Een enkel geweerschot, daar het de plaats van hun verblijf dadelijk zou

hebben verraden, zou voldoende zijn geweest om hen ten val te brengen.

Intusschen waren de weinige levensmiddelen die zij bij het verlaten der

jacal hadden medegenomen, spoedig verteerd, ondanks de spaarzaamheid

waarmede zij in hunne maaltijden te werk gingen.

Toen werden honger en vooral dorst hunne ergste vijanden; van alle

plagen die den ongelukkigen reiziger kunnen treffen is dorst zeker

een der ondragelijkste.

Honger kan men een zekeren tijd doorstaan zonder groote hindernis,

zelfs verscheidene dagen achtereen, maar dorst veroorzaakt de

onlijdelijkste smarten, die in weinig tijd tot een soort van razernij

overslaan, het verhemelte wordt droog, de keel brandt als vuur, de

oogen zijn bloedig rood en de ongelukkige lijder, aan eene gruwzame

ijlhoofdigheid ten prooi, die hem overal het zoozeer begeerde water

doet zien, sterft eindelijk onder de wreedste folteringen.

Nadat de levensvoorraad was uitgeput had men zich andere moeten

verschaffen; in de bergen was dit bijna onmogelijk, vooral wanneer

men, zoo als deze vluchtelingen, in de noodige vrijheid om te handelen

belemmerd werd.

Intusschen gelukte het hun, zich gedurende eenige dagen met wortelen

te voeden en met eenig klein wild, dat met den strik gevangen werd.

Ongelukkigerwijze nam de koude met iederen dag in hevigheid toe,

de vogels verwijderden zich naar minder onherbergzame streken; dus

ontbrak hun ook deze hulpbron.

De geringe hoeveelheid water die zij nog over hadden, moest met

onderling goedvinden voor Ellen bespaard blijven.

Het jonge meisje had deze opoffering in 't eerst bepaald geweigerd;

maar de dorst werd hand over hand sterker en door de gebeden harer

tochtgenooten overwonnen, eindigde zij met toe te geven.

De bandieten vonden geen ander middel om hun onlijdelijken dorst te

lesschen dan hunne paarden een snede in het oor te geven en er het

bloed uit te zuigen.

Vervolgens hadden zij een paard geslacht. De arme dieren hadden toch

evenmin voedsel als hunne meesters en leden niet minder van dorst

dan deze. Met het gebraden vleesch van dit paard waren zij zoo goed

mogelijk, althans eenige dagen rondgekomen.

Kortom, de vier paarden werden het een na het ander gedood, geslacht

en verslonden.

Thans hadden de avonturiers niets meer over. En niet alleen dit,

maar sedert de twee laatste dagen hadden zij niets te eten gehad.

Zij bewaarden dus eene sombere stilte, wierpen nu en dan een verstolen

blik in het rond en verzonken meer en meer in treurige beschouwingen.

Maar de gedachten die zij in hun brein voelden wervelen begonnen hun

allengs te ontsnappen en eene stomme razernij maakte zich van hen

meester; reeds voelden zij het oogenblik naderen dat zij geheel van

hun verstand beroofd, eindelijk zouden moeten bezwijken voor de heete

koorts die hunne hoofdslapen reeds samenkneep als in een schroef en

die voor hunne oogen allerlei bange schrikbeelden deed zweven.

Het was een hartbrekend schouwspel, in die barre en sombere woestijn,

rondom dit uitstervende vuur, deze drie mannen te zien liggen, zonder

kracht en zonder moed, naast dat tengere meisje, dat met gevouwen

handen en neêrgeslagen oogen in stilte zat te bidden.

De tijd verliep, de wind huilde klagend door de quebradas; de maan,

die telkens achter dikke wolken schuil ging, gaf slechts nu en dan een

bleek schijnsel en doopte met haar fantastisch en onzeker licht dit

tooneel van verlatenheid, welks akelige stilte slechts enkele malen

verbroken werd door een gesmoorde verwensching of een afgeperste

verzuchting.

Ellen beurde het hoofd op en staarde hare gezellen meewarig aan.

»Houdt moed," murmelde zij met hare altijd zachte stem, »houdt moed,

broeders! God zal ons zoo niet verlaten."

Een zenuwachtig gegrinnik was het eenige antwoord dat zij ontving.

»Helaas!" vervolgde zij, »waarom geeft gij u zoo aan de wanhoop

over, broeders; waarom bidt gij niet liever? het bidden vertroost,

het geeft kracht en houdt de hoop staande."

»Kan het ook dien verdoemden dorst lesschen die mij de keel

toeschroeit?" antwoordde de monnik brutaal, terwijl hij zich met

moeite op den elleboog oprichtte en haar woest aanzag; »houd u stil,

dwaas kind, zoo gij geen andere baat voor ons weet dan zulke onnoozele,

afgezaagde praatjes."

»Houd gij u stil! verdoemde monnik," bromde Sutter, hem aanziende

met een dreigenden blik, »bespot mijne zuster niet! zij alleen kan

ons misschien nog redden, want als God zich onzer erbarmt is het

om harentwil."

»Ah! ha!" riep de monnik met een afzichtelijken grijns, »begint gij

nu aan God te gelooven, vriend? Gij moet u wel dicht bij uw dood

gevoelen, dat gij zoo bang wordt. Gij mocht eer blijde zijn dat er

geen God was, dan Hem te hulp roepen, want zoo Hij werkelijk bestond,

zou Hij u reeds lang hebben neergebliksemd,"

»Goed gesproken, monnik," riep Nathan. »En houd gij u stil, zuster! Als

wij hier als honden moeten sterven, laten wij dan ten minste met rust

sterven, dat is toch niet te veel gevergd zou ik denken."

»O! wat heb ik het benauwd!" mompelde Sutter, terwijl hij zich kromde

als een slang en woest over den grond kroop.

Ellen stond op.

Zij trad stil naar hem toe en zette hem de tuit van den leêren zak

aan de lippen, waarin nog wat water was dat voor haar bewaard werd.

»Drink," zeide zij.

De jongman greep met drift naar den lederen zak, alsof hij drinken

zou, maar stiet dien oogenblikkelijk terug en schudde weigerachtig

het hoofd.

»Neen," riep hij treurig, »behoud dat maar, zuster; het is uw leven

dat gij mij biedt."

»Drink, zeg ik u," hernam zij gebiedend.

»Neen," antwoordde hij halsstarrig, »dat zou lafhartig zijn! O! ik

ben immers een man, zuster; ik kan wei lijden."

Ellen zag wel dat haar aanhouden niet baten zou; zij wist hoe afgodisch

hare broeders haar lief hadden en keerde zwijgend naar het vuur terug.

Toen zij daar weder zat nam zij drie buffelhoornen napjes, die hun

tot drinkbekers dienden, vulde ze met water en zette ze voor hen

neêr, daarop nam zij een lang en scherp mes, hield de punt tegen den

waterzak en wendde zich naar de drie mannen, die al hare bewegingen

nieuwsgierig aanstaarden, maar er niets van begrepen.

»Daar staat water voor u," zeide zij, »drink het. Ik zweer u, als gij

het niet doet, dat ik dan oogenblikkelijk met het mes den zak open

snijd, en al het overige water er uit laat loopen dat er nog in is,

dan is het verloren, en dan zal ik evenzeer dorst lijden als gij."

Hare lotgenoot en gaven geen antwoord, maar staarden elkander

twijfelend aan.

»Ik vraag u voor 't laatst, of gij wilt drinken, ja dan neen?" zeide

zij terwijl zij het mes stout tegen den waterzak drukte.

»Houd op!" schreeuwde de monnik schielijk opstaande en naar haar

toeijlende. »Demonios! zij zou het doen ook."

Hij nam den beker en ledigde dien in één teug.

Zijne kameraden volgden zijn voorbeeld.

Deze teug water, want de bekers waren zeer klein, was echter toereikend

om de drie uitgedorste mannen tot bedaren te brengen; het vuur dat hen

verteerde was voor het oogenblik gebluscht, zij haalden vrijer adem,

slaakten een ach! van genoegen en vlijden zich weêr op den grond neder.

Een engelachtige glimlach verhelderde het gelaat van Ellen.

»Nu ziet gij immers," hervatte zij, »dat alles nog niet verloren is!"

»Kom kom, nina," antwoordde de monnik woest, »waartoe zouden wij ons

met eene dwaze hoop vleien? Die droppel water dien gij ons geeft

kan maar voor eene korte poos ons lijden verzachten; over een uur

misschien keert onze dorst brandender en onlijdelijker terug dan ooit."

»Wie zegt u," riep zij lieftallig, »wat de hemel voor ons doen zal

eer wij een uur verder zijn? Eene lafenis hoe gering ook, is in uwe

omstandigheden veel waard,--gij wilt alles van de toekomst hebben en

vergeet voor het tegenwoordig oogenblik te danken."

»Goed, goed, wij willen niet met u twisten na de dienst die gij ons

bewezen hebt, nina, maar toch, alles schijnt u tegen te spreken."

»Hoe dat?"

»Wel? Caspita! wat ik zeg is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen,

ik behoef niet verder te gaan dan dat uw vader, die ons beloofd had

dat hij ons nooit zou verlaten....."

»Welnu?"

»Waar is hij? Sedert dezen morgen vroeg, is hij vertrokken, de duivel

weet waar heen; de heele dag is voorbij gegaan en de nacht reeds lang

gedaald, en gij ziet, hij is nog niet terug."

»Wat bewijst dat?"

»Canarios! dat bewijst zooveel dat hij weg is, niets minder."

»Denkt gij dat?" riep Ellen.

»Zeg maar dat ik het zeker weet, nina."

Ellen keek hem minachtend aan.

»Señor," antwoordde zij fier, »dan kent gij mijn vader nog niet,

als gij denkt dat hij tot eene lafhartigheid in staat is."

»Hm! in zulk een positie als wij thans zijn, zou ik het bijna

verschoonbaar vinden."

»Misschien ja, zou hij het werkelijk gedaan hebben," hernam zij

levendig, »als hij geen ander gezelschap achterliet dan u, caballero;

maar dat hij hier zijne dochter en zijne zonen in den nood zou laten

zitten, daar is mijn vader de man niet voor."

»Dat 's waar," zei de monnik min of meer beschaamd, »daar dacht ik niet

aan; neem mij niet kwalijk, nina, maar gij zult mij toch veroorloven

u te zeggen dat uw vader buitengewoon lang uitblijft."

»Wel! señor," riep het meisje in vuur gerakend, »gij, die zoo

gereed zijt om een vriend te verdenken, die u zoo lang en zooveel

ondubbelzinnige bewijzen van trouw gegeven heeft! weet gij dan nu, of

hij niet juist zoo lang uitblijft om voor uw en ons behoud te zorgen?"

»Goed gesproken, bij God!" riep eene ruwe stem; »ik dank u, mijne

dochter."

De avonturiers ontstelden en keken onwillekeurig om.

Op hetzelfde oogenblik werden de struiken door eene krachtige hand

uit elkander gerukt, een zware stap klonk op den rotsigen bodem en

er verscheen een man.

Het was de Roode-Ceder.

Hij droeg een damhert op zijn schouder.

Toen hij in de door het vuur verlichte ruimte kwam wierp hij zijn

vracht neêr, zette zijn geweer op de steenen dat het klonk, kruiste

de handen op de tromp en keek met een bitteren grijns om zich heen.

»Ik merk het al, ik geloof dat ik juist van pas kom, señor padre,"

grinnikte hij. »Vive Dios! ik geloof dat gij hier aardig te werk gaat

als ik er niet ben; is het op die manier dat gij uw christelijken

plicht begrijpt! Carai! dan zal ik er u geen kompliment over maken."

De monnik, door deze plotselinge verschijning en ruwe terechtwijzing

tot zwijgen gebracht, had geen woord meer te zeggen.

De Roode-Ceder vervolgde:

»Bij God! ik ben beter kameraad dan gij, want ik breng u te eten,

en ik durf zweren dat het mij vrij wat moeite heeft gekost om dat

verwenschte dier onder schot te krijgen. Kom, haast u wat en braad

er een vierdepart van!"

Sutter en Nathan hadden huns vaders bevel niet afgewacht, en waren

reeds lang bezig om het damhert te villen.

»Maar," zei Nathan, »om dat wild te braden zullen wij ons vuur zoo

groot moeten maken, dat onze vervolgers het zien zullen."

»Daar hebben wij kans op," antwoordde de Squatter, »overleg dus of

gij er dit aan wagen wilt."

»Hoe denkt gij er over?" vroeg de monnik.

»Ik? Mij is het geheel onverschillig; een ding moet ik u eens en vooral

zeggen, het is, dat ik innig overtuigd ben, dat wij te avond of morgen

onzen vervolgers in handen vallen, en dat het mij weinig schelen kan,

of het van daag is of over een week."

»Duivelsch! ik vind u alles behalve vertroostend, compadre," riep

Fray Ambrosio. »Zou de moed u reeds ontzinken, of hebt gij misschien

sporen gezien?"

»Aan moed ontbreekt het mij nooit; ik weet welk lot mij beschoren is;

mijn besluit is dus genomen. En wat sporen aangaat, zoo als gij wel

zegt, zou men blind moeten zijn om ze niet te zien."

»Derhalve geen hoop meer!" riepen de drie mannen met kwalijk

ontveinsden schrik.

»O hé! neen, ik denk het niet; maar," vervolgde hij op luchtiger toon,

»waarom sammelt gij zoo met dat hert; maak toch voort, dat het gebraden

komt; gij moet dunkt mij half dood zijn van honger."

»Dat is wel waar, maar wat gij zegt maakt ons zoo benauwd, dat de

lust om te eten ons vergaat," riep Fray Ambrosio neerslachtig.

Ellen stond op, trad naar den Squatter, legde hem zacht de hand op

den schouder en bracht haar gezicht dicht bij het zijne.

De bandiet lachte haar toe.

»Wat wilt gij van mij, mijne dochter?" vroeg hij vriendelijk.

»Ik wou, vadertje, dat gij ons kondt redden," antwoordde zij op

vleienden toon.

»U redden, arm kind!" riep hij treurig het hoofd schuddend; »ik vrees,

helaas! dat dit onmogelijk is."

»Dus zult gij mij in handen onzer vijanden laten vallen?" hervatte zij.

De Squatter sidderde.

»O! zeg dat toch niet, Ellen!" riep hij met eene halfgesmoorde stem.

»Intusschen, vader, als gij ons niet kunt laten ontkomen....."

De Squatter wischte met den rug van zijn vereelte hand het paarlend

zweet van zijn voorhoofd.

»Hoor eens," zeide hij een oogenblik daarna, »misschien is er nog

een middel."

»Welk? welk?" riepen allen zich om hem heen dringend.

»Het is wel zeer gevaarlijk, en misschien gelukt het ook niet."

»Zeg het ons toch maar," riep de monnik dringend.

»Ja, ja! spreek, vader!" hervatte Ellen.

»Wilt gij het volstrekt?"

»Ja, ja!"

»Nu, hoort mij dan aandachtig, want het middel dat ik u ga voorstellen,

hoe vreemd en ongerijmd het u vooreerst schijnen mag, biedt eenige

kansen om te slagen, die in onzen hopeloozen toestand niet te

versmaden zijn."

»Maar spreek, spreek dan toch!" riep de monnik ongeduldig.

De Roode-Ceder keek hem aan met een grijns.

»Gij zijt wel haastig," zeide hij; »misschien zult gij het straks

niet meer zijn."

XXV.

EEN HAZARDSPEL.

»Eer ik u mijn plan voorstel," hervatte de Roode-Ceder, »moet ik u

vooraf uitleggen hoe het met ons staat, en hoe onze positie eigenlijk

is, dan zult gij met meer kennis van zaken kunnen beoordeelen of het

door mij bedoelde middel u aannemelijk voorkomt."

De aanwezigen gaven een teeken van toestemming, maar niemand sprak

een woord.

De Squatter vervolgde.

»Wij zijn van drie kanten ingesloten: vooreerst door de Comanchen,

ten tweede door de partijgangers van den Zoon des Bloeds, en ten derde

door den Franschen jager en zijne vrienden. Verzwakt als wij zijn door

de vreeselijke ontberingen die wij sedert onzen intocht in de bergen

geleden hebben, is iedere strijd voor ons onmogelijk, wij moeten dus

de hoop opgeven om ons door kracht van wapenen een uitweg te banen."

»Wat zullen wij dan doen?" vroeg de monnik, »een ding is zeker, wij

moeten tot iederen prijs zien te ontsnappen; elke minuut langer die

wij hier wachten, verliezen wij een kans op behoud."

»Daarvan ben ik overtuigd en nog beter dan gij zelf. Mijn lang

uitblijven van daag had een weldadig doel: vooreerst om ons

levensmiddelen te verschaffen, en daarin, zooals gij ziet ben ik

geslaagd."

»Dat is waar."

»Ten tweede," vervolgde de Squatter, »heb ik stellig willen verkennen

welke punten door onze vijanden bezet zijn."

»Welnu?" vroegen zij nieuwsgierig.

»Dat is mij ook gelukt; ik ben zonder ontdekt te worden tot dicht bij

hunne kampementen doorgedrongen; zij houden er goed wacht, het zou eene

dwaasheid zijn, te willen beproeven hun ongemerkt voorbij te komen, zij

hebben rondom ons een grooten kring geformeerd, dien kring maken zij

steeds nauwer, zoodat wij binnen drie dagen en misschien reeds vroeger

volkomen ingesloten zullen zijn, en wij ons onmogelijk langer zullen

kunnen verbergen, maar onfeilbaar in hunne handen moeten vallen."

»Demonios!" riep Fray Ambrosio, »dat vooruitzicht is alles behalve

vroolijk, wij hebben van die duivelskinderen geen genade te wachten,

die er integendeel hun genoegen in zullen vinden om ons op allerlei

wijs te martelen. Hm! 't is om van te grijzen! ik krijg kippenvel als

ik er aan denk dat ik in hunne handen zou moeten vallen; ik weet waar

de Indianen in staat toe zijn als het hun om pijnigen te doen is,

want ik heb hen in dat opzicht zoo vaak aan het werk gezien."

»Goed, dan zal ik op dit punt niet verder aandringen," zei de Squatter.

»Het zou ook geheel overbodig zijn. Gij zult beter doen met ons het

plan mede te deelen, dat gij hebt uitgedacht om ons te redden."

»Met uw welnemen, dat heb ik u nooit verzekerd, ik heb u alleen gezegd

dat het eenige kans had van te zullen slagen."

»Wij zullen niet woordenziften, daar staan onze zaken niet naar,

geef ons liever uw voorstel."

»Gereedelijk."

De drie mannen luisterden met de meeste aandacht.

»Het is uitgemaakt," vervolgde de Roode-Ceder, »dat zoo wij bij

elkander blijven en allen naar denzelfden kant zoeken te vluchten,

wij onherroepelijk verloren zijn, namelijk als men onze voetsporen

ontdekt, daar wel niet aan te twijfelen valt."

»Goed, goed," bromde de monnik, »ga maar voort, ik begrijp volstrekt

nog niet waar gij heen wilt."

»Dat bezwaar heb ik rijpelijk overwogen en zie hier wat ik er op

gevonden heb," vervolgde de Squatter ongestoord.

»Geef ons uwe vinding."

»Zij is doodeenvoudig deze: dat wij een dubbel spoor moeten maken."

»Hm! een dubbel spoor! dat wil zeker zeggen een valsch en een echt

spoor? Dat plan is verkeerd."

»Waarom?" riep de Roode-Ceder met zijn gewonen glimlach.

»Omdat er altijd een punt zal zijn waar het valsche spoor met het

echte samenloopt."

»Gij vergist u, compadre," viel de Squatter hem met drift in de rede,

»de beide sporen zullen echt zijn, anders was het idee ongerijmd."

»Dan begrijp ik het niet meer, verklaar u nader."

»Met alle genoegen, als gij mij slechts een paar woorden tijd gunt. Een

van ons allen moet zich voor de anderen opofferen, terwijl wij naar

den eenen kant vluchten zoekt hij aan den anderen kant weg te komen,

even als wij zijn spoor verbergende, om den vijand des te meer aan

te lokken; zoodoende zal hij ons een doortocht openen door welken

wij onopgemerkt kunnen passeeren. Begrijpt gij mij nu?"

»Caspita! of ik u begrijp? dat zou ik denken! uw plan is heerlijk,"

riep de monnik opgetogen.

»Het is alleen de vraag, zullen wij het uitvoeren?"

»Ja zonder verwijl."

»Zeer goed. Wie wil zich dan voor zijne kameraden opofferen."

Niemand gaf antwoord.

»Zoo!" hervatte de Roode-Ceder, »houdt gij nu allen uw mond? Kom Fray

Ambrosio, gij zijt toch van den geestelijken stand, dat is een goed

werk voor u."

»Dank u, compadre! ik heb nooit roeping gevoeld om martelaar te

worden. Ik ben gansch niet eerzuchtig."

»Wij moeten er intusschen toch uit."

»Caramba! met alle genoegen, mits zoo min mogelijk ten koste van mijn

huid of mijn haar."

De Roode-Ceder stond een poos in beraad. De avonturiers keken hem

bezorgd aan en wachtten in stilte tot hij iets zou gevonden hebben

om dit moeielijk vraagstuk op te lossen.

Eindelijk hief de Squatter het hoofd op.

»Hm!" mompelde hij, »alle bespreking ware hier nutteloos; gij zijt

geen menschen vatbaar voor gevoel of redeneering."

Zij knikten toestemmend.

»Nu, wat wij dan doen zullen: wij zullen door het lot laten beslissen

wie van ons zich zal opofferen; en hij dien het lot treft, zal zonder

tegenspreken gehoorzamen. Vindt gij dat middel goed?"

»Daar wij het toch moeten uitmaken," zei Nathan, »dan maar hoe eer hoe

liever; dit middel is zoo goed als een ander, ik heb er niets tegen."

»Ik ook niet," zei Sutter.

»Bah!" riep de monnik, »ik ben in het hazardspel altijd gelukkig

geweest."

»Dus zijn wij het eens, en zweert gij nu dat hij, dien het lot treft,

zonder aarzelen zal gehoorzamen en zijne taak nauwgezet zal uitvoeren?"

»Dat zweren wij!" riepen zij eenparig; »welaan, Roode-Ceder, maken

wij het uit?"

»Ja; maar," hervatte de Roode-Ceder, »op welke wijs zullen wij het

lot raadplegen?"

»Laat u dat niet verlegen maken, compadre," riep Fray Ambrosio met

een lachend gezicht, »daar heb ik al voor gezorgd."

Onder deze woorden had de monnik reeds in de kap van zijn laars

gegrabbeld en er een smerig spel kaarten uitgehaald.

»Ziedaar het orakel," vervolgde hij triomfant. »En dit schoone kind,"

riep hij naar Ellen wijzende, »zal de kaarten schudden, een van ons

neemt af, dan deelt zij de kaarten onder ons, een voor een, en die

dan de dos de espadas (schoppen twee) krijgt, maakt het dubbele spoor,

vindt gij dat goed?"

»Zeer goed," antwoordden zij.

Ellen nam de kaarten van den monnik over en schudde ze een poos door.

Een zarape werd op den grond gespreid dicht bij het vuur, om in het

schijnsel der vlam de kleur der kaarten te kunnen onderscheiden.

»Neem af," zeide zij, het spel op de zarape leggende.

Fray Ambrosio stak zijne hand uit; maar de Roode-Ceder hield lachend

zijn arm terug.

»Wacht even," zeide hij, »de kaarten zijn van u, compadre, en ik ken

uw spelerstalent; laat mij afnemen."

»Zoo als gij wilt!" antwoordde de monnik, blijkbaar teleurgesteld.

De Squatter nam af, Ellen begon met ieder een kaart te geven.

Het was inderdaad een zonderling tooneel dat hier plaats had.

Bij donkeren nacht, in de diepte der eenzame bergvallei, terwijl

de wind boven hunne hoofden huilde, stonden vier mannen in gebogen

houding, met gespannen nieuwsgierigheid het bleeke en tengere meisje

aanstarende, dat in den flikkerenden gloed van het vlammende vuur

een werk verrichtte van cabalistischen aard, daar ik geen naam voor

weet; treffend was de uitdrukking op het gelaat der vier mannen,

die in dezen oogenblik hun leven verspeelden op de kans van eene

kaart; voorwaar, zoo een vreemdeling, zonder zelf gezien te worden,

dit ongewone schouwspel had bijgewoond, zou hij gedacht hebben in

een betooverenden droom te verkeeren.

Met gefronste wenkbrauwen, verbleekt aangezicht, hijgende borst en

koortsachtige blikken, volgden zij iedere kaart die nederviel, terwijl

zij zich nu en dan het zweet afwischten dat op hun voorhoofd parelde.

Intusschen vielen de kaarten steeds voort en de beslissende dos de

espadas was er nog niet; Ellen had niet meer dan zes kaarten in hare

hand over.

»Oef!" hijgde de monnik, »wat duurt dat lang!"

»Ba!" antwoordde de Roode-Ceder grinnikend, »wacht maar, misschien

zult gij het kort genoeg vinden."

»Ik ben het," zei Nathan met eene beklemde stem.

Werkelijk was de schoppen twee juist voor hem gevallen. Allen haalden

thans ruimer adem.

»Ei!" riep de monnik, den jongen Squatter op den schouder kloppende,

»ik feliciteer u, Nathan, gij krijgt een schoone taak, mijn vriend."

»Wilt gij ze van mij overnemen?" grinnikte de andere.

»Ik wil u de eer niet ontnemen van ons te redden," zei Fray Ambrosio

met zekeren bluf.

Nathan keek hem medelijdend aan, haalde de schouders op en keerde

hem den rug toe.

De monnik raapte het spel kaarten bijeen en stak het met blijkbaar

genoegen weder in zijne laars.

»Hm!" mompelde hij, »ze kunnen mij meer te pas komen, men kan niet

weten in welke omstandigheden men zich somtijds geplaatst ziet."

Na deze philosophische opmerking, ging de monnik weder bij het vuur

zitten, wel in zijn schik met de zekerheid dat hij zich niet voor

zijne vrienden zou behoeven op te offeren.

Intusschen had de Roode-Ceder, die de volvoering van zijn plan niet

uit het oog verloor, eenige stukken van het damhert op de heete kolen

gelegd, om zijnen kameraden de noodige krachten te hergeven voor de

zware vermoeienis die zij weldra zouden moeten verduren.

Gelijk gewoonlijk onder dergelijke omstandigheden liep de maaltijd

stil af; ieder in zijn eigen gedachten verdiept, at snel zonder een

gesprek te beginnen of aan den gang te houden.

Het was ongeveer vijf uren in den morgen, de hemel begon reeds

te verbleeken en die grijze tint aan te nemen die het morgenrood

voorafgaat.

De Roode-Ceder stond op, allen volgden zijn voorbeeld.

»Komaan, jongen," zeide hij tot Nathan, »zijt gij gereed? het is

nu tijd."

»Ik vertrek zoodra gij het goedvindt, vader," zei de jongman

resoluut. »Ik wacht alleen uwe laatste aanwijzingen, om te weten

welke richting ik kiezen moet en waar ik u vinden kan, als ik soms,

wat niet waarschijnlijk is, zoo gelukkig was er heelhuids af te komen."

»Mijne aanwijzingen zullen kort zijn. Gij neemt uw koers naar het

noord-oosten, dat is de naaste weg om uit de bergen te geraken. Zoo

gij den weg van Independencia kunt bereiken zijt gij gered, van daar

zal het gemakkelijk zijn om in weinig tijds naar de grot van onze

oude kameraden te komen waar gij u verschuilen en op ons wachten

moet. Ik beveel u vooral aan om uw spoor zoo mogelijk te verbergen;

wij hebben met de listigste en meest ervaren jagers in de prairie te

doen: een duidelijk spoor zou terstond hun argwaan opwekken en dan

slaat ons plan zeker feil. Gij hebt mij goed begrepen, niet waar?"

»Zeer goed."

De lynch-wet · 第 17 / 29 段