kind dat ik heb gekweekt en gevoed, dien ik thans zal wederzien, na
tienjarige scheiding. Helaas! in geen tien jaar heb ik zijn voorhoofd
mogen kussen! Mijn God! dat kan niemand begrijpen wat ik gevoel,
dat is niet uit te spreken, voor eene moeder is haar kind alles."
»Laat u toch niet zoo door uwe aandoeningen wegslepen," suste haar
pater Seraphin.
»En komt hij dan waarlijk?" vroeg zij dringend.
»Binnen twee uren op zijn langst."
»Wat is dat nog lang, twee uren!" zuchtte zij.
»O! wat zijn de menschen toch wonderlijke schepselen!" riep de
zendeling. »Gij, die nu zoovele jaren hebt gewacht zonder te klagen,
kunt gij twee uren te lang vinden...."
»Maar het is mijn zoon, mijn geliefd kind, dat ik wacht, hem kan ik
nooit vroeg genoeg wederzien."
»Kom, blijf bedaard; ik geloof gij hebt koorts."
»O! wees niet ongerust over mij, vader; de vreugde zal mij niet
dooden! Als ik mijn zoon maar wederzie word ik dadelijk gezond,
daar ben ik zeker van."
»Arme moeder!" prevelde pater Seraphin onwillekeurig.
»Niet waar?" riep zij. »Ach! als gij eens wist hoe verschrikkelijk
het is in zoo eindelooze spanning te zijn; maar één zoon te hebben,
die al ons geluk op aarde uitmaakt en dan niet te weten waar hij is,
wat hij doet, hoe hij het heeft, of hij dood of levend is! Voor een
moeder bestaat er geen grooter marteling dan die eeuwige onzekerheid,
die onophoudelijke afwisseling van hoop en vrees, van bemoediging en
teleurstelling. Dat begrijpt gij niet, gij mannen, gij kunt het niet
begrijpen en dat komt omdat gij er geen zin voor hebt, en omdat wij
moeders alleen onze kinderen zoo liefhebben..."
Zij zweeg eenige minuten en begon op nieuw.
»Mijn God! wat gaat die tijd langzaam voorbij? Zou de zon niet
haast ondergaan? Van welken kant denkt gij dat mijn zoon komen zal,
vader? Ik moet hem volstrekt zien aankomen. Ik ben zeker dat ik hem
dadelijk herken, al heb ik hem in zoo lang niet gezien; eene moeder
bedriegt zich niet; want zij ziet haar kind niet met de oogen, maar
voelt het met haar hart!..."
De missionaris bracht haar naar den ingang der grot, zette haar op
een bemosten steen, ging naast haar zitten en zeide, haar met de hand
naar het zuidwesten wijzende:
»Kijk! daar, van dien kant moet hij komen."
»Ik dank u!" antwoordde zij geroerd. »O! gij bezit evenveel
oplettendheid als deugd. Gij zijt zoo vroom en zoo goed, vader,
God zal er u voor beloonen, ik kan u niet meer dan dankzeggen!"
De missionaris glimlachte bewogen.
»Ik ben gelukkig als ik u gelukkig zie," zeide hij goedhartig.
Zij staarden over de vlakte.
De zon daalde snel ter kimmen: van lieverlede overstelpte de duisternis
het aardrijk; de voorwerpen verdwenen het eene na het andere; weldra
werd het onmogelijk om iets, zelfs op korten afstand, te onderscheiden.
»Laten wij naar binnen gaan," zei pater Seraphin, »de koele nachtlucht
zou u kunnen schaden."
»Ba!" riep zij hoofdschuddend, »ik gevoel er niets van."
»Daarbij is de duisternis zoo dik, dat gij toch niets zoudt kunnen
zien."
»Dat is waar," antwoordde zij met gevoel, »maar ik zal hem toch
hooren."
Hiertegen viel niets te zeggen. Pater Seraphin begreep het, hij boog
het hoofd en hernam zijne plaats naast Mme. Guillois.
»Vergeef het mij, vader," zeide zij, »maar de blijdschap maakt
mij dwaas!"
»Gij hebt genoeg geleden, moedertje," antwoordde de zendeling meewarig,
»om heden ten minste eens onvermengde vreugde te genieten. Doe dus
wat gij wilt en vrees niet mij te mishagen."
Zoo verliep er een uur zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld
werd. Zij zaten te luisteren.
Inmiddels werd de nacht steeds donkerder en donkerder, en het
geheimzinnige geruisch der wildernis sterker.
De avondwind was opgestoken en huilde door de rotskloven met langgerekt
en zwaarmoedig gefluit.
Op eens vloog Mme. Guillois overeind, haar oog fonkelde, zij greep
den missionaris krachtig bij den arm.
»Daar is hij!" riep zij met eene heesche stem.
Pater Seraphin stak het hoofd op.
»Ik hoor niets," zeide hij.
»Ach neen! ik bedrieg mij niet," riep zij op hartroerenden toon,
»ik kan mij niet bedriegen, hij is het; luister, luister toch."
Pater Seraphin spitste de ooren en luisterde scherp.
Werkelijk hoorde hij op verren afstand in de prairie een geluid,
nauwelijks merkbaar, maar dat eenigszins geleek naar het onophoudelijk
gerommel van verre donderslagen.
»O!" riep zij weêr, »hij is het, hij komt; luister!"
Het gedruisch werd sterker en sterker, en het leed niet lang of men
kon duidelijk den galop onderscheiden van een aantal paarden die in
vollen aantocht schenen te zijn.
»Wel!", riep zij op nieuw, »is het nu wel inbeelding? Neen, neen,
een moederhart laat zich zoo niet misleiden."
»Gij hebt gelijk, mevrouw, binnen weinige minuten zal hij bij u zijn."
»Ja, ja!", hijgde zij met bevende stem.
Dat was al wat zij zeggen kon. Zij stikte bijna van blijdschap.
»In 's hemels naam! blijf toch bedaard," riep de zendeling ongerust,
»wees niet zoo hartstochtelijk, dat is te sterk voor u; het zou u
kunnen dooden."
Zij schudde van neen met een onbeschrijfelijk gevoel van onbezorgde
moedervreugd.
»O! al was dat zoo," riep zij, »laat mij begaan, want ik ben zoo
gelukkig, o zoo onuitsprekelijk gelukkig op dit oogenblik."
De ruiters reden de vallei in en de galop der paarden weergalmde
tusschen de rotswanden.
»Afstijgen, mijne heeren!" riep eene krachtige stem, »afstijgen,
wij zijn er."
»Dat is hij! dat is hij!" riep zij, »dat heeft hij gezegd, ik herken
zijne stem!"
En meteen wilde zij voorwaarts ijlen, maar de zendeling ving haar op
in zijne armen en hield haar terug.
»Wat woudt gij doen?" riep hij, »wilt gij een ongeluk krijgen?"
»Vergeving, vader, vergeving; toen ik hem hoorde spreken werd het
mij zoo wee om het hart, ik weet niet wat er in mij omging, maar ik
was mij zelve niet meester en wou hem te gemoet vliegen."
»Heb nu toch een beetje geduld; ziedaar, hij klimt reeds naar boven;
binnen drie minuten is hij zeker in uwe armen."
Zij deinsde ijlings terug.
»Neen," riep zij, »neen, zoo moet het niet, het wederzien zou te
schielijk zijn, laat ik mijn geluk liever van stukje tot beetje
genieten, ik wil eens zien of hij mij ook raden zal gelijk ik hem
geraden heb!"
Zij liep zoo snel zij maar kon naar de grot terug en trok pater
Seraphin met zich mede.
»Dat denkbeeld heeft God u ingegeven," zeide hij; »ja gewis het
wederzien zou te schielijk zijn, ge zoudt het beiden kunnen besterven."
»Niet waar?" riep zij vroolijk, »niet waar, vader, heb ik geen
gelijk? O! gij zult zien, gij zult zien, verberg mij in een hoekje
daar ik alles zien en alles hooren kan, zonder gezien te worden;
haast u, haast u toch; daar is hij."
In de grot, zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, waren een aantal
vertrekken of afdeelingen, die allen met elkaâr in verband stonden,
en vader Seraphin verborg Mme. Guillois in een der vertrekken
welker wanden, op de wonderlijkste wijs door druipsteen gevormd,
haar ruimschoots gelegenheid gaven om alles te bespieden en af te
luisteren wat er in het naaste vertrek voorviel, zonder dat zij gevaar
liep zelve gezien te worden.
Nadat de ruiters hunne paarden gekluisterd hadden klommen zij den
berg op. Onder het opstijgen kon men hen duidelijk hooren praten,
en vingen de grotbewoners gretig woord voor woord op, dat er tusschen
hen gesproken werd.
»Die goede pater Seraphin," hoorde men Valentin zeggen, »ik weet niet
of het u gaat als mij, caballeros, maar ik zal gelukkig zijn als ik
hem wederzie; ik vreesde zeer dat hij ons voor altijd verlaten had."
»Het is voor mij althans een groote troost in mijn verdriet,"
antwoordde don Miguel, »nu ik weet dat hij zoo dicht bij ons is;
die man is een ware apostel."
»Wat scheelt u toch, Valentin?" riep op eens generaal Ibanez, »waarom
blijft gij staan?"
»Ik weet het niet," antwoordde deze met eene wankelmoedige stem, »ik
ben zoo wonderlijk te moede dat ik het niet zeggen kan. Dezen morgen,
toen de Spinnekop mij kwam vertellen dat de pater weêr terug was,
gevoelde ik in mijn binnenste eene onuitsprekelijke gewaarwording;
en nu krijg ik hetzelfde weêr; waarom, zou ik niet kunnen zeggen."
»Vriend, het is van blijdschap dat gij pater Seraphin zult wederzien,"
zei Ibanez, »dat woelt u door het hart, anders niet."
De jager schudde het hoofd.
»Neen," zeide hij, »dat is het niet, er moet iets anders zijn;
wat ik gevoel is gansch ongewoon, mijn hart is beklemd, ik meen te
stikken. Goede God! wat overkomt mij."
Zijne vrienden drongen zich ongerust om hem heen.
»Laat mij toch voortgaan," zeide hij vastberaden, »als ik kwaad nieuws
moet hooren, is het maar beter dat ik het hoe eer hoe liever weet."
En ondanks de vermaningen zijner vrienden, die alles behalve gerust
waren, begon hij weder te klimmen, maar nu zooveel te sneller.
Weldra was hij op het terras voor de grot; daar bleef hij een oogenblik
staan om adem te scheppen.
»Komaan!" zeide hij.
En hij trad stoutmoedig in de grot, onmiddellijk door zijne vrienden
gevolgd.
Nauwelijks had hij zijn voet op den drempel der spelonk, of hij hoorde
zich bij zijn naam roepen.
Op het geluid dier stem beefde de jager, hij verbleekte, het koude
zweet droppelde langs zijn gezicht.
»O," murmelde hij, »wie roept mij daar zoo?"
»Valentin! Valentin!" klonk de stem op nieuw, maar zachter en vleiender
dan te voren.
De jager aarzelde, boog voorover, zijn aangezicht helderde op en
bekwam eene uitdrukking van onbeschrijfelijk geluk.
»Nog eens!... nog eens!" prevelde hij nauwelijks hoorbaar, met de
hand op het hart om het kloppen te stillen.
»Valentin!" riep de stem nog eens.
Ditmaal deed de Franschman een sprong voorwaarts als een leeuw en
slaakte een vreeselijken kreet.
»Mijne moeder!" riep hij met eene klaterende stem; »moeder, hier
ben ik!"
»Ach! ik wist wel dat hij mij herkennen zou," gilde zij en stortte
zich in zijne armen.
De jager sloot haar met koortsachtige drift aan zijne borst.
De arme oude vrouw wist niet hoe zij hem kussen of troetelen zou,
zij lachte en schreide tegelijk en was half gek van blijdschap en
schrik, dat zij hem in zulk een toestand wederzag.
Zij had er bijna berouw van dat zij zich aan deze proef had
blootgesteld.
Hij kuste haar gerimpeld gelaat, haar grijze haren en was niet in
staat een woord uit te brengen.
Eindelijk klonk er een geluid in zijne borst, hij haalde met kracht
adem, een snik barstte hem uit de keel, hij smolt in tranen weg en
riep op een toon van onbeschrijfelijke teederheid:
»Moeder! moeder! o mijne moeder!"
Deze woorden waren al wat hij zeggen kon.
Ook Valentin lachte en weende tegelijk, hij ging op een stuk rots
zitten, met zijne moeder op de eene knie, omhelsde haar met uitzinnige
vreugd, kon zich niet verzadigen haar aan te zien, hare bleeke wangen
en witte haren te kussen, en hare verflauwde oogen, die zoo lang om
hem geschreid hadden.
De toekijkers bij dit tooneel, bewogen door deze echte en eenvoudige
liefdebetooning, konden zich niet bedwingen en weenden in stilte met
moeder en zoon.
Curumilla, die in een hoek der grot op de hurken zat, staarde den
jager onbeweeglijk aan terwijl er twee tranen langs zijne olijfbruine
wangen biggelden.
Toen de eerste aandoening een weinig bedaard was, deed pater Seraphin,
die zich tot dusver, om den stillen afloop dezer teedere ontmoeting
niet te storen, op een eerbiedigen afstand had gehouden, eenige
stappen vooruit en plaatste zich tusschen de aanwezigen.
»Mijne kinderen," zeide hij op een zacht gebiedenden toon, terwijl
hij een eenvoudig kruisbeeld ophief, dat hij in de rechterhand hield,
»laten wij den Heer danken voor zijne oneindige barmhartigheid."
Allen knielden neder en aanbaden.
XVIII.
DE BERAADSLAGING.
Men moet zelf lange jaren in den vreemde hebben geleefd, verwijderd
van geliefde vrienden en betrekkingen, door onmetelijke afstanden van
hen gescheiden en zonder hoop van hen ooit weêr te zien, om de zoete
en tegelijk smartelijke gewaarwordingen te begrijpen, die Valentin
ondervond toen hij zijne moeder wederzag.
Wij, die een zeer groot en misschien het beste deel van ons leven in
de wildernissen der nieuwe wereld hebben doorgebracht, te midden van
de woeste horden die er rondzwerven, talen sprekende geheel buiten
eenige gelijkenis met de onze, overgegeven aan zeden en gewoonten die
geheel van de onze verschillen, wij herinneren ons levendig welk eene
aandoening zich van ons meester maakte, wanneer somtijds een verdoold
reiziger ons ontmoette en ons den voor ons hart altoos dierbaren en
heiligen naam van Frankrijk deed hooren.
Die naam herinnert ons alles: de familie, de vriendschap, het geluk,
drie woorden die het gansche menschelijk bestaan insluiten.
O! dan schijnt de ballingschap erger dan de dood.
Het is eene altijd opene, altijd bloedende wond, die de tijd in
plaats van te verminderen en te verzachten steeds doet toenemen,
met ieder uur ja met iedere minuut, en eindelijk verandert in zulk
eene onweerstaanbare behoefte, om al was het maar voor een uur de
geboortelucht weder in te ademen, dat daaruit vaak de verschrikkelijke
en ongeneeslijke kwaal ontstaat, die de doctors het heimwee noemen.
Dan komt het oogenblik, waarop de mensch buiten zijn vaderland
omdolende een onverwinnelijk verlangen gevoelt om het weder te zien,
en zijne moedertaal te hooren spreken; geen fortuin, geluk of eer
kunnen tegen dat verlangen opwegen.
De Franschman is wellicht meer dan eenig ander aan zijn vaderland
gehecht en dit gevoel is bij hem zoo levendig, dat hij nauwlijks
eenige jaren uit Frankrijk verwijderd is of hij verlaat alles om er
terug te keeren, al waren zijne omstandigheden in den vreemde ook
nog zoo voordeelig.
Valentin althans had gedurende de vele jaren die hij in de woestijn
had doorgebracht de herinnering aan zijn geboorteland levendig bewaard.
Menigmaal, terwijl hij met pater Seraphin uren lang zat te keuvelen,
sprak hij hem van zijne moeder, als van die goede vrome vrouw, die
hij nu helaas! niet meer hopen dorst weder te zien, daar hij zijnen
hartelijken wensch om naar Frankrijk terug te keeren sedert lang
aan de noodzakelijkheid had ten offer gebracht; zijn hartstochtelijk
leven in de wildernis bekoorde hem dermate dat iedere overweging er
voor moest wijken, inzonderheid na de ongelukken zijner eerste jeugd
en de teleurstelling zijner eenige liefde.
Toen hij dus zijne moeder onverwachts terugvond en begreep dat zij
nu niet meer van hem zou scheiden, gevoelde hij zich onuitsprekelijk
gelukkig en had hij kunnen juichen van vreugd.
De man die zoo langen tijd verplicht was geweest zijne gewaarwordingen
van vreugd en verdriet in zijn binnenste te begraven, haalde op
eens ruimer adem, nu hij het eenigste wezen had wedergevonden daar
hij ongeveinsd en zonder terughouding zijn overkropt gemoed aan
kon uitstorten.
De behoefte aan mededeeling is een van de dringendste behoeften der
menschelijke natuur.
De gansche nacht ging voorbij in teedere gesprekken en scheen hem
niets meer dan een aangename en vluchtige droom.
De jagers, die rondom het vuur zaten, luisterden opgetogen naar het
gesprek dat tusschen moeder en zoon gevoerd werd in dien toon die
uit het hart komt en zoo liefelijk klinkt, terwijl zij elkander de
verschillende lotgevallen van hun afwisselend leven vertelden na zulk
eene lange scheiding.
Eenige oogenblikken voor zonsopgang echter maakte Valentin er een
einde aan en dwong hij zijne moeder om een weinig rust te nemen,
daar hij met reden vreesde dat op haar gevorderden leeftijd en na
de aandoeningen van dien dag en nacht een al te lang waken voor hare
gezondheid schadelijk zou zijn.
Mme. Guillois was er moeielijk toe te bewegen; doch voor de herhaalde
vermaningen van haar zoon moest zij zwichten en trok zij zich naar
hare kamer in de grot terug.
Zoodra Valentin dacht dat zijne moeder zou zijn gaan slapen, wenkte
hij zijne vrienden om naast hem te komen zitten.
Dezen, wel vermoedende dat hij hun gewichtige zaken had mede te deelen;
gehoorzaamden in stilte en wachtten met ongeduld tot hij zou spreken.
Valentin stond op en stapte eene poos het vertrek op en neder met de
handen op den rug en de wenkbrauwen samengetrokken.
»Caballeros," sprak hij eindelijk op gestrengen toon, »de dag komt
spoedig aan, het is de moeite niet meer waard voor u om aan slapen
te denken, weest dus zoo goed mij met uw goeden raad te helpen."
»Spreek slechts, vriend," zei pater Seraphin, »gij weet wel dat wij
u allen van harte zijn toegedaan."
»Dat weet ik, en gij meer dan iemand, vader," antwoordde Valentin, »ik
zal u eeuwig dankbaar zijn voor de groote dienst die gij mij bewezen
hebt; gij weet wel dat ik nooit iets vergeet; als het oogenblik komen
zal waarop ik u mijne schuld kan afdoen, moogt gij zeker zijn dat ik
die zal betalen."
»Laat dat buiten aanmerking, vriend," zei de missionaris, »ik wist
hoeveel gij van uwe moeder hieldt en hoe vurig gij verlangdet haar
weder te zien, ik deed dus niet meer dan ieder weldenkende in mijn
plaats zou gedaan hebben; laten wij er niet verder van spreken
bid ik u, ik verg geene andere belooning dan dat ik weet dat gij
gelukkig zijt."
»Dat ben ik, beste vriend," riep de jager in vervoering, »meer
dan ik u zeggen kan; maar het is juist mijn geluk dat mij in angst
brengt. Mijne moeder is wel is waar bij mij, maar helaas! gij weet aan
welke bezwaren ons leven in de woestijn bloot staat, alles is hier
onrust en strijd; in deze oogenblikken vooral zijn wij op het spoor
van een onverzoenlijke wraak. Is het voegzaam om van deze gevaren en
bezwaren mijne moeder deelgenoot te maken, eene vrouw van gevorderden
leeftijd, en daarbij wankelende gezondheid? Kunnen wij zonder wreed
te zijn haar verplichten ons te volgen bij het nazetten van den
booswicht dien wij zoeken? Neen, immers? Niemand uwer, daar ben ik
zeker van, zal mij dit aanraden; maar wat dan gedaan? Mijne moeder
kan evenmin alleen in deze grot blijven, verlaten, verstoken van
alle hulp en aan allerlei ontbering ten prooi; daar wij niet weten
waartoe de plicht dien wij met eede bezworen hebben ons morgen heen
zal roepen. Aan den anderen kant, zal mijne moeder, die zoo blijde
is met onze vereeniging, zoo gereedelijk bewilligen in eene al was
het slechts voorloopige scheiding, die intusschen naar gelang der
omstandigheden een onbepaalden tijd duren kan? Ik verzoek u dus,
mijne eenige en ware vrienden, geeft mij allen uw raad, want ik kom
er rond voor uit, ik weet niet welke partij ik kiezen zal; spreekt,
mijne vrienden, zegt mij wat ik doen moet."
Er volgde van de zijde der jagers eene langdurige stilte.
Ieder begreep de verlegenheid van Valentin; maar om hem te helpen
was het middel zeer moeielijk te vinden, daar allen evenzeer bezield
waren met de gedachte om den Roode-Ceder geen rust te laten, maar hem
tot het uiterste te vervolgen tot hij de billijke straf voor zijne
wandaden ontvangen had.
Zoo als gewoonlijk, kreeg ook in deze omstandigheden de eigenbaat
en het partijbelang de overhand boven de vriendschap. Alleen vader
Seraphin, die zich de zaak minder persoonlijk aantrok beschouwde haar
uit het rechte oogpunt; ook was hij de eerste die het woord opnam.
»Mijn vriend," antwoordde hij, »alles wat gij ons gezegd hebt is maar
al te waar, ik neem op mij om uwe moeder tot rede te brengen: zij zal
en moet zoo ik vertrouw begrijpen, hoe noodig het is dat zij naar de
bewoonde wereld terugkeert, vooral in een getijde des jaars als waarin
wij ons thans bevinden; alleen moeten wij zien hare gevoeligheid niet
te kwetsen en haar met een zacht lijntje naar Mexico trachten over te
brengen, zonder van de scheiding te spreken, die zij nog meer ducht dan
gij zelf. Gedurende de reis van hier naar de grenzen der beschaving
zullen wij trachten haar langzamerhand op de zaak voor te bereiden,
zoodat de slag haar minder zwaar treffen zal wanneer het oogenblik
van scheiden werkelijk komt. Dit is zoo ik meen het eenige wat gij
in de gegeven omstandigheden doen kunt en doen moet. Denk hierover
eens ernstig na, vindt gij een beter plan dan het mijne, ik zal de
eerste zijn om er mij naar te schikken."
»Uw raad is inderdaad de beste dien men mij geven kan," zei Valentin
met warmte, »en ik haast mij dien aan te nemen. Gij zijt alzoo gereed,
vader, ons tot aan de grenzen te vergezellen?"
»Zonder twijfel, vriend; en verder zelfs, als het wezen moest. Maak
u dus deswege niet ongerust; het is nu maar de vraag naar welk punt
wij ons begeven zullen."
»Dat is waar!" riep Valentin; »maar dat is juist moeielijk genoeg. Ik
zou mijne moeder liefst willen logeeren op eene plantage die niet
te ver afgelegen was, zoodat ik haar dikwijls zou kunnen gaan zien,
maar toch ver genoeg verwijderd van de wildernis om gedekt te zijn
tegen alle gevaar."
»Maar," zei don Miguel, »goede vriend, als wij dan eens naar mijne
hacienda trokken in den omtrek van Paso del Norte, mij dunkt die is er
uitmuntend geschikt toe, te meer daar zij uwe moeder al de waarborgen
van gemak en veiligheid aanbiedt die gij voor haar verlangen kunt."
»Inderdaad," riep Valentin, »mijne moeder zou zich nergens beter
bevinden dan in uwe hacienda, ik zeg u hartelijk dank voor uw aanbod,
maar ongelukkigerwijs kan ik het niet aannemen."
»Waarom niet?"
»Wel, mijn hemel! die reden is zoo klaar als de dag, het is dat uwe
hacienda te ver van ons af is."
»Denkt gij dat?" vroeg don Miguel.
Valentin moest tegen wil en dank glimlachen om deze vraag van den
hacendero.
»Vriend," zeide hij zachtzinnig, »sedert onze intrede in de woestijn
hebben wij, door de omstandigheden gedrongen, zoo vele omwegen moeten
maken, dat gij alle besef en berekening van afstand verloren hebt
en volstrekt niet meer schijnt te weten hoe vele mijlen wij hier van
Paso del Norte verwijderd zijn."
»Op mijn eer! dat moet ik bekennen," zei don Miguel verwonderd;
»met dat al geloof ik niet dat wij er zoo heel ver af zijn."
»Hoe ver denkt gij?"
»Wel! honderd vijftig mijlen op zijn verst."
»Mijn goede vriend," riep Valentin hoofdschuddend, »gij zijt de
rekening ver mis: wij zijn hier meer dan zeven honderd mijlen ver
van Paso del Norte, en dat is de naaste grens der beschaafde wereld."
»Te duivel!" riep de hacendero, »dat zou ik nooit hebben gedacht."
»En dan nog," vervolgde Valentin, »van de stad Paso del Norte tot
naar uwe hacienda bedraagt ongeveer vijftig mijlen, niet waar?"
»Ja, ongeveer."
»Gij ziet dus, vriend, dat ik tot mijn groote spijt uw edelmoedig
aanbod onmogelijk kan aannemen."
»Wat dan gedaan?" zei generaal Ibanez.
»Dat is netelig genoeg," antwoordde Valentin, »wij hebben zoo weinig
tijd."
»En wat uwe moeder betreft, die kan niet hier blijven, dat is volslagen
onmogelijk," zei don Miguel.
Volgens zijne gewoonte, had Curumilla het gehouden gesprek in stilte
gevolgd zonder een woord in het midden te brengen.
Toen hij evenwel zag dat de jagers het niet eens konden worden,
wendde hij zich tot Valentin.
»Een vriend verlangt te spreken," zeide hij. Allen keken hem aan.
De jagers wisten dat Curumilla nooit het woord nam dan om een raad
te geven, die bijna altijd gevolgd werd.
Valentin knikte dus toestemmend.
»Onze ooren zijn geopend, hoofdman," zeide hij.
Curumilla stond op.
»Koutonepi vergeet iets," zeide hij.
»Wat vergeet ik?" vroeg de jager.
»Koutonepi is de broeder van den Eenhoorn, den grooten Sachem der
Comanchen."
De Franschman klopte zich met de vuist voor het hoofd van blijdschap.
»'t Is waar ook," riep hij, »dat ik daaraan niet gedacht heb! Waarlijk
hoofdman, gij zijt een man dien de Voorzienigheid ons toezendt,
niets ontgaat uw aandacht."
»Is mijn broeder voldaan?" vroeg Curumilla.
Valentin drukte hem hartelijk de handen.
»Hoofdman," riep hij, »gij zijt de uitmuntendste man dien ik ken,
ik dank u uit grond van mijn hart; overigens hebben wij elkander
volkomen begrepen en bij gevolg niets meer te zeggen, nietwaar?"
De Araucaansche Ulmen beantwoordde den handdruk van zijn vriend met
de meeste hartelijkheid, ging weder zitten, en trok al zijne besluiten
en gewaarwordingen samen in dit eene woord:
»Goed!"
Intusschen hadden de overige personen deze onderhandeling bijgewoond
zonder te weten wat zij beteekenen moest. Ofschoon zij reeds lang
genoeg met den Araucaan hadden samengeleefd, waren zij nog niet op
de hoogte om zijne achterhoudendheid te doorgronden of liever zijn
laconisme te begrijpen; zij wachtten dus vol nieuwsgierigheid op de
nadere verklaring die Valentin van de weinige woorden tusschen hem
en den Ulmen gewisseld, geven zou.