»Verder laat ik het aan uw eigen beleid over; gij zijt met het leven

der woestijn te wel bekend om u gemakkelijk te laten vangen; gij hebt

een goede buks, kruit en kogels; ga, mijn jongen, goed geluk! Bovenal,

onthoud dat gij onze vijanden achter u moet zien te lokken."

»Wees maar gerust," antwoordde Nathan half binnensmonds. »we zijn

zoo dom niet."

»Dat weet ik, neem een stuk van het hert meê, en vaarwel!"

»Vaarwel, en laat de drommel u halen als gij niet op mijne zuster

past: ik geef niets om uw oude karkassen, als het meisje maar geen

gevaar loopt."

»Goed, goed," riep de Squatter; »wij zullen doen wat noodig is om voor

uwe zuster te zorgen, wees voor haar niet bang, jongen; kom, ruk uit!"

Nathan omhelsde Ellen, zij drukte hem teeder de hand en pinkte een

paar tranen weg.

»Schrei niet, Ellen," zeide hij brusk; »het leven van een mensch is

niets, alles wel ingezien; treur dus om mij niet, het zal mij niet

anders gaan dan de duivel wil."

Na deze woorden gezegd te hebben op een toon dien hij te vergeefs

luchtig poogde te maken, wierp de wilde knaap zijn geweer over de

schouders, nam een stuk van het hert mede, hing het aan zijn gordel en

verwijderde zich met haastigen tred zonder een enkele maal om te zien.

Vijf minuten later was hij reeds in de struiken verdwenen.

»Arme broeder!" murmelde Ellen, »hij gaat zeker naar zijn dood."

»Bij God!" riep de Squatter, »wij gaan allen naar den dood, iederen

stap dien wij doen komen wij hem onbewust nader, zelfs zonder dat wij

er om denken; waarom zouden wij ons hart week maken over het lot dat

ons wacht? Weten wij iets van hetgeen wij te wachten hebben? Denken wij

aan ons zelven, kinderen: ook wij wandelen niet op rozen, dat zeg ik u

vooraf opdat gij het weet; wij zullen al ons beleid en schranderheid

noodig hebben om er goed af te komen, want op een mirakel durf ik

niet rekenen."

»Dat is ook veel voorzichtiger," antwoordde Fray Ambrosio spotachtig,

»overigens staat ergens geschreven, waar weet ik niet recht: help u

zelven en de hemel zal u helpen."

»Ja," meesmuilde de Squatter, »en inderdaad was er nooit schooner

gelegenheid om deze spreuk in praktijk te brengen dan thans, wat

dunkt u?"

»Dat geloof ik ook, en daarom hoop en verwacht ik dat gij ons zeggen

zult wat wij te doen hebben."

Zonder den monnik antwoord te geven, wendde de Roode-Ceder zich tot

zijne dochter.

»Ellen, mijn kind," vroeg hij haar minzaam, »gevoelt gij u sterk

genoeg om ons te volgen?"

»Maak u daar niet ongerust over, vader; overal waar gij doorkomt kan

ik ook door. Gij weet dat ik van mijne kindsheid af gewoon ben door

de wildernis te zwerven."

»Dat is zoo," hervatte de Roode-Ceder weifelend, »maar op de wijze

die wij thans genoodzaakt zijn te reizen, zult gij zeker nog nooit

gereisd hebben."

»Wat meent gij daarmede, men reist immers niet anders dan te voet,

of te paard, of in een boot, zoo zijn wij zeker wel honderd maal van

de eene plaats naar de andere gegaan."

»Daar hebt gij gelijk in; maar nu dringen ons de omstandigheden

onze reis op een andere manier te doen. Wij hebben geene paarden,

geen rivier of boot, en onze vijanden zijn meester van den grond."

»Zoo!" grinnikte de monnik, »dan zullen wij doen als de vogels en

door de lucht vliegen?"

De Roode-Ceder keek hem ernstig aan.

»Dat hebt gij wellicht beter geraden dan gij denkt," zeide hij.

»Wat!" riep de monnik, »steekt gij den draak met ons, Roode-Ceder,

of vindt gij dit oogenblik zoo geschikt om te gekscheren?"

»Ik ben niets minder gezind dan om te gekscheren, dat is mijn aard

niet," antwoordde de Squatter doodbedaard, »en nu minder dan ooit. Dat

wij niet zullen vliegen als de vogels, is alleen omdat wij geen

vleugels hebben; maar behalve dat zullen wij toch onzen weg door de

lucht moeten nemen; ik zal u zeggen hoe. Zie maar eens rechts en links

om u heen, naar de zijden van den berg, daar strekken zich onmetelijke

ongerepte wouden uit; daaronder zitten onze vijanden verscholen,

en van daar naderen zij ons met den neus langs den grond, en zoeken

naar het minste spoor dat wij er zouden nalaten als wij er doorgingen."

»Welnu," riep de monnik.

»Welnu, terwijl ze daar druk bezig zijn met ons spoor op den grond

te zoeken, zullen wij hun door de vingers glippen als een adder, door

van boom tot boom en van tak tot tak te marcheeren twintig ellen boven

hunne hoofden, zonder dat zij er aan denken om eventjes op te kijken,

hetgeen hun buitendien niet veel zou baten, daar de boomkruinen zoo

dicht gebladerd en zoo door lianen aan elkander geweven zijn dat

zij ons nooit zullen kunnen ontdekken. Om kort te gaan, deze kans op

behoud, hoe zeker of onzeker zij ook wezen moge, is de eenigste die

ons overblijft. Vraagt nu aan u zelven of gij moed genoeg hebt om er

de proef van te nemen."

Er volgde een poos stilte. Eindelijk greep de monnik den Squatter

bij de hand en drukte die met kracht.

»Canarios! compadre," zeide hij met een soort van eerbied, »gij zijt

een groot man, vergeef mij dat ik aan u getwijfeld heb."

»Gij neemt het dus aan mijn plan?"

»Caspita! of ik het aanneem? Met geestdrift, en ik zweer u dat geen

eekhoorn ooit beter gesprongen zal hebben dan ik hoop te doen."

XXVI.

HOE NATHAN ZICH KWEET.

Nauwelijks was Nathan zijnen kameraden uit het gezicht, of hij

bleef staan.

Hij was noch zoo onverschillig noch zoo gerust als hij zich wel had

willen voordoen.

Zoodra hij zich dus alleen bevond, ver van de blikken die hem

zouden kunnen bespotten, liet hij zijn kwade luim den vrijen loop en

verwenschte het lot, dat hem zulk eene zorgelijke en gevaarvolle taak

had opgedragen.

Nathan, wij meenen dit reeds elders gezegd te hebben, was een reus in

gestalte, een soort van Hercules, begaafd met buitengewone kracht en

wildemansdrift. Sedert zijne eerste kindsheid gewoon om in de woestijn

te leven en bloedige tooneelen van jacht en oorlog bij te wonen, was

hij de man niet om zich zoo licht te laten ontmoedigen of wanhopig

te worden; even hardvochtig jegens zich zelven als omtrent anderen,

nam hij gereedelijk de gevolgen van zijn toestand zooals zij waren

voor zijne rekening, en besloot dus ook dezen keer, daar het toch niet

anders wezen kon, het uiterste te wagen om zijn haar te behouden en

te kampen tot den laatsten snik.

Op dit oogenblik echter was het niet zoozeer zijne positie die

hem ongerust maakte. Honderden malen bij zijne omzwervingen door de

prairie, had hij zich in even groot gevaar bevonden, maar tot dusver,

als hij zijn leven moest wagen, had hij dat altijd gedaan met een

bepaald doel, hem volkomen bekend, in het vooruitzicht, hetzij ver

of nabij, van een of ander voordeel; en voor ditmaal zou hij een wil

gehoorzamen die de zijne niet was, daar hij het doel niet van begreep

en die ten voordeele strekte van anderen.

Hij verwenschte zijn vader, Fray Ambrosio en zich zelven, dat hij

zich in zulk een wespennest had gestoken, daar hij geen kans zag om

er goed uit te komen.

Om de waarschuwing van zijn vader bekreunde hij zich weinig; zelfs

diens laatste aanbeveling werd door hem niet in acht genomen. Nathan

had volstrekt geen lust om zijn spoor te laten ontdekken, hij bedacht

al wat mogelijk was om het voor den scherpzinnigsten en meestgeoefenden

blik te verbergen en deed geen voetstap eer hij zich verzekerd had

dat de vorige volkomen verdwenen was.

Na rijpe overweging had hij zijne gedachten aldus samengetrokken:

»Wat duivel, wat geef ik om hen? ieder voor zich! Als ik mijn haar

verlies, zullen zij het mij niet teruggeven. Ik zal mij dus zoo goed

mogelijk verdedigen; zij moeten zelf maar zien hoe zij het maken; wat

mij betreft, ik zal mij uit den brand zoeken te redden zooveel ik kan."

Bij deze korte alleenspraak, met luider stem, zooals alle lieden die

gewoon zijn alleen te leven, voegde Nathan de nauwelijks merkbare

schouderbeweging die in alle talen beteekent: »Laat er van komen

wat wil!" En na met zorg zijn geweer te hebben bekeken om te zien of

alles in orde was trok hij weder op weg.

De Europeanen, gewoon aan de beperkte gezichteinders der oude wereld,

aan bestrate of gemacadamiseerde wegen vol lachende landhuizen en

drukke passage, kunnen zich moeielijk zelfs in de verte een juist

denkbeeld maken van den toestand des eenzamen reizigers in dien

oceaan van groen, in de wildernissen van het Verre-Westen, waar men

bij iederen voetstap door den loerenden blik van onzichtbare vijanden

bespied of door verscheurende dieren vervolgd kan worden.

Een man, hoe moedig hij ook wezen mag en hoe gewoon aan het

avontuurlijke leven der woestijn, vreest onwillekeurig en gevoelt

zijne zwakheid, wanneer hij den blik om zich heen slaat en zijne

kleinheid ziet tegenover de onmetelijke wildernis die hem omringt.

Als men in de prairie naar het noorden wil, moet men eerst zuidwaarts

trekken, wel toeziende het gras niet te pletteren waar men op loopt,

of de takken niet te breken die den doortocht versperren en vooral

het zand en de keien niet te doen kraken onder zijne voeten.

Ieder geluid in de woestijn wordt door de Roodhuiden onderscheiden en

verklaard; de Indiaan behoeft slechts een paar sekonden te luisteren en

zal u dadelijk zeggen of het dier, dat hij in de verte hoort springen,

een paard, een beer, een bison, een eland of een antilope is.

Een steen, die van de berghelling in de diepte rolt, is voldoende om

hem een zwervenden landlooper aan te kondigen.

Kleine plasjes water of hier en daar weggespatte droppels aan den

oever van een veer, bewijzen hem dat er één of meer reizigers over

de rivier zijn gegaan.

Aan eene ongewone beweging in de golvende grashalmen der prairie,

bemerkt hij den spion die hem bespiedt.

In een woord, van den vertrapten grasspriet tot den loggen bison die

onder het grazen eensklaps de ooren spitst, of de asshata die zonder

blijkbare oorzaak opspringt, alles in de woestijn dient den Indiaan als

een boek waarin hij leest of hem een vriend of vijand is voorafgegaan,

en hij volgt hun spoor al waren zij hem honderd mijlen vooruit.

In deze oorden, waar het stoffelijke leven bijna alles is, bereiken

de zintuigen bij den mensch een verbazenden trap van volkomenheid,

het gezicht en gehoor vooral zijn bij hem in hooge mate ontwikkeld,

en hiermede paren zich eene vlugheid, ontembare moed en weergalooze

kracht van zenuwen en spieren, die hem op het oorlogspad bijzonder

geducht maakt en te stade komt.

Behalve de bovengenoemde eigenschappen, zijn list en verraad de

twee groote hulpmiddelen waarmede de Indiaan zijn vijand weet te

verschalken, dien hij zelden in open kamp maar liefst bij verrassing

zal aanvallen.

De noodzakelijkheid is voor den wilden Roodhuid de hoogste

wet; gelijk alle onbeschaafde of onzedelijk ontwikkelde naturen

waardeert hij alleen physieke kracht en maakt weinig of geen werk van

maatschappelijke deugden, die hij ook niet noodig heeft en die hem in

zijn wilden levensstaat veeleer schade dan voordeel zouden aanbrengen.

Nathan zelf was bijna een Roodhuid, slechts bij lange tusschenpoozen

had hij zich nu en dan een enkelen dag in de steden der Unie

opgehouden. Hij kende dus niets van het leven, dan hetgeen hij in de

wildernis had geleerd; zulk eene opvoeding heeft soms hare waarde,

wanneer zij gepaard gaat met aangeboren goedheid en rechtschapenheid

en zuiver zedelijke begrippen, waardoor de mensch in staat is zijne

zinnen te beheerschen en onder zijne gewaarwordingen het edele en

goede boven het onedele en slechte te kiezen.

Ongelukkig had Nathan geen anderen zedemeester gehad dan zijn vader

en zich reeds vroeg gewend om de zaken uit hetzelfde oogpunt te bezien

als de Squatter, zoodat het bijna niet erger kon; en bij het toenemen

in jaren hadden de ontvangen lessen bij hem zoo rijkelijk vruchten

gedragen, dat hij voor de type kon doorgaan van een beschaafd man

die in den wilden natuurstaat was teruggezonken: de ergste soort

van verbastering die zich denken laat. Nathan bezat geen liefde,

geen geloof, geen eerbied; slechts één wezen op de wereld had op

hem zekeren invloed, namelijk zijne zuster Ellen, en die was op dit

oogenblik niet bij hem.

De jongman wandelde vrij lang voort, zonder iets te bemerken dat bij

hem eenig vermoeden van naderend gevaar kon verwekken.

Intusschen deed deze gewaande veiligheid hem zijne voorzorgen niet

veronachtzamen, integendeel; steeds voortgaande met geveld geweer,

het lijf gebukt en het oor gespitst op het minste gerucht, terwijl

zijn jakhalzenblik al de struiken en boschjes bespiedde, raakte hij

meer en meer in gedachten verdiept, die hoe verder hij ging des te

somberder werden.

De reden hiervan was duidelijk: hij wist dat hij door onverzoenlijke

vijanden omgeven, door talrijke en sluwe spionnen bespied werd,

en toch, geen ritselend blad of krakende grashalm vertoonde zich in

de prairie. Alles scheen in den normalen toestand; het was hem niet

mogelijk om de minste verdachte beweging in het gras of in de struiken

op te merken.

De stilte was al te diep om natuurlijk te zijn. Nathan liet zich dus

door deze gekunstelde rust niet in slaap wiegen.

»Hm!" mompelde hij in zich zelven, »wij zullen hier spoedig aan

den slag komen, daar is niet aan te twijfelen; de duivel hale die

verwenschte Roodhuiden! zouden zij dan nooit teekenen van leven

geven? Ik marcheer hier in den blinde zonder te weten waarheen,

ik ben zeker dat ik ergens in een strik zal vallen dien dat vee mij

gespannen heeft en daar ik mij onmogelijk uit zal kunnen ontwarren."

Nathan vervolgde zijn marsch tot omtrent tien ure des morgens.

Op dit oogenblik, terwijl hij honger kreeg en zijne beenen moede

werden, besloot hij om het kostte wat het wilde een poosje halt te

houden, een stuk te eten en een weinig rust te nemen.

Werktuigelijk keek hij rond om voor zijn bivak een gemakkelijke plek

te zoeken.

Plotseling maakte hij eenen schrikachtigen zijsprong en verborg zich

haastig achter een grooten lorkenboom.

Nauwelijks vijftig passen van de plaats, waar hij zich bevond,

had hij een Indiaan in achtelooze houding op den grond zien liggen,

bezig met op zijn gemak een weinig pemmican (gedroogd en tot poeder

gestampt vleesch) te gebruiken.

Nadat zijne eerste verrassing voorbij was, sloeg Nathan den Indiaan

opmerkzaam gade.

Het was een man van ongeveer dertig jaren; hij droeg niet de gewone

kleeding der krijgslieden; maar de twee groote uilenveêren die boven

zijn rechter oor in zijn dikken haarbos prijkten, deden hem als een

Doorboorde-Neus-Indiaan kennen.

Nathan beschouwde hem vrij lang, zonder te weten welke partij hij

kiezen moest; eindelijk nam hij zijn geweer op schouder, kwam uit

zijne hinderlaag en stapte naar den Indiaan.

Deze had hem waarschijnlijk reeds gezien, ofschoon hij zich volstrekt

niet om hem bekommerde, daar hij rustig voortging met eten.

Den Roodhuid tot op tien passen genaderd zijnde, bleef Nathan staan.

»Ik groet mijn broeder," zeide hij met eene luide stem, terwijl hij

zijn zarape uitspreidde, ten teeken van vrede; »de Wacondah geve hem

eene goede jacht!"

»Ik dank mijn bleeken broeder," antwoordde de Doorboorde-Neus-Indiaan,

opkijkende, »hij is welkom; ik heb nog twee handvollen pemmican,

en er is plaats voor hem aan mijn haard."

Nathan trad naderbij, en hurkte zonder verdere plichtpleging neder

bij zijn nieuwen vriend, die zoo broederlijk zijn voorraad met hem

deelde, maar sprak verder geen woord.

De Roodhuiden achten het, gelijk wij meermalen gezegd hebben, eene

groote onbeleefdheid hunnen gasten iets te vragen of hen tot spreken

uit te lokken, wanneer deze er zich niet toe geneigd toonen.

Na gegeten te hebben stak de Doorboorde-Neus een Indiaansche pijp aan,

welke handeling onmiddellijk door den Amerikaan gevolgd werd.

Zoo bleven de beide mannen zitten rooken, stil als een paar blokken,

zonder ander onderhoud, dan dat zij elkander telkens een dikke wolk

blauwen tabaksdamp toebliezen. Toen de Doorboorde-Neus zijn calumet

had uitgerookt, klopte hij de asch op zijn duim uit en stak de pijp in

zijn gordel; vervolgens zette hij de ellebogen op zijne twee knieën,

liet het hoofd op de beide handpalmen rusten en nu de oogen luikende,

verzonk hij in dien staat van aardsche zaligheid, dien de Italianen

dolce far niente, de Turken kief noemen, en daar de Franschen, hoe

vlug anders om namen te verzinnen, nog geen evenwaardigen term voor

hebben gevonden.

Nathan vulde zijne pijp voor de tweede maal, stak haar aan en wendde

zich tot zijn gezel.

»Is mijn broeder een opperhoofd?" vroeg hij.

De Indiaan hief het hoofd op.

»Neen," antwoordde hij met een trotschen glimlach, »ik ben een der

meesters van de groote medicijn."

Nathan maakte eene eerbiedige buiging.

»Dat begrijp ik," zeide hij, »dus is mijn broeder een der wijze mannen

die de Roodhuiden een ahcum (dokter) noemen."

»Ik ben bovendien een balam (toovenaar)," hernam de Doorboorde-Neus.

»Ah zoo!" riep de Amerikaan; »ei! ei! is mijn broeder een der dienaars

van den Nim-coe (groote schildpad)?"

»Ja," antwoordde hij, »wij geven bevelen aan de ahbop (Kaziken)

en aan de ahlabal (krijgslieden), zij doen niets zonder ons."

»Dat weet ik; mijn vader heeft veel kennis, zijne macht reikt over

de gansche aarde."

De Doorboorde-Neus glimlachte welgevallig over deze lofspraak, en

liet hem een stokje met schitterende veeren en kralen versierd zien,

dat hij in de rechterhand had.

»Deze mulbache is geduchter wapen dan de donder der bleekgezichten;

het verschaft mij allerwege vrees en ontzag."

Een veelbeteekenende glimlach plooide zich andermaal om de lippen

van Nathan.

»Mijn broeder keert zeker naar zijn volk terug?" vroeg hij.

»Neen," riep de Indiaan hoofdschuddend, »men wacht mij in het tinamit

(dorp) der Bisons-Apachen, die mijn raad en medicijn noodig hebben,

om op hoop van goeden uitslag eene groote onderneming te wagen die

zij in deze oogenblikken voornemens zijn uit te voeren. Mijn broeder

houde mij dus ten goede dat ik hem verlaat, daar ik nog heden avond

het doel van mijn tocht bereiken moet."

»Ik verlaat mijn rooden broeder niet," antwoordde Nathan, »als hij

er niets tegen heeft, zal ik zijne voetstappen drukken, mijne reis

is in dezelfde richting als die mijns broeders."

»Ik neem mijns broeders voorstel met genoegen aan, wij zullen samen

reizen. Vertrekken wij dan."

»Vertrekken wij," riep de bandiet.

De toovenaar stond op, en na zijne kleeding in orde te hebben gebracht,

bukte hij om een klein pak op te rapen, dat waarschijnlijk zijn

geringen reisvoorraad bevatte.

Nathan maakte van dit oogenblik gebruik, met een bliksemsnelle greep

trok hij zijn mes en stak het den Indiaan tot aan het hecht tusschen

de schouders.

De ongelukkige gaf een gesmoorden schreeuw, strekte de armen uit en

viel morsdood neêr.

De bandiet trok koelbloedig zijn mes uit de vreeselijke wond, wischte

het af aan het gras en stak het weêr in zijn gordel.

»Hm!" riep hij meesmuilend, »dat is ook een armzalige toovenaar,

die er niet veel van wist! wij zullen eens zien of ik niet knapper

ben dan hij."

Terwijl hij met den Roodhuid sprak, dien hij aanvankelijk volstrekt

geen plan had om te dooden, maar alleen tot zijn beschermer had willen

maken, was hij in eens op een ander denkbeeld gekomen.

Dit idee, dat den lezer op het eerste gezicht vreemd zal schijnen,

had den bandiet terstond toegelachen, wegens de vermetele stoutheid

die het vereischte om dadelijk te worden uitgevoerd, en bovenal wegens

de kans van goed te slagen die het aanbood.

Het bestond eenvoudig daarin, dat hij de kleederen van den toovenaar

wilde aantrekken om zich in zijne plaats aan de Roodhuiden te kunnen

voorstellen.

Sedert lang met al de gewoonten der Indianen volkomen bekend,

twijfelde Nathan geen oogenblik of hij zou deze rol met de noodige

juistheid kunnen spelen, om er zelfs den blik der scherpzinnigste

Indianen door te misleiden.

Na zich verzekerd te hebben dat zijn slachtoffer geene teekenen van

leven meer gaf, begon Nathan hem zijne kleederen uit te trekken,

die hij van lieverlede met de zijne verwisselde.

Toen deze eerste verandering gedaan was, tastte hij in den reiszak van

den toovenaar, haalde er een spiegeltje uit te voorschijn en een paar

blazen, de eene gevuld met vermiljoen en de andere met eene zwarte

verf, en nu begon hij de kleuren te mengen, gaf zijn gelaat eerst de

juiste tint der Roodhuiden en teekende er toen met een stokje dezelfde

groteske figuren op als op dat van den toovenaar; deze nabootsing

gelukte volkomen; vervolgens beschilderde hij eenige andere deelen

van zijn lichaam op gelijke wijs, bond het haar op de kruin van zijn

hoofd samen en stak er de twee straks genoemde uilenveeren in.

Meermalen, wanneer hij met zijn vader op de haarschedeljacht ging,

had Nathan zich als een Indiaan vermomd; ook ditmaal was zijne

gedaanteverwisseling binnen weinige oogenblikken voltooid.

»Het zou niet goed zijn als men dit kreng hier vond," zeide hij.

Hiermede nam hij het lijk op zijn rug, droeg het een eind verder en

liet het in een ontoegankelijken afgrond rollen.

»Zie zoo! dat is al weder gedaan," zeide hij lachend, »als de Apachen

nu nog niet voldaan zijn over den heksenmeester die hen bezoekt,

zijn zij wel zeer ongemakkelijk."

Daar hij ongaarne zijne eigene kleederen wilde missen, borg hij die

in den reiszak van den Indiaan, hing het pak over den loop van zijn

snaphaan, naast het stokje van den armen toovenaar en ging vroolijk

op marsch, lustig den mulbache zwaaiende, terwijl hij half overluid

met een koddig gezicht mompelde:

»Wij zullen zien of deze mulbache inderdaad de toovermacht bezit die

de domkop er aan toeschreef."

XXVII.

EEN SPOOR IN DE LUCHT.

Reizigers en toeristen, die, wat bosschen betreft, niets anders

kennen dan het bosch van Fontainebleu en andere dergelijke door

menschenhand aangelegde of onderhouden plantages,--die wij, dit zij

in 't voorbijgaan gezegd, daarom niet willen verachten--kunnen zich

geen denkbeeld maken van den grootschen en prachtigen aanblik der

ongerepte natuurwouden in de Nieuwe Wereld.

Daar vindt men geene lanen van vier of vijf ellen breed, met het

meetsnoer getrokken, en die zich recht en stijf soms uren ver

uitstrekken.

Daar is alles afwisselend, afgebrokkeld en woest.

Doorzicht bestaat er niet, het is al veel wanneer de blik dertig of

veertig schreden in iedere richting kan uitzien.

De oorspronkelijke bodem, geheel bedekt met het afgevallen blad of

de vermolmde stammen der boomen, door ouderdom gevallen en door regen

en zonneschijn tot stof vergaan, is niet te onderkennen.

De boomen groeien er in ordelooze vrijheid op, saamgestrengeld door

dikke lianenstengels, die zich om den stam en de takken slingeren,

de wonderlijkste figuren beschrijven, in alle richtingen zich

uitbreiden, soms naar de aarde afdalen om er te wortelen en een voet

verder terstond weder op te schieten en de boomen zoo dicht aaneen

te vlechten, dat zij vaak uren ver eene dichtgesloten massa vormen.

Op sommige plaatsen bieden de bosschen zoo weinig afwisseling, dat

de boomen allen van dezelfde soort en schier volkomen aan elkander

gelijk schijnen.

Wat meer is, onder het geboomte, ter hoogte van vijf of zes voet,

verheft zich een droog en dichtgesloten gras, ongeveer als de halmen

van een korenveld.

Of op eens opent zich onder de voeten van den onbedachtzamen reiziger

een onmetelijke poel van bagger of moerasgronden met een groene

korst van nauwelijks eenige duimen dikte bedekt, die den vermetele,

wanneer hij er den voet op waagt te zetten, in hun stinkenden modder

doen verzinken; een eind verder loopt, stil en onbekend, eene rivier,

die zich hier en daar, bij snel verval met moeite een weg baant door de

afgebrokkelde gronden en de doode boomen, die zij op hare oevers afzet.

Na deze korte beschrijving, laat zich lichtelijk begrijpen, dat het

niet zoo gemakkelijk gaat als men wel denken zou, om over dit warnet

van den eenen boom op den anderen te komen.

De lynch-wet · 第 18 / 29 段