Nu wij gezien hebben wat er had plaats gehad gedurende de zes maanden

tusschen den dood van dona Clara en het onderhoud van Valentin met don

Pablo in de Berengrot, na het onweder, hervatten wij ons verhaal van

het punt waar wij het aan het slot van ons derde hoofdstuk lieten

rusten.

Nauwelijks was de zoon van den hacendero eenige minuten vertrokken

of de deur der jacal werd met drift opengestooten en vier mannen

traden binnen.

Deze vier mannen waren de Roode-Ceder, Fray Ambrosio, Sutter en Nathan.

Zij zagen er verdrietig en somber uit; het water liep hen met stralen

uit de kleeren alsof zij uit de rivier kwamen.

»Hola!" riep de monnik. »Wat is dat hier! geen vuur, geen licht,

niets op tafel om ons te ontvangen! gij schijnt weinig om ons te

geven, nina."

De Roode-Ceder gaf zijne dochter een kus op het voorhoofd, wierp Fray

Ambrosio een zijdelingschen blik toe en zeide met eene ruwe stem.

»Gij zijt hier bij mij te gast, vriend; laat ik u dat niet behoeven

te herinneren; begin dus met mijne dochter beleefder te bejegenen,

zoo gij niet wilt dat ik u op uwe plaats zet."

»Hum!" bromde de monnik, »'t is toch geen heilige monstrans, die

jonge vrouw, dat gij terstond opstuift bij het eerste woord dat ik

haar toespreek."

»Ik maak mij niet moeielijk," antwoordde de Squatter barsch terwijl

hij met de vuist op de tafel sloeg, »maar uwe manier van doen en

spreken staat mij niet aan, en dat zeg ik u: laat ik het u niet

behoeven te herhalen."

Fray Ambrosio sprak niet terug; hij begreep dat de Squatter in geen

geschikte luim was om te redeneeren en wachtte zich dus voor iedere

aanmerking die het verschil in een twist kon veranderen, iets dat

hij des te minder verlangde daar de Squatter dien scheen te zoeken.

Gedurende deze korte woordenwisseling had Ellen, door hare broeders

geholpen een fakkel van kaarshout ontstoken, het vuur zooveel mogelijk

opgerakeld en de tafel gedekt met een maal dat zoo al niet weelderig

ten minste voldoende was.

»Caballeros," zeide zij met hare zachte stem, »gij zijt gediend."

De vier mannen namen plaats aan de tafel met al de drift van hongerige

lieden die een lange vasten gehad hebben.

Eer echter de Squatter het eerste stuk aan zijne lippen bracht,

wendde hij zich tot zijne dochter.

»Ellen!" zeide hij goedhartig.

»Vader," antwoordde zij, terstond bij hem komende, »wat verlangt

gij? Ontbreekt er nog iets?"

»Dat niet, kindje," hernam hij, »ons ontbreekt niets, ik denk het

ten minste niet."

»Wat is het dan?" vroeg zij min of meer verwonderd.

»Waarom gaat gij ook niet zitten, zooals wij?" vroeg hij.

»Neem mij niet kwalijk, vader, ik heb geen honger; het zou mij

onmogelijk zijn een stukje te eten."

De Squatter zuchtte; maar zei verder niets en begon de gasten

te bedienen, terwijl Ellen zich in den donkersten hoek der jacal

terugtrok.

Het maal was treurig; de vier mannen schenen afgetrokken, zij aten

schielijk en zwijgend.

Toen hun honger verzadigd was staken zij hunne pijpen aan en begonnen

te rooken.

»Vader," zei Nathan op eens terwijl de Roode-Ceder zwaarmoedig naar de

rookwolkjes keek die uit zijne pijp naar het gewelf der jacal opstegen,

»ik heb sporen ontdekt."

»Ik ook," zei de monnik.

»En ik ook," zei de Squatter, »wat meer?"

»Wat meer!" riep Fray Ambrosio; »canarios! Gij neemt het wel vroolijk

op; sporen in de woestijn beteekenen altijd een vijand."

»Wat geef ik daarom?" zei de Roode-Ceder de schouders ophalende.

»Hoedat, wat geef ik daarom?" riep de monnik terwijl hij bijna

opsprong, »nu, die vind ik aardig, als men u hoort zou men zeggen dat

gij er niets meê te maken hadt; is uw leven niet evenzeer in gevaar

als het onze?"

»Wie zegt u, dat ik het niet zou willen verdedigen?" antwoordde de

Squatter, hem aanstarende met een blik die hem onwillekeurig de oogen

deed neerslaan.

»Hum!" riep de monnik na een poosje gezwegen te hebben; »dat gij

niet veel om uw leven geeft kan ik begrijpen; gij hebt het lang

genoeg op alle manieren gebruikt, om er niet over te treuren, tegen

u in vrijheid gezegd; maar gij vergeet iets, vriendje, al wil ik

mij zelven er buiten laten, zou ik toch recht hebben u eenige niet

ongegronde verwijten te doen."

De Squatter schudde onverschillig de asch uit zijne pijp op de tafel

uit, stopte haar op nieuw, stak haar aan en begon weder bedaard te

rooken, zonder dat hij in 't minst op het gezegde van den monnik

scheen te letten.

Deze fronste de wenkbrauwen en balde de vuisten, maar bedacht zich

schier oogenblikkelijk en vervolgde met geveinsde onverschilligheid

terwijl hij met zijn mes speelde:

»Ja, vriend, gij vergeet eene zaak, daar gij intusschen wel eens om

behoordet te denken."

»Wat dan?"

»Uwe kinderen, caspita!"

De Squatter schoot hem een spotachtigen blik toe.

»O, por Dios Santo!" hervatte de monnik, »ik spreek hier niet van

uwe zoons, dat zijn mannen, en altijd sterk en dapper genoeg om

zich te weren als het noodig is; daar maak ik mij juist zoo ongerust

niet over."

»Over wie maakt gij u dan ongerust?" vroeg de Squatter, hem strak

aanziende.

»Waar ik mij ongerust over maak!" herhaalde de monnik met zekere

aarzeling.

»Ja."

»Over uwe dochter Ellen, canarios! wat zal daarvan worden als gij

dood zijt?" zeide de monnik met de stoutmoedigheid van vreesachtige

lieden die dadelijk willen zien of de mijn die zij ontsteken niet

verkeerd barsten zal.

De Squatter schudde treurig het hoofd.

»Dat is waar," mompelde hij terwijl hij naar zijne dochter omzag.

De monnik glimlachte, hij had doel getroffen en vervolgde:

»Als gij u zelven prijs geeft, geeft gij haar op; uw onwil zou ook

haar dood kunnen veroorzaken, wees dus op uwe hoede!"

»Wat moet ik doen?" zei de Roode-Ceder.

»Voorzorgen gebruiken, zoo als wij, Voto de Dios! Geloof mij toch,

wij worden bespied; als gij nog langer hier blijft, begaat gij eene

groote onvoorzichtigheid."

De beide zoons van den Squatter knikten toestemmend.

»Dat onze vijanden ons op het spoor zijn, is ontegenzeggelijk,"

merkte Sutter aan.

»En dat zij ieder oogenblik hier kunnen zijn," voegde Nathan er bij.

»Gij hoort het," zei de monnik.

»Nog eens, wat moet ik doen?" vroeg de Roode-Ceder.

»Caspita! verhuizen, zoodra mogelijk."

»Waar zal ik heen in dezen tijd van het jaar? weldra zal het gaan

sneeuwen en dan is alle vervoer onmogelijk; de jacal te verlaten,

is zooveel als van honger omkomen."

»Ja, als wij in de woestijn bleven," zei de monnik met eene fleemende

stem.

»Waar wilt gij dan naar toe?" riep de Squatter.

»Hoe weet ik dat? er zijn zeker steden genoeg op de Indiaansche grenzen

denk ik, des noods zouden wij samen naar Paso del Norte kunnen terug

keeren, daar hebben we althans vrienden en zijn we zeker van goed

ontvangen te worden."

De Roode-Ceder keek hem strak aan en zeide ironisch.

»Laat uwe gedachte voluit hooren, señor padre; gij hebt een doel met

naar Paso terug te willen; geef het mij te kennen."

»Caspita! gij weet er zooveel van als ik," riep de monnik, »wat

behoeven we zoo fijn te spelen, en elkander om den tuin te leiden."

De Squatter stond onstuimig op en stiet met den voet zijn stoel

achteruit.

»Gij hebt gelijk," zeide hij toornig, »spelen wij met open kaart, dat

is al wat ik verlang; en om u een voorbeeld te geven van openhartigheid

verzoek ik u te luisteren. Gij hebt nooit het doel uit het oog verloren

waarmede gij in de woestijn gekomen zijt. Gij hebt maar één oogmerk

en ééne begeerte, namelijk de goudmijn, wier aanwezen gij ten koste

van een moord hebt leeren kennen; om dat doel te bereiken zijn geen

vermoeienissen u te zwaar, geen gevaren te groot; gij geeft het niet

op tot welken prijs ook, de hoop om goud in te zamelen verblindt u

en maakt u schier gek, is het waar of niet?"

»'t Is waar," antwoordde de monnik, »wat meer?"

»Wat meer? dat zult ge hooren. Nu onze bende vernietigd of

uiteengeslagen is, hebt gij aldus geredeneerd--op eene wijze, moet

ik zeggen, die zoowel voor uwe schranderheid als voor de vastheid

van uw karakter pleit," vervolgde de Squatter met een bitteren

glimlach--»ziehier uwe redeneering: De Roode-Ceder weet ten naaste

bij waar de goudmijn ligt, ik moet hem zien te noodzaken met mij naar

Paso del Norte te gaan, om er eene nieuwe bende te vormen, want laat

ik hem alleen in de prairie, dan zal hij zoodra ik vertrokken ben

den schat zoeken en den buit inzamelen die mij toebehoort. Heb ik

het niet goed geraden? zeg, kameraad?"

»Omtrent." antwoordde de monnik inwendig verwoed dat hij zich zoo

ontmaskeren zag.

»'t Is immers zoo?" vervolgde de Squatter. »Nu; maar als alle slechte

karakters, door merg en been bedorven, zijt gij uw doel voorbij

geschoten door aan mij dezelfde lage begeerten toe te schrijven

die gij bezit, en hebt gij gemeend dat ik een moordenaar zijnde,

ook een dief wezen moest. Weet het wel," riep hij stampvoetend, »dat

al had ik den door u begeerden schat hier onder mijne voeten, ik niet

bukken zou om er een stukje van op te rapen. Goud is mij niets waard,

ik veracht het; toen ik instemde om u naar de mijn te geleiden hebt

gij natuurlijk gemeend dat ik dit uit gierigheid deed, maar gij hebt u

bedrogen, ik had toen een veel krachtiger en ten minste edeler doel:

de wraak. Houd u dit thans voor gezegd en spreek mij nooit weer van

uw vervloekte goudmijn, daar ik zooveel om geef als om een avellana

(een notendop). Hiermede goeden avond, compadre; ik ga slapen, of

althans ik zal zien of ik kan slapen en ik raad u hetzelfde te doen."

En zonder het antwoord van den monnik af te wachten keerde de Squatter

hem den rug toe en verwijderde zich naar een ander vertrek.

Ellen had zich reeds lang ter ruste begeven.

Fray Ambrosio bleef dus met de zoons van den Squatter alleen.

Er volgden eenige minuten stilte tusschen hen.

»Ba ba," riep de monnik eindelijk onbezorgd, »hij mag weigeren zoo

veel hij wil, maar hij zal moeten toegeven."

Sutter schudde twijfelmoedig het hoofd.

»Neen," riep hij, »gij kent den oude nog niet, als hij eens neen zegt,

blijft het neen."

»Hm!" zei Nathan, »vader is sedert den laatsten tijd zeer

veranderd, hij takelt af, en schijnt van zijn oude karakter alleen de

stijfhoofdigheid behouden te hebben; ik vrees dat het u niet gelukken

zal, señor padre."

»Dat zullen wij zien!" zei de monnik luchtig. »Morgen wordt het weer

dag; intusschen zullen wij zijn raad opvolgen en gaan slapen."

Tien minuten later was alles in de jacal in slaap of althans scheen

te slapen.

Het onweder duurde den ganschen nacht voort met onverzwakte woede en

deed de wanden der hut kraken. Eerst tegen den morgen kwam de lucht

tot bedaren.

Met het krieken van den dag stond de Squatter op en trad naar de deur,

om te zien welk weer het was.

De morgenstond liet zich goed aanzien, de hemel was helder en de

Roode-Ceder maakte zich gereed om naar de corral te gaan om zijn

paard en die zijner gasten te zadelen.

Eer hij de jacal uittrad keek hij naar buiten en liet hij zijn blik

rondweiden.

Op eens smoorde hij een uitroep van verrassing en deinsde schielijk

terug.

Hij had in de verte een ruiter bespeurd die met vollen teugel kwam

aanrennen.

»Vader Seraphin!" mompelde hij verwonderd, »welke gewichtige reden

kan die hebben om op zulk een uur hier te komen en daarbij zooveel

spoed te maken?"

Op dit oogenblik traden de monnik en zijne zonen in het voorvertrek.

De Squatter hoorde hunne stappen achter zich.

Hij keerde zich driftig om.

»Houdt u schuil! verbergt u!" riep hij met eene heesche stem.

»Wat gebeurt er dan?" vroeg de monnik nieuwsgierig op hem afkomende.

De Squatter gaf hem met de vuist een duw tegen de borst dat hij midden

in de kamer stoof.

»Hebt gij mij niet verstaan?" riep hij toornig.

Hoe woest echter de Squatter hem had teruggewezen, was hij niet gezwind

genoeg geweest om den monnik te beletten te zien wie er aankwam.

»Ha! ha!" riep hij met een gemaakten lach, »vader

Seraphin! Caspita! als onze vriend biechten wil had ik hem immers

even goed kunnen helpen? hij behoefde het mij maar even te zeggen,

dan had hij dien raaf uit Europa kunnen missen."

De Roode-Ceder keerde zich om alsof hem een adder gebeten had en keek

de drie mannen met zulk een woesten blik aan, dat zij onwillekeurig

terugdeinsden.

»Ellendeling!" riep hij met eene holle stem en vreeselijk gebaar;

»als ik mij niet ontzag zou ik u kunnen dooden als een hond! Maar

ik waarschuw u, bij het minste woord dat gij tegen dien heiligen man

durft zeggen, zal ik u levend villen! Verberg u, zeg ik u nog eens."

Door den dreigenden toon waarop de Squatter sprak tot inkeer gebracht,

gingen de drie mannen zonder een woord te zeggen de kamer uit.

Drie minuten later hield pater Seraphin zijn paard in voor de deur

der jacal en steeg af.

De Roode-Ceder en zijne dochter kwamen hem met ijver te gemoet.

Pater Seraphin trad de hut binnen en veegde zijn zweet af, dat hem

van het voorhoofd droppelde.

De Roode-Ceder bood hem een butacca (leuningstoel) aan.

»Ga zitten, vader," zeide hij, »gij zijt sterk bezweet; wilt gij

niets gebruiken, om u te ververschen?"

»Ik dank u," antwoordde de zendeling; »wij hebben geen oogenblik te

verliezen, hoor mij."

»Wat is er gaande, vader? waarom komt gij met zooveel haast hier?"

»Helaas!" antwoordde hij, »gij wordt door een groot ongeluk bedreigd."

De Squatter verbleekte.

»'t Is waar," mompelde hij met een somberen blik, »de boete begint."

»Houdt moed, mijne kinderen!" zei de missionaris minzaam; »hoe, weet

ik niet, maar uwe vijanden hebben uw schuilhoek ontdekt; morgen, heden

wellicht, zijn zij hier; gij moet vluchten, vluchten zoodra mogelijk."

»Waarom zou ik?" mompelde de Squatter; »ik zie Gods vinger in alles,

niemand kan zijn lot ontgaan; het is beter dat ik hier blijf."

Vader Seraphin zette een ernstig gezicht en zei met eene strenge stem:

»God wil u zonder twijfel beproeven; maar u zelven moedeloos aan uwe

doodvijanden over te leveren ware eene lafheid, een zelfmoord, dien

de hemel u niet vergeven zou. Ieder die leeft moet zich verdedigen

als men hem aanvalt, vlucht daarom, zeg ik, ik beveel het u."

De Squatter antwoordde niet.

»Daarbij," vervolgde pater Seraphin zooveel mogelijk op vroolijken

toon, »misschien is het maar een voorbijgaande storm; als uwe vijanden

u hier niet vinden, zullen zij zeker hunne vervolging laten varen en

kunt gij binnen eenige dagen hier terugkeeren."

»Neen," zei de Squatter neerslachtig, »'t is hun om mijn dood te

doen. Daar gij het zoo verlangt, vader, zal ik u gehoorzamen, maar

voor dat ik ga moet ik u om ééne gunst verzoeken."

»Spreek, mijn zoon."

»Ik voor mij," hernam de Squatter met kwalijk verborgen ontroering,

»ik ben een man; ik kan zonder te zwichten de zwaarste vermoeienissen

doorstaan en de grootste gevaren trotseeren...."

»Ik begrijp u," viel de missionaris hem met drift in de rede; »ik

had reeds plan om uwe dochter onder mijne bescherming te nemen. Stel

u deswege gerust, het zal haar aan niets ontbreken."

»O! ik dank u, ik dank u, vader!" riep de Squatter, op een toont dien

men van zulk een man nooit zou verwacht hebben.

Ellen had tot dusverre het gesprek stilzwijgend aangehoord; zij trad

thans op eens tusschenbeide en zei met edelen ernst:

»Ik ben u van ganscher harte dankbaar voor de goede bedoelingen die

gij met mij hebt; maar ik kan mijn vader niet verlaten, ik zal hem

overal volgen waar hij gaat, om hem te troosten en met christelijk

geduld het leed te helpen dragen dat God over hem beschikt."

De beide mannen schenen gereed haar tegen te spreken en tot andere

gedachten te willen brengen.

»Laat af," vervolgde zij met geestdrift; »heb ik tot hiertoe mijns

vaders gedrag moeten lijden toen het schuldig was, thans, nu het

berouw bij hem is ingetreden beklaag ik hem en heb hem des te meer

lief; mijn besluit staat onherroepelijk vast."

Pater Seraphin zag haar met bewondering aan.

»Goed, mijn kind." zeide hij, »God zal uwe reine en edele trouw

beloonen."

De Squatter sloot zijne dochter in zijne armen, buiten staat om

een woord uit te brengen; zijne ziel was overstelpt van blijdschap,

nooit had hij zich zoo zacht en zoo innig bewogen gevoeld.

De missionaris stond op.

»Vaartwel!" zeide hij, »hebt goeden moed; stelt uw vertrouwen

op God, hij zal u niet verlaten; ik blijf voor u waken al ben ik

afwezig. Vaartwel, mijne kinderen! ik geef u mijnen zegen! Vertrekt,

vertrekt zonder uitstel."

Zich thans met geweld aan hunne armen ontrukkende, steeg vader Seraphin

te paard, vierde den teugel en reed, na zijne beschermelingen een

laatsten groet met de hand te hebben toegeworpen, spoorslags weg.

»Ja," mompelde de Squatter, »dat kon zoo niet lang duren, ik was al

te gelukkig."

»Houd moed, vader!" zei Ellen zachtzinnig.

Zij traden weêr in de jacal.

Fray Ambrosio, Nathan en Sutter stonden hen in de voorkamer te wachten.

»Zadelt de paarden," zei de Squatter, »wij gaan."

»Wel!" fluisterde de monnik Sutter in 't oor, »wat heb ik u gezegd,

òf de duivel ons helpen zou! Canarios! hij kon ons niet vergeten,

wij hebben te veel voor hem gedaan."

De toebereidselen om de jacal te verlaten vorderden niet veel tijd,

een uurtje later waren de vijf personen reeds op weg.

»Waar moeten wij heen?" vroeg de monnik.

»Naar de bergen?" antwoordde de Squatter laconiek, terwijl hij een

zwaarmoedigen blik terugwierp naar de armzalige hut, waar hij wellicht

gehoopt had te sterven en die hij thans gedwongen werd voor altijd

te verlaten. Nauwelijks waren de vluchtelingen, op eenigen afstand,

achter eene dichte massa boomen verdwenen, of aan de andere zijde

verhief zich een wolk van stof aan den gezichteinder, en weldra

verscheen er een troep van vijf ruiters in vollen galop.

Die vijf ruiters waren Valentin en zijne vrienden.

Het schijnt dat de jager omtrent de ligging der jacal bepaalde

aanwijzing van den Zoon des Bloeds had ontvangen, want hij aarzelde

geen oogenblik, maar reed er rechtstreeks op af.

Don Pablo klopte het hart in den boezem alsof het wilde bersten,

ondanks allen schijn van bedaardheid.

»Hm!" riep Valentin toen hij de hut tot op tien passen genaderd was,

»het is hier alles buitengemeen stil."

»De Squatter is zeker op de jacht," merkte don Miguel aan, »wij zullen

dus niemand vinden dan zijne dochter."

Valentin begon te meesmuilen.

»Zoudt gij dat denken!" riep hij; »neen, neen, don Miguel, herinner

u de woorden van pater Seraphin."

Generaal Ibanez was het eerst bij de jacal, hij steeg af en opende

de deur.

»Niemand!" zeide hij verwonderd.

»Pardi!" riep Valentin, »ik dacht het wel dat de vogels gevlogen

zouden zijn; maar ditmaal zullen zij wel slim moeten wezen als zij

ons willen ontsnappen. Op weg! op weg! zij kunnen niet veraf zijn."

Zij reden weder voort.

Curumilla alleen bleef een oogenblik achter; hij wierp een brandende

fakkel in de hut, die weldra vuur vatte en afbrandde als een takkebos.

»Het nest is uitgebrand," mompelde de Indiaan terwijl hij zijne

kameraden nareed.

XXI.

CURUMILLA.

Eene maand ongeveer na de in ons vorig hoofdstuk verhaalde

gebeurtenissen, gedurende de eerste dagen van December, die de Indianen

in hun welluidende en bloemrijke taal ah-escia kioeska-oni, dat is

de maand waarin het hert zijne hoornen afwerpt, noemen, slechts even

voor het opgaan der zon, beklauterde een kleine troep bestaande uit

vier mannen, aan hunne kleeding gemakkelijk als woudloopers van het

Verre Westen te herkennen, een der hoogste toppen der Sierra de los

Comanches, eene oostelijke vertakking der Rotsbergen, die zich tot

aan Texas uitstrekt en eindigt met den berg Guadalupe.

Het was vriezend koud, een dikke laag sneeuw bedekte de zijden der

bergen. Het pad door de stoutmoedige avonturiers gevolgd was zoo

kantelig en steil, dat zij, ofschoon aan het reizen in deze streken

gewoon, meermalen genoodzaakt waren hunne geweren op den rug te werpen

en op handen en voeten voort te kruipen.

Doch geen moeielijkheid schrikte hen af, geene hindernis was sterk

genoeg om hun tot terugkeeren te nopen.

Slechts nu en dan, door vermoeienis uitgeput en dampend van zweet,

bleven zij staan om adem te scheppen, of strekten zich op de sneeuw

uit, grepen er eenige handvollen van om er hun dorst mede te lesschen,

en dan, als zij een weinig uitgerust waren, hervatten zij vol moed hun

tocht en beklauterden op nieuw de eeuwige ijsvelden wier reusachtige

massa's met iederen stap scherper en meer afgebrokkeld werden.

Waren deze lieden wellicht aan het opsporen van een bruikbaren weg

in dezen woesten en schier ontoegankelijken doolhof van bergen, die

de spitsen rondom hen onmetelijk hoog in het bevrozen luchtgewest

opstaken?

Of wilden zij misschien om andere, hun alleen bekende, redenen

een zeker punt bereiken, dat hun een gewenscht vergezicht over het

omliggende land zou aanbieden?

Zoo dit laatste werkelijk hun doel was, zagen zij zich niet

bedrogen. Toen zij na duizende moeielijkheden eindelijk den top van de

bergspits bereikten, hadden zij op eens een landschap voor oogen, dat

hen met verbazing vervulde door zijne ontzaggelijke uitgestrektheid.

Naar welken kant zij ook hunne blikken lieten weiden, werden zij

overstelpt door de grootschheid van het panorama dat zich voor hunne

voeten ontrolde.

Inderdaad de Rotsbergen zijn zonderlinge bergen, zij zijn eenig

op de wereld en gelijken in niets naar de Pyreneën, de Alpen, de

Apennijnen en ieder andere bergketen, die van afstand tot afstand

het oude halfrond onteffenen en wier besneeuwde kruinen in naam huns

makers met het hoogmoedige menschdom schijnen te spotten.

De jagers overzweefden, om zoo te zeggen, met hun blik de lager

gelegen aarde.

Boven hen verhief zich echter nog de Sierra de los Comanches, een

eenige ontzaggelijk hooge berg, in verscheidene besneeuwde kegels

verdeeld, met tallooze kantelige spitsen, dreigende klippen, diepe en

schrikwekkende steilten, sombere afgronden en rotskloven, schitterende

meren en schuimende watervallen, die met donderend geraas van rots

tot rots in de diepte afstortten. Verderop, aan gene zijde van deze

woeste gevaarten, verloor het oog der jagers zich in een landschap

zonder grenzen, dat zich in alle richtingen, tot aan den benevelden

horizon uitbreidde, als een onafzienbare zee bij windstilte.

Dank zij de klare doorzichtigheid des dampkrings, konden de avonturiers

de kleinste voorwerpen tot op verbazenden afstand onderscheiden.

Met dat al hadden zij naar alle waarschijnlijkheid, hunne gevaarvolle

beklimming niet uit louter nieuwsgierigheid ondernomen. De wijze waarop

zij het landschap bespiedden en de bijzonderheden van het onmetelijk

panorama aan hunnen voet opnamen, bewees integendeel dat er voor hen

zeer gewichtige redenen moesten bestaan hebben, om zoovele schier

onoverkomelijke moeielijkheden te trotseeren, als zij tot hiertoe

overwonnen hadden alvorens hun tegenwoordig standpunt te bereiken.

De groep gevormd door deze mannen, met hunne verweerde gezichten,

krachtvolle trekken en schilderachtige kostumen, terwijl zij daar

stonden te leunen op hunne wapenen, het voorhoofd gefronst en de

oogen naar de onafzienbare ruimte gericht, had iets groots en om zoo

te zeggen iets veegs op deze onmetelijke hooge, eenzame bergspits,

eene met eeuwige sneeuw bedekte klip, wier steile massa hun tot

voetstuk diende, te midden der woeste, van duizend eeuwen getuigende

omkeeringen en beroeringen der natuur, die hen van alle zijden omgaf.

Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik,

en zochten in de kronkelingen der gletschers en in de bochtige

rotskammen iedere oneffenheid van het terrein te bespieden, zonder

te hooren naar het donderend geklater der stortvloeden die aan hunne

voeten neerstortten of naar het somber gebots der sneeuwvallen, die

langs de steilten afgleden om in lagere valleien neer te tuimelen,

boomen en rotsklompen in hun val medeslepend.

Eindelijk streek één van hen, die het hoofd van den troep scheen

te zijn, zich eenige malen met den rug van zijne rechterhand over

het klamme voorhoofd, dat ondanks de felle koude in deze bevrozen

luchtstreek, dampte van het zweet en wendde zich tot zijne kameraden.

De lynch-wet · 第 14 / 29 段