boven het waterpas der vlakte, met andere woorden, wij staan hier
eindelijk op de hoogte, waar de Indiaan zich verbeeldt, na zijnen dood,
voor het eerst het land der zielen en de jachtvelden der gezaligden
te zullen aanschouwen, het heerlijke verblijf der rechtvaardige,
vrije en heldenmoedige krijgslieden! Alleen de arenden zouden zich
hooger kunnen verheffen dan wij!"
»Ja," antwoordde een zijner kameraden, onvoldaan het hoofd schuddende,
»maar hoe langer ik hier aan alle zijden uitkijk, hoe minder
mogelijkheid ik voor ons zie om te ontsnappen."
»Hum! generaal," hervatte de eerste spreker, »wat durft gij zeggen,
God behoede ons! Als men u hoorde, zou men haast denken dat gij
gaat wanhopen."
»Nu ja," riep deze, die niemand anders was dan de generaal Ibanez,
»dat is eene veronderstelling die niet ver van de waarheid is; hoor
eens, moedige vriend, het is nu bijna tien dagen dat wij ons hier
in die verwenschte bergen verliezen, te midden van sneeuw en ijs,
zonder een stukje wild te vinden om ons te verkwikken, en dat enkel
met het doel om het verblijf te ontdekken van dien ouden schurk
den Roode-Ceder; ik moet u ronduit bekennen, niet dat ik begin te
wanhopen, maar toch dat ik begin te twijfelen of wij ooit zonder een
wonderwerk uit den eindeloozen chaos zullen komen, binnen welken wij
hier zijn opgesloten."
Valentin schudde eenige malen het hoofd. Onze vijf bergenbeklimmers
waren inderdaad de Gids der Prairiën en zijne vrienden.
»Laat het zijn zoo het wil," hervatte generaal Ibanez, »maar gij
zult moeten toestemmen dat onze positie, in plaats van te verbeteren,
met ieder oogenblik moeielijker wordt."
»Sedert twee dagen zijn onze levensmiddelen geheel opgeteerd, en ik
zie niet hoe wij in dit bevrozen geweest andere zullen krijgen. De
Roode-Ceder heeft ons gefopt met zijne duivelsche sluwheid die hem nog
nooit in den steek liet; hij heeft ons een strik gespannen daar wij
niet weder uit kunnen komen en naar 't schijnt den dood zullen vinden."
Er volgde eene akelige stilte.
Het was een hartbrekend schouwspel, zulke verstaalde gemoederen tot
wanhoop te zien gebracht, te midden der stiefmoederlijke natuur die
hen allerwege insloot, terwijl zij in koelen bloede berekenden hoe
weinige levensuren hun nog overschoten.
Zich nauwelijks kunnende staande houden, geleken zij meer naar lijken
dan naar levende menschen; met hunne verbleekte gelaatstrekken,
koortsachtig roode oogen, ten prooi aan den snerpendsten honger,
stonden zij daar kalm en gelaten, en zagen aan hunne voeten de
prachtige velden zich ontrollen, waar duizende dieren vroolijk rond
huppelden en aan alle zijden welig geboomte groeide, welks verkwikkende
vruchten hen in weinig minuten hadden kunnen verzadigen.
Maar tusschen die velden en hen zelven verhief zich een onoverkomelijke
scheidsmuur door geen menschelijke kracht of list omver te werpen;
alles wat menschen vermochten om zich te redden hadden zij sinds tien
dagen vruchteloos beproefd. Al hunne plannen waren mislukt door eene
noodlottige onvermijdelijkheid, die hen gedurig als in een kring had
doen rondloopen te midden dezer woeste bergstreken, waar al hunne
pogingen tot behoud telkens werden te leur gesteld.
»Vergeef het mij, mijne vrienden," zeide don Miguel de Zarate op een
toon van innige droefheid, »vergeef het mij! ik ben de eenige oorzaak
van uw dood."
»Spreek niet alzoo! caballero," riep Valentin schielijk; »alles is
nog niet verloren."
Een treurige glimlach plooide zich om de lippen van den hacendero.
»Gij zijt altijd dezelfde, don Valentin," zeide hij, »altijd goed en
edelmoedig, u zelven opofferende voor uwe vrienden."
»Helaas! als wij uw raad hadden gevolgd, zouden wij er niet toe
gebracht zijn om in deze doodsche bergen van honger en gebrek om
te komen."
»Goed, goed!" bromde de jager met eene gesmoorde stem, »wat voorbij
is, is voorbij; misschien ware het beter geweest zoo gij een paar
dagen geleden mijn raad hadt gevolgd, dat beken ik; doch waartoe
verwijtingen? Zoeken wij liever naar middelen om weg te komen."
»Helaas! dat is onmogelijk," antwoordde don Miguel moedeloos,
terwijl hij met het hoofd op de beide handen gesteund, verzonk in
somber nadenken.
»Caraï!" riep de jager met een nationalen bluf, »onmogelijk, is een
woord dat wij Franschen in ons woordenboek hebben doorgeschrapt. Vive
Dios! zoo lang het hart nog klopt in de borst, is er hoop. Al ware de
Roode-Ceder nog listiger en doortrapter dan hij is, hetgeen moeielijk
gaan zou, zweer ik u dat wij hem zullen vinden en van hier weg komen."
»Maar hoe dan?" vroeg don Pablo met drift.
»Dat weet ik niet; maar ik ben zeker dat wij ontsnappen zullen."
»Ja, als wij maar eerst waren waar die twee ruiters zich bevinden,"
zuchtte de generaal, »dan waren we gered."
»Van welke ruiters spreekt gij, generaal? waar ziet gij hen? zeg!" riep
de jager.
De generaal wees met de hand in de richting van het noordoosten.
»Daar," zeide hij, »daar ginds, bij dat boschje steeneiken.... Ziet
gij ze niet?"
»Ja," antwoordde Valentin, »zij gaan rustig voort, als lieden die
weten dat zij op den rechten weg zijn en niets te vreezen hebben."
»Zij zijn wel gelukkig!" mompelde de generaal.
»Bah! wie weet wat hen wacht, als de weg een keer neemt, dien zij
thans zoo ongestoord volgen; niemand is gewaarborgd tegen de volgende
minuut; zij zijn op den weg van Independencia naar Santa Fé."
»Hm! ik woû dat ik er ook op was," prevelde de generaal binnensmonds.
Valentin, die de twee reizigers in 't eerst nauwelijks een blik waardig
keurde, volgde hen thans met de meeste belangstelling, ja schier met
bezorgdheid; doch weldra verdwenen zij in een bocht van den weg.
Intusschen hield de jager nog altijd de oogen op het punt gericht
waar hij hen het laatst gezien had; allengs trokken zijne wenkbrauwen
zich donker samen, een diepe groef rimpelde zijn voorhoofd en hij
bleef onbewegelijk en zwijgend op zijn jagersbuks geleund staan,
maar blijkbaar was hij aan de levendigste ontroering ten prooi.
Onwillekeurig staarden zijne kameraden met klimmende belangstelling
naar de peinzende houding van den jager en lazen om zoo te zeggen
den gang zijner gedachten op zijn breede voorhoofd.
Hij bleef nog een geruime poos in zich zelven gekeerd staan.
Eindelijk richtte hij het hoofd op en wierp een helderen stoutmoedigen
blik om zich heen.
»Mijne vrienden," zeide hij met eene vroolijke stem terwijl hij met
de kolf van zijn geweer op de ijskorst stampte, »schept nieuwen moed,
ik geloof dat ik voor ditmaal het middel heb gevonden om uit de klem
te geraken waarin wij ons hier geknepen zien."
Zijne kameraden slaakten een zucht van verademing, bijna van
blijdschap.
Zij kenden den jager, en wisten bij ondervinding hoe vruchtbaar
het vernuft van dien onverschrokken en trouwhartigen man was in het
uitdenken van hulpmiddelen in den nood, en stelden dus in hem het
volste vertrouwen.
Valentin had hun gezegd dat hij hen zou redden, zij geloofden het.
Welke middelen hij daartoe zou gebruiken konden zij niet gissen,
maar dat was zijne zaak, niet de hunne. Thans waren zij weder gerust
want zij hadden zijn woord, dat woord dat de Franschman nog nooit
gebroken had; zij hadden niet meer te doen dan geduldig het uur hunner
bevrijding af te wachten.
»Baba!" antwoordde de generaal luchthartig, »ik dacht wel dat gij
ons uit den brand zoudt helpen, beste vriend."
»Wanneer vertrekken wij?" vroeg don Pablo.
»Zoodra de nacht gedaald is," antwoordde Valentin, »maar waar is
Curumilla?"
»Dat weet ik waarachtig niet," zei de generaal. »Ik zag een half uur
geleden dat hij zich van den berg af liet glijden alsof hij ineens
gek was geworden; sedert dien tijd heb ik hem niet meer gezien."
»Curumilla doet nooit iets zonder reden," riep de jager hoofdschuddend,
»gij zult hem spoedig zien terug komen."
Werkelijk had de Franschman nauwelijks uitgesproken, of de Indiaan
stak zijn hoofd boven den rand van het bergterras, vervolgens zijn
halve lijf en met een sprong was hij het volgende oogenblik weder
bij zijne vrienden.
Zijn zarape, aan de vier hoeken opgenomen en tot een zak geknoopt,
hing achter op zijn rug.
»Wat brengt gij ons daar toch, hoofdman?" vroeg Valentin glimlachend,
»zijn dat misschien levensmiddelen?"
»Cuerpo de Christo!" riep de generaal, »die zouden ons welkom zijn,
want ik berst van den honger."
»Hoe zou men hier leeftocht kunnen vinden, in deze verfoeielijke
streek?" riep don Pablo somber.
»Laat mijne broeders maar eens zien!" antwoordde de Indiaan eenvoudig.
Hij wierp zijn mantel op de sneeuw, Valentin maakte de knoopen los.
De jagers slaakten een kreet van blijde verrassing.
In de zarape was een haas, en jonge pecari en verscheidene vogels.
Deze voorraad kwam zoo juist van pas, daar de jagers reeds tweemaal
vier en twintig uren hadden moeten vasten, dat het schier tooverij
geleek.
Om de blijdschap der jagers bij het zien dezer zoo begeerde
levensmiddelen goed te beseffen, moet men zelf in dergelijk gevaar
zijn geweest en het gruwzame van een hopeloozen hongersnood hebben
doorgestaan.
Het was een uitgelatenheid die bijna grensde aan razernij.
Toen de eerste indruk een weinig bedaard was, wendde Valentin zich
tot Curumilla en drukte hem dankbaar de hand, terwijl er een traan
in zijn oogen blonk.
»Is mijn broeder soms een machi (toovenaar)?" riep hij.
De Ulmen begon te lachen en wees met den arm naar een arend, die op
korten afstand van de plaats waar de jagers stonden opvloog en zich
hoog in de lucht verhief.
»Wij hebben samen gedeeld," zeide hij.
De Franschman slaakte een kreet van verrassing. Alles was hem op eens
duidelijk geworden.
Curumilla, aan wiens scherpen blik niets ontging, had straks den vogel
gezien en dadelijk vermoed dat hij jongen moest hebben, daarop was
hij in stilte weggeslopen om het nest op te sporen en er een gedeelte
van den voorraad te stelen, terwijl zijne kameraden op de kruin van
den berg zich bijna aan de wanhoop prijs gaven.
»O!" riep Valentin verheugd, »nu zijn wij wel degelijk gered, daar
wij op nieuw krachten zullen bekomen, die wij zoo hoog noodig hebben
om het plan dat ik beraamd heb uit te voeren. Volgt mij, vrienden,
wij keeren naar ons kamp terug om vroolijk samen te eten, dank zij
de goede dienst van den Ulmen; de arenden zullen de kosten betalen
en dezen avond gaan wij weder op weg."
Door deze troostvolle woorden versterkt, volgden de jagers hem
onmiddellijk en daalde de kleine troep goedsmoeds den berg af, dien
zij des morgens met zooveel moeite en met de wanhoop in het hart
beklommen hadden.
XXII.
EL MAL PASO.
De jagers besteedden weinig meer dan een uur aan de afdaling, terwijl
de beklimming hun meer dan acht uren tijds had gekost.
Hun kamp lag op de kruin van een steile rots in een onwinbare stelling,
die zij eene maand geleden gekozen hadden.
Na hun bezoek in de jacal hadden zij het spoor der vluchtelingen
spoedig ontdekt en waren zij hen vier dagen lang gevolgd.
Dat spoor liep uit in de Sierra de los Comanches en de jagers trokken
onverschrokken de woeste en onbegaanbare bergen in; maar op eens
waren zij het spoor als door een tooverslag kwijt geraakt en hadden
het sedert dien met geene mogelijkheid terug kunnen vinden.
Hunne onvermoeide nasporingen hadden geen ander gevolg dan dat zij
in de ongebaande bergstreek verdwaald raakten en ondanks al hunne
pogingen geen uitweg konden vinden om weder op de vlakte te komen.
Zoo brachten zij nog zes dagen beurtelings in hun kamp en met omzwerven
tusschen de bergen door, doch sedert de laatste twee dagen, waren
hunne levensmiddelen geheel uitgeput en begonnen zij den nijpenden
druk des hongers te gevoelen.
Hun toestand was niet langer houdbaar, er moest tot iederen prijs
een einde aan worden gemaakt.
Valentin en zijne kameraden, hadden dus ondanks hun krachtverlies
besloten eene laatste poging te wagen en de hooge bergspits te
beklimmen, op welks kruin wij hen gezien hebben, ten einde van daar
een uitweg te ontdekken.
Deze wanhopige poging had nu, in plaats van een, twee goede gevolgen
gehad, daar de Franschman niet alleen verklaarde een uitweg gevonden
te hebben, maar ook Curumilla er in geslaagd was nieuwen levensvoorraad
te verzamelen.
Het gelukkige vijftal kwam dus vroolijk in het kamp terug, dat zij
met de wanhoop in het hart verlaten hadden.
Niemand, of hij moest zich in een dergelijken toestand bevonden
hebben, kan zich het gevoel van verademing voorstellen, dat de ziel
ondervindt, wanneer zij na volslagen vertwijfeling op eens tot het
grootste vertrouwen overgaat.
Zoodra zij in het kamp waren maakte Valentin het vuur weder aan,
dat zij twee dagen te voren hadden laten uitgaan omdat het hun toch
niet langer dienen kon.
Evenwel, daar het gezicht van den rook hun verblijf zonder twijfel aan
den Roode-Ceder zou hebben verraden zoo deze zich, dat licht mogelijk
was, ergens in den omtrek mocht bevinden, gebruikten zij de voorzorg
om hun gebraad in een kleine grot gereed te maken, die aan de zijde
van den heuvel lag waar zij hun kamp hadden opgeslagen.
Toen alles gereed was gingen zij aan 't eten.
Niet voordat zij hun eersten honger gestild hadden dachten zij er
aan om den behendigen Indiaan te danken voor het overvloedige maal
dat hij hun bezorgd had, zoo dringend was inderdaad hun nood.
Maar ook toen eerst zagen zij wat zij in de drift om hun
onverbiddelijken honger te bevredigen, niet hadden opgemerkt,
namelijk dat de Araucaan hun den genoten voorraad niet zonder groot
lijfsgevaar had kunnen bezorgen; werkelijk droeg Curumilla hiervan in
zijn aangezicht, aan zijne schouders en op zijne borst de duidelijke
sporen in vrij ernstige verwondingen, veroorzaakt door de bekken
en klauwen der arenden, die hun wettigen buit moedig hadden zoeken
te verdedigen.
Met zijn gewoon Indiaansch stoïcisme, dat zich nimmer verloochende, zat
Curumilla bedaard en stil het bloed te stelpen, dat gedurig uit zijne
wonden liep, te fier om zich te beklagen, ja zelfs blijkbaar gehinderd
door het medelijden dat zijn kameraden er over aan den dag legden.
Toen de maaltijd was afgeloopen slaakte Valentin een veelbeduidend hum,
en stopte deftig zijne pijp, die hij vervolgens aanstak; de anderen
deden hetzelfde en weldra zaten de jagers om het hardst te dampen,
schier onzichtbaar achter een dikke wolk van tabaksrook.
»Caballeros," zeide de jager, »God heeft ons blijkbaar geholpen,
zoo als Hij altijd doet als men gelooft aan zijne goede en almachtige
trouw. Hij heeft ons de middelen willen verleenen om onze krachten te
herstellen, die ons reeds bijna ontzonken waren, laten wij dus niet
vreezen noch den moed opgeven; morgen verlaten wij het verwenschte
wespennest daar wij ons thans in bevinden; zoodra gij uw pijp hebt
uitgerookt moet gij gaan slapen; ik zal u wel wekken als het tijd is;
wij moeten zorgen dat wij gereed en bekwaam zijn om een langen en
moeielijken tocht te maken. Wij hebben nog vier uren vrijen tijd,
laten wij die gebruiken tot ons nut, want ik verzeker u, wij zullen
het dezen nacht in alle opzichten zwaar te verantwoorden hebben. Houdt
u hiermede voor gewaarschuwd, en volgt mijn raad."
Terstond zijn voorbeeld voegende bij de les, schudde Valentin de asch
uit zijne calumet, en stak haar in zijn gordel, strekte zich op den
grond uit en sliep bijna onmiddellijk in.
De anderen keurden zijn raad zeker goed, want zij volgden dien zonder
bedenken.
Tien minuten later was het geheele kamp in slaap, behalve Curumilla.
Hoe lang zij sliepen zou niemand hunner hebben kunnen zeggen, maar
toen de Franschman hen wekte was het diep in den nacht.
De hemel, met duizenden sterren bezaaid spande, boven hunne hoofden
zijn donkerblauw gewelf; de halve maan neigde reeds ten ondergang. Zij
scheen zich te baden in een zee van dampen, en verspreidde over het
zwijgende landschap haar weemoedig licht dat aan alle voorwerpen een
spookachtig aanzien verleende.
»Sta op!" bromde Valentin zacht tegen elk zijner kameraden terwijl
hij hen beurtelings op den schouder klopte.
»Gaan wij reeds vertrekken?" vroeg generaal Ibanez met een half
gesmoorden geeuw, terwijl hij opvloog als een los gelaten springveer.
»Ja," was al wat de jager antwoordde.
Weldra waren allen gereed om te vertrekken.
»Op marsch!" hervatte Valentin, »maken wij ons de duisternis ten nutte;
onze vijanden waken zonder twijfel in het ronde."
»Wij wachten op uwe orders," antwoordde don Miguel.
Met een wenk had de jager zijne vrienden om zich verzameld.
»Hoort mij aandachtig," zeide hij, »want eer wij de stoute onderneming
wagen die ik mij heb voorgesteld, wil ik uw volkomen toestemming
hebben. Onze positie is wanhopig, langer hier blijven is sterven,
sterven van koude, van honger, van dorst, van gebrek en ellende, na
ik weet niet hoe vele dagen van ondragelijk lijden, gij zijt allen
hiervan overtuigd, niet waar?"
»Ja!" antwoordden zij uit éénen mond.
»Goed," hervatte hij; »nog langer te zoeken naar den weg dien wij
verloren hebben, zou eene dwaasheid zijn die geen kans op welslagen
hebben kan, is het zoo niet?"
»Ja," riepen zij andermaal.
De jager vervolgde.
»Welnu, het is eene poging, misschien even dwaas, die ik thans
beproeven wil, en zoo die poging niet mocht slagen zullen wij ook
omkomen, maar dan zullen wij ten minste onze laatste poging gedaan
hebben en sterven zonder te lijden, ja bijna zonder doodstrijd; zoo
wij echter als door een wonder mochten slagen, want het is schier
een wonderwerk dat ik van Gods onuitputtelijke goedheid verwacht,
dan zijn wij gered. Denkt hierover na eer gij mij antwoordt. Zegt
mij, mijne vrienden, zijt gij vastelijk besloten mij te volgen en
te gehoorzamen in alles wat ik u bevelen zal, zonder aarzelen en
zonder morren: kortom, zijt gij bereid om voor eenige uren van uw
eigen wil geheel afstand te doen om u alleen naar den mijnen te
gedragen? Antwoordt mij!"
De jagers wisselden een blik.
»Beveel mij, vriend," sprak de hacendero het woord doende voor al
zijne kameraden; »wij zweren dat wij u zullen volgen en gehoorzamen
wat er ook van komt."
Er volgde een oogenblik stilte, die eindelijk door Valentin verbroken
werd.
»Het is goed," zeide hij, »ik heb uwe belofte; het is mijne beurt om
de mijne te volbrengen."
En met een gebaar vol stille majesteit, ontblootte de woudlooper
het hoofd, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een vaste stem:
»Heere God, ons leven is in uwe handen, wij verlaten ons op uwe
rechtvaardigheid en genade." Zich toen tot zijne kameraden richtende,
zeide hij:
»Gaan wij!"
Zij maakten zich gereed hun kamp te verlaten. Valentin stelde zich
aan het hoofd der kleine schaar.
»En nu," vervolgde hij kortaf, »beveel ik u de diepste stilte!"
De jagers begonnen den marsch met den Indiaanschen pas, waarbij de
Franschman vooraan ging terwijl Curumilla volgde.
Door de nachtelijke duisternis was het geene gemakkelijke taak om
vasten koers te houden in dezen verwarden chaos van rotsen, die hier
en daar de besneeuwde toppen boven onpeilbare afgronden opstaken,
op wier bodem men op onzekere diepte de onzichtbare waterstroomen
hoorde murmelen.
Een enkele mistred zou doodelijk geweest zijn.
Intusschen stapte Valentin voort met de gewisheid van iemand die in
den heldersten zonneschijn en langs het effenste pad in de prairie
wandelde, nu rechts dan links omslaande, terwijl hij zich van tijd
tot tijd langs bijna loodrechte steilten liet afglijden, zonder immer
te aarzelen of naar zijne kameraden om te zien, die hij alleen nu en
dan met een zachte stem dit enkele woord toeriep:
»Houdt moed!"
Inderdaad hadden deze vijf mannen een hart van koper en staal noodig
om geen blijken van vrees of zwakheid te geven gedurende dezen ruwen
tocht door eene streek zoo hoog en onherbergzaam, dat zelfs de arend
er zich slechts zelden vertoont.
Zoo marcheerden zij bijna twee uren, zonder dat er een woord tusschen
hen gewisseld werd.
Na eene vrij lange afdaling die hen wel twintigmaal in gevaar bracht
van de steile helling neder te storten, gaf Valentin zijne metgezellen
een teeken om stil te houden.
Zij wierpen een nieuwsgierigen blik in het rond en zagen nu dat zij,
om zoo te zeggen, hun evenwicht hadden terug gevonden op een klein
bergterras van omtrent tien ellen in 't vierkant.
Rondom dit terras was alles donker.
Het grensde aan een afgrond van onpeilbare diepte.
De rots, als met het zwaard van Roeland in tweeën gehouwen, gaapte
met een kloof van ongeveer twaalf à vijftien ellen breedte.
»Hier moeten wij over," zei Valentin; »ik geef u tien minuten om adem
te scheppen en u gereed te maken."
»Hoedat, hier?" vroeg don Miguel verwonderd, »maar ik vind niets dan
een steilen afgrond aan alle kanten."
»Welnu," antwoordde de jager, »dien zullen wij overspannen."
De hacendero schudde moedeloos het hoofd.
Valentin glimlachte.
»Weet gij wel waar wij hier zijn?" zeide hij.
»Neen," antwoordden de anderen.
»Dan zal ik het u zeggen," hervatte hij: »deze plaats heeft onder de
Roodhuiden en jagers eene treurige vermaardheid; misschien zult gij
zelf haar wel eens hebben hooren noemen, zonder ooit te vermoeden dat
gij er eens zoo dicht bij zoudt komen; men noemt haar el mal Paso,
of de kwade Pas, wegens de verbazende kloof die hier op eens den berg
doorsnijdt en de gemeenschap met den anderen oever bot afbreekt."
»Welnu!" riep don Miguel.
»Welnu," herhaalde Valentin, »eenige uren geleden, toen wij daar boven
op die plek waren en ik met de oogen de twee reizigers volgde die wij
op den weg naar Santa-Fé zagen rijden, viel mijn blik toevallig op
de mal Paso, en begreep ik dat ons nog ééne kans op behoud overbleef,
namelijk zoo het ons gelukken mocht de mal Paso over te komen."
»Derhalve," vroeg don Miguel huiverend, »hebt gij besloten om een
dolle proefneming te wagen?"
»Dat heb ik."
»Maar dat is God verzoeken!"
»Neen, dat is Hem om zijn wonderbaren bijstand te smeeken, anders
niet. Geloof mij, vriend. God verlaat niet die vol vertrouwen zich
onvoorwaardelijk op Hem verlaten, Hij zal ons helpen."
»Maar...." riep de hacendero.
Valentin viel hem met drift in de rede.
»Geen woord," zeide hij; »gij hebt gezworen mij te zullen gehoorzamen,
ik heb gezworen u te redden; houdt gij uw eed gelijk ik den mijnen."
Zijne kameraden, tegen wil en dank door Valentin tot zwijgen gebracht,
bogen het hoofd en antwoordden niet.
»Mijne broeders," hervatte de jager, »bidden wij God, opdat Hij er
ons doorhelpe."
En zelf het voorbeeld gevende knielde hij op de rots neder; zijne
kameraden deden hetzelfde.
Het was een grootsch en treffend gezicht, die vijf mannen daar
vromelijk geknield te zien, op het kleine terras in den schemerenden
nacht, te midden eener woeste natuur, boven een peilloozen afgrond
die aan hunne voeten bulderde, terwijl hunne oogen ten hemel gericht,
bijstand smeekten van Hem die alleen hen kon redden in den bangen
strijd dien zij gingen ondernemen.
Een oogenblik later stond Valentin op.
»Hoopt!" zeide hij.
De jager trad naar den uitersten rand van het terras, bukte over den
afgrond, de oogen met gespannen opmerkzaamheid voor zich uit richtende.
Zijne kameraden volgden al zijne bewegingen zonder er iets van te
begrijpen.
Na eenige minuten onbeweeglijk te hebben gestaan kwam de jager bij
zijne vrienden terug.
»Alles gaat goed," zeide hij.
Nu maakte hij de lasso los die aan zijn gordel hing en begon haar
bedaard om zijne rechterhand te rollen.
Curumilla glimlachte; de Indiaan begreep terstond wat de Franschman
van zins was; zonder een woord te zeggen, volgens gewoonte, maakte
ook hij zijne lasso los en deed hetzelfde als Valentin.
»Goed!" zeide deze met een goedkeurenden wenk, »wij doen samen,
hoofdman."
De beide woudloopers zetten het rechterbeen vooruit, strekten het
lijf achterwaarts om een vasten stand te bekomen, en begonnen de
lasso boven hunne hoofden te zwaaien.
Op een afgesproken teeken, vlogen de lasso's hun van de handen floten
door de lucht.
Valentin en Curumilla hadden het andere eind van het koord in hunne
linkerhand gehouden; zij trokken het beiden terug: de lasso's hielden
vast en spanden zich: ondanks al hun trekken en rukken konden zij ze
niet meer tot zich halen.
Valentin slaakte een kreet van blijdschap, zijn plan was hem gelukt.
Hij vereenigde de beide lasso's, sloeg ze om een rotspunt, en bond
ze stevig vast.
Zich toen tot zijne kameraden wendende, zeide hij:
»Ziedaar een brug."
»Ach!" riepen de Mexicanen, »nu zijn wij gered."
Deze mannen met hunne verstaalde harten, die geen gevaar vreesden en
geen hindernis te groot achtten, konden strikt genomen zoo spreken,
al was ook de brug allergevaarlijkst.