Overigens, ten einde den lezer volkomen in te lichten, zullen wij

hem zeggen wat hij waarschijnlijk nog niet weet: namelijk, dat men

in zekere streken der prairie, deze manier van reizen algemeen in

praktijk heeft gebracht, niet, zoo als men zou kunnen denken, om aan

de hardnekkige vervolging eens vijands te ontkomen, maar eenvoudig om

sneller voort te maken, en niet verplicht te zijn zich met de bijl

een doortocht te banen, noch gevaar te loopen in een bodemloozen

poel te verzinken; te meer daar de boomen zeer hoog en zoo vast aan

elkander zijn geweven, dat zij, om zoo te zeggen een golvenden maar

toch bruikbaren vloer daarstellen van tachtig en meer voeten boven

den beganen grond.

Het voorstel van den Roode-Ceder was dus niets buitengewoons, voor

mannen namelijk die waarschijnlijk deze manier van wandelen meermalen

hadden gebezigd.

Evenwel, wat voor onze avonturiers eene zeer lichte zaak zou zijn

geweest, was eene vrij ernstige, zoo niet onmogelijke voor een jong

meisje als Ellen, die, hoe kloek en behendig anders, geen stap zou

kunnen doen zonder gevaar van hals en beenen te breken uithoofde

van haar japon, welks ruime plooien zich ieder oogenblik overal aan

uitspringende takken of stekels zouden hechten.

Men moest dus voor deze onaangename hindernis van hare kleeding naar

een voldoend verbeteringsmiddel zoeken.

Het was hierop dat de drie mannen zich meer dan een uur stomp dachten,

zonder iets te vinden dat hun voldoende scheen en hun de gewenschte

zekerheid gaf.

Het was hier wederom Ellen die hen te hulp kwam en van deze zorg

bevrijdde.

»Nu, vader," vroeg zij, »wat doen wij nog langer hier? waarom

vertrekken wij niet? Hebt gij niet gezegd dat wij geen oogenblik te

verliezen hadden?"

De Roode-Ceder schudde het hoofd.

»Dat heb ik wel gezegd, en het is waar ook," riep hij, »iedere minuut

die wij hier verliezen kan ons het leven kosten."

»Maar laten wij dan gaan."

»Dat is nog niet mogelijk, kind, eer ik gevonden heb wat ik zoek."

»Wat zoekt gij dan, vader? zeg het mij, ik zal u helpen zoeken;

misschien dat wij het dan spoediger vinden."

»Bah," riep de Roode-Ceder op eens tot besluit komende, »waarom zou

ik er u een geheim van maken, het gaat u even goed aan als ons."

»Maar wat is er dan toch, vader?"

»Canarios! het is uw duivelsche japon die het u bepaald onmogelijk

zal maken om evenals wij van den eenen tak op den anderen te springen,

dat is het."

»En staat gij daarmede alleen zoo verlegen, vader?"

»Sakkerloot, ja, dat is het eenige."

»Mijn hemel! waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd, dan zou de

zaak dadelijk verholpen en wij reeds lang vertrokken zijn."

»Is 't waar!" riep de Squatter verheugd.

»Gij zult het zien, wacht maar even en stel u gerust."

Het meisje stond op en verdween met een sprong achter de struiken.

Na verloop van vijf minuten kwam zij terug; zij had haar japon

verschikt en derwijze vastgemaakt dat zij hare leden vrij kon

gebruiken, zonder bij het springen belemmerd te worden, en geen 't

minst gevaar meer liep van aan de takken te blijven haken of er zich

in te verwarren.

»Hier ben ik," riep zij lachend, »vindt gij mij zoo goed?"

»Onverbeterlijk!"

»Welnu, dan zullen wij vertrekken, zoodra gij maar wilt."

»Onmiddellijk."

De Roode-Ceder nam nu zijne laatste maatregelen. Zij vorderden niet

veel tijd, het was alleen dat hij de sporen van het kampement zoo

veel mogelijk wilde uitwisschen.

Moeielijker echter was het, te zorgen dat de Comanchen van den

Eenhoorn of de partijgangers van den Zoon des Bloeds of Valentin en

zijne gezellen, wanneer zij toevallig deze plaats bereikten, niet

zouden ontdekken in welke richting de avonturiers vertrokken waren.

Ten dien einde nam de Roode-Ceder Ellen op zijne krachtige schouders en

trad met haar vooraan, en zoo volgde hij bijna een uur lang denzelfden

weg, dien Nathan gekozen had.

Daarna keerde hij op zijne stappen terug, even als zijne gezellen,

stap voor stap achteruit gaande, en naarmate zij terugtraden telkens

hunne voetsporen zorgvuldig uitwisschende, ofschoon niet zoo volkomen,

dat deze voor scherpziende blikken onzichtbaar werden, maar toch genoeg

om geen vermoeden te wekken, dat zij opzettelijk waren achtergelaten.

Na dezen vermoeienden marsch, gedurende welken de avonturiers geen

woord hadden gewisseld, twee uren te hebben volgehouden, bereikten zij

een klein terras van graniet, waar zij de beste gelegenheid hadden om

een poosje uit te rusten, zonder vrees van eenig zichtbaar spoor na

te laten, want de rots was te hard om den indruk hunner voetstappen

op te nemen.

»Oef," riep Fray Ambrosio hijgende, »ik ben blijde dat ik een weinig

adem kan scheppen; wat een hondsche karrewei was dat!"

»Zijt gij nu reeds moê, señor padre?" antwoordde Sutter met een

grinnikenden lach, »dat is al te vroeg, ik zou u raden daarmede nog wat

te wachten, wat wij tot dusver gedaan hebben is niets in vergelijking

van hetgeen gij weldra zien zult."

»Ik twijfel zeer, of de weg dien wij thans te volgen hebben, wel zoo

moeielijk zal zijn; duivelsch! dat zou zijn om er van af te zien."

»Nu, als gij misschien liever uw haar aan die vervloekte Comanchen

present wilt doen, dat is gemakkelijk genoeg, dan hebt gij maar

stilletjes te blijven waar gij zijt, en gij kunt er gerust op zijn

dat zij u spoedig vinden zullen; gij moet weten de Roodhuiden hebben

veel van Duimpjesreuzen, als er versch menschenvleesch in den wind is,

hebben zij er spoedig de lucht van."

»Canarios! ik zou mij nog liever laten braden voor een klein vuur,

dan dat ik in handen van die verwenschte heidenen moest vallen."

»Kom! kom!" riep de Roode-Ceder tusschenbeide komende, »dat zijn

maar praatjes voor de vaak: wat geschreven staat, staat geschreven,

niemand kan zijn lot ontgaan. Om zich zoo met toekomende zaken bezig

te houden, is dwaasheid; luister liever naar mij."

»Goed gesproken, Roode-Ceder. Caspita! gij spreekt als een man van

groot verstand en ik regel mij volkomen naar uw raad. Wat hebt gij

ons te zeggen?"

»Ik denk dat wij, dank zij den door ons genomen maatregel, zoo goed

geslaagd zijn ons spoor te verbergen, dat niemand, al was het de

duivel in eigen persoon, in staat zou zijn om het terug te vinden. Het

eerste gedeelte van onze taak is dus zonder tegenspoed afgeloopen,

laten wij ons nu maar niet verraden hetzij door onvoorzichtigheid,

hetzij door te veel overhaasting. Ik heb u herwaarts gebracht, omdat,

zooals gij ziet aan het einde van dit terras het natuurbosch begint

Het moeielijkste is nu om den eersten boom te beklimmen zonder eenig

spoor achter te laten. Wat de volgende betreft, dat is niets meer dan

eene behendigheid; laat mij naar mijne wijze van zien te werk gaan,

dan blijf ik u borg dat gij geen reden van klagen zult hebben."

»Dat weet ik wel; wat mij betreft ik laat u geheel naar eigen

goedvinden te werk gaan."

»Zeer goed; dan zal ik u zeggen wat wij doen zullen. Ziet gij dien

grooten tak wel, die daar zoo wat dertig voet boven onze hoofden over

het terras afhangt?"

»Ja dien zie ik. Wat meer?"

»Ik sla de lasso eerst om het uiteinde van den tak, dan trekken wij

hem gezamenlijk naar ons toe tot hij omtrent den grond raakt; daar

houden wij hem zoo lang vast tot mijne dochter er is opgeklommen en

den stam van den boom en de bovenste takken heeft bereikt; dan volgt

gij, señor padre, dan Sutter, en dan ik zelf; op die wijs zullen wij

geen spoor onzer opklimming in de schors achterlaten."

»Uw plan is zeer schrander bedacht en draagt mijne volkomene

goedkeuring weg, te meer daar deze manier van beklimming zoo voor

uwe dochter als voor mij, vrij gemakkelijk schijnt, zonder twijfel

kan Sutter ons even goed volgen. Maar één ding intusschen bekommert

mij nog."

»En dat is."

»Zoo lang er hier nog iemand is om dien tak vast te houden begrijp ik

wel dat hij gebogen zal blijven, maar als wij drieën boven zijn, hoe

zult gij het dan maken om ons te volgen? dat begrijp ik niet, en ik

wil u niet ontveinzen dat ik daaromtrent gaarne zou, zijn ingelicht."

De Roode-Ceder schaterde van lachen.

»Maak u daar niet ongerust over, señor padre, ik ben met de gebruiken

der wildernis te goed bekend om mijne plannen niet tot in de kleinste

bijzonderheden te berekenen."

»Als het er zoo mede gelegen is, spreken wij er niet meer over. Dat

ik het deed was alleen om het belang dat ik in u stel."

De Squatter keek hem strak in de oogen.

»Hoor eens, Fray Ambrosio," zeide hij hem de hand ruw op den schouder

leggende, »wij kennen elkander sinds lang, niet waar? Houden wij ons

dus met geen leugens op, wij zullen elkander nooit kunnen bedriegen;

laten wij maar blijven die wij zijn, dat is het beste voor ons

beiden. Is dat afgesproken, zeg?"

De monnik door deze scherpe terechtwijzing tegen wil en dank uit den

zadel gelicht, verloor zijne zelfbeheersching en stotterde eenige

woorden zonder samenhang.

De Roode-Ceder had zijne lasso reeds genomen, om zijne rechterhand

geslingerd, en na er eenige oogenblikken mede boven zijn hoofd te

hebben gezwaaid, wierp hij haar uit. Zijn worp was zoo goed berekend,

dat de strik juist over het uiteinde van den tak neêrkwam.

»Help even!" riep de Squatter, »ieder een handje."

De twee andere mannen liepen toe.

Door hunne vereenigde pogingen was de lasso weldra strak aangetrokken,

de tak boog zich van lieverlede en na verloop van een paar minuten

was hij, gelijk de Roode-Ceder voorspeld had, lang genoeg om den

grond van het terras te raken.

»Haastig, Ellen, haast u, mijn kind!" riep hij tot zijne dochter.

Deze liet het zich geen tweemaal zeggen; stoutmoedig stapte zij

op den tak, dien zij vlug over liep, zich links en rechts aan de

kleinere takken vasthoudend; in een ommezien was zij bij den stam;

toen op bevel van haar vader besteeg zij de hoogere takken, waarin

zij spoedig verdween.

»Uw beurt! Fray Ambrosio," zei de Squatter.

De monnik vertrok op zijn beurt, kwam spoedig den tak over en was

even als het meisje, weldra niet meer te zien.

»Op uwe beurt, jongen!" zei de Squatter nog eens.

Sutter had zich spoedig bij de vorige klimmers gevoegd.

Ofschoon alleen achtergebleven, hield de Squatter, dank zij zijne

herculische kracht, den tak lang genoeg gebogen om er zich overlangs

onder te plaatsen en er zich met armen en beenen aan vast te klampen.

Niet zonder heimelijke vrees zagen zijne kameraden van hun verheven

standpunt zijne gevaarlijke manoeuvre. Zoodra de tak niet meer omlaag

werd vastgehouden, zweepte hij op eens met een scherp gefluit en met

duizelingwekkende snelheid naar boven.

De boom trilde tot in zijne wortels, Ellen gaf een schreeuw en deed

hare oogen dicht.

Toen zij die weder opende, zag zij haar vader schrijlings op het

uiteinde van den tak zitten, reeds bezig met den strik zijner lasso

los te maken.

Vervolgens stond de Squatter met de meeste bedaardheid op, sloeg de

lasso om zijn midden en voegde zich bij zijne kameraden.

»Wel!" riep hij, »wat zegt gij er van? Het is gedaan, zooals gij ziet,

maar nu moeten wij onzen tocht voortzetten; zijt gij gereed?"

»Laat ons vertrekken," antwoordden zij.

Wij herhalen hier, de vreemde houding waarin het geschieden moest

daargelaten, was deze manier van marcheeren volstrekt niet gevaarlijk

noch moeielijk.

Dank zij het dicht gesloten net der lianen, die zich met duizend

grillige bochten kruisten en de takken onderling samenvlochten, gingen

onze avonturiers als over een stevigen vloer, schier ongemerkt van

den eenen tak op den anderen en van den eenen boom tot den anderen

over, altoos boven een onzichtbaren afgrond van zestig en somwijlen

van tachtig voeten.

Onder zich ontwaarden zij nu en dan de wilde dieren die in hunne

geheimzinnige nesten en schuilhoeken hen met gestrekten hals en

verschrikte oogen onrustig en verwezen aanstaarden, als wisten zij

niet wat er boven hen gebeuren moest.

Zoo gingen de wandelaars den ganschen dag voort, hielden van tijd

tot tijd op om adem te scheppen en vervolgden dan weder onmiddellijk

hunnen weg.

Zoo passeerden zij zelfs, altijd op hun schommelende brug, een vrij

breede rivier en bevonden zij zich weldra in een streek daar het

terrein lager werd.

Het was bijna vijf uren des avonds, de schuinsche stralen der dalende

zon maakten de schaduw der boomen eindeloos lang; de katuilen, door het

verschrikt rondvliegen der gestoorde kevers daar zij zoo verlekkerd op

zijn, aangetrokken, vlogen reeds door de lucht, een dikke damp steeg

uit de aarde op en vormde eene mist rondom onze vier wandelaars die

hen bijna onzichtbaar maakte; alles in een woord verkondigde dat de

nacht niet lang meer zou uitblijven.

De Roode-Ceder liep vooraan en diende den kleinen troep tot gids,

ten einde te verhoeden dat zijne metgezellen, die minder goed met het

leven der woudloopers bekend waren dan hij, eene verkeerde richting

zouden nemen, want op het terrein waar zij zich thans bevonden was

ieder spoor van weg of streek verdwenen en zag men niets anders dan

eene verwarde massa van dichte boomtakken en samengevlochten lianen

en slingerplanten.

»Zeg eens, compadre," riep Fray Ambrosio, die weinig aan lange

voetreizen gewoon, en door de vele ontberingen welke hij had moeten

doorstaan tamelijk verzwakt, sedert eenigen tijd niet dan met zeer

veel moeite marcheerde, »is het haast gedaan? Ik verklaar u dat ik

niet langer kan."

De Squatter keerde zich driftig om en legde den monnik zijne groote

hand op den mond.

»Zwijg!" zeide hij met eene gesmoorde stem, »zwijg, zoo gij uw

hoofdhaar behouden wilt."

»Caspita! of ik dat behouden wil!" mompelde de andere blijkbaar

verschrikt; »maar wat is er dan nu weer op til?"

De Roode-Ceder maakte voorzichtig eene kleine opening in de lianen

en wenkte zijn tochtgenoot om er door te zien.

»Kijk eens!" zeide hij.

Een oogenblik was voldoende om den monnik verbleekt en ontsteld van

schrik terug te doen deinzen.

»O wee!" riep hij, »ditmaal zijn wij verloren!"

Hij wankelde op zijne beenen en zou gevallen zijn zoo de Squatter

hem niet met een krachtigen greep ondersteund had.

»Wat zullen wij doen," mompelde Fray Ambrosio.

»Wachten," antwoordde de Roode-Ceder koel, »onze toestand is voor het

oogenblik ver van hopeloos; wij zien hen wel, maar zij zien ons niet."

De monnik schudde treurig het hoofd.

»Gij hebt ons naar ons verderf geleid," zeide hij op verwijtenden toon.

»Gij zijt een domkop," antwoordde de Roode-Ceder met minachting. »Waag

ik niet evenveel als gij? en heb ik u niet gezegd dat wij van alle

zijden omsingeld waren?--Laat mij begaan, zeg ik u."

XXVIII.

EEN GRAUWE-BERENJACHT.

De nieuwe wereld heeft aan de oude niets te benijden wat

verscheidenheid van wilde of verscheurende dieren van alle soorten

betreft.

Het vierhandig geslacht, dat der beren vooral, heeft zich in Amerika

sterk ontwikkeld en bezit eenige soorten voor welker woestheid en

kracht al de roofdieren van het oude vasteland moeten wijken.

Wij hebben hier bijzonder het oog op een dier van verbazende kracht,

onbesuisden moed en grenzelooze kwaadaardigheid, dat door de geleerden

ursus cinereus, en door de Noord-Amerikanen de grizzly bear wordt

genoemd, maar in Europa meer onder den naam van wilde beer, of liever

nog van grauwe beer bekend is.

De meeste reizigers geven van dit dier eene vervaarlijke beschrijving,

onder anderen voorwendende dat het aan de domheid van den witten beer

den moed der grootste verscheurende dieren paart.

Ofschoon zelf reiziger, ben ik hier genoopt nederig te bekennen,

dat men de verhalen dezer heeren niet dan met zeker voorbehoud en

groote voorzichtigheid moet aannemen, daar zij vaak onder hachelijke

en voor onbenevelde waarneming ongunstige omstandigheden geplaatst,

veelal slecht gezien en onder den indruk van het oogenblik, zonder

het zelf te willen of te weten, zich aan verregaande overdrijving

hebben schuldig gemaakt, welke overdrijving intusschen maar al te veel

vertrouwen heeft gevonden en als een geloofsartikel werd aangenomen.

Ik heb hier geenszins het voornemen om den grauwen beer voor het

oordeel mijner lezers in zijne eer te herstellen, maar vorder toch

met alle bescheidenheid, dat men tegen hem niet onbillijker zij dan

tegen de andere dieren, die uit de hand des almachtigen Scheppers

zijn voortgekomen.

Alle overdrijving dus terzijde stellend en ons alleen tot de zuivere

waarheid bepalende, zullen wij in weinige woorden opgeven wat er van

den grauwen beer en zijne karaktertrekken te zeggen is.

Gedurende ons veeljarig verblijf in Amerika hebben wij dikwijls genoeg

en van zeer nabij deze dieren gezien, om ons in deze zaak voor bevoegd

te verklaren.

Men zal aan het, zoo al niet een beetje gevleid dan toch ten minste

zeer juiste portret, dat ik van dit dier geef, moeten bekennen dat

het van nature zoo in- als uitwendig reeds leelijk genoeg is en

niet noodig heeft om door verdichting nog afschuwelijker en tot een

afzichtelijk schrikbeeld gemaakt te worden.

De grauwe beer wanneer hij zijn vollen wasdom bereikt is ongeveer

drie meters lang.

Zijne huid is wollig, zeer dik en geheel grijs behalve om de ooren

waar hij bruin is.

Zijn uitzicht is verschrikkelijk, hij is het wildste en meest geduchte

van alle verscheurende dieren in Amerika.

In weerwil van zijne lompe vormen en zwaarmoedig voorkomen is hij

uiterst vlug, en daarom des te meer te vreezen omdat zijn ontembare

moed zetelt in het besef van zijne verbazende kracht en steeds met

woede gepaard gaat.

De grauwe beer valt op alle dieren aan, maar vooral op de groote

grasetende, zooals de bison, het rund enz.

Wat inzonderheid tot de overdreven verhalen der reizigers aanleiding

gaf, is dat de grauwe beer des winters niet slaapt maar gedurende

dat jaargetijde de bosschen, waar alles voeten diep onder de sneeuw

begraven ligt, verlaat en naar de vlakte afdaalt, waar hij nog wild

weet te vinden om zich aan te verzadigen.

De Roodhuiden zijn zijne onverbiddelijke vijanden en vervolgen hem,

om zijne lange, scherpe klauwen machtig te worden, daar zij halsketens

uit vervaardigen, die bij hen op hoogen prijs staan.

Wat hier verder van wezen mag, maar met een van deze ontzaggelijke

dieren stond Valentin thans van aangezicht tot aangezicht.

De ontmoeting was alleronaangenaamst en zoo ontijdig mogelijk.

Intusschen, nadat de eerste schrik begon te wijken, kozen de jagers

kloekmoedig partij.

»Het is hier een strijd op leven en dood," zei Valentin laconiek;

»gij weet dat de grauwe beer nimmer wijkt."

»Hoe zullen wij het dan overleggen?" vroeg don Miguel.

»Laten wij eerst zien wat hij doet," hernam de jager.

»Waarschijnlijk is dit een beer die verzadigd is, anders zou hij

niet naar zijn nest terugkeeren, zooals gij weet gaan de beren maar

zelden uit; hebben wij nu het geluk hier een beer te vinden die naar

genoegen gedineerd heeft, dat zal voor ons des te beter zijn."

»Hoedat?"

»Wel om de eenvoudige reden," lachte Valentin, »dat even als alle

dappere lui die op ongeregelde of onzekere uren eten, ook de beren,

wanneer zij zich eenmaal aan tafel zetten gewoonlijk een goed maal doen

tot verzadiging toe, hetwelk hen natuurlijk traag, vadzig en slaperig

maakt, in een woord, de helft hunner gewone vermogens beneemt."

»Hm!" merkte don Miguel aan, »wat hun overblijft zal, dunkt mij,

nog ruim voldoende zijn."

»Mij ook; maar stil! ik geloof dat hij partij gaat kiezen."

»Dat is te zeggen," riep don Pablo, »dat hij naar 't schijnt besloten

heeft om ons aan te vallen."

»Dat wilde ik juist zeggen," antwoordde Valentin.

»In allen geval, wij moeten hem niet het eerst aan den slag laten

komen," hervatte don Miguel.

»O! stel u gerust, ik ken de berenjacht; deze sinjeur is zeker niet

verdacht op hetgeen ik voor hem gereed heb."

»Als gij maar zorgt, dat gij niet mis schiet, anders waren wij

verloren, vriend!" merkte don Miguel aan.

»Pardi! dat weet ik zeer goed; ik zal er dus mijne maatregelen

naar nemen."

Curumilla, bedaard als altijd, had een stuk kaarsenhout gesneden

en was er mede in het kreupelbosch gekropen, op korten afstand van

het roofdier.

De beer, na een poosje aarzelens, terwijl hij een vurigen maar donker

loerenden blik in 't rond had geslagen, alsof hij de vijanden tellen

wilde waarmede hij te doen zou krijgen, had voor de tweede maal

gebromd en lekte zich den muil met een tong zoo rood als bloed.

»Komaan, ja," lachte Valentin, »lik uw baard af, kameraad; maar ik

zeg u dat gij zooveel haast niet behoeft te maken, want gij hebt ons

nog niet, maatje."

Alsof de beer deze uitdaging begreep, stelde hij zich in beweging en

weldra kwam zijn monsterachtige kop geheel ongedekt te voorschijn,

even boven den rand van het terras.

»Heb ik u niet gezegd dat hij te veel geschransd had," hernam de jager,

»zie maar eens hoe veel moeite hij heeft om zich te bewegen! Kom dan,

luiaard," vervolgde hij tegen het vreeselijke dier; »beweeg u nog

een beetje!"

»Wees op uwe hoede," riep don Miguel.

»Hij zal op u afspringen!" riep don Pablo met schrik.

Werkelijk maakte de beer op eens een bliksemsnelle beweging en met een

reusachtigen sprong stond hij midden op het rotsplat, tegen twintig

passen van Valentin.

De stoute jager bleef pal staan, geen spier van zijn lichaam bewoog;

alleen hield hij de tanden tot brekens toe gesloten en vertoonde zich

een vlokje wit schuim aan de hoeken van zijn mond.

De beer gelijk wij reeds gezegd hebben stond geen twintig passen van

den jager, die hem scheen te braveeren.

Het roofdier, door 's mans onverschrokkenheid verrast en in bedwang

gehouden door den electrischen stroom, die als twee zonnestralen uit

de oogen van den jager schoot, deed een stap achterwaarts.

Een oogenblik hield hij zich daar roerloos, met den kop naar omlaag;

maar weldra begon hij met zijne geduchte klauwen den grond op

te krabben, onder een zacht gehuil, als zocht hij zich tot den

vreeselijken aanval op te hitsen.

Plotseling verzamelde hij zich op zijne achterpooten; Curumilla maakte

zich dit oogenblik ten nutte om de kaarshouten fakkel te ontsteken,

die hij met dit doel in gereedheid had gebracht, en op een teeken

van Valentin liet hij de vlam den beer in de oogen schijnen.

Het plompe dier, door den schitterenden glans der fakkel verblind,

die zoo onverwachts de omgevende duisternis verhelderde, richtte zich

woest op de achterpooten en zich toen naar den Indiaan wendende,

poogde het met de voorpooten de toorts te bereiken, waarschijnlijk

om haar uit te dooven.

Valentin spande den haan van zijn geweer, zette zich vast op de beenen,

legde aan en begon zacht te fluiten.

Nauwelijks had de beer het fluiten gehoord, of hij bleef eenige

sekonden staan als om de reden te zoeken van dat ongewone geluid.

De jager floot intusschen voort; de toeschouwers van dit zonderling

tooneel durfden nauwelijks ademen, zoo vol belangstelling als zij

waren in den afloop van dit vervaarlijk tweegevecht tusschen slim

overleg en brutale kracht.

Middelerwijl hielden zij de handen aan hunne geweren, gereed om hun

vriend te hulp te komen, zoodra zij hem in nood zagen.

Valentin bleef kalm, floot zachtjens den beer, die telkens als tegen

wil en dank den kop naar hem omwendde.

Met de brandende fakkel in de hand volgde Curumilla aandachtig al de

bewegingen van het dier.

De beer stond eindelijk vlak over den jager, slechts weinige passen

van hem af, zoodat Valentin den warmen stinkenden adem rook die

telkens als hij bromde uit zijn geprangde borst kwam.

De man en het roofdier verstonden elkanders blik. Het bloederig oog

van den beer was als geboeid aan dat van den Franschman, die hem

onverschrokken aankeek en zacht doorfloot.

Er verliep eene minuut, een eeuw van gespannen verwachting.

De beer als om aan den vreemden kluister te ontsnappen, die hem meer

en meer overmeesterde, schudde tot tweemaal den kop links en rechts,

en sprong met vervaarlijk gehuil voorwaarts.

Op hetzelfde oogenblik knalde er een geweerschot.

Don Miguel en zijn zoon snelden toe.

Valentin stond met een onbezorgden lach op het gelaat en het geweer

bij den voet rustig op de plaats, terwijl twee passen van hem af het

gevreesde dier woest lag te brullen en onder hevige stuiptrekkingen

met den dood worstelde.

Curumilla staarde in gebogen houding nieuwsgierig naar de bewegingen

van het monsterdier, dat aan zijne voeten lag te reutelen.

»Goddank!" riep don Miguel in verrukking, »dat gij er ongedeerd zijt

afgekomen, vriend!"

»Dacht gij dan dat ik eenig gevaar liep?" antwoordde de jager

eenvoudig.

»Wat? of ik dat dacht!" riep de hacendero met gemengde verbazing en

verwondering, »neen, ik heb gebeefd voor uw leven, vriend!"

»Dit was toch waarlijk niet noodig," riep de jager luchthartig,

»de grauwe beren zijn oude kennissen van mij; vraag het maar eens

aan Curumilla hoeveel wij er op die wijs hebben doen buitelen."

»Maar," beweerde don Pablo, »de grauwe beren zijn immers onkwetsbaar,

de kogels kaatsen zich plat op hun schedel en glijden af op hun pels."

»Dat is ook zoo; alleen vergeet gij dat er één punt is waar men hen

kan treffen."

De lynch-wet · 第 19 / 29 段