guillois bleef verdroeg zij de
afwezigheid van haar zoon tamelijk geduldig. De zachte en vaderlijke
vermaningen van den missionaris deden haar deze wreede scheiding wel
niet vergeten, want eene moeder vergeet zoo iets niet, maar in een
gunstiger licht beschouwen.
Ongelukkig had vader Seraphin ernstiger plichten te vervullen, die hij
niet langer mocht verzuimen; tot haar leedwezen moest hij den loop
van zijn zwervend leven hervatten, en zijne roeping volgen zoo vol
zelfverloochening en lijden, om het licht des Evangelies en den troost
der Christelijke godsdienst aan de verste Indianenstammen te brengen.
Vader Seraphin was voor Mme. Guillois een belangrijke schakel in de
keten die haar aan haar zoon verbond; met den zendeling kon zij gerust
en vertrouwelijk over haar lieveling praten, daar hij de geheimste
gedachten van haar hart kende en ook met een enkel woord hare bezwaren
wist op te heffen of haar nieuwen moed in te boezemen. Toen hij
echter vertrok, en zij voor het eerst sedert hare komst in Amerika
zich weder alleen bevond, had zij om zoo te zeggen haar zoon voor de
tweede maal verloren.
De scheiding was ook inderdaad hard, zij had al hare christelijke
gelatenheid en hare lange gewoonheid aan het lijden noodig om den
nieuwen slag die haar trof door te staan.
Het leven onder Indianen is zeer treurig en eentonig, vooral gedurende
den winter, in het diepste der bosschen, in eene slecht gebouwde hut,
aan alle zijden toegankelijk voor den wind, wanneer de boomen van hunne
bladeren beroofd, met rijm en ijzel bedekt en de dorpen half onder de
sneeuw begraven zijn; de hemel een ijzergrauwe kleur heeft en loodzwaar
nederhangt, en gedurende de lange winternachten de stormwinden huilen
en de regen soms dagen achtereen bij stroomen nedervalt.
Alleen, beroofd van een vriend aan wien zij haar volle hart uitstorten
en hare bekommeringen kon toevertrouwen, verviel Mme. Guillois allengs
in eene sombere zwaarmoedigheid, daar niemand haar aan ontrukken kon.
Eene vrouw op den leeftijd als de moeder van Valentin breekt niet
ongestraft met al hare oude gebruiken, om eene reis te ondernemen
als zij, in het hart der Amerikaansche wildernissen.
Hoe eenvoudig en sober ook de levenswijze van zekere klasse in de
Europeesche maatschappij wezen mag, geniet zij toch betrekkelijk veel
grooter gemakken dan die men in een Indiaansch dorp kan verwachten,
waar zelfs de meeste voorwerpen van eerste noodzakelijkheid ontbreken
en het leven zich binnen zijne eenvoudigste vormen terugtrekt.
Zoo zal bijv. de vrouw, die gewoon was des avonds te arbeiden in
een gemakkelijken armstoel, in het hoekje van den haard, in een goed
gesloten kamer en bij het licht eener lamp, zich wat zij ook doet in
geen geval kunnen t'huis vinden in eene armzalige hut, waar zij op
den vastgeklopten kleibodem moet zitten, neergehurkt bij een vuur
welks rook haar de oogen verblindt, in een vertrek zonder venster,
alleen verlicht door het onzekere schijnsel eener walmende houtfakkel.
Toen Mme. Guillois Havre verliet had zij slechts één doel, een
verlangen, namelijk haar zoon; elke andere vraag moest daarbij
achterstaan, en zij offerde met genoegen de rust op, die zij tot
hiertoe genoot om den geliefden Valentin terug te vinden dien zij
meende verloren te hebben en die haar gansche hart innam.
Intusschen, ondanks haar sterk gestel en mannelijk vast karakter,
na eene lastige reis van drie maanden over zee en de niet minder
vermoeiende van eenige weken door ongebaande bosschen en prairiën,
altoos te paard te hebben volbracht, terwijl zij zich alleen met
wildbraad voeden en onder den blooten hemel slapen moest, was hare
gezondheid langzamerhand bedorven en namen hare krachten zoowel
moreel als physiek af, zoodat zij het eindelijk moest gewonnen geven
en erkennen dat zij niet in staat was om zulk een strijd langer vol
te houden.
Zij vermagerde en verzwakte zichtbaar; hare wangen werden hol, hare
oogen zonken in de oogholten, haar neus werd spitser, haar aangezicht
was bleek en haar blik dof; kortom, alle verschijnselen gaven duidelijk
te kennen dat deze vrouw, die tot dusver haar leed zoo dapper weerstand
had geboden, snel verminderde en door eene kwaal ondermijnd werd, die
haar sedert lang inwendig verteerde en eindelijk met geweld uitbrak.
Mme. Guillois stelde zich dan ook van haar toestand weinig goeds
voor, zij berekende koelzinnig en met juistheid alle waarschijnlijke
omstandigheden, volgde voet voor voet de verschijnselen van hare kwaal
en toen de Zonnestraal met eenige bezorgdheid vroeg wat haar toch
schortte en of zij ziek was, antwoordde zij met den bedaarden blik
van een ter dood verwezen martelares die niets meer te hopen heeft,
en een treurigen glimlach die meer zegt dan tranen:
»Het is niets, mijn kind, ik ga sterven."
Deze woorden werden op zulk een toon van weemoed en gelatenheid
uitgesproken, dat de jonge Indiaansche de tranen in de oogen drongen.
Op zekeren morgen dat het dorp zich baadde in den schitterenden
zonneschijn, bij een helderblauwen hemel en zoele lucht, zat
Mme. Guillois voor hare calli, haar verkleumde leden koesterend in
dezen laatsten herfstlach en volgde zij werktuigelijk en met slaperigen
blik, de dorrende bladeren, die door eene lichte morgenkoelte
voortgedreven, op den kalen grond voor de hut ronddwarrelden.
Niet ver van haar af speelde een troep kinderen die elkander naliepen
en vervolgden met vroolijk gejuich en geschater.
De vrouw van den Eenhoorn kwam naast haar zitten, vatte hare hand en
zag haar belangstellend aan.
»Voelt mijne moeder zich iets beter?" vroeg zij met eene stem zoo
zuiver als die van den Mexicaanschen nachtegaal.
»Dank u, lieve kind," antwoordde de oude minzaam, »ik ben redelijk
wel."
»Dat is goed," lispelde de Zonnestraal met een bevalligen glimlach,
»want ik heb mijne moeder goede tijding mede te deelen."
»Goede tijding!" riep zij schielijk en met een doordringenden blik;
»zou mijn zoon hier zijn gekomen."
»Dan zou mijne moeder hem wel reeds gezien hebben," zei de jonge
vrouw op een toon van zacht verwijt.
»Dat 's waar," prevelde zij zacht, »arme Valentin!"
En zij liet het hoofd op de borst zinken.
De Zonnestraal staarde haar een poosje medelijdend aan.
»Zou mijne moeder het nieuws niet willen hooren dat ik haar
breng?" vroeg zij.
Mme. Guillois zuchtte.
»Spreek, mijn kind," zeide zij.
»Een der machtige krijgslieden van onzen stam is in het dorp gekomen,"
vervolgde de jonge vrouw, »de Spinnekop heeft den Sachem sedert twee
dagen verlaten."
»Ha!" riep de oude vrouw onwillekeurig toen zij zag dat de Zonnestraal
ophield; »en, waar is de Sachem op dit oogenblik?"
»De Spinnekop zegt dat de Eenhoorn in de bergen is bij zijne krijg
lieden; hij heeft Koutonepi gezien."
»Heeft hij mijn zoon gezien!" riep Mme. Guillois, die reeds wist dat
de Comanchen Valentin zoo noemden.
»Hij heeft hem gezien," herhaalde de Zonnestraal; »de jager en zijne
vrienden vervolgen den Roode-Ceder."
»En.... is hij niet gekwetst?" vroeg zij angstig.
De jeugdige Indiaansche zette een alleraardigst mondje van de
welsprekendste soort.
»De Roode-Ceder is een hond," riep zij, »en een lafhartig oud wijf,
zijn arm is veel te zwak en zijn oog te onzeker om den grooten bleeken
jager te kwetsen. Koutonepi is een geducht krijgsman, hij spot met
het gehuil der coyoten."
Madame Guillois had reeds lang genoeg onder de Indianen gewoond om
met hunne beeldrijke taal vertrouwd te worden; zij drukte de jonge
vrouw dankbaar de hand.
»Heeft de groote krijgsman mijn zoon gezien?" vroeg zij belangstellend.
»Ja," antwoordde de Zonnestraal met drift, »de Spinnekop heeft den
bleeken jager gezien. Koutonepi heeft hem een collier voor mijne
moeder medegegeven."
»Eene collier?" riep zij verwonderd, niet begrijpende wat de
Indiaansche bedoelde, »wat zal ik daarmede doen?"
De Zonnestraal zette een min of meer ernstig gezicht.
»De blanken zijn groote toovenaars," zeide zij. »Zij kunnen krachtige
medicijnen maken; met figuren in berken bast te trekken deelen zij
elkander hunne gedachten mede op verren afstand; voor hen bestaat
geen ruimte of afstand. Wil mijne moeder de collier niet ontvangen
die haar zoon haar zendt?"
»Geef, geef mij die, kindlief!" riep zij schielijk; »alles wat van
hem komt is voor mij van groote waarde."
De jonge vrouw haalde uit haar kleedje een vierkant stuk boombast te
voorschijn, zoo groot als eene hand, en overhandigde het haar.
Mme. Guillois nam het gretig aan. Daar zij niet begreep wat dit
geschenk beteekende, draaide zij het in hare hand om en om, terwijl
de Zonnestraal haar oplettend aankeek. Op eens helderden de trekken
der oude vrouw op en slaakte zij een kreet van blijde verrassing,
daar zij aan de binnenzijde der schors eenige woorden zag, die er
met de punt van een dolk op geschreven waren.
»Is mijne moeder tevreden?" vroeg de Zonnestraal.
»Ja! ja!" riep zij.
En zij begon met ijver te lezen.
Het briefje was kort; het behelsde slechts weinige woorden, die echter
voldoende waren om de arme moeder gelukkig te maken, daar zij zekere
tijding behelsden van haar zoon.
Ziehier wat Valentin schreef:
»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand."
»Tot spoedig,
Uw liefhebbende zoon
Valentin."
Lakonischer brief kon hij onmogelijk geschreven hebben. Maar in de
woestijn, waar de gemeenschap zoo moeielijk is moet men voor lief
nemen wanneer een zoon bericht van zich geeft, al was het ook met
een enkel woord.
Mme. Guillois was er van verrukt. Toen zij de weinige regels van haar
zoon gelezen en herlezen had, wendde zij zich tot de jonge vrouw.
»Is de Spinnekop een opperhoofd?" vroeg zij.
»De Spinnekop is een der grootste krijgslieden van onzen stam,"
antwoordde de Zonnestraal trotsch; »de Eenhoorn stelt in hem groot
vertrouwen."
»Goed! dat kan ik wel denken; hij komt zeker hier met eene bijzondere
zending?"
»De Eenhoorn heeft zijn vriend verzocht om twintig uitgelezen
krijgslieden van den stam te kiezen en ze hem toe te voeren."
Terstond kwam Mme. Guillois op eene gedachte.
»Heeft de Zonnestraal mij lief?" vroeg zij.
»Ik heb mijne moeder zeer lief," antwoordde zij met gevoel; »haar
zoon heeft mij het leven gered."
»Verveelt mijne dochter zich niet nu haar man afwezig is?" hernam
de oude.
»De Eenhoorn is een groot opperhoofd; als hij gebiedt buigt de
Zonnestraal en gehoorzaamt; de krijgsman is de sterke en moedige arend,
de vrouw is de bedeesde en vreesachtige duif."
Er volgde een vrij lange poos stilte, die de Zonnestraal eindelijk
afbrak door met een fijn lachje te zeggen:
»Heeft mijne moeder mij iets te verzoeken?"
»Waartoe zou ik, kindlief," antwoordde zij, »gij zoudt mijn verzoek
toch nooit toestaan."
»Dat denkt mijne moeder wel, maar zij is er niet zeker van," riep
zij spitsvondig.
De oude vrouw glimlachte.
»Hebt gij dan geraden wat ik u wilde vragen?"
»Wellicht! Mijne moeder verklare zich, dan zal ik zien of ik mij
bedrogen heb."
»Neen, het zou niet baten; ik weet dat mijne dochter het zal weigeren."
De Zonnestraal schoot in een vroolijken schaterlach en klapte in de
handen als een kind.
»Dat weet mijne moeder wel beter," zeide zij. »Waarom vertrouwt mijne
moeder mij niet? heeft zij misschien ondervonden dat ik ondeugend was?"
»Nooit; integendeel, gij waart altijd even voorkomend, gedienstig
en goed voor mij, om mijne verdrietelijkheden te sussen en mijne
bezorgdheid te verdrijven."
»Dat mijne moeder dan vrij spreke, nu de ooren eener vriendin voor
haar geopend zijn," zeide de Zonnestraal zacht.
»Inderdaad," hernam de oude dame nadenkend, »wat ik verlang is
rechtmatig. Is de Zonnestraal moeder?" vroeg zij met inzicht.
»Ja," antwoordde de Zonnestraal levendig.
»Houdt mijne dochter veel van haar kind?"
De Indiaansche keek haar verwonderd aan.
»Zijn er dan op het groote eiland der blanken moeders die niet veel
van hare kinderen houden?" riep zij. »Mijn kind is mij zelf; het is
immers mijn eigen vleesch en been? wat is er liever en schooner voor
eene moeder dan haar kind?"
»Niets, dat is zoo," zuchtte Mme. Guillois. »Als nu mijne dochter
eens van haar kind gescheiden was, wat zou zij dan doen?"
»Wat ik doen zou?" riep de Indiaansche terwijl hare zwarte oogen
vlamden als vuur, »ik ging er naar toe, ongevraagd waar het ook was
of hoe ik er kwam."
»Goed," riep de oude verheugd, »ik houd ook veel van mijn kind,
mijne dochter weet het wel; en nu zou ik bij hem willen zijn, daar
mijn hart treurt bij de gedachte dat ik nog langer van hem gescheiden
moet blijven."
»Dat wist ik wel, dat ligt in den aard der zaak, daar kan men zich
niet tegen verzetten; de bloem verwelkt van haar steel gerukt, zoo
kwijnt eene moeder gescheiden van den zoon dien zij met hare melk
heeft gevoed. Wat wenscht mijne moeder te doen?"
»Ach! ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken om mijn zoon nog eens
te omhelzen."
»Dat is recht, ik help mijne moeder."
»Hoe zullen wij het aanleggen?"
»Daar zal ik voor zorgen; de Spinnekop laat den raad bijeenroepen om
zijne boodschap te zeggen en zijn plan aan de hoofden voor te stellen;
de meeste onzer jonge mannen zijn in het bosch verspreid en bezig
met strikken te zetten en elanden te schieten, om hunne gezinnen
te voeden; er zullen meer dan twee dagen noodig zijn om de twintig
dappere krijgslieden te verzamelen die hij voor den Eenhoorn moet
medenemen; hij vertrekt zeker niet voor de derde zon. Mijne moeder
make zich dus niet ongerust, ik zal met den Spinnekop spreken; over
drie dagen vertrekken wij."
Zij kuste de oude vrouw, die haar met eene teedere omhelzing
beantwoordde; daarna stond zij op en verwijderde zich met een laatsten
bemoedigenden wenk.
Mme. Guillois ging weder in hare calli; een zware last was haar van
het hart gewenteld; in lang had zij zich niet zoo gelukkig gevoeld. Al
haar leed in de pijnen der kwaal die haar bedreigden waren vergeten,
zij dacht alleen aan het oogenblik waarop zij haar zoon weder zou
zien en omhelzen.
Alles gebeurde zoo als de Zonnestraal voorspeld had.
Een uur later riep de hachesto met luid geschreeuw de opperhoofden
te zamen in de groote medicijnhut.
De raad duurde lang en ging niet uiteen voordat de zon reeds begon
te dalen.
Het verzoek van den Spinnekop werd toegestaan en twintig uitgelezen
krijgslieden gekozen, om onder zijn geleide zich bij het opperhoofd
van den stam te gaan voegen.
Maar, zooals de Zonnestraal wel vermoed had, waren de beste
krijgslieden meerendeels afwezig, zoodat men op hunne terugkomst
moest wachten.
Gedurende de twee volgende dagen hield de Zonnestraal drukke gesprekken
met den Spinnekop, met Mme. Guillois daarentegen wisselde zij geen
enkel woord; slechts wanneer de oude vrouw haar al te vragend aankeek,
bepaalde zij zich met haar vriendelijk toe te lachen en den vinger
op de lippen te houden als om haar het zwijgen aan te bevelen.
De arme moeder, alleen door kunstmatige opwinding gesterkt en door
brandende koorts staande gehouden, telde met ongeduld de traag
verloopende uren en deed in stilte de vurigste geloften voor het
welslagen van haar voornemen.
Eindelijk, op den avond van den tweeden dag, kwam de Zonnestraal,
die de oude vrouw tot hiertoe opzettelijk scheen te ontwijken, met
een opgeruimd gelaat naar haar toe.
»Wel?" vroeg de moeder.
»Wij gaan vertrekken."
»Wanneer?"
»Morgen met enditha (zonsopgang)."
»Heeft de Spinnekop aan mijne dochter zijn woord gegeven?"
»Ja, hij heeft het mij gezegd; mijne moeder make zich dus gereed om
te vertrekken."
»Ik ben al gereed."
De Indiaansche glimlachte.
»Tot morgen!" zeide zij.
»Tot morgen!"