haar verdriet in haar binnenste, om hem altoos een opgeruimd gezicht
te kunnen toonen.
De Roode-Ceder liet zich al meer en meer door de zachte genoegens
van een leven wegslepen dat hem zeer aangenaam scheen. Wanneer soms
de gedachte aan zijne zonen hem in zijne tegenwoordige rust dreigde
te storen, was een blik op Ellen hem genoeg en voerde het gezicht
van de engel die hij in haar bezat en die zich zoo geheel aan zijn
geluk had toegewijd al het andere uit zijne gedachten.
Intusschen was vader Seraphin de bewoners der jacal reeds meermalen
komen bezoeken; had hij daarbij met genoegen opgemerkt de gelatenheid
waarmede de Squatter zich in zijn nieuwen staat schikte, de treurige
neerslachtigheid daarentegen die zijne dochter scheen te ondermijnen
was zijn blik niet ontgaan. Hij had te veel ondervinding in de wereld,
om niet te begrijpen, dat een meisje van Ellens leeftijd hare schoonste
jaren niet zoo in de eenzaamheid kon slijten zonder hoop van met de
maatschappij in aanraking te komen.
Ongelukkigerwijs was het middel daartoe, zoo niet onmogelijk, dan
toch zeer moeielijk te vinden. De goede missionaris hield zich maar
alsof hij er niets van merkte, daar hij zeer goed begreep dat hij al
zijn troost aan het meisje te vergeefs zou verspillen en dat niets
in staat zou zijn om de neerslachtigheid te bestrijden in welke zij
verzonken was.
Zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, vermoedde de
Roode-Ceder van het verdriet zijner dochter volstrekt niets; zij was
voor hem altijd even goed, zachtzinnig, opgeruimd en oplettend; hij
genoot den voordeeligen kant van alles, was voor zichzelven gelukkig
en dacht in zijne eigenliefde verder aan niets.
Zoo gingen de dagen voorbij, de een volkomen gelijk aan de ander;
intusschen kwam de winter; het wild werd schaarscher en de
jagerstochten van den Squatter werden al moeielijker en langduriger.
Rondom de hoogste toppen der bergen verzamelden zich grijsachtige
wolken, die met iederen dag lager afdaalden en weldra in regen en
sneeuw over de prairie losbarstten.
De winter is een geduchte tijd in de woestijn van het Verre Westen;
alle plagen tegelijk schijnen dan neêr te komen op den ongelukkige
dien het lot in deze onherbergzame streken wierp, zonder de noodige
middelen om dit vreeselijk klimaat te braveeren, en weldra moet hij
als het slachtoffer zijner onvoorzichtigheid, na het doorstaan van
onbeschrijfelijke jammeren, van honger en gebrek omkomen.
De Roode-Ceder kende de winters van het Verre Westen te lang en te
goed om dit jaargetijde niet met een soort van schrik te zien naderen.
Daarom zocht hij zich ook op alle mogelijke wijzen van de noodige
levensmiddelen en onmisbare dierenvellen te voorzien.
Met het krieken van den dag stond hij op, reed in galop de prairie
in, doorkruiste haar in alle richtingen en keerde niet naar de jacal
terug voordat de nacht hem dwong zijne jacht te staken.
Maar, gelijk wij reeds gezegd hebben, werd het wild in de prairie
met iederen dag schaarscher en kwam de Squatter iederen avond later
van de jacht thuis.
Op zekeren morgen dat hij vroeger dan naar gewoonte was opgestaan,
en in de grootste stilte de hut uitsloop, om zijne dochter niet
noodeloos wakker te maken, trad hij naar de corral, zadelde zijn
paard en reed in galop weg.
Hij had den avond te voren het spoor van een prachtigen zwarten
beer gevonden, dat hij gevolgd was tot op korten afstand van het
hol waar het dier zich terugtrok, en nu wilde hij hem daar in zijn
leger overvallen.
Om dit te volvoeren moest hij zich haasten; de beren zijn niet als
andere wilde beesten maar gaan liefst over dag uit om hun aas te
zoeken, terwijl zij gemeenlijk reeds in tijds hun schuilhoek verlaten.
De Squatter, die met den aard dezer dieren zeer goed bekend was,
ging er dus zoo vroeg mogelijk op uit om zijn doel niet te missen.
De zon was nog niet op. De hemel nog donkerblauw en vol sterren begon
eerst aan den uitersten gezichteinder die bleeke opaaltinten aan te
nemen, die vervolgens in rozerood overgaan als aankondigers van den
naderenden morgenstond.
Alles beloofde een schoonen herfstdag; eene lichte koelte boog
nauwelijks de bovenste takken van het dichte geboomte, en rimpelde
slechts even de stilvlietende beek aan welker boorden de Squatter
voortreed.
Een dunne doorzichtige nevel steeg op uit den grond, bezwangerd
met de frissche morgengeuren die de borst verkwikken en ruimer doen
ademen. De vogels ontwaakten de een na den ander onder het gebladerte,
en begonnen zacht hun voorspel voor het welluidend concert dat zij
iederen morgen aanheffen als om de ontwakende natuur te begroeten.
Van lieverlede verdwenen de schaduwen van den nacht, de zon steeg
luisterrijk uit de kimmen en de dag ging heerlijk op.
De Roode-Ceder bereikte den ingang eener smalle bergengte, aan
wier uiteinde, te midden van een chaos van rotsklompen, het bewuste
berenhol gaapte.
Hier bleef hij eenige oogenblikken staan om adem te scheppen en zijne
laatste aanstalten te maken.
Vooreerst steeg hij af, kluisterde zijn paard, gaf het zijn erwtenvoêr,
en na zich verzekerd te hebben dat zijn geweer en jachtmes in goeden
staat waren, trad hij de engte binnen.
De Squatter liep in bukkende houding, met oog en oor gespitst, als
de jager die op zijn prooi afging, toen hij op eens, nauwelijks tien
passen van den ingang der bergengte, een zware hand op zijn schouder
voelde en een schaterende lach in zijn oor klonk.
Hij keek verwonderd op; maar zijne verwondering veranderde bijna in
schrik, toen hij den man zag, die met de armen op de borst gekruist
en met een spottenden grijns op de lippen voor hem stond.
»Fray Ambrosio!" riep de Squatter een stap teruggaande.
»Hola! compadre," antwoordde deze, »gij schijnt wel zeer hardhoorende,
dat gij mij tienmaal laat roepen zonder u te verwaardigen mij te
antwoorden. Satanas! ik heb u moeten aanstooten om u te doen begrijpen
dat men u noodig had."
»Wat wilt gij van mij hebben?" vroeg de Squatter op onvriendelijken
toon.
»Hoedat! wat ik van u hebben moet, compadre? Dat is een zonderlinge
vraag; dat zult gij immers zoo goed weten als ik."
»Ik begrijp u niet," hernam de Squatter altijd bedaard, »verklaar u
dus nader, verzoek ik u."
»Dat wil ik wel doen, vrindje," antwoordde de monnik met een spottenden
lach.
»Maar gij moest u een weinig haasten, want ik zeg u dat ik niet veel
tijd heb."
»Dat kan wel zijn, maar ik heb tijd genoeg; gij zult dus wel zoolang
dienen te wachten tot ik gesproken heb."
De Roode-Ceder werd wrevelig, maar bedwong zich.
»Ik zal u zeggen wat er van is," begon de monnik met nadruk. »Ik heb
sinds geruimen tijd naar u gezocht."
»Goed! maar geen lang gezwets! Gij vindt mij nu, verklaar u dus in
twee woorden, want ik zeg u nog eens, ik heb geen tijd."
»En ik herzeg u, dat mij dat niet kan schelen. O he! zie mij maar
niet zoo donker aan, compadre, gij zult mij toch moeten aanhooren."
De Roode-Ceder stampvoette van ongeduld, hij trad naar den monnik,
legde hem de hand op den schouder en keek hem strak in 't aangezicht.
»Het schijnt wel, vrindje," sprak hij kort en droog, »het schijnt wel
dat onze rollen verwisseld zijn en dat gij mij uit de hoogte zoekt
te behandelen, maar neem u in acht, ik ben kort van stof, dat weet
gij, en zoo gij dat niet in 't oog houdt zou mijn geduld spoedig op
kunnen raken."
»Dat kon wel wezen," hernam de monnik stoutmoedig; »maar indien onze
rollen verwisseld zijn, wiens schuld is dat, als ik u vragen mag,
de uwe of de mijne? Uwe zonen hadden gelijk toen ze mij zeiden dat
gij een kluizenaar zijt geworden en nergens meer toe deugt."
»Ellendeling!" riep de Squatter in drift opstuivend, maar hij bedwong
zich onmiddellijk.
»Mooi! scheldwoorden ontbreken nog! Maar geneer u niet; ik zie u liever
zoo dan anders, nu ten minste herken ik u weder. Duivels! wat zijt
gij veranderd, die Fransche zendelingen zijn inderdaad heksenmeesters;
hoe jammer dat de inquisitie sedert den vrijheidsoorlog is afgeschaft."
De Roode-Ceder keek den monnik aan, wiens kattenoogen met duivelschen
spotlust op hem gevestigd waren. Hij voelde zich langzamerhand opwinden
tot een van die koele razernijen die des te vreeselijker dreigen los
te breken naarmate men ze meer tracht te beteugelen. Zijne vuisten
begonnen te jeuken om den onverlaat neer te slaan die hem durfde
tergen, hij deed vergeefsche pogingen om de gramschap te bedwingen
die hem allengs dreigde te overmeesteren.
Intusschen was de monnik niet zoo geheel op zijn gemak als hij wel
wilde schijnen: hij zag de wenkbrauwen van den Squatter meer en meer
samentrekken, zijn gelaat een loodkleur aannemen en een storm opkomen,
dien hij niet gaarne tot zijne schade zou zien losbarsten.
»Hoor eens," hervatte hij op meer bevredigenden toon, »waarom zouden
oude vrienden elkander kwaad maken, con mil diablos! ik kom hier met
de beste oogmerken om u eene dienst te bewijzen."
De Squatter glimlachte met minachting.
»Gij wilt mij niet gelooven," vervolgde de monnik, »maar dat verwondert
mij geenszins; het gaat gewoonlijk zoo, goede bedoelingen worden vaak
miskend en men gelooft liever zijne vijanden dan zijne vrienden."
»Maak een eind aan uw gezwets!" riep de Squatter, »ik heb reeds veel
te lang naar u geluisterd; laat mij door en loop naar den duivel!"
»Ik zeg u wel dank voor het schoone voorstel dat gij mij doet,"
lachte de monnik, »met uw welnemen zal ik er geen gebruik van maken,
althans vooreerst niet. Maar steek er den draak niet langer meê! er
zijn hier kort bij twee personen die u dringend verlangen te zien en
die gij zeker met pleizier zult ontmoeten."
»Van welke personen spreekt gij? dat zijn zeker kerels van dezelfde
soort als gij."
»Wel waarschijnlijk," riep de monnik; »maar dat moogt gij zelf
beoordeelen, compadre."
En zonder het antwoord van den Squatter af te wachten bootste Fray
Ambrosio tot driemaal toe het gesis van de koraalslang na.
Bij het derde gesis kwam er op korten afstand van de beide sprekers
een lichte beweging in de struiken en sprongen er op eens twee mannen
in de bergengte.
De Roode-Ceder slaakte een kreet van verrassing toen hij hen zag;
hij herkende zijne beide zoons Sutter en Nathan.
De jongelieden kwamen snel op hun vader af en groetten hem met een
mengeling van eerbied en ironie, die den Squatter niet ontging.
»He! vader, zijt gij daar, vader!" riep Sutter barsch, terwijl hij
zijn geweer met een zwaren slag op den grond nederzette en de beide
handen op de tromp liet rusten, »wij hebben vrij lang moeten loopen
om u te bereiken."
»Het schijnt dat vader sedert onze laatste scheiding kwaker is
geworden; zijn nieuw geloof zal hem waarschijnlijk verbieden om met
zulk slecht gezelschap te verkeeren als het onze."
»Zwijg! hondsvotten," riep de Squatter stampvoetend, »ik doe wat ik
wil, en niemand zoo ver ik weet, heeft het recht om daar iets op aan
te merken."
»Daarin vergist gij u toch, vader," hernam Sutter brutaal, »ik
bijvoorbeeld, vind uw gedrag onvoegzaam voor een man."
»Ongerekend nog," voegde de monnik er bij, »dat gij uwe bondgenooten
in de verlegenheid brengt; dat is niet eerlijk."
»Dat is eene andere vraag," zei Nathan; »als vader puritein wil
worden, dat is zijne zaak, daar zou ik zooveel kwaad niet in vinden;
maar alles op zijn tijd; naar mijne gedachten doet men zoo iets niet
wanneer men door vijanden omringd is en als een wild dier vervolgd
wordt; dan komt het niet te pas zich in een lammerenvacht te steken
en zich als een weerloos mensch aan te stellen."
»Wat wilt gij daarmede zeggen?" riep de Squatter ongeduldig; »hebt
gij haast gedaan met uwe raadselachtige gezegden? Verklaar u liever
in eens, en maak dat er een eind aan komt."
»Dat zal ik, vader," hervatte Nathan. »Terwijl gij in eene
bedriegelijke rust insluimert waken uwe vijanden en spannen zij
strikken, waarin zij u weldra hopen te zullen vangen. Denkt gij dat
wij niet sedert lang reeds uw schuilhoek geweten hebben? Wie zou zich
ergens in de prairie kunnen verbergen zonder ontdekt te worden? Maar
wij hebben uwe rust niet willen storen voordat het geschikte oogenblik
gekomen was, en daarom ziet gij ons van daag eerst hier."
»Ja," riep de monnik; »maar nu is er ook geen tijd te verliezen;
terwijl gij u op de schoone woorden van den Franschen missionaris
verlaat, die voor u zorgde en u in slaap suste om u des te beter in
zijne macht te hebben, maken uwe vijanden zich klaar om u van alle
zijden te gelijk aan te vallen en met u af te rekenen."
De Squatter keek verbaasd op, en scheen te twijfelen.
»Maar die man heeft mij het leven gered," zeide hij.
De drie anderen schoten in een lach.
»Wat doet een mensch toch met ondervinding!" riep de monnik zich tot
de jongelieden wendende met een veelbeteekenend schouderophalen. »Zoo
spreekt nu uw vader, een man die zijn gansche leven in de woestijn
heeft doorgebracht en er op eens de heiligste wet van vergeet, »oog
om oog, tand om tand," en niet begrijpt dat die Franschman, die,
zooals hij zegt, hem het leven heeft gered, hem eigenlijk beet heeft,
en zijne wonden heeft zoeken te genezen om hem later des te beter
te kunnen folteren, en het genoegen te hebben hem het volle leven te
benemen in plaats van dat ellendige beetje adem dat hem nog overbleef
toen hij hem in het bosch vond liggen."
»O! neen, neen," riep de Squatter, »gij liegt, dat is onmogelijk."
»Is dat onmogelijk!" herhaalde de monnik medelijdend, »helaas! wat
zijn de menschen toch verblind! Zeg eens, compadre; had die priester
geen oude rekening met u te vereffenen?"
»Ja wel, maar," mompelde de Roode-Ceder,.... »maar hij heeft het
mij vergeven."
»Hij u vergeven! Zoudt gij het hem dan hebben vergeven, zeg? Kom
loop! houd u toch niet zoo onnoozel, compadre. Ik zie nu wel dat er
met u niets te beginnen is; doe voortaan wat gij wilt, wij laten u
aan uw lot over."
»Ja," riep de Squatter, »laat mij aan mijn lot over, dat is alles
wat ik verlang."
De monnik en zijne twee makkers gingen een paar stappen ver en hielden
zich alsof zij hem wilden verlaten.
Fray Ambrosio keek echter om; de Roode-Ceder stond nog op dezelfde
plaats, met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen, over het gesprokene
na te denken.
De monnik begreep dat hij den Squatter aan 't wankelen had gebracht
en dat het oogenblik daar was om een beslissenden slag te slaan.
Hij keerde op zijne stappen terug.
»Compadre!" zeide hij, »nog een laatste woord, of liever eene laatste
waarschuwing."
»Nog meer?" bromde de Roode-Ceder met een zenuwachtigen grijns.
»Pas maar op Ellen," zei de monnik scherp.
»Wat?" riep de Squatter terwijl hij opsprong als een panter en Fray
Ambrosio bij den arm greep, »wat zegt gij daar, monnik?"
»Ik zeg u," hernam de andere met eene vaste en nadrukkelijke stem,
»dat uwe vijanden u door Ellen willen straffen, en dat die vervloekte
missionaris u om geene andere redenen heeft zoeken te beschermen, dan
uit vrees dat het meisje, daar hij het oog op heeft, hem ontsnappen
zal."
Bij deze verpletterende woorden had er bij den Roode-Ceder eene
geweldige verandering plaats, zijn gelaat werd bleek en eene
stuipachtige trilling ging hem door de leden.
»O!" riep hij met eene stem als een brullende tijger, »laten zij dan
komen! dan tart ik hen!"
De monnik keek de anderen zegevierend aan. Zijn toeleg was hem gelukt
en hij had zijn prooi weerloos in handen.
»Kom," vervolgde de Roode-Ceder, »kom mede; om Gods wil! verlaat mij
niet. Wij zullen dat adderengebroedsel verpletteren! Ha! denken zij
mij beet te hebben," vervolgde hij met een stuipachtigen lach, die
hem de keel schier deed bersten, »ik zal hun toonen dat de oude leeuw
nog niet overwonnen is! Ik kan immers op u rekenen, mijne kinderen? en
op u, Fray Ambrosio?"
»Wij zijn uwe eenigste vrienden," zei de monnik, »dat weet gij wel."
»'t Is waar," hernam hij. »Vergeeft mij dat ik het een oogenblik
vergeten kon. Ha! gij zult zien, gij zult zien!"
Twee uren daarna bereikte hij met zijne drie nieuwe gezellen de jacal.
Toen Ellen hen zag binnen komen ging haar eene koude huivering door
het lijf.
Een heimelijk voorgevoel voorspelde haar dat er een nieuw onheil op
handen was.
XVII.
MOEDER EN ZOON.
Zoodra Pater Seraphin den Roode-Ceder en Ellen in de jacal gevestigd
en zich verzekerd had dat het nieuwe bestaan hun door hem bezorgd,
hun zoo al niet behaagde ten minste dragelijk scheen, was hij er op
bedacht om zijne belofte aan de moeder van Valentin te vervullen.
Ondanks al haar moed en geduld gevoelde de goede vrouw hare krachten
van dag tot dag minder worden; zij zeide wel niets en beklaagde zich
niet, maar de bewustheid dat zij zoo dicht bij haar zoon was, zonder
hem te kunnen zien en te omhelzen na zulk eene lange scheiding, en na
zoo vele doorgestane proeven van afwisselende hoop en teleurstelling,
dompelde haar in eene sombere zwaarmoedigheid daar zij geen raad voor
wist; zij gevoelde dat zij langzamerhand wegstierf en kwam eindelijk
tot de verschrikkelijke overtuiging dat zij hem nooit weer zien zou,
dat hij misschien dood was en dat de zendeling uit vrees van haar
een doodelijken slag te zullen toebrengen haar bleef wiegen met eene
ijdele hoop die zich nimmer zou verwezenlijken.
De moederlijke liefde redeneert niet.
Alles wat pater Seraphin haar gezegd had om haar geduld te leeren
oefenen, had hare droefheid alleen in slaap gesust, om haar vervolgens
tot verdubbelde vrees en met dubbele kracht te doen ontwaken.
Wat zij sedert hare ontscheping in Amerika had gezien en had hooren
vertellen, gaf slechts nieuw voedsel aan haar angst, door haar te
doen gevoelen dat in dit wonderlijke land het menschelijk leven vaak
hing aan een brozen draad. Toen dus de zendeling haar eindelijk
aankondigde dat zij binnen acht dagen haar zoon zou omhelzen, was
hare blijdschap zoo groot, dat zij op het punt was van te bezwijmen
en dacht te zullen sterven.
In 't eerst kon zij aan dit geluk niet gelooven.
Door al de ondervonden teleurstelling was zij in zulk eenen graad
wantrouwend geworden, dat zij niet anders dacht of de goede priester
had dit maar zoo gezegd om haar op nieuw een tijdlang tot geduld te
stemmen, evenals men aan onherstelbare kranken soms dingen belooft
die toch nooit waar kunnen wezen.
Intusschen was pater Seraphin, ofschoon hij zeker wist dat Valentin
zich op dit oogenblik in de prairie bevond, niet bekend met de juiste
plaats waar hij hem zoeken moest.
Dien zelfden avond in de grot terugkomende die hij tijdelijk betrokken
had, zond hij vier zijner Indianen af, in vier verschillende richtingen
om op kondschap uit te gaan en stelliger berichten omtrent den jager
in te winnen.
De moeder van Valentin was er bij tegenwoordig toen de missionaris
zijne koeriers uitzond; zij hoorde de bevelen die hij hun gaf,
zag hen vertrekken en begon toen de minuten te tellen tegen wanneer
zij terug konden zijn; in stilte berekenende hoeveel tijd zij zouden
behoeven om haar zoon te bereiken, hoeveel tijd om naar de grot terug
te komen, de toevallige omstandigheden die hen op weg konden ophouden,
kortom duizend onderstellingen en vermoedens waarmede gevoelige zielen
zich bezig houden wanneer zij met ongeduld wachten op iets waar zij
reikhalzend naar verlangen.
Er verliepen twee dagen zonder dat een der boden terugkwam.
De arme moeder zat op een stuk rots, met de oogen onafgewend naar de
vlakte gericht, altoos te wachten, onbewegelijk en onvermoeid.
Tegen den avond van den derden dag bespeurde zij op een grooten
afstand eene zwarte stip, die gedurig merkbaarder werd en snel de
plek scheen te naderen waar zij zat.
Van lieverlede werd het donkere voorwerp grooter en duidelijker;
weldra ontwaarde zij een ruiter die in vollen galop den ingang der
vallei naderde.
Het moederhart klopte alsof het in hare borst wilde barsten.
Die ruiter was blijkbaar een der koeriers door den missionaris
uitgezonden; maar welke tijding zou hij brengen?
Eindelijk reed de Indiaan de vallei binnen, steeg van zijn paard en
begon den berg te beklimmen.
't Was of de oude de beenen uit hare jeugd terug had bekomen, zoo
snel als zij naar hem toe vloog en in weinig oogenblikken had zij de
ruimte doorloopen die haar van hem scheidde.
Maar nauwlijks stonden zij tegenover elkander, of er deed zich eene
nieuwe zwarigheid voor.
De Roodhuid sprak of verstond geen woord Fransch en zij op hare beurt
kende geen syllabe Indiaansch.
Moeders nochtans hebben eene taal op haar eigen hand, die men de
vrijmetselarij van het hart zou kunnen noemen en die zich in ieder
land verstaanbaar maakt.
Toen de flinke Comanch voor haar staan bleef, de armen op de borst
kruiste en haar met een gullen glimlach begroette, sprak hij slechts
dit ééne woord: »Koutonepi."
De oude vrouw wist wel dat dit de naam was waarmede de Indianen gewoon
waren haar zoon te noemen.
Zij voelde zich op eens gerust gesteld door den glimlach van dien man
en door den toon waarop hij den naam van haar zoon had uitgesproken.
Den krijgsman dadelijk bij den arm nemende, trok zij hem naar de
grot, waar zij wist dat pater Seraphin bezig was met zijn getijdeboek
te lezen.
»Wel!" vroeg deze zoodra hij haar zag, »wat is er voor nieuws?"
»Die man heeft mij niets kunnen zeggen, ik versta zijne taal niet,
maar het ligt mij zoo bij dat hij goede tijding brengt."
»Met uw verlof zal ik hem ondervragen."
»Doe, o doe dat; ik wil zoo spoedig mogelijk weten hoe het er mede
staat."
De zendeling wendde zich nu tot den Roodhuid, die op eenigen
afstand onbewegelijk was blijven staan en de korte redewisseling
had aangehoord.
»Mijn broeder de Spinnekop gutst het zweet van het voorhoofd,"
zeide hij, »hij zette zich naast mij neder, hij heeft een verren
tocht gemaakt."
De Indiaan glimlachte ernstig en maakte voor den missionaris eene
deftige buiging.
»De Spinnekop is een opperhoofd in zijn stam," begon hij met zijn
gewonen schellen en welluidenden keelklank; »hij kan springen als de
jaguar en kruipen als de slang; er is niets dat hem vermoeit."
»Ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman is," antwoordde de
missionaris; »zijne wapenfeiten zijn talloos, de Apachen vluchten
waar hij zich vertoont. Heeft mijn broeder de jongelingen van zijn
stam ontmoet?"
»De Spinnekop heeft hen ontmoet: zij jagen aan de boorden der
Rio-Gila."
»Was hun hoofd, de Eenhoorn, met hen?"
»De Eenhoorn was er met zijne krijgslieden."
»Goed! mijn broeder heeft de oogen van een tijgerkat, niets ontgaat
hem. Heeft hij den grooten blanken jager ontmoet?"
»De Spinnekop heeft met Koutonepi en verscheidene andere vrienden van
den bleeken jager, rondom zijn haard vereenigd, de calumet gerookt."
»Heeft mijn broeder met Koutonepi gesproken?" hervatte de missionaris.
»Ja, Koutonepi wenscht zich geluk dat de vader der gebeden is
teruggekeerd, dien hij vreesde niet weder te zullen zien. Zoodra
de walkon tweemaal zingt zal Koutonepi met zijne gezellen bij mijn
vader komen."
»Mijn broeder is een slim en vaardig krijgsman; ik bedank hem voor
de wijs waarop hij den hem toevertrouwden last heeft uitgevoerd; geen
ander krijgsman had dien zoo kloek en zoo gezwind kunnen volbrengen."
Bij dit welverdiend en vleiend kompliment plooide zich een glimlach van
genoegen en trots om de lippen van den Indiaan, die na een eerbiedigen
kus op de hand van den missionaris terstond heenging.
Vader Seraphin wendde zich toen tot Mme. Guillois, die met brandende
nieuwsgierigheid den uitslag van het gesprek afwachtte en in de blikken
van den priester zocht te lezen, of zij hopen dan wel vreezen moest;
hij drukte haar zacht de hand en sprak op dien liefderijken toon die
hem zoo bijzonder eigen was:
»Uw zoon komt, weldra zult gij hem zien; hij zal nog dezen nacht hier
zijn, binnen twee uren op zijn langst."
»O!" riep zij op een toon die zich niet laat beschrijven, »mijn
God! gij zijt geloofd!"
Zij wierp zich op de knieën, deed een lang gebed en smolt in hare
tranen als weg.
Pater Seraphin zag dit niet zonder ongerustheid en hield haar in
het oog, gereed om haar dadelijk hulp te verleenen zoo zij in hare
aandoening mocht bezwijmen.
Na eenige minuten stond zij op, glimlachte door hare tranen en hernam
hare plaats naast den zendeling.
»Houd moed!" zeide hij, »gij hebt u zoo sterk getoond in uwe droefheid,
zoudt gij zwak worden in de vreugde?"