»Welnu, toen ik zag dat ik verloren was, dacht ik aan het spreekwoord

van mijn land, haalde ik de kaarten uit mijn alforjas (knapzak) en

begon, ofschoon gansch alleen, te spelen, wel overtuigd dat er dan

spoedig, ongevraagd wie of van waar, een kameraad zou opdagen, niet

om een partijtje met mij te spelen, maar om mij uit de verlegenheid

te helpen."

De Witte-Gazelle werd op eens ernstig en richtte zich op in den zadel.

»Gij hebt wel zeker spel gespeeld," zeide zij, »want zoo als gij ziet,

Andres Garote, ik ben gekomen."

Zoodra de ranchero zijn naam hoorde, want het was inderdaad onze

oude kennis die hier voor den duivel speelde, stak hij het hoofd op

en keek haar aan.

»Wie zijt gij toch," zeide hij, »dat gij mij zoo goed kent; ik kan

mij niet herinneren dat ik u ooit gezien heb?"

»Kom, kom," riep het meisje lachend, »uw geheugen moet dan wel kort

zijn, vriend; of herinnert gij u de Witte-Gazelle niet meer?"

Bij dezen naam sprong de ranchero een voet achteruit.

»O! tonto--dwaas!--die ik ben," riep hij; »'t is waar. Maar ik kon zoo

weinig denken dat ik u hier.... Neem mij niet kwalijk, señorita...."

»Hoe is het," viel de Gazelle hem in de rede, »hebt gij den Roode-Ceder

in den steek gelaten?"

»Caramba!" riep de ranchero, »zeg liever dat de Roode-Ceder mij in

den steek heeft gelaten; doch om hem geef ik minder, er is een andere

oude vriend daar ik drommels kwaad op ben."

»Ah zoo!"

»Ja, en ik zou het hem graag betaald zetten, des te meer daar ik er

op dit oogenblik wel kans toe zie."

»En wie is die vriend?"

»Gij kent hem even goed als ik, señorita."

»Dat kan wel zijn, maar dan dien ik zijn naam toch te weten, of gij

moest dien geheim willen...."

»Volstrekt niet," viel haar de ranchero met drift in de rede; »gij kent

zijn naam even goed als ik; de man dien ik bedoel, is Fray Ambrosio."

Toen zij dezen naam hoorde begon de Gazelle in het gesprek meer en

meer belang te stellen.

»Fray Ambrosio!" riep zij, »en wat hebt gij dien braven man te

verwijten?"

De ranchero keek het meisje strak aan, om te zien of het haar ernst

was. Het gelaat der Witte-Gazelle stond koel en strak; zij schudde

het hoofd.

»'t Is een oude rekening tusschen hem en mij," zeide hij, »God zal

ons oordeelen."

»Goed, dan wil ik u geen verderen uitleg vragen; en daar uwe zaken

mij niet bijzonder veel belang inboezemen, te minder omdat ik met de

mijne genoeg te doen heb, zult gij mij wel toestaan u te verlaten."

»Waartoe dat?" riep de ranchero schielijk, »laten wij bij elkander

blijven, wij zijn immers wèl samen; waarom zouden wij scheiden?"

»Waarom? omdat wij waarschijnlijk niet denzelfden kant uitmoeten."

»Hoe weet gij dat, nina? Als ik u hier heb moeten aantreffen, is het

zeker omdat wij samen zouden reizen."

»Ik ben niet van dat gevoelen; ik was op weg naar een man dien gij

waarschijnlijk niet gaarne onder de oogen zoudt willen komen."

»Dat 's niet gezegd, nina, dat 's niet gezegd," antwoordde de ranchero

met zekeren ijver; »want ik heb gezworen mij te zullen wreken aan

zekeren monnik Ambrosio; en alleen ben ik te zwak om het uit te voeren

of, om u de waarheid te zeggen, ik heb er den moed niet toe."

»Goed," riep de Gazelle meesmuilend, »maar hoe zult gij het dan maken

om u die wraak niet te zien ontsnappen?"

»O! daar weet ik wel raad op, dat is niets; ik ken iemand in de

woestijn die hem een doodelijken haat toedraagt en die er vrij wat

voor geven zou om tegen hem een afdoend bewijs in handen te krijgen,

want ongelukkig heeft die man het gebrek van eerlijk te zijn."

»Ah! zoo."

»Ja, wat denkt gij? niemand is immers volmaakt."

»En wie is die man?"

»O! hebt gij nooit van hem hooren spreken, nina?"

»Zeg wat gij weet! en noem mij zijn naam, zeg ik u."

»Zooals gij wilt; men noemt hem den Zoon des Bloeds."

»De Zoon des Bloeds!" riep de Gazelle blijkbaar verrast.

»Ja; kent gij hem?"

»Zoo wat; ga voort."

»Ronduit gezegd, dien man zoek ik."

»En gij hebt de bewijzen in handen, zegt gij, om dien Fray Ambrosio

te doen vallen?"

»Ik denk wel van ja."

»Waarom denkt gij het?"

De ranchero haalde de schouders op en trok zijn mond veel beteekenend

samen.

De Witte-Gazelle wierp hem een van die doorborende blikken toe waarmede

men in de diepte der harten lezen kan.

»Hoor eens," zeide zij, hem de hand op den schouder leggende, »den

man dien gij zoekt zal ik u doen vinden."

»Gij?"

»Ja!"

»Spreekt gij waarlijk in ernst," riep de ranchero met een sprong

van verbazing.

»Zoo ernstig als ooit; maar ik dien vooraf te weten of gij waarheid

gesproken hebt."

Andres Garote keek haar aan.

»Hebt gij het dan ook op Fray Ambrosio gemunt?" vroeg hij.

»Dat gaat u niet aan," antwoordde zij, »het is hier de vraag niet wat

ik zal doen, maar wat gij zult doen; hebt gij die bewijzen waarvan

gij spreekt, ja of neen?"

»Ik heb ze."

»Inderdaad?"

»Op mijn eer!"

»Volg mij dan, en binnen twee uren zijt gij bij den Zoon des Bloeds."

De ranchero trilde van vreugde, en er kwam een glimlach op zijn

verschrompeld gezicht.

»Spreekt gij in ernst?" riep hij.

»Kom mede," antwoordde zij.

De ranchero sprong te paard.

»Ik ben al klaar," zeide hij, »laten wij gaan."

»Laten wij gaan," herhaalde de Gazelle.

Zij vertrokken.

Intusschen had de dag plaats gemaakt voor den nacht, de zon was

sinds lang ondergegaan, een tallooze menigte sterren blonken aan het

hemelgewelf; de beide tochtgenooten reden naast elkander, snel als

de wind, zwijgend en zonder om te zien.

»Komen wij er haast?" hijgde Andres Garote eindelijk.

De Witte-Gazelle wees hem met de hand voor zich uit, in de richting

die zij volgden, en op korten afstand schitterde er een licht door

het geboomte.

»Daar is het," zeide zij.

XV.

HET HERSTEL.

De Roode-Ceder beterde slechts langzaam, ondanks de ijverige zorgen

door pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin aan hem besteed.

De zedelijke schok door den bandiet ontvangen toen hij zich zoo

eensklaps tegenover den zendeling bevond, was te sterk geweest om

geen invloed op zijn gestel uit te oefenen.

Evenwel was de Squatter zich tamelijk gelijk gebleven, sedert den dag,

toen hij tot het leven terugkeerende zich in ootmoed voor den zendeling

had neergebogen. Wat het ook wezen mocht, hetzij oprecht berouw, of een

gespeelde rol, maar hij was op dien voet volstandig blijven voortgaan,

tot groote voldoening van den missionaris en de twee vrouwen, die

uit grond van hun hart God dankten voor zulk eene verandering.

Zoodra de lijder in staat was op te staan en eenige passen in de grot

te wandelen, had pater Seraphin, die nog altijd vreesde Valentin te

zien opdagen, hem gevraagd wat hij voornemens was en welke levenswijs

hij in 't vervolg dacht te kiezen.

»Vader," antwoordde de Squatter, »ik ben voortaan uw eigendom; wat

gij mij raden zult zal ik doen, ik moet u doen opmerken dat ik een

soort van wildeman ben, die geheel zijn leven in de woestijn heeft

doorgebracht. Hoe zou ik deugen in eene stad, onder menschen van wier

gewoonten of karakter ik niets begrijpen zal?"

»Dat is zoo," zei de zendeling; »geheel zonder middelen van bestaan

op uw leeftijd en met geen ander vak bekend dan dat van jager of

woudlooper, zoudt gij een allerellendigst leven kunnen hebben en

misschien bitter armoede moeten lijden."

»Dat zou mij niet terughouden, vader, als ik daarmede mijn vorige

leven kon afboeten, maar ik heb de menschen te zwaar beleedigd om

in hun midden terug te keeren; 't is in de woestijn dat ik leven en

sterven moet, om door een onbezoedelden ouderdom, zooveel ik vermag,

de misdrijven te vergoeden van eene jeugd daar ik met afgrijzen

op terugzie."

»Ik moet u prijzen, uw voornemen is goed, laat er mij eenige dagen

over nadenken, dan zal ik zien of ik u de middelen verschaffen kan

om te leven zooals gij dat verstaat."

Hierbij bleef het gesprek.

Er verliep bijna eene maand zonder dat de missionaris, behalve de

vermaningen die hij den Roode-Ceder dagelijks gaf, op het hier boven

tusschen hen gesprokene terugkwam.

De Squatter had ten allen tijde Ellen zekere woeste, of als men het zoo

noemen kan, brutale en hardvochtige vriendschap getoond, die geheel

met zijn ruw en ongevoelig karakter overeenstemde; maar sedert hij

hare onbezweken trouw had leeren waardeeren en de zelfverloochening

waarmede zij hem op het krankbed verzorgde, was er bij hem eene soort

van omwenteling voorgevallen; een nieuw gevoel was er ontwaakt in zijn

hart en met al de kracht zijner ziel was hij begonnen dat bekoorlijke

schepsel lief te hebben.

De anders zoo woeste man behoefde het lieve meisje slechts te zien

om zoo gedwee te worden als een lam, een glans van genoegen straalde

uit zijne wilde oogen, en zijn mond, altijd zoo gereed tot vloeken,

opende zich gaarne om zachte woorden te spreken.

Menigmaal, als hij aan de zijde van den berg op korten afstand van

de grot met haar zat te praten, soms uren achtereen, kon hij met

onbeschrijfelijk genot luisteren naar die welluidende stem, wier

streelende klank hij tot hiertoe zoo weinig had gekend of opgemerkt.

Ellen verborg haar eigen leed in haar boezem en wendde eene

opgeruimdheid voor die zij wel verre was van te bezitten, om den

man niet te bedroeven dien zij als haar vader beschouwde en die zoo

gelukkig scheen haar vroolijk aan zijne zijde te zien.

Inderdaad, zoo iemand op dit oogenblik op het gemoed van den ouden

bandiet eenig overwicht bezat en in staat scheen hem op den goeden

weg terug te brengen, was het Ellen.

Zij wist dit wel en gebruikte met fijn overleg de macht die zij over

hem had om het mogelijke te doen tot verbetering van den wildeman,

die in zijn leven tot dusver voor al wat mensch heet een soort van

duivel geweest was.

Op zekeren morgen terwijl de Roode-Ceder, bijna geheel van zijne

wonden hersteld, aan den arm van Ellen zijne gewone wandeling deed,

kwam pater Seraphin, die sinds de laatste twee dagen afwezig was

geweest, hem te gemoet.

»Ach! zijt gij daar, vader!" riep de Squatter zoodra hij hem zag;

»ik begon reeds ongerust te worden dat ik u niet weder zien zou,

en ik ben blij dat gij terug zijt."

»Hoe bevindt gij u thans?" vroeg de missionaris.

»Zeer wel; ik zou geheel genezen zijn zoo mijne krachten reeds waren

teruggekeerd, maar dat zal niet lang meer duren, hoop ik."

»Zoo veel te beter, want dat ik zoo lang afwezig ben geweest, daarvan

zijt gij zelf min of meer de oorzaak."

»Hoedat?" vroeg de Squatter nieuwsgierig.

»Gij weet wel dat gij mij eenigen tijd geleden uw verlangen hebt te

kennen gegeven om u in de prairie te vestigen."

»Dat heb ik ook."

»Welnu, alles wel ingezien," hervatte de zendeling, »komt mij dat voor

u veel verkieslijker voor, daar het u de middelen zal verschaffen om

aan de vervolging uwer vijanden te ontsnappen."

»Geloof mij, vader," zei de Roode-Ceder ernstig, »dat ik geenszins

verlang te ontsnappen aan hen die ik beleedigd heb; als mijn dood de

misdaden kon afkoopen waaraan ik schuldig sta, zou ik niet aarzelen om

mijn leven op te offeren ter voldoening aan de openbare gerechtigheid."

»Ik acht mij gelukkig, vriend, te zien dat gij zulke goede gevoelens

koestert, maar ik geloof dat God, die in geen geval den dood des

zondaars wil, naar zijn gunstrijk welbehagen u liever de gelegenheid

laat om door een voorbeeldig leven zooveel mogelijk het kwaad te

herstellen, dat gij gedaan hebt."

»Ik ben uw eigendom, vader, heb ik u eenmaal gezegd, en ik herhaal het

nog; wat gij mij raadt, zal mij een bevel zijn, een bevel dat ik met

vreugde volbrengen zal. Het is eerst sedert de Voorzienigheid mij met

u in betrekking bracht, dat ik de grootheid mijner wanbedrijven heb

leeren beseffen. Helaas! ik ben er niet alleen geheel verantwoordelijk

voor, want daar ik nooit anders dan slechte voorbeelden gezien heb,

kende ik geen onderscheid tusschen goed en kwaad, dacht ik dat alle

menschen slecht waren, en ben ik in mijn doen niet anders te werk

gegaan dan in den bedriegelijken waan van wettige zelfverdediging."

»Nu dan, terwijl uw oor thans voor de waarheid is opengegaan, en uw

verstand den verheven zin van het Evangelie begint te begrijpen,

is u het pad aangewezen; voortaan hebt gij alleen te volharden op

den goeden weg dien gij vrijwillig zijt ingetreden."

»Helaas!" zuchtte de Squatter, »ik ben zulk een slecht schepsel en

de vergeving zoo diep onwaardig, dat naar ik vrees de Almachtige mij

niet in genade zal aannemen."

»Deze woorden zijn eene beleediging voor de Godheid," zei de zendeling

ernstig; »hoe schuldig de zondaar ook is, mag hij toch nooit wanhopen

aan de Goddelijke barmhartigheid; of zegt het Evangelie niet: er

zal grooter blijdschap zijn in den hemel over eenen zondaar die

zich bekeert dan over honderd rechtvaardigen die de bekeering niet

noodig hebben."

»Verschoon mij, vader."

»Welaan," hervatte de missionaris, op eens van toon veranderende,

»komen wij dan terug op de reden die mij tot u bracht. Ik heb voor u

in een aangenaam oord, eenige mijlen van hier eene jacal laten bouwen

waar gij met uwe dochter wonen kunt."

»Wat zijt gij toch goed, vader!" zei de Squatter in vervoering,

»wat ben ik u toch een dank schuldig!"

»Spreken wij daar niet van, ik zal mij genoeg beloond achten als ik

zie dat gij in uw berouw volhardt."

»O! vader, gij moet gelooven dat ik mijn vorige leven verfoei en

verafschuw."

»Ik hoop maar dat dit altijd zoo blijven zal. Die jacal waar ik u

zoodra gij zulks verlangt brengen zal, ligt in zulk een stillen en

verborgen hoek, dat zij schier onmogelijk te ontdekken is; ik zelf heb

haar van de noodige voorwerpen en gereedschappen voor uw dagelijksch

gebruik voorzien; gij zult er voedsel vinden voor een aantal dagen,

alsmede vuurwapenen en kruit om u tegen de wilde dieren te verdedigen

of op de jacht te gaan. Ik heb er ook eenige strikken en bevervallen

bijgevoegd, kortom, alles wat een pelsjager en strikkenzetter noodig

heeft."

»O! hoe goed zijt gij, vader!" riep Ellen met tranen van vreugde op

de wangen.

»Kom, kom, spreken wij daar niet van," hervatte de zendeling

vroolijk. »Ik deed niets meer dan mijn plicht: overigens heb ik,

tot meerdere zekerheid en om alle onbescheiden nieuwsgierigen den

pas af te snijden, de geheele zaak voor een ieder geheim gehouden;

de jacal is door mij alleen, zonder iemands hulp gebouwd. Gij kunt

dus gerust zijn dat niemand u in uwe hermitage zal komen storen."

»En wanneer kan ik nu naar mijne hut gaan, vader?"

»Wanneer gij maar wilt; alles is gereed."

»O, ja! als ik niet vreesde ondankbaar te schijnen, zou ik zeggen op

staanden voet, vader."

»Zoudt gij denken dat gij reeds weder sterk genoeg zijt om eene reis

van vijftien mijlen goed te maken?"

»Ik gevoel mij op dit oogenblik meer dan gewoon sterk, vader."

»Kom dan maar aanstonds mede; want als gij zelf mij dat voorstel niet

gedaan hadt, zou ik het u gedaan hebben."

»Dus is alles naar wensch, niet waar? en gij neemt mij dan volstrekt

niet kwalijk dat ik zooveel haast maak om u te verlaten, vader?"

»In 't minst niet, stel u daaromtrent gerust."

Al pratende waren onze drie wandelaars de berghelling afgedaald daar

de grot op lag en bevonden zij zich in de kleine vallei.

Drie gezadelde paarden stonden hun daar te wachten door een Indiaan

bewaakt.

»In de wildernis zijn de afstanden bijna te groot om te voet te gaan,"

zei pater Seraphin, »men kan bijna niet leven zonder paarden; gij

zult mij pleizier doen als gij deze van mij aanneemt."

»Maar vader," riep de Squatter, »dat is toch te veel, dat is veel te

veel; gij overstelpt mij waarlijk."

Vader Seraphin schudde het hoofd.

»Begrijp mij goed," zeide hij, »er steekt in alles wat ik voor u doe

veel meer slim overleg en baatzucht dan gij veronderstelt."

»Zoo!" riep de Roode-Ceder.

»Baatzucht in een goed werk!" riep Ellen ongeloovig, »nu schertst

gij toch, vader."

»Neen, lieve kind, ik spreek in goeden ernst; gij zult mij weldra

begrijpen: dat ik alles voor uw vader zoo goed overlegd en in orde

heb gebracht, is om hem volkomen in staat te stellen een eerlijk en

braaf jager te worden en hem ieder voorwendsel te ontnemen om tot

zijne oude dwalingen terug te keeren, zoodat het nu geheel zijn eigen

schuld zou zijn als hij niet volharden mocht in zijn besluit om zich

te verbeteren."

»'t Is waar," hernam de Roode-Ceder. »Nu vader, dan dank ik u voor

uwe baatzucht, die mij den gelukkigsten aller menschen maakt en mij

bewijst dat gij vertrouwen in mij stelt."

»Kom! nu te paard."

»Maar," zeide Ellen, »wij kunnen dunkt mij toch zoo niet vertrekken."

»Gij hebt gelijk," beaamde de Squatter, »hoe kan ik toch zoo wezen,

waar staat mijn hoofd?"

»Wat woudt gij zeggen?"

»Bij God! er is immers hier nog iemand, die zoo trouw geholpen heeft om

mij op te passen, vader; die goede vrouw is zich tot hiertoe in alles

gelijk gebleven; ik prijs mijne dochter dat zij mij hielp herinneren

niet ondankbaar jegens haar te zijn en ik wil deze grot niet verlaten

zonder haar mijne erkentenis...."

»Dat behoeft niet," viel de missionaris hem met drift in de rede,

»die goede vrouw is op dit oogenblik een weinig onpasselijk, zij heeft

mij verzocht u van harentwegen geluk te wenschen en te verzekeren

hoeveel genoegen het haar doet dat gij zoo geheel buiten gevaar zijt."

De Roode-Ceder en zijne dochter drongen er nu niet verder op aan;

zij begrepen wel dat de zendeling wellicht bijzondere redenen had om

deze zaak te laten rusten. Zij stegen dus in den zadel en zwegen er

van, ten einde hun weldoener niet te mishagen.

De Squatter wist niet dat de vrouw die hem verpleegd had de moeder

was van Valentin Guillois, zijn doodvijand. Vader Seraphin had Ellen

laten beloven dat zij dit geheim niet aan haar vader zou openbaren,

en het meisje had er van gezwegen zonder naar de reden van deze

geheimhouding te vragen.

Christelijke liefde en edelmoedigheid, die den grond van haar karakter

uitmaakten, hadden de moeder van den jager in staat gesteld om in

haar hart het gevoel van afkeer te verbergen dat de Roode-Ceder haar

inboezemde, en zoo lang deze in gevaar verkeerde was zij met de meeste

zelfverloochening en trouw behulpzaam geweest om hem te verzorgen;

maar naar mate de Squatter begon te herstellen en hare zorgen minder

noodig waren, had de goede vrouw zich terug getrokken, en eindelijk

zag zij den zieke slechts bij lange tusschenpoozen.

Tegen wil en dank had de moederlijke liefde bij haar den christelijken

zin verdrongen, en kon zij er niet zonder schrik en zonder smartelijk

voorgevoel aan denken, dat zij had mede gewerkt om den man in het

leven terug te roepen, dien zij als den doodvijand van haar geliefden

Valentin moest beschouwen.

Bovendien was zij niet te goed om hem kwalijk te nemen dat zijn

verblijf in de grot haar belette haar zoon te ontmoeten, dien zij zoo

vurig verlangde weder te zien; toen dus vader Seraphin haar verzekerde

dat de Squatter vertrekken zou, hoorde zij dit nieuws met groot

genoegen, hem te gelijk verzoekende om van zijn vaarwel verschoond

te blijven, dat voor haar toch niet anders dan gedwongen kon zijn.

Vader Seraphin had hier mede genoegen genomen, en wij hebben reeds

gezien hoe behendig hij het verzoek van den Squatter en diens dochter

wist af te wijzen.

Zij trokken dus op weg.

De Roode-Ceder haalde met volle teugen adem; het was hem een

onbeschrijfelijk genot de zuivere lucht der woestijn door borst en

aderen te voelen stroomen.

Hij scheen als te herleven, hij was weder vrij.

De missionaris beschouwde hem met groote aandacht en berekende in

stilte hoe hij zich de nieuwe gewaarwordingen van den Squatter zou

ten nutte maken, om hem in het vervolg op den goeden weg te houden

en wat hij te dien aanzien van hem te verwachten had.

De Roode-Ceder begreep onwillekeurig dat hij door zijn reisgenoot

bespied werd, en om hem van zijne gevoelens het beste te doen denken,

liet hij zich op de luidruchtigste wijs en met volle geestdrift uit

over zijne dankbaarheid voor al de genoten weldaden, eene dankbaarheid,

die ongetwijfeld grootendeels oprecht maar toch te onstuimig was om

van alle overdrijving vrij te zijn.

Vader Seraphin hield zich alsof hij alles voor goede munt aannam en

bleef gedurende de gansche reis op de vroolijkste wijs doorpraten.

Ongeveer zes uren nadat zij de grot verlaten hadden kwamen zij aan

de jacal.

Het was eene bekoorlijke kleine hut, uit jonge boomen en groene twijgen

samengesteld en in verscheidene kamertjes afgedeeld, met een corral

er achter om de paarden te stallen.

Er ontbrak inderdaad niets aan; in het hart van een welige vallei,

die zeer moeielijk te bereiken of te vinden was, verhief zij zich

aan den oever van een riviertje dat zijne wateren op korten afstand

ontlastte in de Rio Gila.

De ligging van dit eenzame verblijf was allerbekoorlijkst, en voor

iemand die in het leven der wildernis behagen vindt was het volkomen

geschikt om er gelukkig te zijn.

Toen de reizigers waren afgestegen en hunne paarden in de corral

hadden gebracht, trad vader Seraphin met zijne twee beschermelingen

de jacal binnen.

Alles was er volmaakt in orde, zooals hij gezegd had; en vond men er

al geen weelde, zoo ontbrak er toch niets aan het strikt noodige.

Ellen was er van opgetogen; haar vader veinsde misschien een weinig,

en geliet zich wellicht meer voldaan dan hij werkelijk was.

Na omtrent een uur lang met hen te hebben rondgeloopen, om hen alles

goed te laten zien, nam vader Seraphin van den Squatter en zijne

dochter afscheid.

»Nu al, vader!" riep Ellen, »gaat gij ons nu reeds verlaten, vader?"

»Ik moet, kindlief, gij weet wel dat ik geen meester ben van mijn

tijd," antwoordde de missionaris terwijl hij zijn paard besteeg,

dat de Squatter hem gebracht had.

»Maar ik hoop toch," zei de laatstgenoemde, »dat gij niet te lang

zult wegblijven, vader, en dat gij steeds aan de jacal zult denken,

waar zich twee personen bevinden die alles aan u te danken hebben?"

»Ik laat u volkomen vrij in uw doen en laten," zei pater Seraphin,

»als ik te dikwijls bij u kwam zoudt gij in mijne bezoeken eene soort

van voogdijschap kunnen zien die op u een verkeerden indruk zou maken;

met dat al kom ik zeker terug, twijfel daar niet aan."

»Gij zult nooit te dikwijls kunnen komen, vader," riepen beiden

tegelijk, terwijl zij hem de handen drukten en kusten.

»Vaartwel, en weest gelukkig," hernam de zendeling bewogen; »gij weet

waar gij mij kunt vinden als gij mijne hulp of mijn troost noodig

hebt. Komt dan vrij, ik zal altijd gereed zijn u te helpen zooveel

ik kan; hoe weinig het ook wezen mag, God zal mijne pogingen zegenen,

dat weet ik. Vaartwel!"

Hiermede gaf de missionaris zijn paard de sporen en reed weg in

vollen galop.

De Roode-Ceder en zijne dochter oogden hem na zoo lang zij hem

zien konden.

Toen hij eindelijk aan den anderen oever der rivier in het kreupelbosch

der prairie verdwenen was, slaakten zij een zucht en traden in de

jacal terug.

»Goede, waardige, vrome man!" mompelde de Squatter terwijl hij zich

op eene butacca neder wierp. »O! ik wil de hoop niet teleurstellen

die hij op mijne verbetering gevestigd heeft!"

Het was nu ten minste geen komedie die de Squatter speelde.

XVI.

DE MEDEPLICHTIGE.

De Roode-Ceder schikte zich veel gemakkelijker in zijn nieuwen toestand

dan zijne dochter had durven denken.

Overigens was er niets in zijn gewone levenswijze veranderd; de

manier waarop hij te werk ging daargelaten, was het steeds dezelfde

arbeid, dat wil zeggen: het leven in de wildernis in al zijne heerlijke

ongebondenheid, jagen en visschen, terwijl Ellen, die in de hut bleef,

zich met de zorg voor het huishouden bezig hield.

Alleen des avonds eer zij zich ter ruste begaven las het meisje haren

vader eenige hoofdstukken voor uit een bijbel dien de zendeling haar

gegeven had.

Met den elleboog op de tafel en de pijp in den mond luisterde de

Squatter met eene aandacht daar hij zelf zich vaak over verwonderde

en die met elken dag toenam.

Het was een belangwekkend tooneeltje--in dezen vergeten hoek der

groote Amerikaansche woestijn, te midden dier grootsche natuur, in

die armelijke zwakke jacal die met iedere windvlaag schudde--dien

grijsaard met zijn reuzengestalte en zijne krachtvolle en sombere

gelaatstrekken te zien zitten luisteren naar het lezen van dat bleeke,

blonde en tengere meisje, welks fijne gelaatstrekken en nevelachtige

vormen een geweldig contrast maakten met die van haar toehoorder.

Zoo ging het alle dagen voort; de Squatter was gelukkig, of ten minste

scheen en meende het te zijn; gelijk alle menschen wier leven eene

aaneenschakeling van ruwe tooneelen of noesten arbeid geweest is,

hadden de herinneringen weinig vat op hem, hij vergat alles en meende

alles vergeten te zijn.

Ellen leed intusschen in stilte, zij was ongerust; dit leven zonder

bepaald doel en zonder toekomst had voor haar geene bekoorlijkheid,

omdat het haar de bron afsloot van alle menschelijke heil op aarde,

namelijk de hoop.

De lynch-wet · 第 10 / 29 段