»Onze vriend Curumilla heeft op eens den uitweg gevonden daar wij

ons zoo stomp op hebben gedacht," riep Valentin met drift.

»Hoedat? verklaar u, vriend," zei don Miguel.

»Begrijpt gij dat niet?" vroeg Valentin.

»Op mijn woord niet."

»Het is toch dood eenvoudig," hernam de jager, »ik ben sinds lang

door de Comanchen aangenomen; ik ben een lid van den stam van den

Eenhoorn; dat opperhoofd zal gewis niet weigeren mijne moeder te

huisvesten en te beschermen. De Roodhuiden houden veel van mij, de

Eenhoorn is mij onbepaald toegedaan, ik ben zeker dat de Indianen

mijne moeder zullen verzorgen en koesteren alsof ik het zelf deed,

en buiten dat zal ik haar nu zoo dikwijls kunnen gaan bezoeken als

ik verkies of de omstandigheden mij gedoogen."

»Canarios!" riep generaal Ibanez, »'t is op mijn woord waar. Hoofdman,"

vervolgde hij terwijl hij den Araucaan vroolijk op den schouder klopte,

»ik moet ronduit bekennen, wij allen zijn niets dan domkoppen en gij

hebt meer verstand in uw pink, dan wij in ons geheele lijf."

De beraadslaging had lang genoeg geduurd, de zon was reeds een uur

op eer zij geëindigd was.

Mme. Guillois, na een kort maar verkwikkelijk slaapje geheel bekomen

van de aandoeningen van den vorigen nacht, verscheen in de grot en

omhelsde Valentin met een hartelijken kus.

Toen het ontbijt was afgeloopen werden de paarden gezadeld en ging

men op weg.

»Waar voert gij mij heen, kind?" vroeg Mme. Guillois aan haar

zoon. »Gij weet wel dat ik u voortaan geheel toebehoor en dat het

alleen uw plicht is voor mij te zorgen."

»Wees niet ongerust, moeder," antwoordde hij, »al zijn wij in de

woestijn, ik heb voor u eene schuilplaats gevonden, waar het mij

mogelijk zal zijn u ten minste eenmaal 's weeks te komen zien."

Gelijk alle mannen met een vast en welberaden karakter begaafd, had

Valentin, in plaats van het bezwaar te vermijden het liever fiks onder

de oogen willen zien, wel overtuigd dat hoe stouter hij het aantastte,

hoe korter het ook duren en hoe spoediger het hem gelukken zou de

gevolgen er van af te wenden.

Onwillekeurig deed de oude vrouw haar paard stilstaan en zag haar

zoon aan met de oogen vol tranen.

»Wat zegt ge daar toch, Valentin?" vroeg zij met eene bevende stem,

»gaat gij mij verlaten?"

»Gij begrijpt mij verkeerd, moeder," antwoordde hij, »na eene zoo

lange scheiding zou ik zeker nooit kunnen besluiten om mij van u

te verwijderen."

»Helaas!" zuchtte zij.

»Hoor eens, moeder," vervolgde hij bedaard, »een ding moet gij steeds

in het oog houden, namelijk dat men in de woestijn geheel anders

leeft dan in de beschaafde wereld."

»Dat weet ik reeds!" zuchtte zij op nieuw.

»Goed dan," hernam hij; »het leven hier heeft zijne eischen die te

veel zouden zijn om u thans uit te leggen, maar die onophoudelijk

heen en weder trekken noodzakelijk maken; nu eens zijn wij hier,

dan weder daar, zonder blijkbare reden, levende van den eenen dag op

den anderen en daarbij altoos te paard."

»Wat ik u bidden mag, mijn beste, laat mij toch niet langer lijden,

maar zeg mij in eens waar gij op doelt."

»Hierop moeder, dat dit leven, vol onrust, vermoeienis en gevaren,

zijne eigenaardige bekoorlijkheden kan hebben voor een jong mensch

als ik, met mijn ijzeren temperament sinds lang tegen allerlei

ongemakken gehard, maar dat het stoffelijk onmogelijk is voor eene

vrouw op uwe jaren, zoo zwak en ziekelijk als gij zijt; daarbij zijt

gij mijn eenigst goed, mijn dierbaarste schat, moeder lief! ik heb u

als door een wonder teruggevonden en ik zou u gaarne zoo lang mogelijk

behouden; daarom wil en mag ik u niet langer uit zwakke toegevendheid

blootstellen aan vermoeienissen en ontberingen die gij geen acht

dagen zoudt kunnen volhouden."

»En wat dan?" vroeg de moeder schroomvallig, terwijl zij zich tegen

wil en dank overwonnen gevoelde door de nadrukkelijke wijs waarop de

jongman gesproken had.

»Ik zal u zeggen waar ik toe besloten heb," hervatte hij opvleienden

toon: »daar ik niet wil dat gij langer ongemak lijdt heb ik tevens

gezorgd dat wij, zoo al niet gedurig, dan ten minste zoo dicht mogelijk

bij elkander zullen zijn."

»Och ja!" riep zij, »u te zien, mijn jongen, u altijd te zien, meer

verlang ik niet; wat geef ik om al het andere als ik u maar bij mij

heb, om u te troosten als gij treurig zijt en om te deelen in uw

geluk als gij blijde zijt."

»Moeder," vervolgde de jager, »ik geloof dat ik de zaken zoo goed

mogelijk heb overlegd; vader Seraphin zal u wel nader bewijzen dat

elke andere schikking eene dwaasheid zou geweest zijn."

»Als het niet anders wezen kan," mompelde zij.

»Ik breng u thans naar een dorp der Comanchen in wier stam ik als zoon

ben aangenomen, hun opperhoofd bemint mij als een broeder; dat dorp

ligt nauwelijks eenige mijlen van hier; daar zijt gij onder goede

vrienden die u achten, eerbiedigen en liefhebben en u met weldaden

overladen zullen,"

»Maar gij dan, mijn jongen?"

»Ik; moeder, ik kom u zoo dikwijls bezoeken als ik kan en ik verzeker

u dat er maar weinig dagen voorbij zullen gaan dat ik u niet zie."

»Helaas, en gij, mijn arme jongen, waarom wilt gij toch zoo volstrekt

dat leven vol gevaar en vermoeienis voortzetten? Wij zouden samen zoo

gelukkig kunnen zijn, als gij maar wildet, en stil kunnen leven in

een klein dorp in ons vaderland; zijt gij Frankrijk reeds vergeten,

mijn jongen?"

Valentin zuchtte.

»Neen, moeder," zeide hij zwaarmoedig, »sedert ik u weder zag

zijn al de herinneringen mijner jeugd ik weet niet hoe sterk in

mij herleefd, en is het oude verlangen om Frankrijk nog eens weder

te zien, dat verlangen dat ik reeds dood waande, in mij ontwaakt;

u te zien heeft mij doen begrijpen dat men niet van goeder harte en

ongestraft de genoegens van den vaderlandschen haard kan verloochenen,

die men niet eer leert waardeeren voor dat men ze niet meer genieten

kan. Ook bestaat bij mij het vaste voornemen om met u weldra dit

eenzame land te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren."

»Helaas!" riep zij op een zacht verwijtenden toon, »wij zouden daar

zoo gelukkig zijn; waarom gaan we er dan niet dadelijk naar terug?"

»Omdat dit onmogelijk kan, moedertje; ik heb hier een heiligen plicht

te volbrengen; maar ik geef u mijn woord van eer, als ik dien plicht

heb volbracht en weder vrij ben blijven wij geen uur langer hier. Heb

dus geduld, moeder; misschien vertrekken wij reeds over twee maanden

naar Frankrijk."

»God geve het! mijn zoon," zei de oude vrouw treurig. »Enfin, het

moet dan maar gaan zoo als gij zegt, ik zal geduld hebben."

»Ik zeg u dank, moeder, uwe toegevendheid maakt mij gelukkiger dan

ik u zeggen kan."

De oude vrouw zuchtte, maar sprak niet verder.

De kleine karavaan vervolgde in stilte haar tocht in de richting

van het dorp der Comanchen, daar zij tegen drie ure in den namiddag

aankwam.

»Moeder," riep Valentin, »gij weet nog niets van de leefwijze der

Indianen; maak u dus niet ongerust over hetgeen gij hier hooren zult."

»Ik ben immers bij u?" riep zij, »waar zou ik bang voor zijn?"

»O!" riep hij vergenoegd, »gij zijt de moedige vrouw naar het

Evangelie."

»Helaas! neen," antwoordde zij met een gesmoorden zucht, »gij bedriegt

u al te zeer, mijn jongen; ik ben maar eene arme oude vrouw die haar

zoon lief heeft, niet meer...."

XIX.

DE ZOON DES BLOEDS.

De Witte-Gazelle was bij den Zoon des Bloeds aangekomen. Deze lag

met zijn troep op de kruin van een heuvel gekampeerd, van welks top

hij ver over de prairie kon uitzien.

Het ging tegen den avond, de nachtvuren waren reeds ontstoken en de

partijgangers zaten er omheen en maakten vroolijk hun avondmaal gereed.

De Zoon des Bloeds was blijde dat hij zijn nicht zag aankomen. Zij

hadden samen een langdurig gesprek, na den afloop waarvan de wreker,

zoo als hij zelf zich noemde, den ranchero wenkte nader te komen.

Ondanks zijne onbeschaamdheid, stond Andres Garote niet zonder zeker

gevoel van angst tegenover den man, wiens blik hem scheen te willen

doorboren en de diepste geheimen van zijn hart dreigde te zullen lezen.

De naam van den Zoon des Bloeds was te lang in de prairie bekend en

gevreesd, dan dat de ranchero zich in diens tegenwoordigheid op zijn

gemak konde gevoelen.

De partijganger zat bij het vuur zijn Indiaansche pijp te rooken,

naast hem zat de Witte-Gazelle.

De ranchero kreeg bijna berouw dat hij zich in de tegenwoordigheid

van zulk een man had durven begeven, maar deze gedachte duurde slechts

een oogenblik; zijn haat kwam onmiddellijk weder boven en ieder spoor

van verlegenheid verdween van zijn gelaat.

»Kom nader, kerel," zei de Zoon des Bloeds, »volgens hetgeen de señora

mij zegt, denkt gij de middelen in handen te hebben om den Roode-Ceder

te doen vallen?"

»Heb ik gezegd den Roode-Ceder?" antwoordde de ranchero, »ik geloof

van neen, monseñor."

»Van wien hebt gij dan gesproken?"

»Van Fray Ambrosio."

»Wat geef ik om dien aterling," riep de andere, »wat die doet gaat

mij niet aan en daar wil ik mij niet mede ophouden; ik heb wel andere

en gewichtiger zaken te behartigen."

»Dat kan wel zijn, monseñor," antwoordde de ranchero stoutmoediger

dan men van hem verwacht zou hebben; »maar ik heb alleen met Fray

Ambrosio te doen."

»Loop dan naar den duivel, want in dat geval zal ik u in uwe

onderneming gewis niet helpen."

Andres Garote verloor ondanks deze brutale ontvangst den moed niet,

hij liet de schouders zakken, glimlachte loos en zei met een fleemende

stem:

»Dat kan men niet weten, monseñor."

»Hum! dat zou toch bezwaarlijk gaan."

»Minder dan gij denkt, monseñor."

»Hoe dan?"

»Gij hebt het tegen den Roode-Ceder, niet waar?"

»Wat raakt het u, kerel?" antwoordde de Zoon des Bloeds barsch.

»Mij zeker niet met al, des te minder daar ik hem noch dank noch

dienst schuldig ben, maar met u is dat anders, monseñor."

»Wat weet gij daarvan?"

»Ik veronderstel het, monseñor, en daarom had ik plan u een koop voor

te slaan."

»Een koop!" riep de Zoon des Bloeds verontwaardigd.

»Ja, monseñor," antwoordde de ranchero onbeschaamd, »en een

voordeeligen koop voor u, durf ik te zeggen."

»En voor u dan?"

»Voor mij natuurlijk ook."

De Zoon des Bloeds begon te lachen.

»Die man is gek," zeide hij de schouders ophalende en vervolgde tegen

zijne nicht: »hoe drommel kwam het u in het hoofd om mij dien kerel

hier te brengen?"

»Kom," riep de Witte-Gazelle, »gij kunt hem licht aanhooren, wat

schaadt u dat?"

»De señorita heeft gelijk," riep de ranchero levendig, »hoor mij,

monseñor, dat verbindt u tot niets; buitendien als mijn voorstel u

niet bevalt, kunt gij immers altijd weigeren."

»Dat 's waar," antwoordde de Zoon des Bloeds met minachting. »Kom

spreek dan maar op, Picaro, maar een verzoek, maak het kort."

»O, het is mijne gewoonte niet om lange praatjes te maken."

»Kom, ter zake, ter zake!"

»De zaak is zoo," hervatte de ranchero resoluut. »Gij wilt u,--ik

weet niet waarom, en dat is mij volstrekt onverschillig--maar gij

wilt u op den Roode-Ceder wreken, ik op mijne beurt, om redenen daar

ik u niet meê zal lastig vallen, wil mij wreken op Fray Ambrosio,

dat is duidelijk genoeg, niet waar?"

»Volkomen duidelijk. Ga voort."

»Best. Nu kan ik u eenvoudig voorslaan, dat gij mij helpt mij te wreken

aan den monnik, dan zal ik u helpen u te wreken aan den bandiet."

»Daar heb ik uwe hulp niet bij noodig."

»Misschien niet, monseñor, maar als ik niet vreesde al te vrijpostig

te zijn, zou ik zelfs zeggen...."

»Wat zoudt gij mij zeggen?"

»Dat gij mijne hulp niet missen kunt?"

»Voto a Dios!" riep de andere met een schaterenden lach, »dat is

erger dan gekscheren, die kerel komt bepaald om mij te bespotten."

Andres Garote bleef met de grootste bedaardheid staan.

»Maar komaan, ga voort," hervatte de Zoon des Bloeds, »het is veel

vermakelijker dan ik zoo even dacht; en hoezoo kan ik u niet missen?"

»O! mijn hemel, monseñor, dat is dood eenvoudig, daar gij niet weet

waar de Roode-Ceder gebleven is."

»Dat is waar; ik heb hem sedert lang te vergeefs gezocht."

»En ik zet het u hem te vinden, als ik u niet te hulp kom."

»Weet gij dan waar hij is, gij?" riep de Zoon des Bloeds driftig zijn

hoofd opstekende.

»Ha zoo! nu schijn ik voor u belangrijk te worden, monseñor," zei de

ranchero met een nurksch gezicht.

»Antwoord mij, ja of neen," hernam de partijganger, woest, »weet gij

waar hij is?"

»Ei! zou ik u dan ooit zijn komen opzoeken?"

De partijganger bedacht zich een oogenblik.

»Zeg mij waar hij is," herhaalde hij.

»Gaat onze koop dan door?"

»Hij gaat door."

»Zweert gij mij dat?"

»Op mijne eer."

»Goed," zei de andere vergenoegd, »luister dan nu."

»Ik luister."

»Gij weet zonder twijfel dat de Roode-Ceder en de Gids der Prairiën

samen slaags zijn geweest?"

»Dat weet ik, ga voort."

»Na den slag zocht iedereen een goed heenkomen. De Roode-Ceder was

gewond; hij bracht het niet ver, en viel weldra in flauwte onder een

boom neêr. De Franschman en zijne vrienden zochten hem overal; en ik

geloof dat het hem slecht vergaan zou zijn als zij hem in handen hadden

gekregen. Maar gelukkig voor hem had zijn paard hem midden in een

dicht woud gevoerd, waar niemand hem dacht te vervolgen. Bij toeval,

of liever door mijne geluksster zoo als ik nu begin te denken, kwam ik

dien kant uit waar hij zich bevond; zijne dochter Ellen was bij hem

en bood hem zooveel mogelijk hulp, ik was er wezenlijk van getroffen

toen ik het zag. Hoe zij daar kwam weet ik niet, maar zooveel is zeker,

zij was er.

»Zoodra ik den Roode-Ceder in de verte had gezien dacht ik een

oogenblik om den jager op te sporen en hem mijne ontdekking mede

te deelen."

»Hum! waarom hebt gij zulk een gedachte niet dadelijk ten uitvoer

gebracht, kerel?"

»Om eene zeer eenvoudige reden, maar die ik voor alles afdoende houd."

»Laat mij die reden hooren," riep de Zoon des Bloeds, die onwillekeurig

in het verslag van den ranchero hoe langer zoo meer behagen vond,

te meer daar het even koddig als flink werd voorgedragen.

»Ik zal u die zeggen," hervatte Garote. »Don Valentin, zoo als hij

heet, is ongemakkelijk, ik sta bij hem niet in den allerbesten reuk

en bovendien was hij zoo dicht bezet met Comanchen en Apachen en

dergelijk kanalje, dat ik om u de waarheid te zeggen bang werd en

geen lust had om er mijne haren aan te wagen, die ik liefst wilde

behouden. Ik bleef dus achter af, uit vrees dat ik zonder profijt de

kastanjes voor anderen uit het vuur zou halen."

»Zoo kwaad niet geredeneerd."

»Niet waar, monseñor? Terwijl ik mij zoo stond te bedenken welke partij

ik kiezen zou, kwam er een troep van tien of twaalf ruiters, ik weet

niet van waar, op de plaats waar de Roode-Ceder half dood nederlag."

»Is hij dan werkelijk gewond?"

»Ja, en ik durf zeggen gevaarlijk genoeg; aan het hoofd der ruiters

was juist een Fransch missionaris, dien gij zoo ik meen kennen moet?"

»Pater Seraphin?"

»Dezelfde."

»Wat heeft hij gedaan?"

»Iets dat ik in zijne plaats zijnde zeker niet zou gedaan hebben;

hij heeft den Roode-Ceder opgenomen en weggevoerd."

»O! dat is juist zijne wijze van doen," riep de Zoon des Bloeds ondanks

zich zelven. »En naar welke plaats heeft hij den gewonde vervoerd?"

»Naar een grot, daar ik u brengen zal, zoo gij dat wilt?"

»Liegt gij niet?"

»Neen, monseñor."

»'t Is goed, ga nu slapen; gij kunt op mijne belofte rekenen indien

gij getrouw zijt."

»Dank u, monseñor, wees daar maar gerust op; al was ik niet gezind

u getrouw te zijn, zou mijn eigen belang mij verbinden u niet te

bedriegen."

»Dat is waar."

De ranchero verwijderde zich. Een half uur later sliep hij zoo gerust

als ieder eerlijk man die meent dat hij zijn plicht gedaan heeft.

Den volgenden morgen met het krieken van den dag, trok de bende van

den Zoon des Bloeds op marsch.

In de woestijn is het vaak zeer moeielijk te vinden wat men zoekt,

uit hoofde van het zwervende leven dat iedereen ter zake van zelfbehoud

verplicht is te voeren; de partijganger, die zich vooral met Valentin

en diens vrienden wilde verstaan, verloor dus veel tijd eer hij met

zekerheid wist waar hij met de zijnen kampeerde.

Eindelijk kwam een zijner veldontdekkers hem berichten dat de

Franschman dien dag naar het winterdorp der Comanchen vertrokken was.

Hij richtte zich onmiddellijk naar dien kant.

Intusschen had de Zoon des Bloeds Andres Garote gelast om op al de

bewegingen van den Roode-Ceder een wakend oog te houden, daar hij geen

beslissende poging wilde wagen alvorens van zijne zaak zeker te zijn.

Hij had zich gemakkelijk bij pater Seraphin kunnen vervoegen om van

dezen te vorderen hem den gewonde uit te leveren, maar dit middel

stond hem zeer tegen de borst. Ook hij deelde in den eerbied dien

men alom in het Verre Westen den missionaris toedroeg; hij zou

hem nooit hebben durven vragen zijn gast aan hem uit te leveren,

wel wetende dat dit verzoek bepaald zou worden van de hand gewezen;

en aan den anderen kant zou hij ook in geen geval, om zijn doel te

bereiken geweld hebben willen gebruiken, tegenover een man wiens

karakter hij hoogschatte en bewonderde.

Hij moest dus wachten tot de Roode-Ceder van zijne wonden zou genezen

zijn; hiertoe had de Zoon des Bloeds dan ook besloten en hij bepaalde

zich, gelijk wij reeds gezegd hebben, tot het bespieden van al zijne

gangen door Andres Garote.

Eindelijk, op zekeren dag, kwam laatstgenoemde met een verheugd gezicht

in het kamp van den partijganger terug. Want hij bracht gewenschte

tijding mede, namelijk, dat pater Seraphin den Roode-Ceder, na hem

eerst genezen te hebben, in een jacal had gevestigd, waar hij thans

met zijne dochter samen leefde als een kluizenaar.

De Zoon des Bloeds slaakte een kreet van blijdschap bij dit bericht

en zonder zich eens den tijd te gunnen om behoorlijk na te denken,

steeg hij te paard, liet het bevel over zijne bende en de orde in

zijn kamp aan zijne nicht over en reed in vollen galop naar het dorp

van den Eenhoorn.

De afstand was niet groot; de partijganger maakte dien in minder dan

twee uren.

De Zoon des Bloeds was onder de Comanchen, die hij menigmaal goede

diensten bewezen had, zeer gezien en bemind; ook werd hij met alle

eerbewijs en het in zulke gevallen gebruikelijk ceremonieel door

hen ontvangen.

De Eenhoorn vergezeld van eenige der voornaamste stamhoofden, reed hem

een eind ver buiten het dorp te gemoet, onder de gewone juichtonen,

geweerschoten en ruiterstoeren.

De Zoon des Bloeds schikte zich goedwillig naar de wenschen van den

Sachem en reed bij zijne komst terstond aan zijne zijde op.

De Comanchen zijn een zeer bescheiden volk en zullen aan hunne gasten

nimmer vragen richten, tenzij dezen er hun eerst vrijheid toe geven.

Zoodra de Zoon des Bloeds bij het vuur voor de raadshut plaats genomen

en de groote vredespijp gerookt had, boog de Eenhoorn plechtstatig

en nam het woord:

»Mijn broeder het bleekgezicht is welkom bij zijne roode vrienden,"

zeide hij. »Heeft mijn broeder eene goede jacht gemaakt?"

»De buffels zijn talrijk in de nabijheid der bergen," antwoordde de

Zoon des Bloeds, »mijne jongelingen hebben er velen van gedood."

»Des te beter! mijn broeder zal dan geen hongersnood lijden."

De partijganger boog ten bewijze van dank.

»Denkt mijn broeder vele dagen bij zijne roode vrienden te

blijven?" vroeg het opperhoofd; »zij zouden zich gelukkig achten hem

een tijdlang bij hen te zien."

»Mijne uren zijn geteld," antwoordde de Zoon des Bloeds; »mijn oogmerk

was alleen om mijne vrienden te bezoeken en naar den voorspoed van

hun dorp te vernemen terwijl ik voorbijkwam."

Op dit oogenblik verscheen Valentin op den drempel der hut.

»Ziedaar mijn broeder Koutonepi," zeide de Eenhoorn.

»Hij is mij welkom," riep de partijganger; »ik heb zeer verlangd hem

te zien."

De beide blanken bogen voor elkander.

»Hoe vind ik u toevallig hier?" vroeg de jager.

»Om u te vertellen waar op dit oogenblik de Roode-Ceder zich bevindt,"

antwoordde de partijganger onmiddellijk.

Valentin ontroerde en wierp den spreker een open maar doordringenden

blik toe.

»O! welk een belangrijk bericht geeft gij mij daar," riep hij.

»Ik geef het u niet, ik verkoop het u."

»Zoo! verklaar u nader als ik u verzoeken mag."

»Ik zal kort zijn. Er is in de gansche prairie niemand of hij heeft

eene vreeselijke rekening te vorderen van dien bandiet, wat zegt gij

er van?"

»Dat is waar."

»Dat monster heeft de aarde te lang en te zwaar gedrukt, het is tijd

dat zij er van verlost worde."

Deze woorden werden door den Zoon des Bloeds op zulk een bitteren

toon van haat uitgesproken, dat al de aanwezigen, ofschoon mannen

met ijzeren zenuwen begaafd eene koude rilling door de aderen liep.

Valentin staarde den partijganger aan met een strengen uitvorschenden

blik.

»Hebt gij hem zooveel te verwijten?" zeide hij.

»Meer dan ik kan uitspreken."

»Goed, ga voort."

Op dit oogenblik trad pater Seraphin de raadshut binnen doch zonder

te worden opgemerkt, want aller oogen waren op den Zoon des Bloeds

gevestigd.

De zendeling bleef in den donkersten hoek onbewegelijk staan en

luisterde.

»Verneem wat ik u voorstel," vervolgde de Zoon des Bloeds; »ik zal u

te kennen geven waar de booswicht zich schuil houdt. Wij zullen ons

naar alle kanten verspreiden om hem in een onverbiddelijken kring te

besluiten, en zoo gij of een der hier aanwezige opperhoofden gelukkiger

mocht zijn om hem te grijpen dan ik, zult gij hem aan mij uitleveren."

»Om wat met hem te doen?"

»Om een schitterende wraak aan hem te nemen."

»Dat kan ik u niet beloven," antwoordde Valentin aarzelend.

»Waarom niet?"

»Om dezelfde reden zooeven door u genoemd; er is niemand in de

woestijn die niet een vreeselijke rekening met dien onmensch te

vereffenen heeft."

»Welnu?"

»De man dien hij naar mijn gevoelen het grievendst beleedigd

heeft is don Miguel de Zarate, wiens eenige dochter hij lafhartig

vermoordde. Don Miguel heeft alleen recht om naar welgevallen over

hem te beschikken."

De partijganger was blijkbaar teleurgesteld.

»O! als hij hier was!" riep hij.

»Hier ben ik," antwoordde de hacendero op eens te voorschijn tredende,

»ook ik heb eene bloedige schuld van den Roode-Ceder te vorderen,

maar eene gerechte, groote en edele wraak, in het volle daglicht onder

het oog van allen, ik wil hem niet vermoorden, ik wil hem straffen."

»Goed!" riep de Zoon des Bloeds met een gesmoorden juichkreet; »wij

hebben dezelfde gedachte, caballero; want het is mijn doel om de

Lynchwet op den Roode-Ceder toe te passen; maar de Lynchwet in al hare

gestrengheid, op de plaats zelve waar hij zijn eerste misdrijf heeft

gepleegd, ten aanzien van het volk dat hij verschrikt heeft gemaakt;

dat wil ik doen, caballero. In het Verre Westen heet ik niet alleen

de Zoon des Bloeds, maar ook de Wreker der Gerechtigheid."

Na deze woorden, met koortsachtige drift uitgesproken, werd het in

de hut een geruime poos doodstil.

»Laat de wraak aan God over," sprak op eens eene stem, die de

aanwezigen deed sidderen.

Allen keken op.

Pater Seraphin stond in hun midden met een kruisbeeld in de hand. Met

opgericht hoofd en bezielden blik scheen hij een oogenblik de

vergadering te beheerschen door den indruk zijner evangelische zending.

»Met welk recht stelt gij u tot werktuigen der goddelijke

gerechtigheid," vervolgde hij. »Zoo die man schuldig was, wie zegt

u dat hij op dezen oogenblik zijne zonden niet wenscht af te boeten

door een oprecht berouw?"

»Oog om oog, tand om tand!" mompelde de Zoon des Bloeds, met eene

sombere stem.

Vader Seraphin zag zich overwonnen; hij begreep dat alle redeneering

schipbreuk zou lijden op deze bloeddorstige mannen voor wie het

leven huns gelijken niets geldt en die de wraak tot eene deugd hebben

verheven.

»Vaartwel," zeide hij met eene treurige stem, »vaartwel, arme

verdoolden! Mijn mond mag u niet vervloeken, ik kan u alleen beklagen;

maar weet dat ik het slachtoffer, dat gij aan uwen wrekenden hartstocht

wilt brengen, door alle mogelijke middelen aan uwe slagen zal zoeken

te onttrekken. Vaartwel!"

Hij trad de hut uit.

Toen de eerste opschudding door deze verklaring te weeg gebracht,

eenigszins bedaard was, naderde don Miguel den Zoon des Bloeds,

drukte hem de rechterhand en sprak:

»Ik neem uw voorstel aan: de Lynch-wet."

»Ja!" riepen al de aanwezigen, »de Lynch-wet!"

Eenige uren later keerde de Zoon des Bloeds naar zijn kamp terug.

Het was tengevolge van deze bijeenkomst dat Valentin don Pablo ging

opsporen en op korten afstand van het dorp het gesprek met hem had dat

wij aan het begin van dit boek vermeld hebben, toen wij den jongman van

zijn bezoek bij Ellen in de hut van den Roode-Ceder, zagen terugkeeren.

XX.

DE ROODE-CEDER.

De lynch-wet · 第 13 / 29 段