Valentin en Curumilla hadden hunne lasso's over een rotspunt geworpen

aan de overzijde der kloof; de loopende knoop aan het uiteinde had

doel getroffen en had zich gesloten: op deze wijs was het middel van

gemeenschap gevestigd; maar deze gemeenschap of deze brug, zooals

Valentin het noemde, bestond uit niets meer dan twee van leder

gevlochten koorden, van een duim dikte, hier gespannen over een

afgrond van onbekende diepte en minstens vijftien ellen breed, die

men met de vuist om het koord geklemd, al palmende moest oversteken.

Voorzeker, om op deze vreemdsoortige brug zich te vertrouwen was een

waagstuk dat stof tot nadenken gaf, eene zaak van overweging zelfs

voor den dapperste. Om aldus aan zijne handen te hangen, boven een

afgrond, over eene lengte van vijftien meters, was niet uitlokkend

in dezen donkeren nacht; als het koord eens brak of losging!

De jagers aarzelden.

»Wel!" zei Valentin, »zullen wij overgaan?"

Niemand gaf antwoord.

»Gij hebt gelijk," riep de jager meesmuilend, »gij zoudt eerst willen

weten of de brug sterk genoeg is, is het zoo niet? Geheel tot uw

dienst! zoo als gij wilt."

En met denzelfden bedaarden stap als altijd trad hij naar den rand

der steilte. Bij de lasso komende greep hij die met de beide handen

en wendde zich tot zijne kameraden.

»Ziedaar," riep hij, op dien onbezorgden toon die hem altijd was

bijgebleven, »het gezicht kost u niets."

Zonder zich in 't minst te haasten, met al de gemakkelijkheid van

een professor in sterke toeren, palmde hij zich in achterwaartsche

beweging, greep voor greep, over de bergkloof om zijnen vrienden te

wijzen hoe zij het moesten aanleggen.

Vervolgens, nadat hij den overkant bereikt had, waar hij zijn geweer

achter liet, keerde hij even bedaard naar zijne vrienden terug.

Dezen hadden met ongeruste blikken en ingehouden adem al zijne

bewegingen gadegeslagen, terwijl zij onwillekeurig huiverden over

het gevaar dat de onverschrokken Parijzenaar durfde trotseeren.

»Ik hoop," zeide hij op het terras terugkomende, »dat gij nu ten

minste van de soliditeit der lasso's overtuigd zijt en niet langer

zult aarzelen."

Zonder te antwoorden ging Curumilla over de brug.

»Dat 's één!" riep Valentin lachend, »'t is eigenlijk geen haverklap

waard. Wiens beurt is het?"

»De mijne," antwoordde don Pablo.

Hij ging over.

»Nu is het mijne beurt," riep don Miguel.

»Ga," zei Valentin.

De hacendero stond na eenige minuten mede aan den anderen oever.

Twee bleven er nog over. Valentin en generaal Ibanez.

»Komaan," riep de jager, »'t is aan u, generaal; ik moet er het

laatst overgaan."

De generaal schudde moedeloos het hoofd.

»Ik zal niet kunnen," zeide hij.

XXIII.

EL RASTREADOR.

Valentin dacht dat hij hem niet goed verstaan had.

»Wat zegt gij?" riep hij met zijn oor naar den generaal.

»Ik zal daar nooit over kunnen," herhaalde deze.

De jager keek hem bevreemd aan. Hij kende den generaal sinds lang

en had hem in te veel veege omstandigheden gezien om aan zijn moed

te twijfelen.

»Waarom niet?" vroeg hij.

De generaal stond op, greep hem bij den arm en met den mond bijna

op het oor van den jager, wierp hij een schuwen blik in het rond en

fluisterde met een half gesmoorde stem:

»Omdat ik niet durf."

Bij deze ongedachte bekentenis, deed Valentin een sprong achteruit,

keek zijn vriend met de meeste opmerkzaamheid aan, want wat hij gehoord

had kwam hem uit den mond van zoo iemand inderdaad monsterachtig voor.

»Gij steekt er den draak immers mede?" riep hij.

De generaal schudde het hoofd.

»Inderdaad," zeide hij, »ik ben bang. Ja, ik begrijp wel," vervolgde

hij een oogenblik later met een zucht, »het komt u vreemd voor, niet

waar, dit te moeten hooren van mij, dien gij zoo dikwijls de grootste

gevaren met een lachend gezicht zaagt braveeren, en dien gij nooit

verbaasd of versaagd hebt gekend? Maar wat zal ik u zeggen, vriend,

het is niet anders, ik ben bang; ik weet niet waarom, maar het idee

van dien afgrond over te moeten met de vuisten om het touw geklemd,

dat zoo licht kan breken onder mijn gewicht, baart mij een belachelijke

maar onoverwinnelijke vrees daar ik mij zelf geen rekenschap van kan

geven en die mij onwillekeurig doet beven van angst; zulk een dood

komt mij al te ijselijk voor, ik zou er mij niet aan kunnen wagen."

Zoolang de generaal aan het woord was staarde Valentin hem met de

grootste opmerkzaamheid aan.

Generaal Ibanez scheen dezelfde man niet meer, zijn gelaat was bleek,

op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, een stuipachtig beven

deed al zijne leden schudden, zijne stem was dof en zijne woorden

stotterend.

»Ba ba!" riep Valentin met een gedwongen glimlach, »het is inderdaad

niets, met een beetje wil zult gij die vrees gemakkelijk meester

worden, het is niet anders dan een voorbijgaande duizeling."

»Ik weet niet wat het is, ik zou het niet kunnen zeggen, maar ik

verklaar u, dat ik reeds alles heb gedaan wat menschelijk mogelijk is,

om dat gevoel te onderdrukken dat mij beheerscht en overmeestert."

»En nu?"

»Er is niets aan te doen, integendeel, ik geloof dat mijne vrees

toeneemt naarmate ik mij inspan om haar te overwinnen."

»Wat! zoo'n dapper man als gij!"

»Goede vriend," antwoordde de generaal met een treurigen lach, »moed

is veelal een zaak van de zenuwen; 't is even onmogelijk voor den

een om altijd dapper als voor den ander om altijd lafhartig te zijn;

op den eenen dag beheerscht de stof het verstand veel meer dan op den

anderen. Op zulke dagen moet de zedelijke mensch voor den zenuw-mensch

zwichten en leert zelfs de stoutmoedigste vreezen; heden is het voor

mij een van die dagen, nu weet gij alles."

»Kom vriend," hernam Valentin, »denk er maar eens goed op door; wat

duivel! gij kunt immers hier toch niet blijven, terugkeeren is even

onmogelijk; maak dus van den nood eene deugd."

»Alles wat gij mij daar zegt," viel de generaal hem in de rede, »heb

ik mij zelven reeds gezegd; en ik zeg u nogmaals eer ik mij aan dat

touw zou wagen schiet ik mij liever voor den kop."

»Maar dat is immers eene dwaasheid!" riep de jager, »dat is eigenlijk

gekkenpraat, ronduit!"

»Zeg er van al wat gij wilt; ik begrijp even goed als gij dat ik mij

bespottelijk aanstel, maar ik kan er niets tegen doen."

Valentin stampvoette van ongeduld, keek om naar zijne kameraden,

die aan de andere zijde der barranca verzameld stonden en niet wisten

waar zij dit onbegrijpelijk oponthoud aan toe moesten schrijven.

»Hoor eens, generaal," hervatte hij een oogenblik daarna, »ik zal

u zoo niet verlaten, het moge gaan zoo 't wil; wij zijn door te

goede banden aan elkander gehecht om u hier op die rots van honger

te laten sterven; als men in de wildernis bijna een jaar met iemand

samen geleefd, allerlei gevaren getrotseerd, koude en hitte, honger

en dorst geleden heeft, gaat men zoo niet van elkander af. Indien

het u inderdaad onmogelijk is om de kloof over te gaan, zoo als onze

makkers gedaan hebben, zal ik er een ander middel op vinden."

»Ik dank u, vriend," antwoordde de generaal neerslachtig hem de hand

drukkende; »maar geloof mij, als ik u raden mag laat mij dan hier

blijven; het zal met mij gaan zoo als het God behaagt; onze kameraden

wachten u met ongeduld, de tijd dringt u, vertrek, gij moet."

»Ik vertrek niet," riep de jager vastberaden, »ik bezweer u dat gij

met mij mede gaat."

»Neen, zeg ik u, ik kan niet."

»Probeer het."

»'t Is vruchteloos, ik gevoel dat het hart er mij toe ontbreekt,

vaarwel, vriend."

Valentin antwoordde niet, hij bezon zich.

Reeds het volgend oogenblik hief hij het hoofd met een glans van

blijdschap op.

»Pardi!" riep hij vroolijk, »ik dacht wel dat ik er een middel op

zou vinden. Laat mij eens begaan, ik sta borg voor alles. Ik breng

u over als in een rijtuig; gij zult het zien."

De generaal glimlachte.

»Dappere ziel!" murmelde hij.

»Blijf hier," antwoordde Valentin; »binnen een paar minuten ben ik

terug, meer tijd behoef ik niet om het noodige gereed te maken."

De jager greep het touw en ging over.

Nauwelijks zag de generaal hem aan den overkant, of hij knoopte de

lasso los die om de rots zat en slingerde haar naar de overzijde.

»Wat doet gij! Houd op!" schreeuwden de jagers bijna verbijsterd

van schrik.

De generaal boog zich over den afgrond, zich met de linkerhand aan

de rots houdende.

»De Roode-Ceder mag uw spoor niet vinden," antwoordde hij, »daarom heb

ik de lasso losgeknoopt, vaartwel mijne broeders, houdt goeden moed,

de Almachtige helpe u."

Er viel een geweerschot, dat door de verre echo's der bergen werd

teruggekaatst, en het lijk van den generaal tuimelde met dof gedruisch

langs de steile wanden in den afgrond.

Generaal Ibanez had zich een kogel door het hoofd gejaagd [7].

Bij deze onverwachte ontknooping van dit buitengewone tooneel stonden

de jagers als verplet.

Zij begrepen niet waarom de generaal uit vrees van den dood in het

overtrekken der kloof te zullen vinden, zich een kogel door het hoofd

had gejaagd.

De dood van den generaal was echter op zich zelf verklaarbaar genoeg;

het was niet dat hij vreesde te sterven, maar de wijze waarop dit zou

gebeuren schrikte hem af, en daar hij voor bewezen aannam dat hij

zijne kameraden onmogelijk over de brug zou kunnen volgen, verkoos

hij er hoe eer zoo beter een eind aan te maken.

Overigens had de ongelukkige generaal hun in zijn dood een

onberekenbare dienst bewezen; hierdoor toch was hun spoor van overtocht

zoo geheel verdwenen, dat de Roode-Ceder het onmogelijk zou kunnen

terug vinden, althans zoo er te zijnen gevalle, om zoo te zeggen geen

mirakel gebeurde.

De jagers, ofschoon het hun, dank zij het vernuftig waagstuk van

Valentin, gelukt was uit den noodlottigen kring te ontkomen, binnen

welken de bandiet hen had opgesloten, bevonden zich nog altijd in

een hoogst gevaarlijken toestand en moesten zoo spoedig mogelijk naar

de vlakte afdalen om een gebaand pad hoedanig dan ook te vinden; bij

gevolg, gelijk het onder zulke omstandigheden in de woestijn altoos

gaat, moest ieder ander gevoel bij hen wijken voor de noodzakelijkheid

die haar ijzeren hand deed gevoelen; het gemeenschappelijk gevaar

wekte bij hen op eens het instinct van zelfbehoud, dat bij den mensch

in geen geval sterft, al schijnt het voor een wijl in te dommelen.

Valentin was de eerste die zijne droefheid over het verlies van hun

kameraad meester werd en de zelfbeheersching hernam die hem nimmer

in gebreke liet.

Sedert zijne komst in de wildernis had de jager zoo vele wonderbare

tooneelen bijgewoond en in zoo menig somber treurspel eene werkdadige

hoofdrol gespeeld, dat bij hem moeten wij zeggen de teederder gevoelens

aanmerkelijk waren verstompt, zoodat de droevigste gebeurtenissen

hem niet dan bezwaarlijk van zijn stuk konden brengen.

Met dat al droeg Valentin den generaal eene oprechte en hartelijke

vriendschap toe, wiens edelaardig en inderdaad groot karakter hij

in menige omstandigheid had leeren kennen en waardeeren; toen dus

de noodlottige ramp hem trof die zoo plotseling alle banden tusschen

hem en den generaal verscheurde, was hij er diep door geschokt.

»Komaan!" riep hij eindelijk het hoofd schuddend als om er de treurige

gedachten uit te verdrijven die er zich wilden nestelen, »cora que

no tiene remedio olvidarla e lo mejor! [8] Onze vriend heeft ons

verlaten voor een andere wereld, misschien is het goed dat het zoo

is: wat God doet is welgedaan, met treuren kunnen wij den generaal

toch niet weder in 't leven terug roepen; denken wij dus aan ons

zelven, mijne vrienden, wij liggen nog niet op rozen en als wij ons

niet haasten loopen wij gevaar den generaal spoedig te volgen. Kom,

toonen wij dat wij mannen zijn."

Don Miguel de Zarate zag hem aan met een droevigen blik.

»Gij hebt misschien gelijk," zeide hij, »de man is thans uit zijn

lijden, zorgen wij dus voor ons zelven. Spreek, don Valentin, wat

moet er gedaan worden? wij zijn bereid u te gehoorzamen."

»Goed," zeide Valentin; »het wordt tijd dat onze moed herleeft, want

het ergste deel onzer taak is nog niet voorbij; het zou ons weinig

baten dat wij de barranca over zijn, zoo men ons hier ontdekte,

dit is het vooral wat ik vermijden wil."

»Hm," kwam don Pablo, »dat is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk."

»Niets is onmogelijk met kracht, moed en behendigheid; luistert

aandachtig naar hetgeen ik u zeggen zal."

»Wij luisteren."

»De barranca is aan dezen kant niet zoo steil als aan de overzijde

die wij verlaten hebben, merkt gij het wel?"

»Dat is waar," riep don Miguel.

»Ziet gij dat kleine terras, omtrent twintig ellen beneden ons? daar

begint een ondoordringbaar warbosch, dat tot op den bodem der kloof

afdaalt, namelijk tot aan den voet van den berg."

»Ja."

»Daar moeten wij heen."

»Moeten wij daar heen, vriend!" riep don Miguel verbaasd, »maar hoe

komen wij dan op dat terras daar gij van spreekt?"

»Op de eenvoudigste manier," zei Valentin, »door middel van mijn

lasso laat ik er u in af."

»Dat zou kunnen; inderdaad, dat is voor ons zeer gemakkelijk, maar gij,

hoe komt gij dan weer bij ons?"

»Maakt u daar maar niet ongerust over."

»Zeer goed," hernam don Miguel; »vergun mij echter eene aanmerking

te maken."

»Ga uw gang."

»Daar voor u, goede vriend, is een gebaand spoor," hernam de hacendero

terwijl hij er met de hand naar wees, »mij dunkt zelfs dat het zeer

geschikt en zonder moeite te bereiken is."

»Inderdaad," antwoordde Valentin bedaard, »daar hebt gij volkomen

gelijk in; maar twee redenen beletten mij dat spoor te kiezen, zoo

als gij het noemt."

»En die twee redenen?"

»Zal ik u dadelijk zeggen; vooreerst, dat spoor is zoo gemakkelijk te

volgen dat de Roode-Ceder terstond vermoeden zal dat wij het gekozen

hebben, als de duivel hem bij geval hier heen stuurt."

»En de tweede?" viel don Miguel hem in de rede.

»De tweede is deze," hervatte Valentin, »behalve de onbetwistbare

voordeelen die de door mij voorgeslagen afdaling ons geeft, wil

ik niet,--en ik ben zeker dat gij er eveneens over denkt, mijne

vrienden,--wil ik niet, zeg ik, dat het lijk van onzen armen kameraad,

die daar op den bodem der barranca getuimeld is, onbegraven blijft

en door de wilde beesten verslonden wordt; ziedaar mijn tweede reden,

don Miguel, wat denkt gij er van?"

Bij deze edele taal voelde de hacendero zijn hart opengaan, hij

beefde van ontroering; twee groote tranen liepen hem ongemerkt langs

de wangen.

Hij greep de hand van den jager en drukte die met kracht.

»Valentin," zeide hij met eene haperende stem, »gij zijt beter

dan wij allen; uw edele hart is een brandpunt van alle groote en

voortreffelijke gevoelens; ik zeg u dank voor uwe goede gedachte,

mijn vriend."

De geestvervoering zijner vrienden bracht echter op het gelaat van

Valentin geen verandering, geen blos of glimlach te weeg; wat hij

gezegd had was zoo zeer de eenvoudige uitdrukking van zijne natuurlijke

geaardheid, dat hij meende niets buitengewoons gedaan te hebben en

niet begreep hoe men hem voor zoo iets nog bedanken kon.

»Dat is dus afgesproken," zeide hij, »gaan wij dan?"

»Zoodra gij maar wilt."

»Goed; maar daar de nacht donker en de weg gevaarlijk is, zal

Curumilla, die van ouds met deze dingen gewoon is, het eerst afdalen

om u te wijzen hoe het gaat. Kom, hoofdman, zijt gij gereed?"

De Ulmen boog toestemmend; Valentin zette zich pal tegen de rots,

sloeg de lasso tweemaal om zijn lijf en liet het andere einde in de

kloof vallen, daarop wenkte hij Curumilla om af te dalen.

Deze liet zich geen tweemaal uitnoodigen; hij pakte het koord met

de beide handen ferm aan en, naarmate hij afdaalde met de voeten van

iedere oneffenheid in den rotswand gebruik makende, klom hij allengs

naar beneden en stond na verloop van een paar minuten zonder ongeval

op het bedoelde terras.

De hacendero en zijn zoon volgden met gespannen aandacht de bewegingen

van den Indiaan. Toen zij hem veilig en wel op de rots zagen staan,

slaakten zij een kreet van verademing en maakten zich op hunne beurt

gereed tot de afdaling, die zij de een na den ander zonder ongeluk

volvoerden.

Valentin bleef alleen boven; natuurlijk kon niemand nu de lasso houden

en hem dezelfde dienst doen die hij zijnen kameraden bewezen had;

maar de jager was een man van overleg, en zulk eene beuzeling kon

hem niet in verlegenheid brengen. Hij stond juist met zijn rug tegen

dezelfde rots die hem vroeger gediend had om er de lasso's aan vast te

maken. Hij trok nu het touw op, sloeg het om de rots, zoodat de twee

einden even lang waren en de lasso dubbel afhing; daarop greep hij de

twee touwen met de volle hand, kruiste er de beenen om heen en liet

zich langzaam naar beneden glijden, zoodat hij op zijne beurt behouden

bij zijne kameraden te land kwam. Toen liet hij het eene koord los,

trok de lasso naar zich toe, rolde haar op en hechtte haar weder aan

zijn gordel.

Vervolgens wendde hij zich naar zijne kameraden, die niet weinig

verwonderd waren over zooveel moed en tegenwoordigheid van geest.

»Als wij zoo voortgaan," zeide hij glimlachend, »dan geloof ik dat

de Roode-Ceder nog al moeite zal hebben om ons spoor te ontdekken,

en wij daarentegen het zijne gemakkelijk zullen terugvinden. Laten

wij nu ons terrein in oogenschouw nemen en zien waar wij zoo wat zijn."

Hierop begon hij onmiddellijk het terras rond te loopen. Het was

veel grooter dan het vorige dat zij straks verlaten hadden. Aan het

eene einde nam het kreupelbosch een aanvang, dat met eene vrij flauwe

helling tot op den bodem der barranca afliep.

Nadat Valentin den toegang tot het bosch had waargenomen, keerde hij

naar zijne kameraden terug en schudde bedenkelijk het hoofd.

»Hoe is het?" vroeg don Pablo, »hebt gij iets verontrustends ontdekt?"

»Hm!" antwoordde Valentin, »ik weet het niet zeker, maar als ik mij

niet bedrieg zijn wij hier het hol nabij van een wild dier!"

»Het hol van een wild dier!" herhaalde don Miguel, »en dat op deze

hoogte!"

»Ja, en daarom ben ik te minder gerust; de sporen zijn groot en

diep. Zie zelf maar eens, Curumilla," vervolgde hij tegen den Indiaan,

hem de plaats wijzende waar heen hij gaan moest.

Zonder te antwoorden, bukte de Ulmen op den grond en bekeek aandachtig

de afgedrukte sporen.

»Met welk soort van dier denkt gij dat wij te doen hebben?" vroeg

don Miguel.

»Met een grauwen beer," antwoordde Valentin.

De grauwe beer is het gevaarlijkste en meest gevreesde dier van

Amerika. De Mexicanen konden hun schrik niet verbergen toen zij den

naam van dien geduchten vijand hoorden noemen.

»Maar," vervolgde Valentin, »daar komt de Ulmen terug, die zal alle

onzekerheid wel oplossen. Wel, hoofdman, wat dunkt u van die sporen?"

»Een grauwe beer," antwoordde Curumilla laconiek.

»Dat dacht ik wel," riep Valentin, »en wat erger is, het is er een

van de grootste soort."

»Van de allergrootste, de sporen zijn acht duim breed."

»O! o!" zei don Miguel, »dan krijgen wij hier met een gevaarlijken gast

te doen. Maar hoe is het met de afdruksels, hoofdman, zijn ze oud?"

»Kersversch; het dier moet hier geen uur geleden nog geweest zijn."

»Pardi," riep Valentin op eens, »daar is zijn hol."

Hij wees hun een groot gat in den bergwand.

Allen deinsden verschrikt terug.

»Mijne heeren," hervatte Valentin, »gij zijt zeker evenmin belust

als ik om den grauwen beer te bevechten, niet waar?"

»Te weerga neen!" riepen de Mexicanen.

»Welnu, dan zullen wij, als ik u raden mag, maar niet langer hier

blijven; het dier is zeker naar beneden gegaan om te drinken en zal

spoedig terugkeeren; laten wij daar niet op wachten, maar ons zijne

afwezigheid ten nutte maken om ongehinderd te vertrekken."

De drie anderen juichten dit voorstel van ganscher harte toe; want

ofschoon het hun niet aan moed ontbrak, kwam hun de strijd al te

ongelijk voor met zulk een gevaarlijken gast, zoodat zij niet gaarne

tegenover hem wilden staan.

»Vertrekken! vertrekken!" riepen allen met aandrang.

Op eens ontstond er een gekraak in de takken van het kreupelbosch en

stoorde een ontzagwekkend gebrom de stilte van den nacht.

»Het is te laat!" zeide Valentin, »daar is de vijand!"

»Nu mogen wij wel zeggen op Gods genade! want de strijd zal heet zijn."

De jagers sloten zich dicht te zamen en stelden zich met den rug

tegen den rotswand.

Na verloop van eenige minuten zagen zij den afschuwelijken kop van

een grauwen beer tusschen de boomen opsteken ongeveer gelijk met de

hoogte van het terras.

»Wij zijn verloren," prevelde don Miguel terwijl hij den haan van zijn

geweer spande, »want op deze rots is aan geen vluchten of ontkomen

te denken."

»Wie weet?" antwoordde Valentin, »de goede God heeft tot hiertoe

zooveel voor ons gedaan, dat wij zeer ondankbaar zouden moeten zijn

om te veronderstellen dat Hij ons in dit nieuwe gevaar verlaten zal."

XXIV.

EEN KAMP IN DE BERGEN.

Bij zijn vertrek uit de jacal had de Roode-Ceder zijn koers naar de

bergen genomen.

De Squatter had te lang in de prairie gewoond en gezworven om er niet

al de schuilhoeken en listen van te kennen.

Na de weinige woorden hem door pater Seraphin toegevoegd en de haast

waarmede hij kwam waarschuwen, had de Roode-Ceder begrepen dat het

hier om een strijd zonder genade op leven en dood te doen was, in

welken zijne vijanden al hunne ondervinding en bekwaamheid zouden in

't werk stellen om het eindelijk met hem voor goed uit te maken.

Hij was gelukkig genoeg om in tijds de Sierra de los Comanches te

bereiken, en geen spoor van zijn doortocht achter te laten.

Daarop was gedurende eene maand lang tusschen hem en Valentin een

wedstrijd van ongehoord overleg en behendigheid gevolgd, waarin

ieder op zijne beurt alles wat zijn schrander en vernuftig brein aan

listen en streken aanbood ten toon spreidde om zijn tegenstander te

verschalken en de loef af te steken.

Zooals het gemeenlijk in dergelijke omstandigheden gaat: had de

Roode-Ceder, die aanvankelijk tegen wil en dank den nieuwen, hem

opgedrongen strijd aanvaardde, langzamerhand zijn oude drift als

woudlooper in zich voelen ontwaken; daarbij kwam de hoogmoed in 't

spel, wetende dat hij met Valentin Guillois, dat is, met den stoutsten

kampvechter der prairiën te doen had, en van toen af was de lust tot

dezen strijd bij hem een hartstocht geworden en legde hij een genie aan

den dag daar hij zelf zich over verwonderde, ten einde zijn geduchten

tegenstander te toonen dat hij zijns niet geheel onwaardig was.

Reeds eene maand lang hadden de twee partijen tegen elkander

gemanoeuvreerd, zonder kamp te geven, binnen een omtrek van niet minder

dan tien mijlen gestadig om elkander heendraaiend, en vaak niet verder

van elkander gescheiden dan door een strook dichtgebladerd kreupelhout

of door een hollen weg.

De Roode-Ceder begreep wel dat deze strijd vroeg of laat eindigen

moest, en daar hij niet meer door dezelfde hartstochten gesteund

werd, die hem vroeger in al zijn doen aanvuurden, begon hij er

weldra moedeloos onder te worden, te meer nu hij, behalve door

zielskwellingen, sedert eenige dagen ook door lichamelijk lijden

gedrukt werd en alles scheen samen te loopen om hem den laatsten slag

toe te brengen.

Dat is zoo wat ongeveer de toestand waarin wij den Squatter wedervinden

op het oogenblik dat de loop van ons verhaal ons verplicht om tot

hem terug te keeren.

Het was bijna acht ure des avonds, drie mannen en een jong meisje

zaten rondom een sober vuur van bisonsmest zich te warmen en wierpen

nu en dan een matten en droevigen blik op de donkere toegangen der

bergen in het rond. Deze vier personen waren Nathan, Sutter, Fray

Ambrosio en Ellen.

De plaats waar zij zich bevonden was een dier enge ravijnen of holle

wegen, de verloren bedding van een uitgedroogden bergstroom, zoo als

men die in de Sierra de los Comanches in menigte aantreft.

Aan de zijden der ravijn links en rechts verhieven zich dichte

kreupelbosschen, als voorposten van een somber maagdelijk woud, uit

welks geheimzinnige diepte men bij tusschenpoozen het rauw gehuil

der wilde dieren hoorde opstijgen.

De toestand der vluchtelingen was zeer hachelijk, om niet te zeggen

hopeloos.

Sedert meer dan eene maand in deze dorstige bergstreek opgesloten, van

alle kanten omsingeld, waren zij aan de aanslagen hunner vervolgers

niet anders ontsnapt dan door groote ontberingen en vooral door de

ongehoorde behendigheid van den Roode-Ceder.

De drift waarmede zij vervolgd werden was zoo groot, dat zij gedurig

op het punt waren van door hunne vijanden overvallen te worden, en het

niet hadden durven wagen om nu en dan te schieten op het schaarsche

wild, dat, als om hen te bespotten, soms geen tien passen van hen

af opsprong.

De lynch-wet · 第 16 / 29 段